Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7131

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
200.187.748/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet de uitkomst van een beklagprocedure ex artikel 12 Sv maar het burgerlijk recht en het civiele bewijsrecht beheersen de vragen of er onrechtmatig is gehandeld en of schade moet worden vergoed. De enkele gelijkenis met wat is voorgevallen op een latere datum, waarvoor een schadevergoedingsplicht is aangenomen, wettigt niet de conclusie dat voor vermissingen van goederen op eerdere data ook verantwoordelijkheid kan worden aangenomen. Volgt bekrachtiging van vonnis in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.187.748/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/07/188650 / HL ZA 11-885)

arrest van 7 augustus 2018

in de zaak van

My Supplies B.V.,

gevestigd te Nederhorst den Berg,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: My Supplies,

advocaat: mr. H. Kroon, kantoorhoudend te Hilversum,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. N.H. Fridsma, kantoorhoudend te Heemskerk.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 januari 2013, 22 oktober 2014 en 11 november 2015 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 9 februari 2016 en het herstelexploot van 3 maart 2016,

- het tussenarrest van 28 juni 2016, houdende de bepaling van een comparitie na aanbrengen,

- het proces-verbaal van de op 29 augustus 2016 gehouden comparitie,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord tevens van incidenteel hoger beroep, met producties,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met productie.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

My Supplies vordert in het principaal hoger beroep - kort samengevat - de vernietiging van het vonnis van 11 november 2015, uitsluitend op het onderdeel waarin [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van € 10.753,30 in hoofdsom, en opnieuw rechtdoende de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 53.691,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2011, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.4

[geïntimeerde] vordert in het incidenteel hoger beroep - kort samengevat - de vernietiging van het vonnis van 11 november 2015 en opnieuw rechtdoende de afwijzing van de vordering van My Supplies, onder veroordeling van My Supplies in de kosten van beide instanties.
2.5 [geïntimeerde] is niet meer in de gelegenheid geweest om nog te reageren op de door My Supplies bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep overgelegde productie. Die productie is, zoals zal blijken uit wat hierna wordt overwogen, door het hof niet betrokken in zijn oordeelsvorming, zodat [geïntimeerde] daardoor niet in zijn belangen is geschaad.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten, nu die tussen partijen niet in geschil zijn.

3.1

[geïntimeerde] is vanaf 1 maart 2009 in dienst geweest van My Supplies in de functie van magazijnmedewerker. Daaraan voorafgaand was hij vanaf 1 oktober 2007 in dienst bij een zustervennootschap van My Supplies. My Supplies drijft een groothandel in onder meer inktcartridges.

3.2

Op 14 januari 2011 is [geïntimeerde] door My Supplies op non-actief gesteld omdat hij verdacht werd van verduistering dan wel diefstal van inktcartridges. Ook zijn echtgenote, die ook bij My Supplies werkzaam was, is toen op non-actief gesteld.

3.3

Per brief van 11 februari 2011 is [geïntimeerde] door My Supplies meegedeeld dat zij nader onderzoek heeft verricht naar de recente diefstal dan wel verduistering van cartridges, dat My Supplies [geïntimeerde] daarvoor verantwoordelijk en aansprakelijk houdt en dat hij om die reden op staande voet wordt ontslagen. In die brief heeft My Supplies [geïntimeerde] voorts aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van die diefstal dan wel verduistering over de periode van 8 december 2010 tot en met 12 januari 2011 ad € 53.961,38 en hem gesommeerd dit bedrag aan haar binnen 10 dagen te vergoeden.

3.4

Bij beschikking van de kantonrechter te Hilversum van 30 mei 2011 is, onder het voorbehoud dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat, de arbeidsovereenkomst tussen My Supplies en [geïntimeerde] ontbonden met ingang van 1 juli 2011, onder toekenning aan [geïntimeerde] van een vergoeding van € 8.665,-.

3.5

My Supplies heeft op 7 augustus 2012 zich bij het gerechtshof Amsterdam beklaagd over de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen vervolging in te stellen tegen [geïntimeerde] en zijn echtgenote ter zake van (medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan) diefstal dan wel verduistering in dienstbetrekking. Tijdens de behandeling van het beklag heeft My Supplies haar klacht beperkt tot het niet vervolgen voor diefstal gepleegd op 12 januari 2011 en heeft het hof het noodzakelijk geacht dat nader onderzoek plaatsvond, bestaande uit het horen van een aantal getuigen. Deze getuigen zijn in de periode van april - oktober 2014 door de politie gehoord. Bij beschikking van 20 oktober 2015 is dit beklag afgewezen, in welk verband onder meer is overwogen:

“Bij deze stand van zaken is het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, aan wie de zaak zou worden voorgelegd, tot een bewezenverklaring zou kunnen komen. Voorts ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek, teneinde mogelijk meer bewijs te vergaren. (…)”.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

My Supplies heeft in eerste aanleg - kort samengevat - gevorderd de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 53.961,38, vermeerderd met rente en kosten. Daartoe heeft My Supplies aangevoerd dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door op 8, 9, 15, 22, 28 en 30 december 2010 en 12 januari 2011 cartridges te ontvreemden dan wel te verduisteren.

4.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 januari 2013 My Supplies opgedragen te bewijzen i) dat er cartridges verdwenen zijn, ii) dat [geïntimeerde] deze cartridges heeft ontvreemd en iii) dat haar schade € 53.691,38 bedraagt.

Bij vonnis van 22 oktober 2014 heeft de rechtbank overwogen dat My Supplies in het eerste deel van haar bewijsopdracht is geslaagd, in ieder geval voor zover het de cartridges betreft die op 12 januari 2011 zijn ontvreemd, waarna met betrekking tot het tweede deel van de bewijsopdracht het getuigenverhoor is heropend.

Bij vonnis van 11 november 2015 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bewezen is dat [geïntimeerde] op 12 januari 2011 de toen afgeboekte cartridges heeft ontvreemd. Voorts is overwogen dat niet is weersproken dat het gaat om 684 cartridges met een inkoopwaarde van € 10.753,30. [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2011, en is hij verwezen in de proceskosten.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

My Supplies is in hoger beroep gekomen met één grief die ertoe strekt dat [geïntimeerde] alsnog in de door haar gevorderde schadevergoeding van € 53.691,38 wordt veroordeeld. [geïntimeerde] heeft in het incidenteel hoger beroep eveneens één grief opgeworpen die het oordeel van de rechtbank aanvalt dat, gelet op de getuigenverklaringen in onderling verband en samenhang bezien, [geïntimeerde] op 12 januari 2011 de afgeboekte cartridges heeft ontvreemd. Het hof ziet aanleiding eerst het incidenteel hoger beroep te behandelen.

in het incidenteel appel

5.2

Met zijn grief klaagt [geïntimeerde] erover dat wordt miskend dat in de op artikel 12 Sv gebaseerde beklagprocedure is geconcludeerd door het hof, de advocaat-generaal, de hoofd officier van justitie en de officier van justitie dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om [geïntimeerde] te vervolgen voor verduistering dan wel diefstal. Indien hij zou zijn vervolgd, had dat ongetwijfeld tot een vrijspraak geleid. De rechtbank had om die reden niet had mogen concluderen dat bewezen is dat [geïntimeerde] op 12 januari 2011 de toen afgeboekte cartridges heeft ontvreemd, aldus [geïntimeerde] .

5.3

Bij de beoordeling van de grief stelt het hof voorop dat - zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.9 van het vonnis van 16 januari 2013 terecht heeft overwogen - op My Supplies de bewijslast rust van (onder meer) haar stelling dat sprake is van ontvreemding door [geïntimeerde] van cartridges.

5.4

Met de grief wordt in de kern betoogd dat de civiele rechter naast de strafrechter omtrent de feitenvaststelling ter zake geen zelfstandige beoordelingsbevoegdheid heeft. Dat standpunt vindt geen steun in het recht. Deze zaak wordt niet beheerst door het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en de daarin opgenomen maatstaven, maar betreft een civiele zaak tussen twee civiele partijen die twisten over een verbintenisrechtelijk geschil (vgl. ECLI:NL:GHARL:2013:5719, NJF 2013, 362, r.o. 5.3). In deze zaak is aan de orde of [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld en aan My Supplies schade dient vergoeden, welke vragen uitsluitend worden beheerst door het burgerlijk recht en het civiele bewijsrecht.

In civielrechtelijke geschillen kan op grond van artikel 152, lid 1 Rv bewijs worden geleverd door alle middelen en is op grond van lid 2 van deze bepaling de waardering van het bewijs aan het oordeel van de civiele rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. Artikel 161 Rv is zo een bepaling waarin de wet anders bepaalt. In dat artikel is een bewijsregel gegeven voor het geval de strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een strafbaar feit heeft begaan. Er is echter geen rechtsregel die bepaalt dat bewijs van een strafbaar feit in een civiel geschil niet mogelijk is, indien niet ook van een in artikel 161 Rv bedoelde strafrechtelijke veroordeling sprake is. Dat geldt ook in geval van vrijspraak .

5.5

Voor zover [geïntimeerde] wijst op het (aanvullend) onderzoek in de beklagprocedure, bestaande uit het door de politie horen van getuigen in de periode van april - oktober 2014, stelt het hof allereerst vast dat de bevindingen in dat onderzoek niet zijn overgelegd, zodat die bevindingen geen onderdeel uitmaken van het onderhavige dossier en onduidelijk is gebleven wie welke verklaring in dat onderzoek heeft afgelegd. Dat in dat onderzoek - mogelijk - meer of andere getuigen zijn gehoord dan daarvoor en nadien onder ede door de civiele rechter, maakt dan niet dat de onder ede afgelegde verklaringen zonder betekenis zijn, zoals [geïntimeerde] kennelijk ingang wil doen vinden.

5.6

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] , behoudens het voorgaande, geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd op basis waarvan tot het oordeel zou moeten worden gekomen dat de waardering door de rechtbank van het aangedragen bewijs onvoldoende draagkrachtig zou zijn. [geïntimeerde] heeft evenmin aangeboden nader (tegen)bewijs te leveren. Het hof kan zich vinden in de bewijswaardering door de rechtbank en de door haar gevolgde bewijsredenering, neemt die derhalve over en maakt deze tot de zijne.

5.7

Een en ander betekent dat de grief en zo ook het incidenteel hoger beroep faalt.

in het principaal hoger beroep

5.8

Met haar grief bepleit My Supplies dat aan haar niet alleen de waarde van de op 12 januari 2011 ontvreemde cartridges wordt vergoed maar ook van die, ontvreemd op de door haar opgevoerde data in december 2010, in totaal tot een bedrag van € 53.691,38. Ter onderbouwing daarvan heeft My Supplies betoogd dat, aangezien de rechtbank heeft overwogen dat door het handmatig uitboeken van voorraden door [geïntimeerde] op 12 januari 2011 ontvreemdingen van cartridges hebben plaatsgevonden, het op haar weg had gelegen zich uit te laten over de totale vordering van My Supplies gebaseerd op gelijksoortige handelingen van [geïntimeerde] op 8, 9, 15, 22, 28 en 30 december 2010. My Supplies heeft in dat verband gesteld te blijven bij al wat zij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Kennelijk heeft de rechtbank zich per abuis alleen geconcentreerd op de schade die door [geïntimeerde] op 12 januari 2011 is toegebracht, aldus My Supplies.

5.9

My Supplies is bij vonnis van 16 januari 2013 in de gelegenheid gesteld nader bewijs bij te brengen als hiervoor onder 4.2 is weergegeven. Zij heeft vervolgens bewijsmiddelen bijgebracht, waaronder een usb-stick met beelden en geluiden, een overzicht van de tijdsbesteding van [geïntimeerde] op 12 januari 2011, een searchlog aangaande de door [geïntimeerde] gebruikte computer op 12 januari 2011, een overzicht van de tijdsbesteding van [geïntimeerde] op 30 december 2010 en een overzicht van vermiste cartridges. Tevens zijn op haar verzoek vijf getuigen gehoord. De rechtbank heeft in het vonnis van 22 oktober 2014 overwogen dat My Supplies in het eerste deel van haar bewijsopdracht is geslaagd, in ieder geval voor zover het de cartridges betreft die op 12 januari 2011 zijn ontvreemd. Vervolgens is bij dat vonnis het getuigenverhoor heropend, waarna nog drie getuigen zijn gehoord, die allen slechts verklaren over 12 januari 2011. De rechtbank is daarop in het vonnis van 11 november 2015 tot het oordeel gekomen dat bewezen is dat [geïntimeerde] op 12 januari 2011 de toen afgeboekte cartridges heeft ontvreemd. Daarmee is onjuist de stelling van My Supplies dat de rechtbank zich geen oordeel heeft gevormd over de door haar gestelde ontvreemdingen op de andere data. In de beslissing van de rechtbank ligt besloten dat zij van oordeel is dat voor de diefstal/verduistering door [geïntimeerde] van cartridges op de andere data geen (voldoende) bewijs is.

5.10

Nog daargelaten dat My Supplies de door haar in eerste aanleg gedeponeerde usb-stick niet ook in hoger beroep heeft ingebracht, geldt dat zij niet - afzonderlijk - uiteen heeft gezet dat en waarom uit de bijgebrachte bewijsmiddelen had moeten volgen dat [geïntimeerde] ook de in december 2010 afgeboekte cartridges heeft ontvreemd, anders dan dat het ook op die data gaat om handmatig afgeboekte cartridges. Die enkele gelijkenis met wat op 12 januari 2011 is voorgevallen, is echter onvoldoende voor het oordeel dat [geïntimeerde] ook voor de andere vermissingen van cartridges in december 2010 verantwoordelijk is. My Supplies heeft ten aanzien van deze vermissingen ook geen nader bewijsaanbod gedaan en evenmin nieuw bewijsmateriaal overgelegd of aangeboden nieuwe feiten te bewijzen. Het hof merkt daarbij nog op dat My Supplies in de beklagprocedure haar beklag ook alleen heeft beperkt tot het niet vervolgen van [geïntimeerde] en zijn echtgenote voor de ontvreemding van cartridges op 12 januari 2011.

5.11

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] op de andere door My Supplies genoemde data dan 12 januari 2011 ook cartridges heeft ontvreemd en daardoor meer schade heeft toegebracht dan met € 10.753,30 als schadevergoeding al is toegewezen.

5.12

Het voorgaande betekent dat de grief en zo ook het principaal hoger beroep faalt.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen, zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het principaal hoger beroep in het ongelijk te stellen partij zal het hof My Supplies in de kosten van dat hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 314,-

- salaris advocaat € 1.959,- (1 punt x tarief IV)

Totaal € 2.273,-.

6.3

Als de in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van dat hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van My Supplies zullen worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 537,- (1 punt x 0,5 x tarief II).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 november 2015;

veroordeelt My Supplies in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 314,- wegens griffierecht en € 1.959,- wegens salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van My Supplies begroot op € 537,- wegens salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart de proceskostenveroordeling in incidenteel hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. W.F. Boele, mr. J.H. Kuiper en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2018.