Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:7015

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
21-005445-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

volgt zsm

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005445-15

Uitspraak d.d.: 2 augustus 2018

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 28 september 2015 met het parketnummer 18-850085-14 in de strafzaak van de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 19 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkende dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk zal toewijzen, tot een bedrag van € 2.000,-, de verdachte hoofdelijk aansprakelijk zal stellen en de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2018 is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het primair aan hem ten laste gelegde delict.

Ter zake van het subsidiair aan hem ten laste gelegde delict heeft de rechtbank hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoe-ding van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag van € 2.000,-, de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor dat bedrag en heeft de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Het gerechtshof zal dat vonnis vernietigen omdat het gerechtshof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de rechtbank. Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:


[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] op of omstreeks 24 augustus 2014, te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen (een) gro(o)t(e) geldbedrag(en) van (in totaal) ongeveer

€ 2.000, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte (n), waarbij die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of hun mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn/hun mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of zijn/hun mededader(s) die [benadeelde] op een stoel aan handen en voeten met tie-wraps heeft/hebben vastgebonden en/of die [benadeelde] een (gas)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd heeft/hebben gezet en/of van die [benadeelde] geld en/of autosleutels en/of de pinpas heeft/hebben geëist en/of naar de kluis heeft/hebben gevraagd, terwijl die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/ of zijn/hun mededader(s) zichtbaar voor die [benadeelde] een koevoet en/of breekijzer en/of een (gas)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een stroomstootwapen (taser) in handen had(den) en/of tegen die [benadeelde] zei(den) (zakelijk weergegeven) dat ze zich niet mocht bewegen want anders zou er iets gebeuren, welk vorenomschreven strafbaar feit verdachte in of omstreeks de periode van 1 augustus

2014 tot en met 24 augustus 2014, in elk geval in de periode in het jaar 2014 voorafgaand aan dat feit, te [plaats 2] , (althans) in de gemeente [gemeente] , en/of elders in Nederland, door het verschaffen van (een) inlichting(en), te weten door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of hun mededader(s) door te geven dat er in een (gele) woning aan de [adres] te [plaats 1] , (gelegen nabij het woonwagenkamp) een dikke man woonachtig zou zijn, welke man veel geld in huis zou hebben (dat in een kluis moest liggen) en/of een rol te spelen in het regelen van het (vuur)wapen, opzettelijk heeft uitgelokt;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat


hij op of omstreeks 24 augustus 2014, te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) gro(o)t(e) geldbedrag(en) van (in totaal) ongeveer € 2.000, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [benadeelde] op een stoel aan handen en voeten met tie-wraps heeft/hebben vastgebonden en/of die [benadeelde] een (gas)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd heeft/hebben gezet en/of van die

[benadeelde] geld en/of autosleutels en/of de pinpas heeft/hebben geëist en/of naar de kluis heeft/hebben gevraagd, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zichtbaar voor die

[benadeelde] een koevoet en/of breekijzer en/of een (gas)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een stroomstootwapen (taser) in handen had(den) en/of tegen die [benadeelde] zei(den) (zakelijk weergegeven) dat ze zich niet mocht bewegen want anders zou er iets gebeuren;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat


[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] op of omstreeks 24 augustus 2014, te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben/heeft weggenomen (een) gro(o)t(e) geldbedrag(en) van (in totaal) ongeveer

€ 2.000, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan die verdachte(n), waarbij die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of zijn/hun mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn/hun mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of zijn/hun mededader(s) die [benadeelde] op een stoel aan handen en voeten met tie-wraps heeft/hebben vastgebonden en/of die [benadeelde] een (gas)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd heeft/hebben gezet en/of van die [benadeelde] geld en/of autosleutels en/of de pinpas heeft/hebben geëist en/of naar de kluis heeft/hebben gevraagd, terwijl die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] zijn mededader(s) zichtbaar voor die [benadeelde] een koevoet en/of breekijzer en/of een (gas)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een stroomstootwapen (taser) in handen had(den) en/of tegen die [benadeelde] zei(den) (zakelijk weergegeven) dat ze zich niet mocht bewegen want anders zou er iets gebeuren, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met

24 augustus 2014, in elk geval in de periode in het jaar 2014 voorafgaand aan dat feit, te [plaats 2] , (althans) in de gemeente [gemeente] , en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of zijn/hun mededader(s) de informatie te verstrekken dat er in een gele woning gelegen aan de [adres] te [plaats 1] (nabij het woonwagenkamp), een dikke man woonachtig is, welke man een grote hoeveelheid geld in huis heeft (dat in een kluis moest liggen) en/of een rol te spelen in het regelen van het (vuur)wapen.

Het gerechtshof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdedigingsbelang.

Overweging met betrekking tot het bewijs voor het primair ten laste gelegde delict

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2018 iedere betrokkenheid bij hetgeen aan hem is ten laste gelegd ontkend. In het verlengde hiervan heeft de verdediging (integrale) vrijspraak bepleit.

Het gerechtshof is van oordeel dat hetgeen door de verdachte en zijn raadsman is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het gerechtshof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen, waaronder de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt, te twijfelen en acht de andersluidende lezing van de verdachte en zijn raadsman over hetgeen is voorgevallen niet aannemelijk geworden. Het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot de verklaringen van [medeverdachte 1] en [naam] is naar het oordeel van het hof - mede in het licht van de overige bewijsmiddelen - onvoldoende onderbouwd. Het enkele gegeven dat [medeverdachte 1] bij de raadsheer-commissaris niet nader wilde verklaren is in elk geval niet toereikend voor de conclusie dat zijn verklaring zoals ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegd niet betrouwbaar zou zijn. Ten aanzien van [naam] is de stelling dat zijn verklaring niet betrouwbaar zou zijn niet nader onderbouwd. Het gerechtshof acht voorts met name niet aannemelijk geworden de stelling van de verdachte en zijn raadsman dat bij iedereen bekend was dat in de woning van [benadeelde] veel geld te halen was en dat iedereen zijn hachje wilde redden. Dit klemt te meer nu verdachte op nadere vragen daaromtrent geen verdere uitleg wenst te geven.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld acht het gerechtshof de primair ten laste gelegde deelnemingsvorm van uitlokking bewezen. De stelling van de raadsman dat [medeverdachte 1] niet is overgehaald tot deelname aan de overval in de woning van [benadeelde] door de informatie die hij heeft gekregen van de verdachte, maar door de informatie die hij heeft gekregen van [naam] , mist doel. Niet uitgesloten is immers dat andere omstandigheden dan het gebruik van een uitlokkingsmiddel meewerken aan het besluit van degene die is uitgelokt, mits het uitlokkingsmiddel de doorslag geeft. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij door de verdachte is gemanipuleerd, dat de verdachte hem een groot geldbedrag van € 300.000,-heeft voorgespiegeld en hem heeft verteld dat [naam] van dat geld wist, dat die [naam] wel wapens voor hem had en dat de verdachte hem, [medeverdachte 1] , in contact heeft gebracht met [naam] . Voornoemde handelingen van de verdachte zijn naar het oordeel van het gerechtshof doorslaggevend geweest voor het (verdere) handelen van [medeverdachte 1] .

De omstandigheid dat [medeverdachte 1] heeft verklaard daarna aanvullende (detail)informatie te hebben verkregen van [naam] en enkele voorbereidende handelingen te hebben verricht met die [naam] en dat hij, [medeverdachte 1] , vervolgens over de drempel is gestapt om de overval uit te voeren, doet daar niet aan af.

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is evenmin relevant dat het delict op een ander moment en op een andere wijze (namelijk buiten de aanwezigheid van de verdachte zelf) is gepleegd dan aanvankelijk werd beoogd door de verdachte en zijn beoogde mededaders.

Het opzet van de uitlokker op een bepaalde wijze van uitvoering van het delict is immers niet vereist volgens het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 1999 (NJB 1999, 154).

Het gerechtshof heeft daarnaast acht geslagen op het arrest van de Hoge Raad met het kenmerk ECLI:NL:HR:2016:223, waarin is verwoord dat een zekere bereidheid in algemene zin tot het plegen van - mogelijk soortgelijke - strafbare feiten bij degene die zou zijn uitgelokt, niet in de weg staat aan uitlokking, omdat het er bij uitlokking om gaat dat de uitgelokte door de uitlokker met gebruikmaking van één of meer uitlokkingsmiddelen wordt aangezet tot het plegen van een specifiek strafbaar feit.


Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het gevoerde bewijsverweer en acht het gerechtshof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair aan hem ten laste gelegde delict, zoals hieronder nader aangeduid.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


[medeverdachte 1] op 24 augustus 2014 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van € 2.000, toebehorende aan [benadeelde] , waarbij die [medeverdachte 1] en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming en welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat die [medeverdachte 1] en zijn mededader die [benadeelde] op een stoel aan handen en voeten met tie-wraps hebben vastgebonden en van die

[benadeelde] geld en autosleutels en de pinpas hebben geëist en naar de kluis hebben gevraagd, terwijl die [medeverdachte 1] of zijn mededader zichtbaar voor die [benadeelde] een breekijzer in handen had en tegen die [benadeelde] zei dat ze zich niet mocht bewegen want anders zou er iets gebeuren,

welk vorenomschreven strafbaar feit verdachte in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 24 augustus 2014 te [plaats 2] , in de gemeente [gemeente] , door het verschaffen van inlichtingen, te weten door aan die [medeverdachte 1] door te geven dat iemand veel geld zou hebben dat in een kluis moest liggen en een rol te spelen in het regelen van het wapen, opzettelijk heeft uitgelokt.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

uitlokking van diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, gepleegd door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde delict en de omstandigheden waaronder dat delict is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde delict heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    het gegeven dat door de bewezen verklaarde overval in een woning financiële schade en overlast wordt veroorzaakt bij de gedupeerde bewoner.

Naar algemeen bekend is, kunnen met name de slachtoffers van een woningoverval hiervan lang nadelige gevolgen ondervinden, nu zij zich in een voor hun vertrouwde omgeving niet langer veilig kunnen wanen. Dit heeft zich ook daadwerkelijk voorgedaan bij het bejaarde slachtoffer van deze gewelddadige woningoverval.

Ook in de omgeving kan een dergelijke woningoverval een grote impact hebben;

 de omstandigheid dat de verdachte zich daarvan kennelijk geen enkele rekenschap heeft gegeven en heeft gehandeld zonder enig respect voor het welzijn en eigendomsrecht van een ander;

 de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Ter zake van het misdrijf van een gewelddadige overval in een woning kan volgens dat uitgangspunt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof acht geslagen op:

 de omstandigheid dat de verdachte blijkens het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 juni 2018 meerdere keren is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, waaronder woninginbraken, en dat die veroordelingen onherroepelijk zijn.

Dit pleit niet in zijn voordeel, nu eerdere bestraffingen de verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden opnieuw betrokken te zijn bij het plegen van een delict;

 de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het gerechtshof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en algemene en speciale preventie acht het gerechtshof het in beginsel passend en noodzakelijk om een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van zes jaren, met aftrek van de periode die is doorgebracht voorarrest. In deze strafzaak heeft zich echter een overschrijding van de redelijke termijn voorgedaan in de fase van het hoger beroep. De strafzaak in hoger beroep wordt pas twee jaren en bijna tien maanden nadat hoger beroep is ingesteld afgerond, zonder dat zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die deze overschrijding rechtvaardigen.

Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van het hoger beroep, ziet het gerechtshof aanleiding de gevangenisstraf voor de duur van zes jaren die het gerechtshof voornemens was op te leggen, te matigen tot vijf jaren, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest.

Het hof is van oordeel dat deze straf passend en geboden is en recht doet aan de ernst van het misdrijf.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 2.500,-. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag van € 2.000,-. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van de vordering. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De hoogte van deze schade is niet betwist. De verdediging heeft aangevoerd dat het causaal verband tussen het handelen van de verdachte - als uitlokker - en de door de benadeelde partij geclaimde schade ontbreekt. Hierover overweegt het gerechtshof het volgende.

Artikel 51f, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt als volgt:
“Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.”
In artikel 361, tweede lid, onder b, Sv keert het criterium van rechtstreekse schade terug als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering.

Deze bepaling luidt:
“De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
(...)

b. aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit of door een ander strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.”

De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen en de door de benadeelde partij geleden schade om aan te kunnen nemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1522). Hierbij komt het niet alleen aan op de gedragingen die in de bewezenverklaring als zodanig zijn verwoord, maar kan ook acht worden geslagen op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen die de schade hebben veroorzaakt. Niet is uitgesloten dat de schade weliswaar niet het rechtstreekse gevolg is van de bewezen verklaarde gedraging als zodanig, maar dat - gelet op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte - de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 51f, eerste lid, Sv.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de hoedanigheid van uitlokker op substantiële wijze betrokken is geweest bij de overval in de woning van de benadeelde partij, waardoor er sprake is van een concrete onrechtmatige daad die door de plegers en de verdachte als uitlokker is gepleegd jegens de benadeelde partij, waardoor deze schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij bestaat uit materiele schade.

Naar het oordeel van het gerechtshof staat de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband met de bewezen verklaarde door de verdachte gepleegde uitlokking van de overval in de woning van de benadeelde partij dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij toegebracht door het bewezen verklaarde feit als bedoeld in de hierboven genoemde artikelen. De verdachte is aldus tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.

Gelet op het bovenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. A. van Holten, voorzitter,

mr. A.J. Rietveld en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 2 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Brink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.