Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7151

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
21-006012-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:4015
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

feit 1a: al dan niet opzettelijk medeplegen van artikel 2.7, lid 2, Wet natuurbescherming

(met off-the-road motoren)

vrijspraak:

In aanmerking genomen dat niet gebleken is dat de verdachte en zijn medeverdachten buiten de wegen in het Holtingerveld hebben gereden, kan niet worden vastgesteld dat het rijden door de verdachte en zijn medeverdachten de kwaliteit van de in het kader van Natura 2000 beschermde habitattypen in het Holtingerveld kon verslechteren of een significant verstorend kon hebben op één of meer soorten waarvoor dat gebied was aangewezen. De algemene stelling dat crossen met motoren significante schade toebrengt aan de natuur, is onvoldoende om de specifiek op de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied toegespitste tenlastelegging bewezen te achten.

feit 1b: medeplegen van overtreding van artikel 5.33, lid 1, APV 2012 gemeente Westerveld (met off-the-road motoren)

ontslag van rechtsvervolging wegens onverbindendheid:

Voor zover de gemeente Westerveld het gebruik van de wegen in het Holtingerveld door motorvoertuigen als hier aan de orde wilde verbieden, kon zij deze geslotenverklaring bewerkstelligen door het nemen van een besluit tot plaatsing van een bord (C1), waarna dit verbod krachtens de Wegenverkeerswet 1994, dan wel de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, kon worden gehandhaafd. In zoverre moet artikel 5.33 van de APV van de gemeente Westerveld verbindende kracht worden ontzegd wegens strijd met hogere regelgeving.

feit 2: plegen van overtreding van artikel 5.1.1, lid 1, a/c Regeling voertuigen

(met off-the-road motor)

veroordeling:

Geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dat de RDW de motoren van verdachte en zijn medeverdachten heeft goedgekeurd, terwijl deze motoren niet waren voorzien van spiegels, richtingsaanwijzers en een retroreflector aan de achterzijde, en dat de motoren van de opsporingsambtenaren ook niet waren voorzien van spiegels, richtingsaanwijzers en een retroreflector aan de achterzijde, brengt niet mee dat geen veroordeling kan volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006012-17

Uitspraak d.d.: 9 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Noord-Nederland van 23 oktober 2017 met parketnummer 18-670512-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling ter zake van het onder 1 ten laste gelegde - met toepassing van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht - tot een geldboete van € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde tot een geldboete van € 250,=, subsidiair 5 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. J. van Groningen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Het hof nummert - in verband met na melden verwijzingen naar de ten laste gelegde feiten - het eerste deel van het onder 1 ten laste gelegde, tot en met de woorden "(…) Holtingerveld was aangewezen", als 1a, en het tweede deel van het onder 1 ten laste gelegde, vermeld ná "(…) Holtingerveld was aangewezen", als 1b.

Aldus gelezen is aan verdachte - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1a:
hij op of omstreeks 24 januari 2016 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , gemeente Westerveld , samen en in vereniging met anderen of een ander danwel alleen, al dan niet opzettelijk, in strijd met artikel 2.7 lid 2 van de Wet Natuurbescherming, zonder vergunning van Gedeputeerde Staten van Drenthe een handeling heeft verricht, bestaande die handeling uit het als bestuurder(s) van een (off-the-road en/of cross) motor rijden door (een deel) van het

Natura-2000 gebied Holtingerveld, terwijl, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat Natura 2000-gebied Holtingerveld, die voornoemde handeling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en/of de habitats van één of meer soort(en) in dat gebied kon verslechteren en/of een significant verstorend effect kon hebben op één of meer soort(en) waarvoor dat gebied Holtingerveld was aangewezen

en/of

1b:
hij op of omstreeks 24 januari 2016 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , gemeente Westerveld , samen en in vereniging met anderen of een ander danwel alleen, in strijd met artikel 5.33 lid 1 van de Algemene Plaatselijke verordening 2012 van de gemeente Westerveld , binnen een voor publiek toegankelijk natuurgebied, te weten het Natura-2000 gebied Holtingerveld, heeft/hebben gereden en/of zich heeft/hebben bevonden met een (off-the-road en/of cross) motor;

2:
hij op of omstreeks 24 januari 2016 te [plaats 2] , gemeente Westerveld , als bestuurder van een motorrijtuig (voertuig) (kenteken [kenteken] ) daarmee heeft gereden (over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [weg] ) terwijl dat motorrijtuig niet voldeed aan artikel 5.1.1 lid 1 a/c van de Regeling voertuigen, ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het behoorde, gestelde eisen, aangezien was voornoemd motorrijtuig niet voorzien van één of meer spiegel(s) en/of niet voorzien van één of meer richtingaanwijzer(s) en/of ontbrak een rode retroreflector aan de achterzijde van dat voertuig en/of was de kentekenplaat niet deugdelijk aan de achterzijde van dat voertuig bevestigd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig bewezen dat verdachte het onder 1a tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. In dit verband overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt vast dat verdachte en zijn medeverdachten op 24 januari 2016 door het Natura 2000-gebied Holtingerveld zijn gereden met hun off-the-road motor. Ter zitting van het hof heeft verdachte de route aangewezen die hij met zijn medeverdachten heeft gereden. In dit verband heeft verdachte gesteld dat zij in het Holtingerveld (enkel) over (onverharde) wegen hebben gereden en dat deze wegen (ook) gebruikt (mogen) worden door, met name, landbouwverkeer. Ter zitting heeft de verdachte nog een ontheffing getoond van de geslotenverklaring voor gemotoriseerde voertuigen, geldig tot 9 oktober 2022 op de wegen binnen het natuurgebied het Holtingerveld. Deze ontheffing is op naam van het installatiebedrijf van de verdachte gesteld en is alleen geldig voor het noodzakelijke gebruik van een motorvoertuig. De verdachte heeft deze ontheffing "voor de lol" aangevraagd en wil hiermee aantonen dat dergelijke ontheffingen kennelijk zonder enige inhoudelijke toetsing aan de natuurdoelstellingen worden verstrekt.

Beoordeeld moet worden of het rijden in het Holtingerveld door verdachte en zijn medeverdachten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en/of de habitats van één of meer soort(en) in dat gebied kon verslechteren en/of dat dit rijden een significant verstorend effect kon hebben op één of meer soort(en) waarvoor dat gebied Holtingerveld was aangewezen. Het Holtingerveld is aangewezen voor elf habitattypen en twee diersoorten: de kamsalamander en de gevlekte witsnuitlibel. In het beheerplan is per habitattype en beschermde soort aangegeven hoe deze er voor staan. Het dossier bevat een notitie van 30 september 2015 van [naam] , beleidsmedewerker Natuur bij de provincie Drenthe, getiteld "Gevolgen van het illegaal gebruik van het Holtingerveld door off-the-road-crossers", waarin het volgende is verwoord: "Crossen met auto’s en motoren is een activiteit die het beheerplan uitsluit vanwege de significante schade die deze activiteit toebrengt aan de natuur. De gevolgen van het crossen zijn o.m.:

• Het verstoren van broedende vogels. In het kader van Natura 2000 gaat het in eerste instantie om typische soorten zoals tapuit, roodborsttapuit, paapje en boomleeuwerik. Ook buiten het broedseizoen kan er ernstige verstoring optreden door het crossen door de natuur. De wintergast klapekster wordt bijvoorbeeld hierdoor verstoord. Ook soorten van bossen en

bosranden hebben snel te lijden van verstoring, zoals zwarte specht en wespendief.

• Het verwonden of doden van amfibieën en reptielen. In het gebied komen populaties voor van o.m. adder, hazelworm en levendbarende hagedis. Bovendien komen heikikker en de speciaal door Natura 2000 beschermde amfibie kamsalamander voor. Geregeld worden exemplaren van deze dieren doodgereden. Zeker bij kleine deelpopulaties zoals op de Havelterberg kan dat het lokaal uitsterven in de hand werken.

• Verontrusting wild. Door het heftige geluid dat crossers veroorzaken gaat wild er meestal

vandoor. Behalve dat dit ernstige onrust voor het wild oplevert, zoals voor reeën, zorgt het ook voor een disbalans in de energiehuishouding. Vluchten kost energie. Deze moet weer

aangevuld worden. Vooral in de winter kan herhaaldelijke verstoring tot gezondheidsproblemen bij wild leiden. Bovendien bestaat het gevaar dat vluchtend wild, weer vooral reeën, leidt tot verkeersongevallen op aanliggende wegen.

• Beschadiging van de vegetatie en verwonding van de bodem. In het Holtingerveld komen

enkele plantensoorten voor die bijzonder zeldzaam zijn en met uitsterven bedreigd.

Voorbeelden zijn knollathyrus, bochtige klaver, parnassia en diverse orchideeën. Bovendien

bestaan vele habitattypes uit plantensoorten die kenmerkend zijn en in Nederland vooral hier

voorkomen. Het Holtingerveld kent habitattypes die hier zeer goed ontwikkeld zijn, maar

ernstige schade ondervinden door betreding en bodemverwonding. Hierdoor verdwijnen

typische en zeldzame soorten. Hun plaats wordt door algemene soorten ingenomen.

Behalve schade aan natuur brengt het crossen ook aanzienlijke schade aan aan belangwekkende cultuurhistorische elementen zoals aan de grafheuvels, die frequent voorkomen. Tot slot levert het crossen niet alleen angst en ergernis op bij bezoekers van het Natura 2000-gebied, de kans op ernstige ongevallen door het ongebreideld crossen is niet uit te sluiten".

In de notitie is niet beschreven waar de beschermde habitattypen in het Holtingerveld zijn gelegen, noch waar de leefgebieden zijn van de kamsalamander en de gevlekte witsnuitlibel. Ook anderszins blijkt dit niet uit het dossier. Daarom kan, in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat de verdachte en zijn medeverdachten buiten de wegen in het Holtingerveld hebben gereden, niet worden vastgesteld dat het rijden door de verdachte en zijn medeverdachten de kwaliteit van de in het kader van Natura 2000 beschermde habitattypen in het Holtingerveld kon verslechteren of een significant verstorend kon hebben op één of meer soorten waarvoor dat gebied was aangewezen. De algemene stelling dat crossen met motoren significante schade toebrengt aan de natuur, is onvoldoende om de specifiek op de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied toegespitste tenlastelegging bewezen te achten.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1b en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1b:
hij op 24 januari 2016 te [plaats 1] en te [plaats 2] , gemeente Westerveld , samen en in vereniging met anderen, in strijd met artikel 5.33 lid 1 van de Algemene Plaatselijke verordening 2012 van de gemeente Westerveld , binnen een voor publiek toegankelijk natuurgebied, te weten het Natura-2000 gebied Holtingerveld, heeft gereden en zich heeft bevonden met een off-the-road motor;

2:
hij op 24 januari 2016 te [plaats 2] , gemeente Westerveld , als bestuurder van een motorrijtuig (voertuig), kenteken [kenteken] , daarmee heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [weg] , terwijl dat motorrijtuig niet voldeed aan artikel 5.1.1 lid 1 onder a en c van de Regeling voertuigen, ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het behoorde, gestelde eisen, aangezien was voornoemd motorrijtuig niet voorzien van spiegels en niet voorzien van richtingaanwijzers en ontbrak een rode retroreflector aan de achterzijde van dat voertuig.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het onder 1b bewezenverklaarde

Ingevolge artikel 5.33 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Westerveld is het, behoudens uitzonderingen, verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Voor zover de gemeente Westerveld het gebruik van de wegen in het Holtingerveld door motorvoertuigen als hier aan de orde wilde verbieden, kon zij deze geslotenverklaring bewerkstelligen door het nemen van een besluit tot plaatsing van een bord (C1), waarna dit verbod krachtens de Wegenverkeerswet 1994, dan wel de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, kon worden gehandhaafd. In zoverre moet artikel 5.33 van de APV van de gemeente Westerveld verbindende kracht worden ontzegd wegens strijd met hogere regelgeving. Derhalve dient verdachte ter zake hiervan te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van het bepaalde bij artikel 5.1.1., eerste lid, juncto artikel 10 van de Regeling voertuigen.

Strafbaarheid van de verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

De verdachte heeft gesteld dat off-the-road motoren doorgaans niet zijn voorzien van spiegels, richtingaanwijzers en een retroreflector aan de achterzijde, dat de RDW de motoren van verdachte en zijn medeverdachten heeft goedgekeurd ondanks het ontbreken hiervan en dat de motoren van de verbalisanten ook niet waren voorzien van spiegels, richtingaanwijzers en een retroreflector aan de achterzijde.

In dit verband stelt het hof vast, zoals verdachte ter zitting heeft bevestigd, dat off-the-road motoren in beginsel voor het rijden op onverharde wegen en terreinen zijn bedoeld en dat georganiseerde off-the-road ritten vooral op landbouwgronden en in bossen worden verreden, waarbij sprake is van (korte) verbindingsetappes over de openbare weg en verkeersbegeleiding. Off-the-road motorfietsen zijn ook niet echt geschikt voor het rijden van langere afstanden over de openbare weg en worden vaak op een auto-aanhanger naar de off-the-road ritten vervoerd, zodat deze ook verder niet op de openbare weg komen. Dat de RDW onder die omstandigheden de motoren van de verdachte en zijn medeverdachten heeft goedgekeurd, doet er niet aan af dat deze op grond van de wegenverkeerswetgeving in geval van gebruik op de openbare weg van spiegels, richtingaanwijzers en een rode retroreflector moeten zijn voorzien. Voor zover de motoren van de verbalisanten niet van deze attributen waren voorzien, moet worden vastgesteld dat deze motoren op dat moment in het kader van de opsporing in het Holtingerveld werden gebruikt en niet (langer dan noodzakelijk) op de openbare weg.

Van strijd met het gelijkheidsbeginsel die zou meebrengen dat verdachte voor dit feit niet zou kunnen worden veroordeeld, zoals door de raadsman betoogd, is derhalve geen sprake.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het onder 2 bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 24 januari 2016 op de openbare weg als bestuurder van een motorrijtuig, een zogenaamde off-the-road motor, gereden, terwijl die motor niet voldeed aan de bepalingen van de Regeling voertuigen. De motor was niet voorzien van spiegels en richtingaanwijzers, terwijl een rode reflector aan de achterzijde van die motor ontbrak.

Het rijden met een motor die de meest elementaire zaken mist kan gevaar op de weg veroorzaken. Andere weggebruikers kunnen niet zien welke wegmanoeuvres een bestuurder van een dergelijke motorvoertuig wil maken, waardoor gemakkelijk gevaarlijke verkeerssituaties kunnen ontstaan voor zowel medeweggebruikers als de motorrijder zelf.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2018 blijkt dat verdachte zowel vóór als ná het plegen van het onder 2 bewezenverklaarde feit niet ter zake van het plegen van enig strafbaar feit met justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegende acht het hof de oplegging van een voorwaardelijke geldboete van € 250,=, subsidiair 5 dagen hechtenis, in dit geval passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 177 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 5.1.1 en 10.1 van de Regeling voertuigen.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1a ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1b en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1b bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. E. de Witt en mr. L.G. Wijma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,

en op 9 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. L.G. Wijma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.