Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7266

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
200.235.706/01 en 200.235.706/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheidingsconvenant. Geen sprake van misbruik van omstandigheden of dwaling. Man is analfabeet, maar laat alle stukken door een familielid lezen. Als hij zich niet van de inhoud van het convenant heeft vergewist, is dat voor zijn rekening en risico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/138
PFR-Updates.nl 2018-0208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.235.706/01 en 200.235.706/02

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/447718/FL RK 17-1995)

beschikking van 9 augustus 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Nieuwendijk te Almere,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.C.M. Montessori te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 21 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 19 maart 2018;

- het verweerschrift met productie(s);

- het aanvullend beroepschrift tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring;

- een journaalbericht van mr. Nieuwendijk van 22 maart 2018 met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van 23 mei 2018;

- een journaalbericht van mr. Nieuwendijk van 12 juli 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Montessori van 13 juli 2018 met productie(s).

2.2

De minderjarige [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2002, is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 24 juli 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Nieuwendijk heeft het woord mede gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2018 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- de meerderjarige [B] , geboren [in] 1997 en

- de minderjarige [de minderjarige] , voornoemd, over wie partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

3.3

Partijen zijn in een op 24 oktober 2017 ondertekend echtscheidingsconvenant -voor zover hier van belang- het volgende overeengekomen:

Artikel 1 PARTNERALIMENTATIE

De man heeft een bruto-jaarinkomen van € 56.487,-; de vrouw heeft geen inkomen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw is € 1.593,- netto per maand. De man is in staat in deze behoefte te voorzien met een bedrag van € 742,- bruto per maand. De man is genoemd bedrag aan de vrouw verschuldigd als bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van de datum dat partijen gescheiden zullen gaan wonen.

Artikel 2 OUDERSCHAPSPLAN

(…)

b. [de minderjarige] zal na scheiding zijn hoofdverblijf hebben bij de vrouw en bij haar ingeschreven staan. Ook [B] zal na scheiding bij de vrouw gaan wonen.’

(…)

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking is bepaald dat het aangehechte en door de griffie gewaarmerkte convenant deel uitmaakt van de bestreden beschikking.

4.2

De man is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien primair op de vernietigbaarheid van het convenant op grond van misbruik van omstandigheden, dan wel op grond van dwaling, en subsidiair op een wijziging van omstandigheden. De man verzoekt:

I. primair voor recht te verklaren dat het convenant van partijen, waarvan de inhoud onderdeel uitmaakt van de bestreden beschikking vernietigbaar is, de artikelen 1 en 2 onder b van het convenant te vernietigen en te bepalen dat:

  • -

    de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw nihil zal zijn met ingang van de datum dat partijen gescheiden zullen gaan wonen;

  • -

    de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man zal zijn;

  • -

    het convenant van 24 oktober 2017 voor het overige in stand blijft.

II. subsidiair artikelen 1 en 2 onder b van het convenant van partijen, waarvan de inhoud onderdeel uitmaakt van de bestreden beschikking, te wijzigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

  • -

    de partneralimentatie zoals opgenomen in het convenant van 24 oktober 2017 wordt gewijzigd en te bepalen dat de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw nihil zal zijn met ingang van de datum dat partijen gescheiden zullen gaan wonen;

  • -

    de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man zal zijn.

4.3

De vrouw voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, het door de man ingestelde beroep ongegrond te verklaren en de man niet-ontvankelijk te verklaren in de door hem ingestelde zelfstandige verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de partneralimentatie.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter zitting heeft de man zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen ingetrokken. Daarom liggen alleen nog aan het hof voor het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring (200.235.706/02) en de door de man te betalen partneralimentatie (200.235.706/01).

in het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad (200.235.706/02)

5.2

Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

5.3

Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012.

( i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.

(ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.

(iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.

(iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

( v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

Dat neemt niet weg dat ook dan de verzoeker die wijziging van de beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wenst aan zijn verzoek ten grondslag kan leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

5.4

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is gebleken dat de man en de vrouw van mening verschillen over de ingangsdatum van de door de man te betalen partneralimentatie. In het echtscheidingsconvenant is opgenomen dat de man partneralimentatie aan de vrouw verschuldigd is met ingang van de datum dat partijen gescheiden zullen gaan wonen. Inmiddels heeft de vrouw zich op 29 maart 2018 uitgeschreven van het adres van de voormalige echtelijke woning, maar heeft zij de woning feitelijk nog niet verlaten. De man is van mening dat de verplichting tot het betalen van partneralimentatie daarom nog niet is ingegaan. De vrouw is daarentegen van mening dat de verplichting tot het betalen van partneralimentatie is ingegaan op de datum van haar uitschrijving van het adres van de voormalige echtelijke woning.

5.5

Het hof is, met de man, van oordeel dat de verplichting tot het betalen van partneralimentatie niet afhankelijk is van de datum van uitschrijving van het adres van de echtelijke woning, maar pas ingaat op het moment dat de vrouw daadwerkelijk de echtelijke woning heeft verlaten. Van een dergelijke situatie is nog geen sprake. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij de echtelijke woning uiterlijk per 1 september 2018, of zoveel eerder als mogelijk zal verlaten.

5.6

Vorenstaande brengt mee dat nog geen sprake is van een situatie waarop de verbintenis tot betaling van partneralimentatie ziet en de betalingsverplichting van de man nog niet is ingegaan. Nu er nog niets te executeren valt, bestaat evenmin aanleiding de werking van de beschikking te schorsen. Het hof zal om deze reden het schorsingsverzoek van de man afwijzen. Omdat duidelijkheid over de ingangsdatum van de partneralimentatie voor partijen van belang is, nu de vrouw immers reeds tot executie is overgegaan, zal het hof vorenstaande in een ‘verstaansbeslissing’ opnemen.

in de hoofdzaak (partneralimentatie, 200.235.706/01)

misbruik van omstandigheden en dwaling

5.7

De man stelt dat het convenant tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden, waardoor het convenant op grond van artikel 3:44 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar is. De man is analfabeet en kon de inhoud van het convenant niet lezen en begrijpen. De vrouw wist dit, maar heeft desondanks de man bewogen tot het ondertekenen van het convenant. De vrouw heeft de man daarbij voorgehouden dat indien hij het convenant zou ondertekenen, zij op korte termijn aanspraak zou kunnen maken op een eigen huurwoning. De vrouw wist dat dit voor de man een reden was om het convenant te ondertekenen, aldus de man. De man stelt dat de vrouw de man niet heeft ingelicht over de in het convenant opgenomen partneralimentatie en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . In dat geval had de man het convenant niet ondertekend. Daarnaast wist de vrouw dat de man in verband met zijn gezondheid minder was gaan werken, en geen bruto jaarinkomen van

€ 56.478,- meer ontving. De man meent om al deze redenen dat het convenant tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden, en dat het convenant om die reden vernietigbaar is. De man stelt daarnaast dat het convenant vernietigbaar is omdat het convenant tot stand is gekomen onder invloed van dwaling (artikel 6:228 BW). De man voert daarbij dezelfde feiten aan als hij bij de door hem gestelde misbruik van omstandigheden heeft aangevoerd.

5.8

De vrouw stelt dat het weliswaar klopt dat de man analfabeet is, maar dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft, al meer dan 40 jaar in Nederland woont en ten minste 37 jaar bij dezelfde werkgever werkt. De man is geworteld in Nederland en het is zijn eigen verantwoordelijkheid om hulp in te schakelen indien hij wordt geconfronteerd met teksten die hij niet kan lezen. Daarnaast is het volgens de vrouw niet juist dat de man het convenant heeft ondertekend zonder op de hoogte te zijn van de inhoud daarvan. De advocaat van de vrouw heeft de man zowel bij brief van 9 oktober 2017 als in een telefonisch onderhoud geïnformeerd over de wensen van de vrouw en de toepasselijke richtlijnen. Het overleg heeft over en weer tot concessies geleid en vervolgens tot overeenstemming.

5.9

Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW).

5.10

In artikel 6:228 lid 1 BW is bepaald, voor zover thans van belang, dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar is:

a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten.

5.11

Het hof is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van misbruik van omstandigheden en evenmin van dwaling. Vaststaat dat de advocaat van de vrouw en de man hebben gesproken over de inhoud van het convenant. Daarnaast is uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen gebleken dat de man inderdaad analfabeet is, maar dat hij normaal gesproken alle van belang zijnde stukken aan zijn zus of ander familielid laat lezen. Indien de man in dit geval daadwerkelijk -zoals hij stelt- een handtekening heeft gezet onder het convenant zonder zich van tevoren van de inhoud daarvan te vergewissen dient dat, mede gezien de (lange) periode dat de man inmiddels woonachtig is in Nederland en de wijze waarop hij doorgaans hulp inroept bij zulke kwesties, voor rekening en risico van de man te komen. Overige omstandigheden die tot vernietiging van de bewuste passages in het convenant zouden moeten leiden, zijn door de man niet of onvoldoende onderbouwd gesteld.

wijziging van het convenant

5.12

De man heeft subsidiair gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, dan wel grove miskenning van de wettelijke maatstaven zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW. De in het convenant opgenomen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw voldoet niet aan de wettelijke maatstaven omdat er aan de zijde van de man is gerekend met een te hoog inkomen en te lage woonlasten en er daarnaast geen rekening is gehouden met het gegeven dat de man de ziektekosten van [B] betaalt. De alimentatie zou op een lager bedrag zijn vastgesteld indien de rechtbank met de juiste financiële gegevens van de man zou hebben gerekend.

5.13

De vrouw stelt dat dit verzoek van de man niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan en dat de man derhalve niet-ontvankelijk is. Ook betwist de vrouw dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De man geeft niet aan welke omstandigheden zouden zijn gewijzigd sinds de datum van ondertekening van het convenant, te weten 24 oktober 2017.

5.14

Het hof is van oordeel dat de man op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ingevolge artikel 827 Rv voor het eerst in hoger beroep een nevenvoorziening, zoals wijziging van alimentatie, kan verzoeken. De man is derhalve ontvankelijk in dit verzoek.

* wijziging op grond van artikel 1:401 lid 5 BW

5.15

Met een grove miskenning van de wettelijke maatstaven wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het betreft dan gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

5.16

In een procedure waarin wijziging van de overeengekomen bijdrage wordt verzocht op grond van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, moeten zware eisen worden gesteld aan de stelplicht van de partij die de wijziging verzoekt. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende (onderbouwd) heeft gesteld dat er sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De enkele stelling van de man dat de advocaat van de vrouw met een te hoog inkomen en een te lage woonlast van de man heeft gerekend, en dat daardoor de alimentatie op een te hoog bedrag is vastgesteld, is daartoe onvoldoende.

* wijziging op grond van artikel 1:401 lid 1 BW

5.17

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Bij wijziging van omstandigheden moet het gaan om een relevante wijziging van omstandigheden die zich nadien, dat wil zeggen na de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht, heeft voorgedaan. Het verkrijgen van de wetenschap dat de feitelijke omstandigheden ten tijde van het sluiten van een alimentatieovereenkomst anders waren dan toen werd aangenomen, levert geen wijziging van omstandigheden op in de zin van artikel 401: lid 1 BW.

5.18

Het hof stelt vast dat, gezien de in het geding gebrachte loonstroken van 2017 en 2018, de man nagenoeg een gelijk inkomen verwerft in 2018 als ten tijde van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant in 2017. De man stelt dat er sprake zou zijn van een wijziging van zijn inkomen in 2018 omdat hij niet meer in staat is om zoveel overuren te draaien als hij in 2016 deed, maar dit blijkt niet uit de door de man overgelegde salarisspecificaties 2017 en 2018. Andere wijzigingen zijn door de man niet gesteld. Er is daarom geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden op grond van artikel 1:401 lid 1 BW.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen, en het verzoek tot schorsing afwijzen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de hoofdzaak:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van

21 december 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

in het verzoek tot schorsing:

wijst het verzoek tot schorsing af;

verstaat dat zich (in elk geval tot aan de datum van de mondelinge behandeling bij het hof) nog geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 1, laatste zin, van het echtscheidingsconvenant;

in beide zaken:

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en

C. Koopman, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 9 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.