Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7104

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
21-004639-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens inbraak. Bij de verwerping van een verweer in verband met de positieve herkenning door verbalisanten van verdachte op camerabeelden verwijst het hof onder meer naar P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar, Reizen met mijn rechter, Psychologie van het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2018, afl. 5, p. 227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004639-15

Uitspraak d.d.: 24 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 31 juli 2015 met parketnummer 18-850025-15 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-167881-14, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 28 februari 2017 en 10 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van honderd dagen, waarvan tweeënzestig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een geldboete van tweehonderdvijftig euro gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. J.G.M. Dassen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van honderd dagen, waarvan tweeënzestig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met bijzondere voorwaarden en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. De rechtbank heeft voorts de tenuitvoerlegging van een geldboete van tweehonderdvijftig euro gelast.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 6 december 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres ] aldaar) heeft weggenomen een pistool (merk Browning) en/of een pistool (merk Luger) en/of een wisselset (CZ AL7157.22 LR) en/of een of meer horloges en/of een hoeveelheid sieraden en/of een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij voert hiertoe aan dat verdachte ontkent de persoon te zijn die zichtbaar is op de ter zitting bekeken camerabeelden. Tevens stelt de raadsman dat die beelden in het donker zijn opgenomen met een eenvoudige bewakingscamera, dat de beelden in zwart/wit zijn, dat de persoon op die beelden een capuchon draagt en dat diens ogen, zodra ze in beeld komen, glinsteren. Volgens de raadsman is, mede daarom, op de ter zitting getoonde beelden geen enkel moment geweest waarop zodanig bijzondere gelaatskenmerken te zien zijn dat verdachte daaraan herkend kan worden, ondanks de gelijkenissen die het hof blijkens de opgave ter zitting daarvan heeft waargenomen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachte al vaker door verbalisanten voor honderd procent is herkend en dat hij desondanks ook vaker is vrijgesproken en dat het NFI ook al een keer heeft vastgesteld dat een dergelijke stellige herkenning onjuist was. De raadsman heeft subsidiair verzocht om, voor zover het hof van oordeel mocht zijn dat verdachte de persoon op de beelden is, het onderzoek te heropenen en het NFI onderzoek te laten doen naar de herkenning van verdachte aan de hand van de onderhavige beelden.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

De herkenning van een persoon op bewegend beeld kan plaatsvinden, grof gezegd, op basis van diens gezicht, kleding en accessoires en/of postuur, houding en manier van bewegen. Hiervan heeft de gezichtsherkenning onmiskenbaar de hoogste diagnostische waarde. Het gezicht is immers uit zijn aard uniek en de meeste mensen zijn uitstekend in staat gezichten te herkennen. Wetenschappers als P. J. van Koppen en W.A. Wagenaar hebben ons geleerd, dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Ook heeft het vanwege de holistisch herinnering aan gezichten weinig zin om aan een getuige te vragen waaraan hij precies het gezicht van de verdachte heeft herkend1. Dit zal niet meer kunnen opleveren dan een in woorden gegoten rationalisatie achteraf van een niet-rationeel proces.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte één van de twee personen is die op de camerabeelden van de inbraak op 6 december 2014 bij de [adres ] te [plaats] te zien is.

Het hof heeft de volgende elementen in zijn beoordeling betrokken.

In de eerste plaats heeft het hof beoordeeld, aan de hand van het bekijken van de bewegende beelden en de stills daarvan in het dossier, of de beelden voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te kunnen baseren, en ook of er voldoende gezichtskenmerken te zien zijn om een herkenning mogelijk te maken.

Daarmee nauw in verband staat een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang.

Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht.

Ten slotte heeft het hof nog gekeken of er feiten en omstandigheden zijn die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken. In het geval dat er andere bewijsmiddelen dan herkenningen in het dossier aanwezig zijn die de betrokkenheid van verdachte bij het ten last gelegde kunnen ondersteunen, zijn deze
- uiteraard - in de beoordeling betrokken.

Naar het oordeel van het hof zijn de camerabeelden, die door het hof ter terechtzitting meermalen zijn bekeken, van twee personen die doende zijn met een inbraak op 6 december 2014 bij de [adres ] te [plaats] en de van deze beelden vastgelegde ‘stills’ van voldoende kwaliteit om enkel daarop herkenningen te baseren. De gezichtskenmerken van een van de verdachten die op enkele momenten in beeld komen zijn naar het oordeel van het hof voldoende om een herkenning op te kunnen baseren. Herkenning van de andere persoon is niet mogelijk, nu deze persoon voorzien is van een gezichtsbedekking, waardoor zijn gezicht nagenoeg onherkenbaar is.

Het hof ziet daarnaast geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de negen afzonderlijke herkenningen van verdachte als één van de beide personen die bij de woning inbreken. Nu elk van de verbalisanten het eigen relaas op de eigen ambtsbelofte heeft opgemaakt, is sprake van negen afzonderlijke herkenningen. Het hof betrekt hierbij dat zeven van de negen verbalisanten hebben aangegeven dat zij voorafgaand aan hun afzonderlijke herkenningen ambtshalve met verdachte bekend waren en met hem contact hebben gehad.

Het hof heeft op de terechtzitting van 10 juli 2018 bovendien vastgesteld dat verdachte op de volgende punten grote gelijkenis vertoont met de persoon op de beelden van wie meermalen het gezicht te zien is:

  • -

    de haarlijn;

  • -

    de vorm van de wenkbrauwen;

  • -

    de vorm van de neus;

  • -

    de vorm van de mond;

  • -

    het postuur.

Van feiten of omstandigheden ten slotte die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar maken is niet gebleken. Verdachte is in casu immers herkend op beelden waarbij niet alleen het profiel van zijn gezicht, maar ook de voorzijde goed zichtbaar is. De door de raadsman ingebrachte casus waarbij onderzoek door het NFI een eerdere herkenning ontkrachtte is daarom niet vergelijkbaar en kan geen afbreuk doen aan de voorhanden zijnde herkenning door maar liefst negen verbalisanten, van wie ten minste zeven verdachte persoonlijk kennen, terwijl het hof ook zelf op de bewegende beelden op een aantal significante gelaatskenmerken gelijkenis heeft vastgesteld.

Gelet op het voorgaande merkt het hof verdachte dan ook aan als één van de personen die op 6 december 2014 bezig waren bij de [adres ] te [plaats] in te breken, en verwerpt het daarom het verweer.

Gelet op de hierboven opgenomen overweging in dit verband, passeert het hof het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om door het NFI nader onderzoek te laten doen naar die herkenningen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 december 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres ] aldaar) heeft weggenomen een pistool (merk Browning) en een pistool (merk Luger) en een wisselset (CZ AL7157.22 LR) en horloges en sieraden en geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Verdachte heeft aldus inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de rechthebbenden. Het betreft een feit dat schade en hinder meebrengt voor de betrokkenen. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de privacy van de bewoner en onrust en overlast veroorzaakt. Hij heeft kennelijk slechts gehandeld uit het oogpunt van financieel gewin.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte – blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 juni 2018 – herhaalde malen eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder meer wegens soortgelijke feiten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van de door de eerste rechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht van 12 november 2014 opgelegde voorwaardelijke geldboete van tweehonderdvijftig euro, onder parketnummer 16-167881-14. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 62 (tweeënzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 12 november 2014, onder parketnummer 16-167881-14, te weten van:

een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. H.L. Stuiver, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 24 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar , Reizen met mijn rechter, Psychologie van het recht, Kluwer 2010, pagina 272.