Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6899

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
200.219.205/01 en 200.237.501/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondanks co-ouderschap geschillen over hoofdverblijf, contactregeling en schoolkeuze. Hof drukt ouders op het hart communicatie te verbeteren in plaats van alleen te focussen op wat de ander niet goed doet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.219.205/01 en 200.237.501/01

zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/17/150952 / FA RK 16-1379 en

C/17/155299 / FA RK 17-783)

beschikking van 26 juli 2018

ten aanzien van de zaak met nummer 200.219.205/01

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.M. Bongers te Wijk bij Duurstede,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. T. Meier te Meppel.

ten aanzien van de zaak met nummer 200.237.501/01

[verzoeker] ,

wonende te [B] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. T. Meier te Meppel,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,
verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.M. Bongers te Wijk bij Duurstede.

1 Het geding in eerste aanleg

ten aanzien van de zaak met nummer 200.219.205/01

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

ten aanzien van de zaak met nummer 200.237.501/01

1.2

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 24 januari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

ten aanzien van de zaak met nummer 200.219.205/01

2.1

Voor het verloop van het geding tot 23 januari 2018 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

2.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Bongers van 14 juni 2018 met productie(s);

- het rapport van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van

21 juni 2018.

ten aanzien van de zaak met nummer 200.237.501/01

2.3

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 18 april 2018;

- het verweerschrift.

ten aanzien van beide zaken

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 25 juni 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is

mevrouw [C] verschenen.

3 De feiten in beide zaken

3.1

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Begin 2015 is de relatie van partijen geëindigd.

3.2

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2014, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

4 De omvang van het geschil

ten aanzien van de zaak met nummer 200.219.205/01

4.1

Voor de omvang van het geschil verwijst het hof naar zijn voornoemde tussenbeschikking van 23 januari 2018.

ten aanzien van de zaak met nummer 200.237.501/01

4.2

Tussen partijen is in geschil op welke basisschool [de minderjarige] moet worden ingeschreven.

Bij de bestreden beschikking van 24 januari 2018 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om te bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de inschrijving van [de minderjarige] bij basisschool [D] te [B] afgewezen, en

- overeenkomstig haar verzoek - aan de moeder vervangende toestemming verleend voor inschrijving van [de minderjarige] op basisschool [E] te [F] .

4.3

De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij wenst het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat [de minderjarige] na de zomervakantie van 2018 wordt ingeschreven op basisschool [D] te [B] .

4.4

De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de grieven van de vader af te wijzen door de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing in beide zaken

Ten aanzien van het verzoek wijziging hoofdverblijfplaats/zorgregeling (200.219.205/01)

5.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van

23 januari 2018, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

5.2

In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen en te adviseren over de vraag welke hoofdverblijfplaats en welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders het meest tegemoet komt aan de belangen van [de minderjarige] ., waarbij het hof de behandeling van de zaak heeft aangehouden in afwachting van het raadsrapport.

De raad heeft in zijn vervolgens opgestelde rapport van 21 juni 2018 geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te houden en de huidige zorgregeling, waarbij [de minderjarige] de ene week bij de ene ouder verblijft en de andere week bij de andere ouder, te handhaven. De raad oordeelt dat beide ouders voldoende in staat zijn om [de minderjarige] structuur, veiligheid en de juiste verzorging te bieden. De raad is van mening dat [de minderjarige] goed functioneert in de huidige situatie en ziet geen reden om de situatie te wijzigen.

5.3

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken komt naar voren dat de verstandhouding tussen de ouders - na het beëindigen van hun relatie begin 2015 - ernstig verstoord is. Ondanks drie pogingen tot mediation (waaronder recentelijk bij het Kenniscentrum Kind & Echtscheiding) zijn zij niet in staat gebleken om op een constructieve manier met elkaar te communiceren over [de minderjarige] en in onderling overleg tot een oplossing te komen van hun geschilpunten.

Door de opstelling van de ouders, hun gedrag en het wantrouwen van met name de moeder richting de vader is er een risico dat [de minderjarige] op den duur klem komt te zitten in de strijd tussen haar ouders, wat zeer schadelijk kan zijn voor haar ontwikkeling. De raad heeft vanwege deze situatie onderzoek gedaan naar de noodzaak van een gedwongen kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling. Conclusie van de raad was dat de noodzaak er nu niet is omdat er geen (acute) ontwikkelingsbedreiging is, maar de raad heeft wel zorgen over de toekomst, welke zorgen door het hof worden gedeeld. Het hof heeft de zeer stellige indruk dat partijen dusdanig vast zitten in hun eigen zienswijze en stellingen dat zij geen zicht (meer) hebben op hun eigen aandeel in de strijd, laat staan in hoe zij verandering in hun eigen opstelling zouden kunnen aanbrengen. Het hof acht daarom de slagingskans van forensische mediation, hetgeen ter zitting ter sprake is gekomen, op dit moment minimaal. Het hof adviseert partijen om zich eerst te richten op (individuele) hulpverlening, die bijvoorbeeld is toegespitst op de invloed van een dergelijk problematische relatie tussen de ouders op een kind en om handvaten te krijgen om op andere wijze te communiceren zodat er mogelijk minder strijd gaat ontstaan. Het hof acht het nu van belang dat er een beslissing wordt genomen, zodat voor eenieder - in het bijzonder in het belang van [de minderjarige] - duidelijkheid en rust ontstaat omtrent de geschilpunten.

5.4

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats oordeelt het hof, conform het raadsadvies, dat deze bij de vader dient te blijven. De rechtbank was, mede gelet op de indruk van beide ouders ter zitting, van oordeel dat de vader meer dan de moeder, blijk heeft gegeven in het belang van [de minderjarige] te kunnen denken en handelen. Uit het dossier komt naar voren dat zowel de vader als de moeder in staat kan worden geacht om [de minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Zij zijn beiden zeer betrokken bij [de minderjarige] en vervullen een belangrijke rol in haar leven. Dat de moeder weinig vertrouwen heeft in de vader als opvoeder vanwege zijn psychische problematiek en/of soft-drugsgebruik en dat daarom de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar dient te worden vastgesteld in combinatie met een (minder ruime) zorgregeling met de vader, is naar het oordeel van het hof niet in het belang van [de minderjarige] . Het is het hof niet gebleken - voor zover er (nog) sprake is van psychische problematiek bij de vader, dit wordt betwist -, ook niet na recent raadsonderzoek, dat dit van enige invloed is op de opvoedingsvaardigheden, verzorging en het verblijf van [de minderjarige] bij de vader. De moeder stelt verder dat het vastleggen van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader (indirect) negatieve financiële consequenties voor [de minderjarige] heeft. Het hof ziet, voor zover hier sprake van zou zijn, - mede gelet op hetgeen de vader hieromtrent naar voren heeft gebracht en de bevindingen in het raadsrapport - geen onderbouwing of anderszins reden om aan te nemen dat dit van enige invloed is of zal zijn op (het welzijn van) [de minderjarige] . Ook blijkt nergens uit dat de vader de (financieel) praktische zaken ten aanzien van [de minderjarige] tot op heden niet goed regelt. Het hof is dan ook van oordeel dat de door de moeder gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om thans anders te beslissen en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] alsnog bij de moeder te bepalen.

5.5

Het hof ziet voorts geen aanleiding om een andere zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te stellen dan die door de rechtbank is vastgesteld. Een regeling met meer wisselmomenten, zoals door de moeder verzocht, vergt meer overleg tussen de ouders, terwijl gebleken is dat de communicatie tussen hen juist beperkt en moeizaam is. Het hof acht een dergelijke regeling ook voor [de minderjarige] onder de gegeven omstandigheden, mede gelet op de reisafstand, te onrustig. Daarbij is gebleken dat de huidige co-ouderschapsregeling al geruime tijd goed verloopt. Uit niets is gebleken dat hierover zorgen zijn. [de minderjarige] ontwikkelt zich positief, heeft een goede band met beide ouders en ook op school gaat het goed.

Door de school wordt ook geen verschil gemerkt tussen de weken waarin zij bij de vader verblijft en de weken waarin zij bij de moeder is. Het hof is alles afwegende van oordeel dat de huidige zorgregeling waaraan [de minderjarige] inmiddels is gewend, passend en in haar belang is en wijst het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling af.

Vakanties en feestdagen

5.6

Het hof zal - in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties en feestdagen -, nu partijen het daarover eens zijn, de door de moeder verzochte regeling vastleggen, zoals hierna onder de beslissing in punt 7. is weergegeven.

Ten aanzien van de vervangende toestemming inschrijving basisschool (200.237.501/01)

5.7

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.8

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat, over zoals in dit geval de schoolkeuze van het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te maken afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.9

De vader heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij haar beslissing om [de minderjarige] in te schrijven op een school in [F] onvoldoende heeft gekeken naar de (totale) reistijd van [de minderjarige] van en naar school van zowel de vader (per openbaar vervoer) als de moeder (per auto) en de (sociale) positie van [de minderjarige] . De vader acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij naar school in [B] gaat, waar zij de helft van de tijd woont. De moeder stelt kortgezegd dat een wijziging van de huidige school in [F] , waar [de minderjarige] het erg naar haar zin heeft, niet in haar belang is.

Het hof beoordeelt het verzoek van de vader op basis van de actuele situatie en de nu van belang zijnde feiten en omstandigheden (ex nunc). [de minderjarige] gaat inmiddels ruim een half jaar naar school in [F] en uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat zij daar goed gedijt, zoals ook door beide ouders ter zitting is bevestigd. Niet is gebleken dat [de minderjarige] last heeft van de treinreis met de vader dan wel van de autoreis met de moeder. Ook vanuit de school zijn geen signalen gesteld of gebleken waaruit blijkt dat [de minderjarige] daar niet goed op haar plek zou zitten. Het feit dat [de minderjarige] naar de bassischool in [F] gaat is

- alle belangen in ogenschouw nemende - de meest aangewezen oplossing (geweest). Het hof sluit in dit verband aan bij de overweging van de rechtbank - nu het hof geen wijziging in de huidige (50/50) zorgregeling zal aanbrengen - dat ongeacht of [de minderjarige] in [B] of in [F] naar school zou gaan, zij om de week reistijd zal hebben en dat, nu de ouders niet in dezelfde plaats wonen, het niet onoverkomelijk is dat [de minderjarige] niet naar dezelfde school gaat als haar vriendjes/vriendinnetjes bij de vader of de moeder in de buurt. Het hof neemt bij zijn beoordeling - naast de belangen van de ouders - in het bijzonder het belang van [de minderjarige] in aanmerking, dat er in is gelegen dat een wisseling van school belastend voor haar zal zijn. Het door de vader aangevoerde is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Met name acht het hof het nu niet nodig om vooruit te lopen op ontwikkelingen die zich in de toekomst - met name als [de minderjarige] naar de middelbare school zal gaan - zouden kunnen voordoen; die zijn noodzakelijkerwijs erg onzeker en de huidige regeling is voor de nabije toekomst het meest in haar belang.

Tot slot

5.10

Het hof benadrukt dat partijen in het belang van een verdere gezonde ontwikkeling van [de minderjarige] dienen te investeren in hun onderliggende verhouding en communicatie in plaats van alleen te focussen op wat de ander niet goed doet. [de minderjarige] kan hierdoor (in de toekomst) in een loyaliteitsconflict geraken. Partijen zullen beiden moeten leren om het gezamenlijke verleden achter zich te laten en elkaar te respecteren in plaats van diskwalificeren, zodat zij zich kunnen richten op hun rol als ouder van [de minderjarige] . Partijen zullen immers als ouders, gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] , nog een lange tijd met elkaar moeten overleggen over haar opvoeding. Het hof spreekt dan ook de wens uit dat partijen zich hiervoor gaan inzetten, wellicht door te beginnen met het inschakelen van individuele hulp zoals overwogen in 5.3.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikkingen deels vernietigen en deels bekrachtigen, en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

ten aanzien van de zaak met nummer 200.219.205/01

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie [B] , van

5 april 2017, voor zover deze ziet op de bepaling inzake de vakantie- en feestdagen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat ten aanzien van de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2014, met ingang van heden de navolgende regeling voor de vakanties en feestdagen zal gelden:

- zowel de moeder als de vader heeft het recht om [de minderjarige] 50% van alle (school)vakanties bij zich te hebben, waarbij de zomervakantie zo wordt verdeeld dat [de minderjarige] in ieder geval op hetzelfde moment als [G] (de zoon van de moeder uit een andere relatie) in de zomervakantie bij de moeder is. Alle overige vakanties worden eveneens 50/50 verdeeld, één en ander in onderling overleg en ieder jaar voor 31 januari vast te leggen voor het hele jaar;

en [de minderjarige] :

- is met Sinterklaas in de oneven jaren bij de vader en de even jaren bij de moeder;

- is met kerst (beide dagen) in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;

- is met oud en nieuw in de even jaren bij de vader en de oneven jaren bij de moeder;

- is met Pasen, Pinksteren, Hemelvaart en Koningsdag in de even jaren bij de vader en de oneven jaren bij de moeder;

- is op vaderdag bij de vader en op moederdag bij de moeder;

- is op de verjaardag van de vader bij de vader en indien dit op een zorgdag van de moeder valt dan zal zij [de minderjarige] ’s ochtends bij de vader brengen en ’s avonds weer ophalen en op de verjaardag van de moeder omgekeerd;

- is op de verjaardag van broer [G] bij de moeder;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

5 april 2017, voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af;

ten aanzien van de zaak met nummer 200.237.501/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

24 januari 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, J.D.S.L. Bosch en

I.M. Dölle, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 26 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.