Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7103

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
21-003097-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het medeplegen van een woningoverval op een 93 jarige vrouw, tweemaal brandstofdiefstal en diefstal van een auto tot onder meer gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest. Het hof acht het alternatieve scenario van verdachte onaannemelijk en verwerpt een bewijsverweer. Het hof wijst voorts de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe voor de duur van 812 (achthonderdtwaalf) dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003097-17

Uitspraak d.d.: 7 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2017 met parketnummer 18-930263-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de vrijspraken van de feiten 2 en 6 en tot veroordeling van verdachte wegens de feiten 1 primair, 3, 4 en 5 tot gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] overeenkomstig de beslissing van de eerste rechter en tot toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van achthonderdtwaalf dagen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. Z. Boufadiss, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het door verdachte ingestelde hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 en 6 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van hetgeen onder 2 en 6 aan hem is ten laste gelegd en heeft verdachte wegens de feiten 1 primair, 3, 4 en 5 veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft voorts op de vordering van de benadeelde partijen beslist en heeft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover daarvoor vatbaar, vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – , voor zover in hoger beroep van belang, tenlastegelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 27 december 2015 te [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning/atelier aan/nabij de [adres] heeft weggenomen

  • -

    een of meer schilderijen en/of

  • -

    een of meer stukken Chinees porselein,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

  • -

    na het aanbellen bij die woning en nadat die [slachtoffer 1] had opengedaan die woning zijn/is binnengedrongen en/of binnengelopen en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] bij haar polsen hebben/heeft vastgepakt en/of hebben/heeft vastgehouden en/of

  • -

    een vitrinekast hebben/heeft kapotgeslagen en/of

  • -

    de alarmknop van die [slachtoffer 1] hebben/heeft afgepakt en meegenomen;

1. subsidiair:
[medeverdachte] en/of een of meer anderen op of omstreeks 27 december 2015 te [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning/atelier aan/nabij de [adres] hebben/heeft weggenomen

- een of meer schilderijen en/of

- een of meer stukken Chinees porselein,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of die ander(en) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte] of die ander(en),

- na het aanbellen bij die woning en nadat die [slachtoffer 1] had opengedaan die woning zijn/is binnengedrongen en/of binnengelopen en/of

- die [slachtoffer 1] bij haar polsen hebben/heeft vastgepakt en/of hebben/heeft vastgehouden en/of

- een vitrinekast hebben/heeft kapotgeslagen en/of

- de alarmknop van die [slachtoffer 1] hebben/heeft afgepakt en meegenomen, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 27 december in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door het ter beschikking stellen van een auto aan die [medeverdachte] en/of die ander(en) en/of het overhandigen van het adres van die [slachtoffer 1] aan die [medeverdachte] en1of die ander(en) en/of het ophalen en/of verbergen van de buit;

3:
hij in of omstreeks de periode van 13 december 2015 tot en met 14 december 2015 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (Peugeot 407), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

4:
hij op of omstreeks 24 december 2015 te [plaats 3] , gemeente [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid (motor)brandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5:
hij op of omstreeks 23 november 2015 te [plaats 4] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (motor)brandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsverweer: verwerping alternatief scenario

Verdachte ontkent zich te hebben schuldig gemaakt aan de hem onder 1 primair ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging. Volgens de lezing van de verdachte is de gang van zaken op 27 december 2015 – zakelijk weergegeven – als volgt geweest:

Verdachte is met de op 14 december 2015 te [plaats 2] (feit 3) door hem gestolen Peugeot 407 in de vroege ochtend van zondag 27 december 2015 naar [plaats 5] gereden in verband met een afspraak die hij had met [medeverdachte] , van wie hij de achternaam niet kende, en zijn broer [naam broer] . Rond 08:00 uur à 09:00 uur, toen hij bij de camping was aangekomen, zag verdachte daar [medeverdachte] met een voor hem onbekende jongen bij een kleine auto staan. Verdachte is (met achterlating van de onbekende derde) met [medeverdachte] het terrein van de camping opgereden naar het chalet van zijn moeder, waar [naam 2] (verdachtes toenmalige stiefvader) al aanwezig was. Verdachtes moeder en [naam broer] arriveerden daar later op de ochtend. De onbekende jongen mocht niet mee naar dat chalet, omdat hij onbekend was en hij – naar zeggen van verdachte – om die reden niet mocht weten waar de moeder van verdachte woonde. Verdachte, [medeverdachte] en [naam broer] hebben in het chalet, terwijl er ook anderen in het chalet aanwezig waren, gesproken over de te plegen inbraak bij een oude vrouw in [plaats 1] . Onder meer is toen gesproken over een alarmknop die de vrouw om haar hals zou dragen, dat de buit in handdoeken gewikkeld moest worden en dat ze beter vijf dingen heel konden meenemen dan een tas vol spullen die kapot zouden gaan, dat de buit – die in de tonnen kon lopen – in drieën verdeeld zou worden tussen [naam broer] , [medeverdachte] en de onbekende derde en dat de buit eerst bij verdachte zou worden bewaard. [medeverdachte] zou de inbraak gaan plegen met de onbekende jongen en ze zouden daarbij gebruik maken van de gestolen Peugeot 407. Bij de oude vrouw zou zeer kostbaar Chinees porselein te halen zijn. De buit zou in eerste instantie bij verdachte thuis, in [woonplaats] , worden bewaard.

Na ongeveer anderhalf à twee uur hebben [medeverdachte] en de onbekende jongen verdachte naar het station in [plaats 6] gebracht. Verdachte reed toen in de Peugeot 407 en [medeverdachte] zat bij hem in de auto. de onbekende jongen reed er achteraan in de kleine auto. Verdachte is daarop via Amersfoort naar Amsterdam gereden met de trein. In Amsterdam heeft hij ofwel in coffeeshop [coffeeshop] of op het station een joint gerookt en daarna is hij doorgereisd naar huis. ’s Avonds heeft hij bij zijn vriendin [naam vriendin] gegeten. Terwijl hij bij zijn vriendin zat te eten werd hij gebeld door een voor hem onbekend nummer dat toen door [medeverdachte] werd gebruikt. [medeverdachte] vroeg verdachte om direct naar station [plaats 7] te komen omdat er iets gedaan moest worden. Verdachte is daarop direct naar het station vertrokken. Op het station ontmoette verdachte [medeverdachte] en de onbekende derde die hem vertelden dat ze naar [plaats 8] moesten gaan om daar de tas met de buit op te halen. Verdachte vond het wel vreemd, maar stemde ermee in en vervolgens zijn verdachte, [medeverdachte] en de onbekende in de kleine auto van de onbekende naar [plaats 8] gereden. Onderweg werd niet gesproken. Het enige wat toen aan verdachte is verteld is, dat er iets was fout gegaan, niet wàt. Eenmaal in [plaats 8] bleek dat de gestolen Peugeot 407 daar stond. De grote zwarte tas met de buit is toen in de kleine auto van de onbekende derde gezet. De gestolen Peugeot 407 moest in brand worden gestoken om sporen uit te wissen en dat heeft [medeverdachte] of de onbekende derde gedaan. Verdachte was het hiermee eens, omdat in de Peugeot ook heel veel sporen van hem te vinden zouden zijn. De benzine die werd gebruikt om de auto in brand te steken hadden zij kort tevoren in een fles getankt en [medeverdachte] heeft die toen betaald met een pinpas. Dat deze auto in de onmiddellijke nabijheid van de woning van een broer van verdachte stond, was verdachte niet bekend. Met deze broer had hij toen al zeker drie jaar geen enkel contact gehad; hij wìst niet eens dat zijn broer daar woonde. De tas met de in [plaats 1] gestolen spullen kon niet bij [naam broer] worden neergezet, omdat hij al eerder bij dezelfde vrouw had ingebroken. Verdachte is uiteindelijk vlakbij zijn huis door [medeverdachte] en de onbekende derde afgezet. Hij heeft de grote zwarte tas met daarin de buit mee naar huis genomen. Hij wist wat er in de tas zat, want hij had er onderweg ingekeken. De buit zou ongeveer één à twee dagen bij verdachte liggen en dan zou [naam broer] hem ophalen om te fotograferen en vervolgens te verkopen. Uiteindelijk heeft verdachte de buit twee weken in huis gehad en is er twee keer bij geweest toen zijn broer [naam broer] de buit probeerde te gelde te maken bij een galerie te [plaats 9] . Bij die gelegenheid hoorde hij van de handelaar die de spullen zou afnemen dat er sprake was geweest van een overval op een oude vrouw. Zo was hij op de hoogte geraakt van wat er precies gebeurd was.

De raadsvrouw heeft op de terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit op nader in de pleitnota uiteengezette gronden. Het verweer komt er – zakelijk weergegeven – op neer dat de hiervoor weergegeven lezing van verdachte omtrent de gang van zaken op 27 december 2015 moet worden aangemerkt als een alternatief scenario dat niet strijdig is met inhoud van het dossier. De medeverdachte, [medeverdachte] , heeft weliswaar een verklaring afgelegd waarin hij verdachte als mededader van de overval aanwijst, maar [medeverdachte] liegt aantoonbaar en hij heeft zelf aangegeven dat hij op 27 december 2015 zodanig onder invloed van verdovende middelen was, dat hij zich van die dag nog maar weinig kan herinneren. zijn verklaring moet daarom als onbetrouwbaar terzijde worden gesteld en deze mag niet voor het bewijs worden gebezigd.

Het hof overweegt met betrekking tot dit (on)betrouwbaarheidsverweer het volgende.

[medeverdachte] heeft in de verklaringen die hij heeft afgelegd op de essentiële punten steeds consistent verklaard, terwijl zijn verklaringen ook worden ondersteund door objectieve feiten en omstandigheden en ook door verklaringen van anderen. Anders dan door de raadsvrouw gesteld, verkleint [medeverdachte] met zijn verklaringen zijn eigen rol niet, nu hij zichzelf (ook consistent) als mededader van een woningoverval neerzet. Het enige ontlastende/verzachtende is, dat hij volmondig erkent zich aan een dergelijk ernstig feit te hebben schuldig gemaakt. [medeverdachte] rept niet over een ‘onbekende derde’ en is consistent in het benoemen van verdachte als degene met wie hij de woningoverval heeft gepleegd. Dat hij over gebeurtenissen van na de overval, zoals over de gang van zaken rond het in brand steken van de Peugeot 407, over het betalen van de brandstof die daarbij is gebruikt en over een filmpje van die brand, wisselend en mogelijk onjuist heeft verklaard, maakt dit niet anders nu dit feiten en omstandigheden betreffen die niet de overval zelf betreffen.

Het hof verwerpt daarom het verweer ten aanzien van de (on)betrouwbaarheid van [medeverdachte] en de bruikbaarheid voor het bewijs van diens verklaringen.

Ten aanzien van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario overweegt het hof het volgende.

Door geen van de (direct) betrokkenen bij de woningoverval wordt gewag gemaakt van een onbekende derde persoon. Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat deze persoon, die aan het plegen van de ophanden zijnde inbraak nota bene zou gaan meedoen, bij de bespreking van de wijze waarop dat feit gepleegd zou moeten worden niet aanwezig mocht zijn om de enkele reden dat het een onbekende was, die niet mocht weten waar de moeder van verdachte woont. Dit klemt temeer nu [medeverdachte] voor de moeder van verdachte eveneens een volstrekt onbekende was, terwijl verdachte hem slechts van gezicht kende als iemand die bij hem in de buurt woonde en met wie hij een enkele keer had ‘gehangen’. Daar komt nog bij dat men deze onbekende derde dan kennelijk anderhalf à twee uren in zijn auto buiten de slagboom van de camping te [plaats 5] zou hebben laten staan wachten. Niemand van de overige op de camping aanwezigen – [naam broer] , [medeverdachte] , [naam 2] , verdachtes moeder [naam 3] noch Jurians ex-partner [naam 4] – verklaart over de derde onbekende persoon, aan wie het kennelijk niet was toegestaan bij het chalet te verkeren en om die reden gehouden was buiten het hek te wachten.

Het hof begrijpt ook niet waarom verdachte zo nodig vanuit [plaats 10] helemaal naar [plaats 5] moest rijden om daar de auto te overhandigen aan [medeverdachte] en de onbekende derde terwijl in ieder geval [medeverdachte] nagenoeg een plaatsgenoot van hem is. Temeer nu zijn in [plaats 5] op de camping verblijvende broer wel een goede bekende zou zijn van [medeverdachte] , had het meer voor de hand gelegen dat de auto al in Noord-Holland zou zijn overgedragen aan [medeverdachte] .

Het hof acht voorts onaannemelijk dat verdachte zomaar tijdens het avondeten bij zijn vriendin vertrekt, zonder enige toelichting aan haar, om vanuit [plaats 7] met [medeverdachte] en de onbekende derde naar [plaats 8] te rijden. In de optiek van verdachte wist hij niet waar de rit naartoe ging, noch wist hij wat er van hem verwacht zou worden. Uiteindelijk zou het blijken te gaan om de in [plaats 8] achtergelaten Peugeot 407 in brand te steken en de buit op te halen. Het hof acht ook de stelling, dat tijdens die hele autorit met geen woord over de eerder die dag gepleegde woningoverval en wat er mis zou zijn gegaan is gesproken, hoogst onaannemelijk.

Het enige wat verdachte naar eigen zeggen met de feitelijke inbraak/overval en de buit te maken had, was dat de buit enkele dagen bij hem bewaard zou worden. Er was daarom voor verdachte geen enkele reden om deze lange autorit te maken. Ook hier – net zoals de ochtendrit naar [plaats 11] – is van een toegevoegde waarde van verdachtes aanwezigheid bij de tocht naar [plaats 8] in de avonduren, niet gebleken. Het was immers ook niet zo dat hij hiermee een deel van de opbrengst voor zichzelf zou veiligstellen, omdat naar zijn zeggen vooraf was afgesproken dat de buit zou worden gedeeld door [medeverdachte] , [naam broer] en de onbekende derde en dat hij niet zou delen in die opbrengst.

De als ‘alternatief scenario’ gepresenteerde lezing van verdachte is, gelet op het voorgaande, op onderdelen onaannemelijk en het vindt op een essentieel onderdeel (te weten: de onbekende derde) geen steun in overige bewijsmiddelen. Het hof gaat daarom aan het alternatieve scenario voorbij.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van het onder 1 primair ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft in hoger beroep op nader in de pleitnota uiteengezette gronden aangevoerd dat de verklaring van [naam broer] ( Jurian ) niet voor het bewijs mag worden gebruikt, nu sprake is van schending van het ondervragingsrecht ex artikel 6 lid 3 EVRM.

De gevallen, waarin het EHRM heeft uitgemaakt dat de vruchten van een in het opsporingsonderzoek afgelegde getuigenverklaring van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen, betreffen zaken waarin een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate ('solely or to a decisive degree') berust op de verklaring van die getuige. Zo'n geval is in het onderhavige geding niet aan de orde. De door de verdediging gelaakte verklaringen, waaronder ook de hierna onder 2 genoemde verklaring van [naam broer] , vormen namelijk niet het enige of beslissende bewijs ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

Het hof verwerpt daarom het verweer.

Door de raadsvrouw is om aanhouding van de behandeling gevraagd om alsnog nader onderzoek te laten doen naar historische telefoongegevens en DNA van [naam 5] en om [naam 5] nogmaals te laten horen door de raadsheer-commissaris.

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte] en de bruikbaarheid voor het bewijs van die verklaring en de verklaring van [naam broer] en de bruikbaarheid van diens verklaring voor het bewijs, bestaat er geen noodzaak voor het nogmaals horen van [naam 5] , zodat het hof dit verzoek afwijst.

Met betrekking tot de verzochte onderzoeken naar historische telefoongegevens en DNA van [naam 5] strandt het verzoek reeds op de omstandigheid dat [naam 5] niet ‘verdachte’ in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering in deze zaak is, zodat er geen rechtsgrond bestaat om dergelijke onderzoeken te kunnen gelasten. Het hof passeert daarom het verzoek op deze punten.

De door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1 primair

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL0100-2015379822-1, d.d. 29 december 2015 in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (bladzijden 484 tot en met 487 van een dossier met nummer 2016289918, naam onderzoek MUSCIDA/NN3RO15086) – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]:

Ik doe aangifte van diefstal met geweld. Niemand had het recht of de toestemming kunstwerken, schilderijen en porseleinen serviesgoed weg te nemen.

Ik woon aan de [adres] te [plaats 1] . Het feit is gepleegd op 27 december 2015 tussen 12:30 uur en 13:00 uur. Ik hoorde dat de deurbel ging. Ik opende de voordeur en zag dat er een jongen voor de deur stond die mij vroeg of hij naar het toilet mocht. Ik zei dat dat niet mocht. Ik zag toen dat de jongen naar binnen stapte en mij vastpakte bij mijn polsen. Op dat moment zag ik dat een tweede jongen naar binnen kwam die een zwarte sporttas en een gele boodschappentas van de Jumbo bij zich had. Ik zag dat deze tweede jongen door de benedenverdieping van mijn woning liep en overal rondkeek. Ik zag dat de tweede jongen naar het atelier was gelopen. Hier hangen veel schilderijen. Ook bevinden zich hier andere kunststukken. In deze ruimte staat een glazen vitrinekast vol met onder andere Chinees porselein uit de zestiende eeuw. Ik zag dat de tweede jongen de vitrinekast stuk maakte. Ik hoorde allemaal glasgerinkel. Ik zag dat hij Chinees porselein uit de vitrine haalde en in een zwarte sporttas stopte die hij zelf meegenomen had. Ik werd nog steeds vastgehouden door de eerste jongen. Ik voelde dat hij mij stevig vast hield. Ik heb mij verzet en probeerde los te komen. Ik draag een alarmknop om mijn hals en probeerde de alarmknop in te drukken. De eerste jongen zag dat ik dit wilde doen en trok de alarmknop van mijn nek. Deze alarmknop is door de jongens meegenomen. De tweede jongen was inmiddels naar de woonkamer gelopen en ik hoorde dat hij de vitrinekast die daar staat ook stuk maakte. Ik werd nog steeds vastgehouden door de eerste jongen. Hij liet mij ineens los en ik zag dat de jongens richting voordeur liepen. Ik zag dat de jongens tijdens het weglopen nog wat dingen pakten. Later zag ik dat er een schilderij uit de hal en een schilderij uit het atelier zijn weggenomen.

2. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte met nummer PL0100-2015379822-41, d.d. 31 augustus 2016 in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (bladzijden 696 tot en met 701 van een dossier met nummer 2016289918, naam onderzoek MUSCIDA/NN3RO15086) – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als verklaring van [naam broer] :

Het klopt dat ik wil vertellen wat ik over de overval op mevrouw [slachtoffer 1] op 27 december 2015 weet. [verdachte] ging om met een jongen uit Noord-Holland die [medeverdachte] heet. Ik wist dat zij zich bezighielden met criminele activiteiten. Ik wist dat mijn broer Chinees porselein ging stelen. Ik wilde dat wel inleveren bij [naam 6] . Toen ik van [naam 6] hoorde dat het porselein bij een oude vrouw is weggepakt en dat ze die oude vrouw hebben vastgehouden en pijn hebben gedaan en dat er één iemand door het huis is gegaan, wist ik dat mijn broer het was. Hij heeft uit de papieren die bij mij op tafel lagen het adres opgeslagen en mijn verhaal gehoord. Hij wist dat daar wat te halen viel. Ik heb gezegd dat het hele huis vol stond. Dat heb ik tegen hem gezegd. De volgende dag vertelden mijn broer en [medeverdachte] mij hoe het gegaan was. Ze stonden daar voor de deur en daar werd open gedaan door een oude mevrouw. Mijn broer heeft haar handen vastgehouden, waarop [medeverdachte] naar binnen rent en porselein begint te pakken uit de vitrinekasten. Dit is allemaal in de gestolen Peugeot gestopt.

3. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte met nummer PL0100-2015379822-57, d.d. 15 september 2016 in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (bladzijden 463 tot en met 473 van een dossier met nummer 2016289918, naam onderzoek MUSCIDA/NN3RO15086) – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als verklaring van [medeverdachte] :

De dag na tweede kerstdag (het hof begrijpt: 27 december 2015) belde [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] , verdachte) mij op. Hij kwam met een grote zwarte auto bij me. Ik ben bij hem in de auto gestapt en toen zijn we weggegaan. We zijn naar een camping gereden en daar hebben we een adres gekregen. [naam broer] kwam daarheen. [naam broer] en [verdachte] hebben toen iets besproken. Daarna zijn we weggegaan. Toen waren we in een keer in Drenthe. We stopten ergens bij een huis en daar zouden we een inbraak gaan doen. We stonden voor een deur. Een heel oud vrouwtje deed open. Toen stapte [verdachte] naar binnen. Ik bleef nog wat op afstand. [verdachte] pakte haar armen vast met twee handen. Met zijn rechterhand de linkerhand van de vrouw en met zijn linkerhand haar rechterhand. [verdachte] zei: “naar binnen en pak zoveel als je kan”. Ik ben toen naar binnen gegaan en ben naar het porselein gelopen. Dat heb ik gepakt. Het stond in de vitrine en die heb ik opengetrokken en toen knapte het raam. Toen heb ik spulletjes eruit gepakt en die heb ik in een tas gedaan. Een zwarte sporttas die we mee naar binnen hadden genomen. Die lag in de kofferbak. Er lag ook nog een boodschappentasje. Ik ben, nadat ik de spullen uit de vitrine in de tas had gedaan, naar buiten gelopen en heb de tas in de kofferbak gelegd.

Ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5:

4. De bekennende verklaring van verdachte, zoals hij die op de terechtzitting bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen op 11 april 2017 heeft afgelegd – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik erken de diefstal van de Peugeot en twee keer tanken zonder te betalen.

5. Een schriftelijk stuk, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2015297203-1, d.d. 14 december 2015 opgemaakt door [verbalisant 1] , BOA domein generieke opsporing (bladzijden 923 tot en met 925 van een dossier met nummer 2016289918, naam onderzoek MUSCIDA/NN3RO15086), inhoudende de verklaring van aangever [benadeelde 1] .

6. Een schriftelijk stuk, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte met nummer PL2600-2015075904-1, d.d. 28 december 2015 opgemaakt door [verbalisant 2] , BOA domein generieke opsporing (bladzijden 961 tot en met 964 van een dossier met nummer 2016289918, naam onderzoek MUSCIDA/NN3RO15086), inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 2] , namens [slachtoffer 2] .

7. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL2600-2015067979-1, d.d. 25 november 2015 in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (bladzijden 720 en 721 van een dossier met nummer 2016289918, naam onderzoek MUSCIDA/NN3RO15086), inhoudende de verklaring van aangever K. ter Haar , namens [benadeelde 2] .

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair:
hij op 27 december 2015 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning/atelier aan de [adres] heeft weggenomen

  • -

    schilderijen en

  • -

    Chinees porselein,

toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader

  • -

    na het aanbellen bij die woning en nadat die [slachtoffer 1] had opengedaan die woning zijn binnengedrongen en

  • -

    die [slachtoffer 1] bij haar polsen hebben/heeft vastgepakt en hebben/heeft vastgehouden en

  • -

    een vitrinekast hebben/heeft kapotgeslagen en

  • -

    de alarmknop van die [slachtoffer 1] hebben/heeft afgepakt;

3:
hij in de periode van 13 december 2015 tot en met 14 december 2015 te [plaats 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (Peugeot 407), toebehorende aan [benadeelde 1] , waarbij verdachte die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

4:
hij op 24 december 2015 te [plaats 3] , gemeente [gemeente 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid (motor)brandstof, toebehorende aan [slachtoffer 2] ;


5:
hij op 23 november 2015 te [plaats 4] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (motor)brandstof, toebehorende aan [benadeelde 2] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het onder 4 en 5 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in op 27 december 2015 samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een brutale woningoverval. Daarbij is verdachte met zijn mededader de woning van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , een dame van toen 93 jaar oud, binnengedrongen en is het slachtoffer direct nadat verdachte de woning binnendrong bij de polsen gepakt en gedurende de gehele overval stevig vastgehouden. Toen verdachte doorkreeg dat het slachtoffer een alarmknop om de hals droeg, heeft hij deze direct afgenomen. Uit de woning zijn verschillende kunstvoorwerpen weggenomen.

Een veel gezien gevolg van woninginbraken, al helemaal als daarbij geweld is gebruikt tegen een bejaarde, is dat het slachtoffer zich langdurig niet meer veilig voelt in de eigen woning. Dat is hier niet anders. Hier komt bij dat het slachtoffer – naar verdachte wist – ongeveer twee jaar eerder het slachtoffer is geweest van een inbraak waarbij ook verschillende kunstvoorwerpen buit waren gemaakt. Woningovervallen zorgen daarnaast ook maatschappelijk voor grote gevoelens van onrust en onveiligheid.

Verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk niet om de gevolgen daarvan bekommerd en heeft kennelijk alleen aan zijn eigen (financiële) belangen gedacht. Daarnaast heeft verdachte een auto gestolen en zich tweemaal schuldig gemaakt aan diefstal van benzine.

In het nadeel van verdachte weegt mee dat hij, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 juni 2018 eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder andere ook voor een soortgelijk vermogensdelict. Die eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Ook de omstandigheid dat verdachte nog maar kort in een proeftijd liep in verband met een voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van achthonderdtwaalf dagen heeft hem evenmin van recidive weerhouden.

Anders dan de raadsvrouw in het kader van de strafmaat heeft aangevoerd, heeft verdachte met zijn proceshouding slechts zeer beperkt verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

De landelijk geldende oriëntatiepunten voor een woningoverval variëren afhankelijk van de omstandigheden van het geval in een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar bij licht geweld tot vijf jaar bij ander geweld, waarbij wordt uitgegaan van een first offender. Bijzondere redenen om van die uitgangspunten in deze zaak in het voordeel van verdachte af te wijken zijn er niet. Integendeel, verdachte was door zijn eerdere bestraffingen een gewaarschuwd man.

Alles afwegend kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met oplegging van een lagere gevangenisstraf dan door de eerste rechter werd opgelegd. Voor oplegging van een hogere, door de advocaat-generaal gevorderde, straf ziet het hof evenmin aanleiding.

Het hof zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.005,40. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.109,56. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De posten met betrekking tot vergoeding van de dagwaarde van de auto (ad € 7.096,71) en de kosten in verband met een tijdelijke auto (ad € 360,00) komen voor integrale toewijzing in aanmerking. De kosten betreffende de verloren inventaris begroot het hof naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 700,00. De benadeelde partij heeft voor de restanten van zijn auto een vergoeding ontvangen van € 200,00. De vordering kan derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 7.956,71. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor een nieuw aangeschaft navigatiesysteem overweegt het hof dat dit deel van de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het voormeld toegewezen bedrag betreffende de inventaris van de auto heeft immers deels betrekking op vergoeding voor (een) navigatiesysteem(en). Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 103,56. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte, die deze vordering niet heeft betwist, is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Afwijzing verzoek opheffing respectievelijk schorsing van de voorlopige hechtenis

De verdediging heeft met een beroep op artikel 67a, lid 3, Sv opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis bepleit. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het hof daartoe geen aanleiding.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De veroordeelde is bij arrest van dit gerechtshof d.d. 22 mei 2012 onder parketnummer 24-001830-11 veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens is de veroordeelde bij vonnis van de rechtbank Alkmaar d.d. 6 juni 2012 onder parketnummer 14-810510-11 veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden, met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde is in die zaken voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft op 16 januari 2017 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland. Deze vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met de onder 1, 3, 4 en5 tenlastegelegde feiten.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is derhalve gegrond.

Het hof zal deze vordering daarom toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan. Voor matiging, zoals door de raadsvrouw gevraagd, ziet het hof geen aanleiding. Verdachte heeft zich immers relatief kort na het ingaan van de proeftijd al schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 6 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de verzoeken tot opheffing en tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.956,71 (zevenduizend negenhonderdzesenvijftig euro en eenenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.956,71 (zevenduizend negenhonderdzesenvijftig euro en eenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 74 (vierenzeventig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 december 2015.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 103,56 (honderddrie euro en zesenvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 103,56 (honderddrie euro en zesenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 november 2015.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de bij arrest van dit gerechtshof d.d. 22 mei 2012 onder parketnummer 24-001830-11 en bij vonnis van de rechtbank Alkmaar d.d. 6 juni 2012 onder parketnummer 14-810510-11 opgelegde vrijheidsstraffen, te weten 812 (achthonderdtwaalf) dagen dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. G.A. Versteeg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 7 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. L.T. Wemes voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.