Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7271

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
14-08-2018
Zaaknummer
200.161.069/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afsluitend arrest inzake een uitgebreide boedelscheiding waarbij het hof moest terugkomen op een onjuiste bindende eindbeslissing in een voorafgaand tussenarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.161.069/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/98970 / HA ZA 13-127)

arrest van 31 juli 2018

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. L.C. van der Veer, kantoorhoudend te Meppel,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [C] ,

3. [geïntimeerde3] ,

voorheen wonende te [D] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk ook aan te duiden als [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

In zijn tussenarrest van 19 december 2017 heeft het hof overwogen terug te komen op zijn eerdere beslissing in het arrest van 21 maart 2017 onder 6.4.8. dat de grieven I tot en met III in het incidenteel hoger beroep slagen, waar bedoeld was dat deze falen. Aan partijen is vervolgens gelegenheid geboden zich hierover bij akte uit te laten. Beide partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. [geïntimeerden] c.s. hebben bij akte van 6 februari 2018 kennis gegeven van het overlijden van [geïntimeerde3] (geïntimeerde in principaal hoger beroep/appellant in het incidenteel hoger beroep onder 3.)

2. De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1

In zijn tussenarrest van 19 december 2017 is het hof teruggekomen op zijn bij arrest van 21 maart 2017 genomen beslissing dat de grieven I tot en met III in het incidenteel hoger beroep slagen. Dit omdat de overweging dat de grieven I tot en met III slagen, niet aansloot op de voorafgaande overwegingen. Aan partijen is gelegenheid gegeven daarop te reageren.

2.2

Daarnaast heeft het hof in het tussenarrest van 19 december 2017 ook grief K in het principaal hoger beroep verworpen nadat bij tussenarrest van 21 maart 2017 reeds de overige grieven in het principale hoger beroep waren verworpen.

2.3

[appellant] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. [geïntimeerden] c.s. hebben bij eerdergenoemde akte tegen de wijziging bedoeld onder 2.1 bezwaar gemaakt en tevens (nogmaals) hun eis gewijzigd.

2.4

Het hof stelt voorop dat thans voor de nadere eiswijziging in de procedure geen plaats meer is. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het in hoger beroep in beginsel onder meer niet toegestaan de eis na de eerste processtukken te wijzigen. Die regel dient streng te worden gehanteerd. De daarop door de Hoge Raad gegeven uitzonderingen doen zich hier niet voor, zodat de wijziging van eis door [geïntimeerden] c.s. wordt geweigerd. Uitgangspunt is en blijft de in de memorie van antwoord/grieven in incidenteel hoger beroep verwoorde eis.

2.5

Het hof is teruggekomen op zijn beslissing aangaande de grieven I tot en met III in het incidenteel hoger beroep en heeft geoordeeld, zoals ook al besloten lag in de eerdere overwegingen van het hof, dat die grieven falen. Die grieven betreffen de vorderingen over en weer tussen [appellant] en de nalatenschap van de vader van partijen. Het hof heeft, evenals de rechtbank, aangaande de door [appellant] gestelde en door [geïntimeerden] c.s. weersproken vordering van [appellant] op de nalatenschap van vader geoordeeld dat deze onvoldoende is onderbouwd en dat daarmee derhalve geen rekening hoeft te worden gehouden bij de verdeling van de nalatenschap van vader. De schuld van [appellant] aan de nalatenschap van vader staat naar het oordeel van het hof vast voor een bedrag van € 50.719,-, te vermeerderen met de contractuele (samengestelde) rente van 7% per jaar met ingang van 27 januari 2015 tot aan de datum van algehele voldoening

2.6

Voor wat betreft de nalatenschap van vader is aan de rechtbank verzocht de omvang daarvan te bepalen en voorts [appellant] te veroordelen dat deze zijn medewerking zal verlenen aan de uitbetaling van ¼ deel van de aldus vastgestelde omvang van die nalatenschap.

2.7

De rechtbank heeft de omvang als zodanig van de nalatenschap van vader niet vastgesteld. Zij heeft slechts over de geschilpunten tussen partijen aangaande onder meer die omvang beslist en aan het aan de boedelnotaris overgelaten aan de hand van die beslissingen de omvang van vaders nalatenschap vast te stellen en tot verdeling over te gaan.

2.8

Een deel van de aldus gegeven beslissingen is aan het hof voorgelegd met de (gewijzigde) vordering dat het hof 'opnieuw' de verdeling van de nalatenschap zal vaststellen, zoals uitgewerkt in de memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep. Meer in het bijzonder dat aan [appellant] zal worden uitbetaald 25% van de nalatenschap van vader, onder aftrek van € 50.719,-, te vermeerderen met een rente van 7% over laatstgenoemd bedrag vanaf 27 januari 2015 tot aan de datum dat notaris mr. Elzinga het bedrag waarop [appellant] aanspraak kan maken heeft betaald.

2.9

Bij hun wijze van procederen hebben partijen gekozen voor een gefragmenteerd debat aangaande de omvang en verdeling van de nalatenschap van vader. De gevraagde omvang als zodanig is door de rechtbank niet gegeven, terwijl partijen er kennelijk ook bij de boedelnotaris niet uit konden komen. In hoger beroep is deze gefragmenteerde benadering voortgezet, waarbij de vaststelling van de omvang - welke vaststelling vooraf gaat aan de verdeling - uit de gewijzigde eis is verdwenen, zodat het hof ook op dat punt geen opening ziet. Een verdeling van vaders nalatenschap als geheel kan het hof om die reden niet geven. In het licht van het vorenstaande is overigens de toevoeging 'opnieuw' onbegrijpelijk.

2.10

Het hof heeft wel, evenals de rechtbank al had gedaan, vastgesteld hoe de schuldverhoudingen tussen [appellant] en de nalatenschap van vader zijn. Het beroep dat namens [geïntimeerden] c.s. wordt gedaan op artikel 3:184 BW komt [geïntimeerden] c.s. al toe op grond van de wet, zodat reeds daarom die regel voor verdeling in acht dient te worden genomen. Een veroordeling daartoe door het hof is overbodig en als zodanig hebben [geïntimeerden] c.s. daarbij geen rechtens te respecteren belang. Overigens is een vordering daartoe ook niet verwoord in de eis die ter beoordeling in dit hoger beroep voorligt.

2.11

Het hof realiseert zich terdege dat deze uitkomst voor partijen die in hun onderlinge debat kennelijk zijn vastgelopen weinig bevredigend is. Dit te meer nu zij kennelijk evenmin onder leiding van de boedelnotaris tot een oplossing kunnen komen en ook ter meervoudige comparitie bij het hof een oplossing in de vorm van een minnelijke regeling niet realiseerbaar bleek. Dat neemt niet weg dat de procedure zoals die door partijen is ingericht en verder is versmald in hoger beroep aan het hof onvoldoende mogelijkheid biedt alsnog aangaande samenstelling, omvang en verdeling van de nalatenschap als geheel bindend te beslissen zonder daarbij buiten de grenzen van de rechtsstrijd te treden. Het thans gefragmenteerd gevoerde debat is daartoe ontoereikend.

2.12

Het hof is, anders dan [geïntimeerden] c.s. betogen, niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.

3 Slotsom

3.1

Het hof ziet geen aanleiding terug te komen op zijn overwegingen in het tussenarrest van 19 december 2017, waarin alsnog is geoordeeld dat de grieven I tot en met III in het incidentele appel falen. Het vorenstaande betekent dat alle grieven in zowel het principale als het incidentele appel falen. Het vonnis waarvan beroep zal om die reden worden bekrachtigd.

Gezien de familieverhoudingen zal het hof de proceskosten compenseren.

4 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden vonnissen die de rechtbank Noord Nederland, zittingsplaats Assen op 23 april 2014 en 10 september 2014 tussen partijen heeft gewezen;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen haar eigen kosten draagt;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. G. van Rijssen, mr. I. Tubben en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

31 juli 2018.