Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7081

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
200.216.985/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen grove miskenning wettelijke maatstaven in convenant partneralimentatie. Hypothecaire aflossingen feitelijk uit afschrijvingen betaald. Professionele begeleiding bij totstandkoming convenant, dat zowel alimentatie als boedel samenhangend regelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.216.985/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/148448 / FA RK 16-646)

beschikking van 31 juli 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. Dijkman te Groningen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E. Henkelman te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 1 maart 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 1 juni 2017;

- het verweerschrift;

- een journaalbericht van mr. Henkelman van 13 november 2017 met productie(s).

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het huwelijk van partijen is [in] 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.2.

In het van de echtscheidingsbeschikking van 14 oktober 2015 deel uitmakende en op 25 september 2015 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn partijen, voor zover hier van belang, overeengekomen dat de man met ingang van 1 november 2015 voor de duur van drie jaar als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: de partneralimentatie)
€ 1.800,-- bruto per maand zal voldoen, voor het eerst te indexeren per 1 januari 2017. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2017 ingevolge de wettelijke indexering
afgerond € 1.838,-- bruto per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 1 maart 2017 overwogen dat de partneralimentatie, zoals opgenomen in het convenant van 25 september 2015, een grove miskenning van de wettelijke maatstaven oplevert en heeft (met wijziging van het echtscheidingsconvenant van 25 september 2015) de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 maart 2017 op nihil gesteld en het totaalbedrag van de van 9 mei 2016 tot 1 maart 2017 verschuldigde partneralimentatie bepaald op hetgeen terzake over die periode in feite is betaald of is verhaald.

4.2.

De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 maart 2017. Deze grieven zien op de toepassing van artikel 1:401 lid 5 Burgerlijk Wetboek (BW). De eerste grief ziet op het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat partijen bij het aangaan van hun alimentatieovereenkomst bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De tweede grief ziet op de voor de partneralimentatie beschikbare draagkracht van de man. De vrouw is van mening dat de man in staat is de overeengekomen partneralimentatie te voldoen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man in zijn verzoeken strekkende tot wijziging van de partneralimentatie alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze verzoeken af te wijzen.

4.3.

De man voert verweer en hij verzoekt de vrouw in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar het verzochte te ontzeggen, althans de bestreden beschikking, al dan niet onder verbetering van de gronden, te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

* de gronden waarop een overeengekomen bijdrage kan worden gewijzigd of ingetrokken

5.1.

Een verzoek tot wijziging of intrekking van een overeenkomst betreffende levensonderhoud dient:

- ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 BW te worden gegrond op de stelling dat deze overeenkomst destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven; ofwel

- ingevolge het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 BW te worden gegrond op de stelling dat deze overeenkomst nadien door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De grove miskenning van wettelijk maatstaven

5.2.

Van grove miskenning van de wettelijke maatstaven is sprake wanneer, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich wel op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar - als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van die maatstaven of doordat zij daarbij zijn uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens - tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid.

5.3.

In een procedure waarin wijziging van de overeengekomen bijdrage wordt verzocht omdat deze is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, moeten zware eisen worden gesteld aan de stelplicht van de partij die de wijziging verzoekt.

5.4.

De man voert aan dat het convenant is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, omdat er bij de vaststelling van de partneralimentatie geen rekening is gehouden met het gegeven dat de man jaarlijks € 76.500,-- dient af te lossen op het hypothecaire krediet en omdat achteraf bleek dat hij de alimentatie niet (volledig) fiscaal kon aftrekken. Hij betwist dat partijen op deze punten bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Hij stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de overeengekomen alimentatie te betalen.

5.5.

De vrouw verzet zich tegen wijziging van de overeengekomen alimentatie. Zij wijst erop dat de man ten tijde van het uiteengaan van partijen hierover overleg heeft gehad met de bank en met zijn financiële adviseurs, die volledig op de hoogte zijn van de financiële situatie van de man en dus ook van de aflossingsverplichtingen van de man ten aanzien van de hypothecaire leningen. De vrouw gaat er van uit dat de man alle financiële aspecten van het convenant met zijn adviseurs heeft doorgenomen en het kan volgens de vrouw dan ook niet anders dan dat er bij de afweging of de man in staat geacht kan worden aan de overeengekomen onderhoudsverplichting te voldoen, rekening is gehouden met zijn aflossingsverplichting. De vrouw stelt zich op het standpunt dat bij de bepaling van de partneralimentatie, specifiek ter zake van de post aflossing schulden en het fiscale voordeel, bewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven.

De vrouw betwist dat de man vanwege zijn aflossingsverplichtingen over onvoldoende draagkracht beschikt om haar de overeengekomen partneralimentatie te kunnen voldoen.

5.6.

De totstandkoming van het convenant is ter zitting van het hof uitgebreid met partijen besproken. De toelichting die ieder van partijen heeft gegeven op de totstandkoming van de afspraken over de alimentatie geeft al met al de indruk dat partijen een bijdrage zijn overeengekomen die onderdeel uitmaakt van een groter geheel, namelijk van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Onbestreden is door de vrouw gesteld dat bij de bepaling van de partneralimentatie onder andere rekening is gehouden met het feit dat de man vermogen bezit dat nodig is voor zijn bedrijfsvoering. Partijen vonden het redelijk dat de vrouw (die haar vaste baan in verband met het huwelijk had opgezegd en gedurende het huwelijk op de boerderij heeft gewerkt) na ontbinding van het huwelijk € 100.000,-- zou ontvangen om een nieuwe start te maken en om een nieuw leven op te bouwen. Juist omdat de man zijn onderneming wilde behouden is er voor gekozen om de vrouw niet een groot bedrag ineens uit te keren, maar door middel van partneralimentatie de betaling aan de vrouw te spreiden. De vrouw zou € 50.000,-- ontvangen en de rest zou gedurende drie jaar in de vorm van partneralimentatie worden betaald.

5.7.

Het hof constateert verder dat uit de overgelegde stukken en behandeling ter zitting volgt dat de partneralimentatie in 2015 is vastgesteld onder professionele begeleiding van een mediator, met wie partijen meerdere keren overleg hebben gevoerd. Aan de door partijen gemaakte alimentatieafspraken heeft een door de mediator gemaakte draagkrachtberekening ten grondslag gelegen. Op basis van deze berekening - die voor de man, zoals hij stelt, leidend is geweest bij het aangaan van de alimentatieovereenkomst - zou de man, uitgaande van een winst uit onderneming van ongeveer € 43.000,--, in staat zijn € 1.800,-- per maand aan de vrouw te voldoen.

5.8.

Ter beantwoording van de vraag of er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de partneralimentatie die de rechter zou hebben vastgesteld en die welke partijen zijn overeengekomen dient - mede gelet op de tussen partijen in hoger beroep daarover gevoerde discussie - te worden nagegaan wat de draagkracht van de man ten tijde van het convenant was.

5.9.

De man exploiteert een melkveehouderij. Bij het vaststellen van de draagkracht van een ondernemer dient te worden beoordeeld welke middelen hem ter beschikking staan of geacht kunnen worden te staan. Uitgangspunt is dat daarbij wordt gekeken naar de resultaten van zijn onderneming (in de afgelopen drie jaren).

5.10.

Blijkens de jaarstukken van de onderneming (waarbij het jaar loopt van 1 mei tot 1 mei) heeft de winst in 2012/2013 € 14.904,-- bedragen, in 2013/2014 € 99.092,--, in 2014/2015 € 43.332,-- en in 2015/2016 € 44.930,--.

5.11.

In een situatie als de onderhavige, waarin de man stelt inkomsten te hebben van rond 43.000/45.000 euro per jaar, rijst de vraag waarvan de man de door hem gestelde hypothecaire aflossing van € 76.500,-- per jaar betaalt.

5.12.

Ter zitting van het hof is komen vast te staan dat de voor de betreffende aflossing benodigde financiële middelen beschikbaar komen door de afschrijvingen. De (advocaat van de) man heeft verklaard dat de aflossing feitelijk buiten de formele fiscale winstberekening om gebeurt.

Per saldo is, zo blijkt uit de stukken en uit hetgeen naar voren is gebracht, de hypothecaire aflossing van € 76.500,-- per jaar betaald uit de op het resultaat van het bedrijf van de man drukkende afschrijvingen. De man mag deze afschrijvingen weliswaar vanuit fiscaal oogpunt opvoeren, maar het betreft, zo begrijpt het hof, geen daadwerkelijke, reële, kosten. De post ter zake van afschrijvingen (in 2014/2015 ter hoogte van € 98.160,--) vertegenwoordigt daarmee geld waarover de man kon beschikken naast de winst van zijn bedrijf. Voor zover de man heeft aangevoerd dat hij de afschrijvingen moet reserveren, geldt dat dit betwist is door de vrouw en door de man niet nader (met stukken) is onderbouwd. Daarbij verdient opmerking dat het enkele feit dat de middelen, die beschikbaar komen door de afschrijvingen, zijn of worden besteed aan genoemde aflossingen nog niet meebrengt dat is/wordt ingeteerd op vermogen, nu dit afhangt van de vraag of tegenover de afschrijvingen een daadwerkelijke waardevermindering staat. Hierover is door de man, terwijl dat op zijn weg had gelegen, geen duidelijkheid gegeven. Verder heeft de man niet inzichtelijk gemaakt waarvoor de lening waarop hij aflost is aangegaan. In het bijzonder is niet door de man gesteld dat die lening niets heeft te maken met de bedrijfsfinanciering, terwijl evenmin is gesteld dat de met de middelen uit de afschrijvingen betaalde aflossingen zijn aan te merken als (bedrijfstechnisch onverantwoorde) door het bedrijf van de man bekostigde privé-onttrekkingen. De man heeft daarmee in ieder geval niet inzichtelijk gemaakt waarom de afschrijvingen (volledig) gereserveerd zouden moeten worden voor toekomstige investeringen.

5.13.

Het hof gaat er derhalve van uit - zoals de man ook zelf ter zitting heeft aangegeven - dat de aflossingen zijn verdisconteerd in het resultaat, en dat de man uit de door hem gestelde fiscale winst niet nog de door hem opgevoerde aflossingen dient te voldoen.

5.14.

Met betrekking tot de tweede door de man opgeworpen kwestie over de fiscale aftrekbaarheid overweegt het hof dat uit de door de man in geding gebrachte belastingaangiften weliswaar blijkt dat de man, zoals hij ook heeft gesteld, geen (volledig) belastingvoordeel geniet vanwege de door hem te betalen partneralimentatie, maar dat daarbij tevens moet worden geconstateerd dat dit komt doordat de man over voornoemde fiscale winst feitelijk geen en/of minder belasting hoeft te betalen, omdat hij verlies (althans niet eerder benutte investerings-, ondernemers- en zelfstandigenaftrek) mag compenseren, waardoor zijn netto inkomen hoger uitvalt.

5.15.

De man heeft bovendien ter zitting van het hof erkend dat hij ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant ervan op de hoogte was dat hij ter zake van het betalen van partneralimentatie wellicht geen belastingteruggaaf zou kunnen krijgen en dat hij zich bij het bestaan van die mogelijkheid heeft neergelegd.

Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof in ieder geval aan het gegeven dat de man geen recht heeft op fiscaal voordeel ter zake van alimentatiebetaling niet de conclusie worden verbonden dat sprake is geweest van grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

5.16.

Uitgaande van de eigen berekening van de man van 27 juli 2016 (bij productie 5 achter het beroepschrift) - met dien verstande dat het hof in die berekening op basis van wat hiervoor is overwogen het draagkrachtloos inkomen corrigeert ten aanzien van de opgevoerde aflossing ad € 6.380,-- per maand - berekent het hof het besteedbaar inkomen van de man, zelfs indien conform zijn berekening wordt uitgegaan van de verschuldigdheid van inkomstenbelasting ten bedrage van € 8.008,--, op € 3.867,-- en zijn voor alimentatie beschikbare draagkracht op € 1.616,-- netto. Gelet hierop levert naar het oordeel van het hof de overeengekomen partneralimentatie van € 1.800,-- geen wanverhouding op tussen de partneralimentatie die de rechter zou hebben vastgesteld en die welke partijen zijn overeengekomen.

5.17.

Op grond van het bovenstaande heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat de alimentatieafspraak in het convenant is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Er is geen sprake van een wanverhouding tussen wat partijen zijn overeengekomen en wat de rechter zou hebben beslist en de man heeft onvoldoende onderbouwd dat de gegevens, zoals hij deze thans presenteert, tot een wezenlijk andere bijdrage zouden hebben geleid.

5.18.

Hetgeen partijen verder hebben aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel.

Daarbij kan in het midden blijven of partijen al dan niet bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Aan beoordeling van de overige geschilpunten, onder andere die inzake het al dan niet in het geding betrekken van de stukken uit de mediation voor bewijslevering, komt het hof niet toe.

5.19.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 BW, zodat de overeengekomen partneralimentatie niet op deze grond gewijzigd kan worden.

* Wijziging van omstandigheden

5.20.

De man heeft verder aangevoerd dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van zijn draagkracht rechtvaardigt.

5.21.

Voor zover de man heeft gesteld dat zijn financiële positie na 25 september 2015 aanzienlijk is verslechterd, heeft hij dit op geen enkele wijze onderbouwd.

Immers, net als ten tijde van de vaststelling van het convenant, heeft de man geen fiscaal voordeel ter zake van alimentatiebetaling, terwijl net als toen de opgevoerde aflossing wordt gefinancierd uit de afschrijvingen.

Die aflossingsverplichting is - zoals de man zelf heeft aangevoerd - niet ineens ontstaan ten tijde van het opstellen van het convenant, maar bestond toen al jaren. De aflossingen zijn terug te vinden in de ingebrachte jaarstukken van de onderneming. Zo is er in 2012/2013 € 93.000,-- afgelost, in 2013/2014 € 72.900,--, in 2014/2015 € 76.560,-- en in 2015/2016 € 76.560,--, terwijl deze aflossingen kennelijk al jaren zijn gefinancierd uit de op de fiscale bedrijfswinst van de man drukkende afschrijvingen (in 2012/2013 bedragende € 98.108,-- in 2013/2014 € 98.513,-- in 2014/2015 € 98.160,-- en in 2015/2016 € 65.749,--).

Het hof ziet geen reden om de verplichte aflossingen thans, anders dan ten tijde van het huwelijk, ten laste van de winst te laten komen en daarmee ten laste van de alimentatie. Dat de man daarbij mogelijk gedurende een beperkte periode van drie jaar - waarin hij alimentatie verschuldigd is - inteert op zijn vermogen, acht het hof in dit geval een onvoldoende zwaarwegend argument tegen voormeld oordeel.

5.22.

Het hof constateert verder dat de vrouw in eerste aanleg haar inkomsten over de periode vanaf 5 juli 2016 voldoende heeft onderbouwd met stukken, waaronder de uitzendovereenkomst met [C] B.V. van 5 juli 2016, de tijdelijke arbeidsovereenkomst (ter vervanging zieke vaste medewerker) met Schoonmaakbedrijf [D] B.V., aangegaan voor de periode van 29 augustus 2016 t/m 28 februari 2017, alsmede de uit deze dienstbetrekkingen voortvloeiende loonspecificaties. Uit deze stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de vrouw momenteel als oproepkracht in de schoonmaaksector inkomsten op bijstandsniveau genereert.

5.23.

Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw verbleekt/vervlakt is, althans niet meer bedraagt dan de bijstandsnorm, nu de vrouw gedurende een periode aanspraak heeft moeten maken op een bijstandsuitkering en thans inkomsten op bijstandsniveau genereert.

Het enkele feit dat de vrouw, sinds de man gestopt is met het betalen van de overeengekomen partneralimentatie, haar uitgaven heeft aangepast aan de hoogte van haar lagere inkomen, maakt niet dat die behoefte daarmee zou zijn afgenomen.

Aldus is aan de zijde van de vrouw evenmin sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde draagkrachtberekening rechtvaardigt.

5.24.

Anders dan de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat geen gronden zijn gebleken voor wijziging van het tussen partijen gesloten convenant. Het hof zal derhalve het inleidende verzoek van de man alsnog afwijzen.

6 Slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 1 maart 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het inleidend verzoek van de man tot wijziging van het tussen partijen gesloten convenant van 25 september 2015, zoals opgenomen in de (echtscheidings)beschikking van de rechtbank Overijssel van 14 oktober 2015.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. M.P. den Hollander en mr. I.M. Dölle, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 31 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.