Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7127

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
200.241.817
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Onderwijsrecht. Geen verplichting voor basisschool om tot zorgmelding bij Veilig Thuis (AMHK) over te gaan van mogelijk seksueel (pest)gedrag van ene kleuter tegen de andere kleuter.

De vader van zijn zoontje van 4,5 jaar vordert dat de school een melding doet bij Veilig Thuis (AMHK) van incident op school, waarbij een andere kleuter met zijn vinger in de anus van het zoontje is gegaan (en mogelijk nog andere incidenten). De school heeft gehandeld conform de Meldcode Kindermishandeling, met gebruikmaking van externe deskundigen en de zaak onderzocht en besproken met ouders. De wettelijke taak van het AMHK is niet gericht op feitenonderzoek van (de toedracht van) het incident, maar richt zich op het onderzoek (de vraag) of binnen het gezin van de andere kleuter sprake is van (seksueel) misbruik; hiervoor heeft de school geen signalen ontvangen dus daarom geen melding. Andere nevenvorderingen (w.o. aangifte bij de politie) zijn ook afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/592
RAV 2018/94
PS-Updates.nl 2018-0649
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.241.817

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht C/16/460367)

arrest in kort geding van 7 augustus 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,

hierna: de vader,

in eerste aanleg: eiser,

advocaat: mr. J.G.M. ter Avest,

tegen:

de stichting

Katholieke Scholenstichting Utrecht,

gevestigd te Utrecht ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de KSU ,

advocaat: mr. M.F. Schouten.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 13 juni 2018 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 juni 2018 (met grieven en producties 1-4, zoals betekend aan KSU bij exploot van 27 juni 2018),

- de memorie van antwoord (met producties A-F),

- de fax van 15 juli 2018 van de zijde van de vader met producties 5-9 en de brief van 17 juli 2018 met als bijlage een correcte weergave van productie 8

- de pleidooien ter zitting van 18 juli 2018, waarbij partijen zich hebben bediend van pleitnotities.

2.2

Na afloop van de zitting heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Appellant is vader van een jongetje van 4,5 jaar (“het zoontje”). Hij heeft met de moeder van wie hij gescheiden leeft het ouderlijk gezag, dat hij in co-ouderschap uitoefent. Het zoontje gaat sinds september 2017 naar de basisschool.

3.2

De KSU vertegenwoordigt 24 basisscholen voor regulier, primair onderwijs. Op één van die basisscholen zit het zoontje.

3.3

Op 20 april 2018 is de vader ’s middags met zijn zoontje naar de huisarts gegaan nadat hij in de (zachte) ontlasting van zijn zoontje en rondom de anus (vers) bloed had aangetroffen. Volgens het zoontje was een klasgenootje (“het jongetje”) met zijn vinger “in zijn kont gegaan” en was dat al vaker was gebeurd. In het huisartsenjournaal van die datum staat het consult beschreven (S=subjectief; O=onderzoek; E=evaluatie; P=plan) met verbetering van typefouten en anonimisering:

“S: thuis na poepen bloed in de wc .vader foto gemaakt, ope had normale consistentie. bloed in water en langs pot. Geeft bij vader aan dat hij op schoolplein boefje aan het spelen was en dat [X] (een kindje bij hem in de klas) met de vinger in zijn poepgaatje heeft gezeten. was pijnlijk. was alleen met [X]. is niet naar de lerares geweest. op su [spreekuur] vertelt [het zoontje] zelfde verhaal.

O: normale interactie, laat onderzoek goed toe. inspectie anus klein fissuurtje op 6 uur.

E: fissuur anus

P: vader gaat op school aankaarten, beter toezicht op de kinderen. ook in gesprek met de ouders van [X].”

3.4

Per brief/e-mail van 22 april 2018 heeft de vader aan (het bestuur van) de basisschool een “incidentmelding” gedaan waarin hij uitvoerig schrijft over hetgeen hij van zijn zoontje had gehoord, over het huisartsenbezoek en over de “relevante voorgeschiedenis” (de gebeurtenissen vanaf oktober 2017 tot begin 2018). Hij concludeert onder meer in deze brief:

“De moeder van mijn zoontje en ik houden er sterk rekening mee dat mijn zoontje reeds vanaf het prille begin van het schooljaar 2017/2018 slachtoffer is van seksueel molest. Concrete beschuldigingen zijn door mijn zoontje uitgesproken m.b.t. een klasgenoot. Momenteel zijn moeder en ikzelf enorm aangeslagen.

Gezien de onvoldoende monitoring is mijns inziens, reeds in aanleg, de veiligheid van kinderen in het algemeen maar die van mijn zoontje in het bijzonder, onvoldoende geborgd.

Op basis van voorgaand achten de moeder van mijn zoontje en ikzelf het dan ook op dit moment niet verantwoordelijk om mijn zoontje op maandag 23 april 2018 weer naar school te sturen en zullen wij hem thuishouden tot dat door school garanties gegeven kunnen worden met betrekking tot zijn veilige deelname aan school. (…) Wij gaan er van uit snel (maar uiterlijk voor aanvang van de Mei-vakantie 2018) uitgenodigd te worden voor een onderhoud hieromtrent en zouden dan ook graag de contouren van een oplossingsrichting willen vernemen. De Mei vakantie zou dan gebruikt kunnen worden om die te effectueren zodat mijn zoontje na de vakantie weer naar school kan.”

De brief eindigt met een aantal concrete vragen aan de school over acties van de school naar aanleiding van de incidentmelding.

3.5

Op 24 april 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de ouders van het zoontje en de schoolleider en een intern begeleider van de basisschool/ KSU .

In een e-mail van 25 april 2018 van de schoolleider van de basisschool aan de ouders is onder meer het navolgende geschreven: “De school kan het incident bevestigen noch ontkennen. De school heeft geen aanwijzingen van het incident anders dan uw schrijven. Zoals gisteren verteld hebben wij naar aanleiding van uw bericht contact gezocht met de daartoe gespecialiseerde instanties, zoals de GGD, de externe vertrouwenspersoon én de vertrouwensinspecteur. Ook hebben wij de ouders ingelicht over de door u aangewezen vermeende dader.
Als school hanteren wij het veiligheidsbeleid én het schoolveiligheidsplan, deze treft u aan in de bijlagen. (…) Daaruit volgend is de school van mening dat zij voldaan heeft aan haar zorgverplichting door middel van het houden van voldoende toezicht.

Aangezien de school geen onderzoeksinstantie is, onderneemt zij geen initiatieven gericht op waarheidsvinding. Mocht u echter wensen dat onderzoek gedaan wordt naar het door u gemelde incident, dan raden wij u aan om bijvoorbeeld aangifte te doen, zodat de juiste instantie dat onderzoek kan doen.”

3.6

Daarna heeft nog enige e-mailwisseling (26-28 april 2018) tussen de vader en de basisschool plaatsgevonden. In verband met de meivakantie heeft geen (vervolg)gesprek plaatsgevonden.

3.7

Door de advocaat van de vader is een (geanonimiseerde) verklaring (19 mei 2018) ingebracht van een moeder van een ander jongetje, waarin zij schrijft over (seksueel getint) pestgedrag van het jongetje.

3.8

De vader heeft met inleidende dagvaarding van 23 mei 2018 het onderhavige kort geding gestart, waarvan de zitting op 29 mei 2018 heeft plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van die zitting heeft de voorzieningenrechter aan partijen een week gegund om te bezien of zij gezamenlijk overeenstemming zouden kunnen bereiken. De advocaten van partijen hebben daarna nog met elkaar gemaild (31 mei jl.) om met elkaar in gesprek te komen over het incident en de te ondernemen stappen. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.

3.9

De vader heeft zelf contact opgenomen met de politie om aangifte te doen, dat aanvankelijk is afgehouden door de politie in verband met de kleuterleeftijd (5 jaar) van het jongetje dat als dadertje is aangewezen. Inmiddels is wel de aangifte van de vader opgenomen.

3.10

Het zoontje is tot aan de zomervakantie niet meer naar de basisschool gegaan.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

De vader heeft voor de voorzieningenrechter van de rechtbank een aantal “maatregelen” gevorderd die er kort gezegd op neer komen dat KSU een zorgmelding doet bij Veilig Thuis, melding doet bij de Inspectie en de politie, in gesprek gaat met de ouders van het jongetje, gesprekken organiseert met de betrokken leerlingen/de klas en tot slot bij wijze van ordemaatregel het jongetje schorst van de basisschool totdat het onderzoek van Veilig Thuis is afgerond. De vader heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd, zo verstaat het hof, dat de school haar zorgplicht heeft geschonden en haar verantwoordelijkheid niet heeft genomen (door onder meer geen zorgmelding te doen zoals beschreven in de Meldcode van Veilig Thuis en geen veiligheidsmaatregelen te nemen). De voorzieningenrechter heeft, kort weergegeven, geoordeeld dat KSU aan haar wettelijke zorgplicht zoals neergelegd in de Wet op het Primair Onderwijs heeft voldaan en heeft de vorderingen van de vader (daarom) afgewezen.

4.2

De vader is met zeven grieven tegen het bestreden vonnis opgekomen. Hij heeft verkort weergegeven gevorderd dat KSU

a. a) opdracht moet geven aan een gespecialiseerde deskundige op het gebied van seksueel geweld om onderzoek te verrichten;

b) een zorgmelding moet doen bij Veilig Thuis;

c) een incidentmelding moet doen bij de Inspectie;

d) aangifte, althans een melding moet doen bij de politie;

e) inzage moet geven over de benaderde instanties en de adviezen;

f) als voorlopige maatregel de medeleerling (het jongetje) moet schorsen voor de duur van het te verrichten onderzoek,

alles met veroordeling van KSU in de kosten van het geding in beide instanties.

4.3

Grief I ziet op “selectief gebruik van de feiten en inkleuren van feiten”. De vader meent dat er vele feiten zijn die erop wijzen dat niet sprake is van een eenmalig incident (de voorgeschiedenis en de schriftelijke verklaring van een andere moeder) en dat de voorzieningenrechter die had moeten meewegen. Het hof heeft in dit arrest zelf een aantal feiten vastgesteld, zodat grief I verder geen bespreking behoeft. Voor zover het gaat om een inhoudelijke beoordeling over de schending van de zorgplicht slaat het hof acht op het gehele dossier. De grieven II tot en met VIII (grief IV ontbreekt) zien op de schending van de zorgplicht van de basisschool en de afgewezen vorderingen van de vader. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken en beoordelen.

4.4

De centrale vraag in deze is of de basisschool van het zoontje haar zorgplicht voor een veilige schoolomgeving heeft geschonden, zoals neergelegd in artikel 4c van de Wet op het primair onderwijs. KSU hanteert een Integraal Veiligheidsbeleid (prod. 4 van de zijde van KSU t.b.v. de zitting van 29 mei jl), waarin in paragraaf 2.11 wordt verwezen naar het Handelingsprotocol kindermishandeling en huiselijk geweld. Voorts zijn er een brochure van Veilig Thuis “Wat te doen als basisschool bij seksueel misbruik?” (overgelegd als onderdeel van prod. 2 bij inleidende dagvaarding) en een “Basisdocument het afwegingskader in de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling”, opgesteld in opdracht van de ministeries VWS en VenJ (overgelegd als prod. 10 bij inleidende dagvaarding). Ook zijn stukken overgelegd betreffende het zogenoemde “vlaggensysteem” dat gehanteerd wordt door onder meer jeugdhulpverleners (overgelegd als prod. 11, 12 en 13 door de vader t.b.v. de zitting op 29 mei jl). Deze stukken zullen tevens als toetsingskader dienen voor de te beantwoorden vraag of de basisschool haar zorgplicht heeft geschonden.

In par. 11 van de brochure van Veilig Thuis staat beschreven dat wanneer kinderen seksueel grensoverschrijdend gedrag vertonen op school of hier slachtoffer van zijn, de school in gesprek gaat met de ouders van het kind (waarvan het hof aanneemt dat bedoeld wordt de ouders van het handelende kind) en hen, wanneer nodig, motiveert tot hulpverlening. In par. 14 is beschreven wat de school kan (onderstreping hof) doen bij misbruik door een leerling (een grensoverschrijdend incident): 1) Excuses aanbieden aan de ouders voor de onveilige situatie. 2) Professionele hulp regelen voor de betrokken ouders: “Werk samen met expertorganisaties zoals de Vertrouwensinspectie, de GGD, de Schoolbegeleidingsdienst, Centrum voor jeugd en Gezin, Veilig Thuis en zedenpolitie.” 3) Gesprekken voeren met beide ouders. 4) Extra veiligheidsmaatregelen treffen op school. 5) Open kaart spelen.

In de Meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld worden vijf stappen onderscheiden:

stap 1) In kaart brengen van signalen; stap 2) Overleggen met een collega en eventueel raadplegen van Veilig Thuis (…); stap 3) Gesprek met de betrokkene(n); stap 4) Wegen/beoordelen van het huiselijk geweld of de kindermishandeling. Bij twijfel altijd Veilig Thuis raadplegen; 5) Beslissen over zelf hulp organiseren of melden.

Het hof neemt voor de beoordeling van de vraag of de zorgplicht is geschonden verder als uitgangspunt de incidentmelding van de vader aan de basisschool zoals weergegeven in zijn brief/e-mail van 22 april 2018 (zie onder 3.4) en dat het (grensoverschrijdende) incident buiten op het schoolplein heeft plaatsgevonden, waarbij het hof veronderstellenderwijs ervan uitgaat dat het jongetje ook degene is die met zijn vinger in de anus van het zoontje is gegaan (hetgeen volgens het vlaggensysteem een rode vlag oplevert).

4.5

Ter zitting in hoger beroep heeft de clusterdirecteur (onbestreden) verklaard dat zij “vanaf dag 1” betrokken is geweest bij het incident; zij bevestigde dat de schoolleider direct na de melding van de vader professionele ondersteuning van externe deskundigen heeft ingeschakeld, zoals de GGD (jeugdarts en incidentfunctionaris), de externe vertrouwenspersoon (van de KSU ) en de vertrouwensinspecteur (van de Inspectie van Onderwijs); tevens is direct contact gezocht met de vader en met de ouders van het jongetje. Deze ondernomen stappen zijn ook neergelegd in een document “Tijdspad incidentmelding” van de schoolleiding (prod. 1 van de zijde van KSU t.b.v. de zitting van 29 mei jl.). In de in hoger beroep overgelegde e-mails (prod. F bij memorie van antwoord) zijn deze externe contacten bevestigd. Tevens is een e-mail overgelegd van Veilig Thuis van 9 juli 2018 waarin is bevestigd dat de schoolleider op 30 mei jl. contact heeft gezocht over het incident (“een situatie tussen twee kleuters die mogelijk kon duiden op zorgelijk gedrag”).

Na het gesprek op 24 april jl. heeft de basisschool per e-mail van 25 april jl. een reactie gegeven (zie onder 3.5); daarna hebben de vader en de basisschool op 26 april jl. nog e-mail contact gehad, waarbij de basisschool heeft aangeven (pas) na de meivakantie met een reactie te (kunnen) komen. Op 14 mei jl. heeft de advocaat van de vader een e-mail (aangetekende brief) gestuurd naar het college van bestuur van de KSU . Op 16 mei jl. heeft de vertrouwensinspecteur (weer) met de schoolleider gebeld en haar ervan in kennis gesteld dat de vader inmiddels contact had gehad met de zedenpolitie. Tevens is toen besproken of Veilig Thuis zou moeten worden ingeschakeld. In overleg met de vertrouwensinspecteur is toen besloten dat er geen aanleiding was om Veilig Thuis in te schakelen (ontbreken eigen signalen en enkel melding van ouders). Het voorstel was toen om een gesprek met de betrokken ouders onder begeleiding van de GGD te entameren. Inmiddels had de basisschool al een aantal feitelijke veiligheidsmaatregelen getroffen, zoals het dichttimmeren van een zogenaamde blinde hoek/verstophoekje tussen schuur en schoolmuur, het klimschot voor een speeltoestel weghalen, een “verfstreep” voor een andere blinde hoek bij de ingang waarachter de kinderen niet mogen spelen tijdens de pauzes en een pilotstart bij de kleuters dat per groep maar één leerling tegelijk het toilet mag bezoeken.

Op 22 mei jl. is in een telefoongesprek tussen de basisschool met het calamiteitenteam van de Stichting School en Veiligheid door deze instantie aangegeven dat Veilig Thuis niet alleen naar aanleiding van het incident op het gezin van het jongetje ingeschakeld kan worden. Hier lag wel een taak voor de GGD.

In de e-mail/brief van 5 juli jl. van de Jeugdgezondheidszorg van de gemeente (prod. F bij memorie van antwoord) is onder meer te lezen: “De jeugdarts van de gemeente […] is eind april 2018 benaderd door de school voor advies in deze zaak. De jeugdgezondheidszorg heeft op dat moment aan de school geadviseerd om samen met de ouders de ontwikkeling van de betrokken kinderen goed te volgen. (…) Op de vraag of Veilig Thuis moest worden ingeschakeld heeft de jeugdgezondheidszorg aangegeven dat als de school ernstige zorgen heeft m.b.t. de ontwikkeling van de kinderen, de stappen van de meldcode kunnen worden gevolgd.”

In de e-mail van 6 juli jl. van de vertrouwensinspecteur (prod. F bij memorie van antwoord) is onder meer te lezen: “… kan ik bevestigen dat u, voor het eerst op 23 april 2018 en daarna nog meerdere keren contact heeft opgenomen met de vertrouwensinspecteurs. Wat betreft uw vraag over meldplicht: schooldirectie/besturen hebben geen meldplicht naar de vertrouwensinspecteur waar het grensoverschrijdend gedrag betreft bij jonge kinderen onderling.”

In de al eerder genoemde e-mail van Veilig Thuis van 9 juli jl. blijkt voorts dat de basisschool ook na 30 mei jl., toen het gesprek met de ouders niet doorging, contact heeft gehad over het incident: “Dit gesprek is uiteindelijk niet doorgegaan maar er is wel nog een aantal keren contact met u geweest over deze casus. Dit was steeds op anonieme basis, hetgeen inhoudt dat de namen van de desbetreffende kinderen niet bij Veilig Thuis bekend zijn gemaakt. De casus is bij ons geregistreerd als een consult. Over zo’n consult mogen wij geen enkele mededeling doen aan derden.”

4.6

Na de zitting op 29 mei jl., toen de zaak in kort geding bij de rechtbank voor één week was geschorst voor minnelijk overleg, heeft de advocaat van KSU zich per e-mail van 31 mei jl. gewend tot de advocaat van de vader met de melding dat de school een gesprek had gehad met de ouders van het jongetje en dat zij bereid waren (onder enkele voorwaarden) om in aanwezigheid van iemand van Veilig Thuis en de basisschool een gesprek aan te gaan met de vader. Veilig Thuis was hiertoe ook bereid gevonden en wilde als adviseur bij het gesprek aanwezig zijn, maar wel onder leiding van een (stevige, onafhankelijke) voorzitter. Per e-mail van diezelfde dag heeft de advocaat van de vader gemotiveerd geantwoord/uitgelegd dat de vader daartoe niet bereid was. Het was immers de bedoeling dat eerst een melding bij Veilig Thuis zou worden gedaan, zoals besproken ter zitting. “Hij zal dan ook de rechtbank per ommegaande informeren dat de school niet voornemens is een melding te doen bij Veilig Thuis en om vonnis vragen.”

4.7

Met het voorgaande onder 4.6 is het grootste twistpunt (en tevens de patstelling) tussen partijen blootgelegd, namelijk de vraag of van KSU kan/moet worden gevergd dat een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis. De melding betreft dan het gezin van het jongetje, omdat daar het vermoeden zou zijn van (seksueel) huiselijk geweld of kindermishandeling. Het hof zal eerst de (wettelijke) kaders vastleggen van zo’n meldplicht en de gevolgen daarvan; een en ander is te vinden in het VNG-model Handelingsprotocol voor het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (ook wel AMHK genoemd zoals neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning). Het AMHK heeft krachtens artikel 4.1.1 lid 2-3 Wmo de navolgende taken (onderstreping van het hof):

• het geven van advies en zo nodig het bieden van ondersteuning aan ieder die in verband met een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling om dit advies vraagt;

• het fungeren als meldpunt voor gevallen of vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling;

• het naar aanleiding van een melding onderzoeken of daadwerkelijk sprake is van huiselijk geweld of kindermishandeling;

• het beoordelen van de vraag of - en zo ja tot welke stappen de melding aanleiding geeft;

• het in kennis stellen van een instantie die passende professionele hulp kan verlenen, van de melding, indien het belang van de betrokkene of de ernst van de situatie daartoe aanleiding geeft;

• het in kennis stellen van de politie of de raad voor de kinderbescherming van een melding van (een vermoeden van) huiselijk geweld of kindermishandeling indien het belang van de betrokkene of de ernst van het feit daar aanleiding toe geeft;

• indien het AMHK een verzoek tot onderzoek doet bij de raad voor de kinderbescherming, het in kennis stellen van het college van B&W;

• het op de hoogte stellen van de melder van de stappen die naar aanleiding van zijn melding zijn ondernomen.

Om deze taak te kunnen uitvoeren is het AMHK na een melding bevoegd om zonder toestemming van de betrokkene(n) persoonsgegevens te verwerken, dat wil zeggen om een eigen registratiesysteem in te richten waarin informatie van derden is verwerkt. Deze bevoegdheid moet wel proportioneel worden toegepast. Deze bevoegdheid heeft het AMHK niet als het om (anonieme) advisering gaat. In geval van advies beperkt het AMHK zich tot contact(en) met de adviesvrager. Bij een advies legt het AMHK geen gegevens vast van de leden van het gezin of huishouden. In geval van een melding onderneemt het AMHK zelf stappen om de situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling in behandeling te nemen. Bij een melding legt het AMHK wel gegevens vast van de leden van het gezin of huishouden. Het is ook mogelijk dat een adviesvraag wordt omgezet in een melding indien het AMHK meent dat dit noodzakelijk is in verband met de ernst en aard van het gesignaleerde en de onmogelijkheden van de adviesvrager om het gesignaleerde op een adequate manier op (aan) te pakken. (Andersom kan ook overigens.) Bij het in ontvangst nemen van meldingen is de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling van belang (die op 1 juli 2013 in werking is getreden). Professionals die hieronder vallen, zoals de KSU , worden geacht bij het signaleren van huiselijk geweld en kindermishandeling de vijf stappen van de Meldcode (zie onder 4.4) te volgen.

4.8

Anders dan de vader meent is de wettelijke taak van Veilig Thuis (het AMHK) niet gericht op het feitenonderzoek of de toedracht van het incident; de vader wenst bovenal duidelijkheid te verkrijgen over wat er met zijn zoontje is gebeurd (zo schrijft hij in zijn verklaring van 15 juli 2018 t.b.v. het hof) en wenst ook dat er onderzoek wordt gedaan naar andere incidenten (zoals in de verklaring staat opgenomen van de moeder van het andere getuige-jongetje). Het onderzoek van Veilig Thuis richt zich echter op de vraag of binnen het gezin van het jongetje sprake is van huiselijk geweld/kindermishandeling. De basisschool ( KSU ) heeft steeds aangegeven dat zij zelf geen andere (zorgelijke) signalen van huiselijk geweld/kindermishandeling heeft ontvangen betreffende (het gezin van) het jongetje en dat zij het gemelde incident ook niet met eigen ogen heeft gezien. Na consulatie van extern deskundigen (zie onder 4.5) heeft de basisschool ook contact gehad met Veilig Thuis over het incident en Veilig Thuis was ook bereid om als adviseur bij een gesprek tussen de betrokken ouders en de school aan te schuiven. Kennelijk heeft Veilig Thuis, zo is ter zitting ook bevestigd door de clusterdirecteur, geen aanleiding gezien om na deze contacten te adviseren om een melding te doen voor onderzoek naar (de gezinssituatie van) het jongetje. Gezien de hierboven onder 4.5 weergegeven acties van de basisschool oordeelt het hof dat de basisschool zich voldoende van haar wettelijke zorgtaak heeft gekweten door na de incidentmelding direct een gesprek te organiseren met de vader en moeder van het zoontje (ook al is dat gesprek door beide partijen anders beleefd) en door contact te zoeken met externe (zorg)professionals. Deze handelwijze strookt ook met het stappenplan Meldcode. Dat dit (enige) gesprek niet heeft geleid tot verdere constructieve contacten kan niet alleen de basisschool worden verweten: de vader voelde zich niet gesteund en geloofd in zijn verhaal en de basisschool ervoer vader als (zeer) dwingend en eisend. Dat de basisschool na externe advisering en intern overleg de afweging heeft gemaakt om geen melding te doen bij Veilig Thuis betreffende het jongetje – hetgeen gezien de wettelijke taak van Veilig Thuis geen sinecure is – maar ervoor te kiezen om zelf hulp te organiseren voor de vader (en diens zoontje) en de ouders van het jongetje, kan de basisschool niet verweten worden in het kader van haar wettelijke zorgplicht. De basisschool ( KSU ) was daartoe dus niet gehouden. Dat betekent dat de vordering van de vader onder b) strandt en de daarmee samenhangende vordering onder a).

4.9

De vordering onder c) wijst het hof af gezien de onder 4.5 genoemde e-mail van 9 juli jl. van de vertrouwensinspecteur, waarbij het hof opmerkt dat de Inspectie al kennis heeft genomen van het incident door de contacten van de basisschool.

4.10

Bij de vordering onder d) heeft de vader geen belang meer, nu hij zelf aangifte heeft gedaan bij de (zeden)politie en nog daargelaten het feit dat kleuters niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd (vgl. artikel 486 Wetboek van Strafvordering).

4.11

Bij de vordering onder e) heeft de vader ook geen belang meer, nu de basisschool ( KSU ) inzage heeft gegeven in de correspondentie met de externe professionals en bovendien ook een tijdspad incidentmelding heeft overgelegd waarin tot in detail is vermeld welke stappen de basisschool heeft ondernomen.

4.12

Wat de vordering onder f) betreft oordeelt het hof als volgt. In principe is de grondslag aan deze vordering komen te ontvallen nu het hof KSU niet zal gelasten een melding te doen bij Veilig Thuis. Voor zover de vader ook mocht bedoelen dat deze vordering meer omvat dan een onderzoek van Veilig Thuis oordeelt het hof dat de schorsing van een kleuter van 5 jaar (het jongetje) voor onbepaalde tijd (“zolang het onderzoek duurt”) een draconische of disproportionele maatregel is. Die vordering wijst het hof dan ook af.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen alle, zodat het bestreden vonnis in kort geding moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de vader in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van KSU zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 726,-

- salaris advocaat € 3.222,- (3 punten x tarief II)

Totaal € 3.948,-

6 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 13 juni 2018;

veroordeelt de vader in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van KSU vastgesteld op € 726,- voor verschotten en op € 3.222,-voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, P.L.R. Wefers Bettink en J.H. Lieber, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2018.