Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6957

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
200.201.835/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kwalificatie: arbeidsovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0912
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.201.835/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3424432 CV EXPL 14-13543)

arrest van 31 juli 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J. Borsch,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde1] ,

2. de commanditaire vennootschap Scheepvaartonderneming Van Dam,

gevestigd te Farmsum,

hierna: de CV,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk aangeduid als: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. O.J. Klabou.

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 23 januari 2018.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Na het tussenarrest van 23 januari 2018 is de procedure als volgt verlopen:

- [appellant] heeft bij rolbericht van 30 april 2018 nog de producties 8 en 9 overgelegd;

- op 15 mei 2018 heeft de comparitie na memorie van antwoord plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.2

Vervolgens hebben partijen na beraad arrest gevraagd op de stukken die voor de comparitie zijn overgelegd, aangevuld met het proces-verbaal, en heeft het hof arrest bepaald.

1.3

[appellant] heeft, na intrekking van zijn voor het eerst in hoger beroep ingestelde vordering, kort weergegeven gevorderd zowel het tussenvonnis van 25 augustus 2015 als het eindvonnis van 26 juli 2016 te vernietigen, [geïntimeerden] c.s. alsnog niet ontvankelijk te verklaren althans de vorderingen aan hen te ontzeggen, hen hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot terugbetaling met rente van wat [appellant] ter uitvoering van de bestreden vonnissen mocht hebben betaald en tot betaling van proceskosten van beide instanties.

2 De feiten

2.1

Tegen de feiten, zoals door de kantonrechter vastgesteld onder 1.1 tot en met 1.16 van het bestreden tussenvonnis, is geen grief gericht en ook overigens is niet gebleken van bezwaar tegen die vaststelling. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan en voor zover in hoger beroep nog van belang, zijn die feiten als volgt.

2.2

De CV, opgericht op 1 juni 1996, houdt zich bezig met zee- en kustvaart en exploitatie van zeeschepen. De CV bedient zich ook van de handelsnaam Van Dam Shipping. [geïntimeerde1] is directeur van de CV.

2.3

[appellant] is vennoot in de VOF Wimed Interieur (hierna: Wimed), welke vennootschap zich bezighoudt met stoffering van onder meer woningen, bedrijfspanden en schepen. Wimed heeft geen personeel in loondienst. Vanaf 1 januari 2000 tot eind 2010 heeft [appellant] de stoffeerderij gedreven met [C] als medevennoot. [C] regelde binnen Wimed de financiën. Nadat [C] als vennoot uittrad, is [geïntimeerde1] als vennoot toegetreden tot Wimed, waarbij [geïntimeerde1] € 15.000,- inbracht. [appellant] en [geïntimeerde1] kenden elkaar van een stoffeerklus uit 2008 voor een schip dat de CV liet bouwen.

De administratie van Wimed is na toetreding van [geïntimeerde1] ondergebracht bij de boekhouding van Van Dam Shipping, waar ook [D] werkt.

2.4

In een door [appellant] en namens [geïntimeerde1] als directeur van de CV ondertekend stuk met opschrift "Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd" staat dat [appellant] per

1 januari 2011 bij de CV in dienst treedt als Superintendent New Building tegen een bruto salaris van € 3.750,- per maand exclusief 8% vakantietoeslag. Artikel 11 van die overeenkomst vermeldt dat [appellant] de huisregels en werkinstructies in acht dient te nemen.

[appellant] heeft tot 1 december 2014 maandelijks betalingen ontvangen ten titel van loon (laatstelijk € 4.141,- bruto per maand) en heeft daarvan loonspecificaties ontvangen van [geïntimeerde1] Shipping.

2.5

Per e-mail van 17 december 2012 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] onder meer geschreven:

"Bel ook per rijpstra een werf in lauwersoog doen meren deel visserij schepen maar je weet maar nooit zijn no is (…). Bodewes weet ik niet wie daar de kar trekt kwa inkoop. Uiteraard blijven we meekijken."

2.6

Van Dam Shipping heeft uit Wimed geldbedragen onttrokken voor de maandelijkse betalingen aan [appellant] .

Het financieel verslag 2011 van Wimed vermeldt over 2010 een resultaat van € 72.140,- en over 2011 een negatief resultaat van € 11.692,-. In 2011 is een post van € 53.856,- opgenomen als personeelskosten, terwijl Wimed geen personeel in dienst heeft.

2.7

[appellant] heeft in een e-mail van 18 april 2014 aan [D] geschreven:

"Is goed, als het goed is betaald vandaag of morgen Camping de kleine wolf de grote factuur en kunnen we een grote slag slaan met verrekening van lonen. Wordt mijn schuld aardig ingelost zoals ik heb afgesproken in 2011 met Jan. Vergeet ook de BTW niet, verder moet iedereen maar wachten tot ik mijn schuld heb ingelost en daarna zie ik wel of Wimed Interieur nog kan draaien."

Per mailbericht van 14 mei 2014 schreef [appellant] aan [D] :

Zou je loon januari 2014 willen verrekenen zodat er wel wat overblijft a circa € 2000,- je ziet het beste wat we aan rekening hebben zodat je daar even rekening mee houdt, alvast bedankt!"

2.8

Op 31 juli 2014 heeft [appellant] aan [geïntimeerde1] meegedeeld:

"ik ben nu al een tijdje ziek thuis zo je wel weet en zaken liggen mede daardoor nu stil. Er zijn géén inkomsten en van [D] begreep ik dat de situatie m.b.t. het saldo en de gevolgen voor de lease contracten, verzekeringen e.d. (zoals jij ongetwijfeld weet)."

2.9

[geïntimeerde1] is per 1 december 2014 als vennoot uit Wimed getreden na zijn opzegging bij brief van 19 augustus 2014. Onderhandelingen tussen [geïntimeerde1] en [appellant] hebben niet geleid tot overeenstemming over de voorwaarden en gevolgen van die uittreding.

2.10

[appellant] heeft aanspraak gemaakt op doorbetaling van zijn salaris vanaf

1 december 2014. Het verzoek van de CV om de arbeidsovereenkomst met [appellant] , voor zover deze mocht blijken te bestaan, te ontbinden is bij beschikking van 14 oktober 2014 afgewezen. De vordering van [appellant] in kort geding tot loondoorbetaling is bij vonnis van

24 februari 2015 afgewezen omdat vooralsnog niet kon worden aangenomen dat de bodemrechter zou vaststellen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.

2.11

Partijen zijn het erover eens dat, àls er sprake is van een arbeidsovereenkomst met [appellant] , de CV zijn werkgever is.

3 De vordering in eerste aanleg en de beoordeling door de kantonrechter

3.1

[geïntimeerden] c.s. hebben gevorderd voor recht te verklaren dat [appellant] niet op grond van een arbeidsovereenkomst voor [geïntimeerde1] of de CV heeft gewerkt, onder veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daartoe hebben [geïntimeerden] c.s. aangevoerd dat het niet de partijbedoeling is geweest een arbeidsovereenkomst aan te gaan, dat niet is voldaan aan de vereisten van art. 7:610 lid 1 BW en dat [appellant] feitelijk slechts werkzaamheden heeft gedaan als zelfstandig stoffeerder, niet in opdracht en voor rekening van de CV. Gelet op de verrekeningen met Wimed is er geen betaling van loon geweest. De arbeidsovereenkomst was slechts bedoeld om [appellant] zekerheid te bieden ten aanzien van een zekere continuïteit in het hebben van liquide middelen (‘een vast bedrag per maand op de bankrekening’).

3.2

In het tussenvonnis van 25 augustus 2015 heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waaruit zijn werkzaamheden voor de CV concreet bestonden en hoe die full time functie bij de CV werd uitgeoefend naast zijn werkzaamheden als zelfstandig stoffeerder en vennoot van Wimed. Ter comparitie heeft [appellant] aangegeven dat als functie in de arbeidsovereenkomst net zo goed loodgieter had kunnen staan. Mede gelet op de onder 2.7 weergegeven e-mails en de gegevens uit het onder 2.6 vermelde financiële verslag van Wimed over 2011 lijkt het erop dat [appellant] wist dat het door de CV betaalde 'loon' uit Wimed werd betaald en er in feite geen sprake was van ‘loon’.

Omdat [appellant] zich beroept op de schriftelijke overeenkomst die een onderhandse akte is, laat de kantonrechter [geïntimeerden] c.s. toe tot tegenbewijs van feiten en omstandigheden waaruit valt op te maken dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst niet strookt met de werkelijke bedoeling van partijen.

3.3

Bij eindvonnis van 26 juli 2016 heeft de kantonrechter overwogen dat [geïntimeerden] c.s. in hun bewijsopdracht zijn geslaagd, dat genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat [appellant] als zelfstandige en vennoot van Wimed stofferingswerk heeft verricht en dat geen sprake was van loon als tegenprestatie in het kader van een arbeidsovereenkomst maar van een constructie waarbij [appellant] per saldo vanuit Wimed werd betaald via verrekening teneinde hem zekerheid te bieden.

De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerden] c.s. toegewezen.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

Het hof stelt voorop dat, gelet op het onder 2.11 weergegeven feit, vast staat dat [geïntimeerde1] geen belang heeft bij de door hem als mede-eiser aangespannen procedure. Hij had daarom in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in zijn vordering. Het hof zal het eindvonnis van de kantonrechter in zoverre vernietigen en [geïntimeerde1] alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

4.2

Met zijn drie grieven betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat van een arbeidsovereenkomst geen sprake is. Het hof zal die grieven gezamenlijk behandelen.

Het hof stelt daarbij voorop dat bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst acht moet worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband worden bezien (laatstelijk Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019).

4.3

Voor zover [appellant] betoogt dat de kantonrechter heeft miskend dat de arbeidsovereenkomst schriftelijk is vastgelegd en dat daarin expliciet een instructiebevoegdheid van CV is opgenomen, geldt dat [appellant] eraan voorbij gaat dat tegen dit ondertekende document, dat door de kantonrechter terecht is aangemerkt als een onderhandse akte en dat daarmee dwingende bewijskracht heeft, op de voet van art. 151 lid 2 Rv tegenbewijs openstaat. Daartoe heeft de kantonrechter [geïntimeerden] c.s. (gelet op het voorgaande dus eigenlijk: de CV) evenzeer terecht toegelaten. Tegen die bewijsopdracht heeft [appellant] ook geen grief gericht.

4.4

De kantonrechter heeft, na het horen van getuigen van de kant van [geïntimeerden] c.s. en vervolgens van de kant van [appellant] en nadat partijen nog schriftelijke stukken hebben gewisseld, [geïntimeerden] c.s. geslaagd geacht in het opgedragen tegenbewijs.

Daartoe heeft hij overwogen dat [appellant] :

- niet als superintendant werkzaamheden heeft verricht voor de CV;

- geen werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van nieuwe schepen van de CV;

- alleen stofferingswerk heeft verricht op schepen van de CV, van derden en elders ten behoeve van derden en daarbij

  • -

    gebruik maakte van de bestelbus van Wimed met daarop de naam van Wimed,

  • -

    facturen stuurde op naam van Wimed,

  • -

    uitsluitend gebruik kon maken van een voor Wimed ingericht deel van het ict-systeem van de CV;

- betalingen vanuit Wimed heeft geaccordeerd, waaronder betalingen ter verrekening van aan hem betaald loon, waarmee (mede gelet op de jaarrekening van Wimed) onwaarschijnlijk is dat hij niet van verrekeningen op de hoogte was.

Ook heeft de kantonrechter uitlatingen meegewogen die blijkens een transcriptie van heimelijk door [appellant] gemaakte geluidsopnames door [appellant] zelf zijn gedaan. Deze fragmenten ondersteunen dat sprake was van de door [geïntimeerden] c.s. gestelde constructie, aldus de kantonrechter.

4.5

Volgens [appellant] heeft de kantonrechter miskend dat [geïntimeerden] c.s. zich ook binnen Wimed als zijn werkgever hebben gedragen en dat hij geen zelfstandig ondernemer was, maar afhankelijk was van instructies van [geïntimeerden] c.s.

[appellant] stelt dat door [geïntimeerden] c.s. invulling is gegeven aan de instructiebevoegdheid door op eigen initiatief deel te nemen in Wimed en daarbinnen de koers uit te zetten. Daartoe wijst [appellant] op het feit dat de administratie van Wimed door de CV werd gedaan en het internetverkeer van Wimed via servers van de CV liep. Daarmee werd hij afhankelijk van [geïntimeerde1] en had hij geen vrijheid als zelfstandig ondernemer, hetgeen het beeld oproept van een gezagsverhouding.

Voor zover [appellant] poogt hiermee het beeld op te roepen dat hij binnen Wimed onderworpen was aan werkgeversgezag van [geïntimeerden] c.s., mislukt die poging. Nog daargelaten dat volgens [geïntimeerden] c.s. het initiatief voor toetreding van [geïntimeerde1] als vennoot in Wimed afkomstig was van [appellant] , die een vervanger voor [C] zocht, heeft [appellant] zelf op 22 december 2010 de akte getekend waarmee [geïntimeerde1] per 1 januari 2011 in plaats van [C] als vennoot zou toetreden. Met zijn suggestie dat [geïntimeerde1] vervolgens de zeggenschap binnen Wimed heeft overgenomen, hetgeen zou blijken uit de voorbeelden die hij geeft, ziet [appellant] over het hoofd dat hij als vennoot de vrijheid heeft om wel of niet akkoord te gaan met een bepaalde taakverdeling binnen de onderneming, met de keuze van de internetprovider of de internetomgeving of de aanwijzing van degene die de administratie verzorgt. In alle gevallen blijft hij als vennoot medeverantwoordelijk voor de wijze waarop dat gebeurt. Indien [appellant] die eigen verantwoordelijkheid niet heeft gevoeld, heeft hij een verkeerd beeld gehad van zijn positie als vennoot en ondernemer.

Overigens was tot 2011 ook de voormalige medevennoot [C] degene die de financiën van Wimed behartigde, zodat in zoverre geen andere koers is ingeslagen, en wijzen de voorbeelden die [appellant] geeft ook niet op een koersbepalende positie van [geïntimeerde1] binnen Wimed. Hier komt nog bij dat [appellant] tijdens de comparitie bij het hof heeft verklaard dat hij een paar maal per week, altijd als er iets moest gebeuren, overleg had met [geïntimeerde1] toen Wimed door hen beiden werd gerund.

4.6

Bovendien heeft [appellant] niet weersproken dat [geïntimeerden] c.s. een correcte transcriptie hebben overgelegd van fragmenten van een bespreking op 9 april 2014 bij het accountantskantoor dat toen al ruim tien jaar de jaarrekeningen van Wimed opstelde.

Deze fragmenten zijn ontleend aan een door [appellant] zelf aan het dossier toegevoegde usb-stick met heimelijk gemaakte geluidsopnamen van die bespreking. Voordat [geïntimeerde1] arriveert, bespreken [E] en [appellant] het volgende:

[E] : "En die VOF [appellant] die werkt toch niet. Wat moet [geïntimeerde1] in godsnaam met jou in die VOF. (…)hij werkt er niet in."

[appellant] : "Nee nee nee maar een back up zo moet je het zien. Een maand of twee maand dat je even niks hebt. Snap je wat ik bedoel. Dat ik wel maandelijks alles kan betalen. Zo bedoel ik dat."

[E] : Ja op het moment dat je het zelfstandig doet dan zal je je eigen broek op moeten houden. Dan zal het qua liquiditeit af en toe best wel even moeilijk zijn."

[appellant] : "Ja precies dan ben ik niet meer de snelle betaler aan mijn mensen die voor mij werken of de fabrikanten/leveranciers."

Enige tijd nadat [geïntimeerde1] is gearriveerd, wordt onder meer gezegd:

[E] : "Maar als ik dat zeg [geïntimeerde1] . Heb jij een waarde om in die VOF te zitten nog steeds?"

[geïntimeerde1] : "Nee ik heb toentertijd is [appellant] bij mij gekomen met de vraag he [C] stapt eruit, wil jij dat overnemen."

[E] : "En dat heb je gedaan."

[geïntimeerde1] : "dat heb ik gedaan." (…)

[E] : "Jij hebt hem geholpen. Daar komt het een beetje op neer."

[appellant] : "Ja tuurlijk. Het was in 2010 wat ik je ook nog even kort uitlegde. Je hebt betalingsverplichtingen en die heb ik netjes voldaan aan iedereen maar ik kom zelf te kort. En soms komt dat in een keer weer terug maar dat is de betalingsverkeer. Nou dat is alleen maar erger geworden. En daardoor heb ik met [geïntimeerde1] dus ook gesproken en in deze constructie zijn we dan terechtgekomen dat ik dan wel de maandelijkse opname krijg maar dat ik die netjes weer terugbetaal."

Uit deze gespreksfragmenten blijkt niet dat [geïntimeerden] c.s. binnen Wimed de macht naar zich hebben toegetrokken. Wel blijkt hieruit dat [appellant] financiële zekerheid bij [geïntimeerde1] zocht en vond in de vorm van een maandelijks - weer terug te betalen - inkomen om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen.

Dat partijen met de participatie van [geïntimeerde1] in Wimed in feite een arbeidsovereenkomst voor ogen heeft gestaan blijkt hieruit niet. Dat verdraagt zich ook niet met de terugbetalingsverplichting.

4.7

Over deze terugbetalingsverplichting heeft [appellant] in hoger beroep nog opgemerkt dat hij een akkoord gaf op verrekeningen omdat er (in opdracht van [geïntimeerde1] ) derden door Wimed werden ingezet. Het hof begrijpt dat [appellant] daarmee bedoelt dat Wimed bij uitvoering van haar werk gebruik heeft gemaakt van hulppersonen die door de CV werden betaald waarna Wimed dat aan de CV moest terugbetalen.

Ook indien dat juist zou zijn, hebben partijen daarnaast kennelijk de afspraak gemaakt dat ook [appellant] zijn door de CV voorgeschoten maandelijkse inkomsten zou terugbetalen, zoals in het laatste citaat in de vorige overweging staat.

4.8

[appellant] vindt dat de kantonrechter ten onrechte uit de getuigenverklaringen de conclusie heeft getrokken dat hij niet krachtens een arbeidsovereenkomst voor de CV heeft gewerkt. [appellant] beroept zich erop dat vrijwel alle getuigen ofwel werknemer van de CV zijn, ofwel daarvan (zakelijk) afhankelijk zijn.

Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat de getuigen in strijd met de waarheid hebben verklaard en [appellant] heeft daarvoor ook geen aanwijzingen verschaft. De aan zijn kant gehoorde getuigen hebben ook geen helder ander licht op de te bewijzen feiten en omstandigheden geworpen. Uit de getuigenverklaringen blijkt niet dat de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding zodanig is, dat naast de voortzetting van de gebruikelijke activiteiten van [appellant] als vennoot en zelfstandig ondernemer binnen Wimed van een arbeidsovereenkomst met de CV sprake was.

4.9

[appellant] wijst er nog op dat er over de bedragen die hij maandelijks van de CV ontving sociale premies zijn afgedragen, dat hij niet door de boekhouder bij de belastingdienst is aangemeld als zelfstandig ondernemer en dat er geen VAR-verklaring voor hem is aangevraagd.

Het mag duidelijk zijn dat de fiscale gevolgen die (boekhoudkundig) zijn verbonden aan de onder 2.4 bedoelde onderhandse akte niet sporen met het ondernemerschap van [appellant] in Wimed en de daaruit te verwerven maandelijkse inkomsten. Zoals [appellant] aan [E] vertelde (zie onder 4.6) diende hij de betalingen van de CV immers netjes terug te betalen. Partijen hebben de fiscale consequenties kennelijk niet goed geregeld en/of besproken met het kantoor van [E] . Dat betekent echter niet dat er daarom een arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en dat volgt evenmin uit de transcripties van andere gesprekken die [appellant] met derden zoals [E] had, die [appellant] in eerste aanleg als productie 36 heeft overgelegd en waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in ieder geval [E] in de veronderstelling verkeerde dat [appellant] in loondienst was getreden bij de CV.

4.10

Dat [appellant] geen recht heeft gekregen op een WW- of Ziektewetuitkering is inherent aan het zelfstandig ondernemerschap.

4.11

[appellant] heeft in hoger beroep nog aangeboden te bewijzen "dat de gehele constructie tussen partijen op initiatief van [geïntimeerde1] tot stand is gekomen" door het horen van getuigen waaronder [appellant] zelf. Dat bewijsaanbod is niet relevant, want voor de kwalificatie van de rechtsverhouding zijn, zoals onder 4.2 is vermeld, alle omstandigheden van het geval van belang. Naast de hiervoor al besproken aspecten die niet wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst is voor een andere beslissing niet doorslaggevend dat de constructie waarmee is gepoogd vorm te geven aan een te verrekenen voorschot op inkomen uit Wimed zou zijn bedacht door [geïntimeerde1] . [appellant] heeft daaraan bovendien vrijwillig meegewerkt.

Voorts is [appellant] in eerste aanleg al getuige gehoord en daarom diende hij in hoger beroep te specificeren waarom dat opnieuw moest gebeuren (vgl. HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7677 en HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178). Dat heeft [appellant] niet gedaan.

4.12

De conclusie is dat de grieven falen. Zoals onder 4.1 is overwogen, wordt [geïntimeerde1] alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Voor de proceskostenveroordeling in eerste aanleg heeft dat geen gevolg nu [geïntimeerde1] en de CV door dezelfde advocaat zijn bijgestaan en de advocaat van [appellant] geen extra werkzaamheden heeft hoeven verrichten. De vonnissen, waarvan beroep, worden met betrekking tot de CV bekrachtigd.

[appellant] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van de CV te bepalen op € 1.957,- griffierecht en € 2.148,- salaris advocaat volgens liquidatietarief (2 punten, tarief II, € 1.074,- per punt).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [geïntimeerde1] alsnog niet-ontvankelijk in zijn vordering;

bekrachtigt de bestreden vonnissen van de kantonrechter te Groningen voor het overige;

veroordeelt [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de CV vastgesteld op € 1.957,- griffierecht en € 2.148,- salaris advocaat volgens liquidatietarief;

wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. O.E. Mulder en mr. W.A. Zondag en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

31 juli 2018.