Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6884

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
200.240.717/01 en 200.240.717/02 en 200.240.726/01 en 200.240.726/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Vermoeden van kindermishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.240.717/01, 200.240.717/02, 200.240.726/01, 200.240.726/02

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/18/182613 / JE RK 18-156 en C/18/182610 / JE RK 18-155)

beschikking van 24 juli 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep en in het incident in de zaken nr. 200.240.717 en 200.240.726

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Schlepers te Groningen,

en

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep en in het incident in de zaak nr. 200.240.726,

belanghebbende in de zaak nr. 200.240.717,

verder te noemen: [verzoeker] /de vader van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en stiefvader van [de minderjarige1] ,

advocaat: mr. M. Schlepers te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord | Groningen,

kantoorhoudend te Groningen,

verweerster in hoger beroep en in het incident in beide zaken,

verder te noemen: de GI,


en

[B] ,

wonende te [A] ,

belanghebbende in de zaak nr. 200.240.717,

verder te noemen: [B] /de vader van [de minderjarige1] .

1 Het geding in eerste aanleg

In de zaak met nummer 200.240.717:

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 maart 2018, uitgesproken onder zaaknummer C/18/182613 / JE RK 18-156.

Bij deze beschikking heeft de kinderrechter de GI een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2011, in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 7 maart 2018 tot uiterlijk 22 augustus 2018, het meer of anders verzochte afgewezen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

In de zaak met nummer 200.240.726:

1.2

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 maart 2018, uitgesproken onder zaaknummer C/18/182610 / JE RK 18-155.

Bij deze beschikking heeft de kinderrechter de GI een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2015 en [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2017, in een voorziening voor pleegzorg van 22 maart 2018 tot 22 augustus 2018, het meer of anders verzochte afgewezen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing

In de zaak met nummer 200.240.717:

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), tevens houdende incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, ingekomen op 1 juni 2018.

2.2

Het hoger beroep van de moeder in de hoofdzaak is geregistreerd onder zaaknummer 200.240.717/01. Het schorsingsverzoek is geregistreerd onder zaaknummer 200.240.717/02.

In de zaak met nummer 200.240.726:

2.3

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), tevens houdende incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, ingekomen op 1 juni 2018;

- het journaalbericht van mr. Schlepers van 18 juni 2018.

2.4

Het gezamenlijke hoger beroep van de moeder en [verzoeker] in de hoofdzaak is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.240.717/01 en het schorsingsverzoek onder zaaknummer 200.240.717/02.

In beide zaken

2.5

Ter griffie van het hof zijn in beide zaken verder binnengekomen:

- een brief van de GI van 27 juni 2018;

- een tweetal journaalberichten van mr. Schlepers van 2 juli 2018 beide met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Schlepers van 3 juli 2018 met productie(s).

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 4 juli 2018 plaatsgevonden. Gelet op de onderlinge samenhang zijn de zaken met nummers 200.240.717 en 200.240.726 gezamenlijk en gevoegd behandeld, tegen welke gezamenlijke behandeling en voeging geen van de belanghebbenden desgevraagd bezwaar heeft gemaakt. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen de heer [C] en mevrouw [D] , de jeugdzorgwerkers.

2.7

Ter mondelinge behandeling heeft de GI met toestemming van het hof een aantal stukken overgelegd, te weten een brief van het [E] van 26 februari 2018 met als bijlage medische gegevens van [de minderjarige2] , en het bij de rechtbank ingediende verzoek van de GI d.d. 28 juni 2018 strekkende tot verlenging machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .

2.8

Op verzoek van het hof heeft de GI na afloop van de zitting nog een aantal -bij betrokkenen reeds bekende- stukken overgelegd. Dit betreft in de kern:

- de beschikking voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing betreffende [de minderjarige2] van 1 december 2016;

- een rapport raadsonderzoek ( [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de dan nog ongeborene [de minderjarige3] ) van 16 januari 2017 met bijlagen, met (handhaving van) het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] , [de minderjarige1] en de dan nog ongeboren baby [de minderjarige3] , alsmede tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] ;

- een rapport raadsonderzoek ( [de minderjarige1] ) van 3 februari 2017 met (handhaving van) het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige1] ;

- een rapport raadsonderzoek ( [de minderjarige2] ) van 3 februari 2017 met (handhaving van) het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige2] ;

- het verweerschrift van de raad met bijlagen van 3 augustus 2017 in de hoger beroep procedure betreffende de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] .

- de beschikking van dit hof van 29 augustus 2017 inzake de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] ;

- een rapport raadsonderzoek (van de dan nog ongeboren [de minderjarige4] ) van 25 mei 2018 met (handhaving van) het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de dan nog ongeboren baby.

3 De feiten

3.1

De moeder heeft vier kinderen, de zesjarige [de minderjarige1] , de driejarige [de minderjarige2] , de éénjarige [de minderjarige3] en de onlangs, [in] 2018, geboren baby [de minderjarige4] (ook te noemen: [de minderjarige4] ).

3.2

[de minderjarige1] is geboren uit de relatie van de moeder met [B] .

De moeder en [B] zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] .

3.3

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige2] wordt gezamenlijk uitgeoefend door de moeder en [verzoeker] . [verzoeker] heeft [de minderjarige2] erkend maar is niet de biologische vader van [de minderjarige2] . De biologische vader van [de minderjarige2] is niet in beeld.

3.4

[de minderjarige3] en [de minderjarige4] zijn beiden geboren uit het huwelijk van de moeder en [verzoeker] . De moeder is met [verzoeker] gehuwd [in] 2016. Zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige3] en [de minderjarige4] .

3.5

[de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] staan allen onder toezicht van de GI. [de minderjarige2] sinds 1 december 2016, [de minderjarige1] sinds 14 februari 2017, [de minderjarige3] vanaf voor haar geboorte sinds 28 februari 2017 en [de minderjarige4] sinds 5 juni 2018.

De ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] is laatstelijk verlengd tot 14 februari 2019 en die van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] tot 28 februari 2019. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige4] geldt tot 5 juni 2019.

3.6

[de minderjarige2] is op 1 december 2016 vanuit het gezin waar hij met zijn moeder en [verzoeker] , als ook met [de minderjarige1] woonde met spoed uit huis geplaatst nadat bij hem lichamelijk letsel was geconstateerd, waarvan het vermoeden bestaat dat het is toegebracht. Ook [de minderjarige1] is toen, in verband met het letsel van zijn jongere broertje [de minderjarige2] , gedurende circa zes maanden, aanvankelijk op vrijwillige basis, uit huis geplaatst geweest. [de minderjarige1] is nadat de situatie bij de moeder en [verzoeker] thuis was onderzocht en positief was bevonden begin juli 2017 weer thuis komen wonen. Op 14 september 2017 is in het gezin van de moeder en [verzoeker] intensieve orthopedagogische gezinshulp van [F] gestart. [de minderjarige2] is in overleg met pleegzorg, de raad en op basis van de bevindingen in het perspectiefonderzoek van [F] , door de GI weer thuis geplaatst op 25 oktober 2017.

3.7

Op 15 februari 2018 is [de minderjarige2] met spoed opgenomen in het ziekenhuis, nadat de ouders een ambulance hadden gebeld omdat [de minderjarige2] schuim op zijn mond had, opgezwollen blauwe lippen en wegdraaiende ogen. De volgende dag zijn onverklaarbare rode striemen in zijn nek ontstaan. Op röntgenfoto's, gemaakt bij eerder onderzoek op 7 februari 2018 en ter gelegenheid van de opname op 15 februari 2018, werden breuken/letsels gezien (arm, voet, been) die niet bij het eerdere onderzoek in 2016 zijn geconstateerd. Bij onderzoek in het ziekenhuis zijn er geen aanwijzingen gevonden voor somatische/medische oorzaken waardoor ernstige vermoedens van kindermishandeling zijn ontstaan. [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn vervolgens op verzoek van de GI op 22 februari 2018 met spoed uit huis geplaatst voor de duur van 4 weken. De kinderrechter heeft toen het verzoek tot uithuisplaatsing voor langere duur aangehouden.

3.8

Bij de twee bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikkingen van 8 maart 2018 heeft de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de GI toegewezen en aldus de GI gemachtigd [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 22 augustus 2018.

3.9

[de minderjarige1] verblijft bij de familie [B] , de zus van zijn biologische vader.

[de minderjarige2] verblijft in een crisispleeggezin, op een geheim adres. [de minderjarige3] verblijft eveneens in een crisispleeggezin. Voor haar wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een netwerkplaatsing

3.10

[verzoeker] verblijft in voorlopige hechtenis. Hij is preventief gedetineerd in verband met de verdenking van kindermishandeling. De rechtbank heeft gevangenhouding verleend voor de duur van 90 dagen alsmede een plaatsing in het Pieter Baan Centrum gelast.

3.11

De moeder verblijft, samen met de baby [de minderjarige4] , op vrijwillige basis in een moeder/kind huis (24 uurs voorziening) bij [G ] te [H] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Ter beoordeling ligt voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in een voorziening voor pleegzorg, voor [de minderjarige1] voor de periode van 7 maart 2018 tot 22 augustus 2018 en voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] voor de periode van 22 maart 2018 tot 22 augustus 2018.

In de zaak met nummer 200.240.717:

4.2

De moeder is met één algemene grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 maart 2018. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog rechtdoende in hoger beroep het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] af te wijzen. In het incident verzoekt de moeder het hof schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking.

In de zaak met nummer 200.240.726:

4.3

De moeder en [verzoeker] zijn met één algemene grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 maart 2018. Zij verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog rechtdoende in hoger beroep het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] af te wijzen. In het incident verzoeken zij het hof schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking.

4.4

De GI heeft in beide zaken mondeling verweer gevoerd en verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

De positie van [verzoeker] in de zaak 200.240.717

5.1

Ter zitting is de rechtspositie van [verzoeker] in de zaak betreffende [de minderjarige1] besproken. [verzoeker] is gehuwd met de moeder van [de minderjarige1] . [de minderjarige1] leefde in gezinsverband met de moeder en [verzoeker] . De uithuisplaatsing van [de minderjarige1] leidt derhalve tot een directe inmenging in het familie- en gezinsleven dan wel privéleven van [verzoeker] . Het hof merkt om die reden [verzoeker] aan als belanghebbende in deze procedure.

Het schorsingsverzoek in beide zaken (200.240.717/02 en 200.240.726/02)

5.2

Het hof zal heden uitspraak doen in de hoofdzaak, zowel in de zaak nr. 200.240.717/01 als in de zaak nr. 200.240.726/01. Dit brengt mee dat de verzoekers, de moeder in de beide zaken en [verzoeker] in de zaak nr. 200.240.717, geen belang meer hebben bij de behandeling van hun incidentele verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikkingen van 8 maart 2018. Het hof zal hun verzoek tot schorsing in beide zaken om die reden afwijzen.

De machtiging tot uithuisplaatsing in beide zaken (200.240.717/01 en 200.240.726/01)

5.3

Op grond van artikel 1:265b, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet (Jw), die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.4

Het hof stelt vast dat de oudste drie kinderen uit huis zijn geplaatst op grond van een vermoeden van zeer ernstige kindermishandeling van [de minderjarige2] in de gezinssituatie bij de moeder en [verzoeker] . Voor [de minderjarige2] en [de minderjarige1] is dit de tweede uithuisplaatsing binnen een periode van nog geen anderhalf jaar in verband met een vermoeden van (zeer ernstige) kindermishandeling van [de minderjarige2] , een jongetje van nu net drie jaar. Over de letsels van [de minderjarige2] die hij in 2016 heeft opgelopen, is door het Landelijk Expertisecentrum Kindermishandeling verklaard (brief van 20 december 2016) dat de letsels waarschijnlijk tot veel waarschijnlijker het gevolg zijn van toegebracht letsel dan van accidenteel letsel of een onderliggende ziekte of aandoening. Ook uit het onderzoek naar het letsel dat [de minderjarige2] in 2018 heeft opgelopen, wordt door de tot nu toe bij [de minderjarige2] betrokken artsen geconcludeerd dat er zeer waarschijnlijk sprake is van toegebrachte letsels. Dit blijkt onder meer uit het rapport van [I] en [J] , kinderarts verbonden aan het [K] kinderziekenhuis van het [E] d.d. 26 februari 2018, waarvan de conclusie luidt:

"Conclusie:

Jongen van 2,5 jaar. Medische evaluatie onverklaarde multiple letsels:

1. Fracturen. Ontbreken passende anamnese van de toedracht. Geen aanwijzingen

onderliggende botziekte. Toegebracht letsel zeer waarschijnlijk.

2. Uitwendige letsels. Voor het actuele letsel in de hals ontbreken passende anamnese van de

toedracht. Geen stollingsafwijking als deelverklaring voor deelaspecten zwelling, hematomen en petechiën.

Al met al toegebracht letsel (actueel en in verleden) zeer waarschijnlijk."

5.5

De kinderrechter heeft naar het oordeel van het hof dan ook terecht en op juiste gronden machtiging verleend tot uithuisplaatsing van zowel [de minderjarige2] als zijn broer [de minderjarige1] en zus [de minderjarige3] . Het hof onderschrijft de overweging van de kinderrechter dat de veiligheid van de [de minderjarige2] , [de minderjarige1] en [de minderjarige3] onder de gegeven omstandigheden - waar de bescherming van het meest elementaire belang van de minderjarigen, te weten de bescherming van fysieke en psychische integriteit, voorop dient te staan - niet bij de moeder (en [verzoeker] ) thuis kan worden gewaarborgd.

5.6

Voor zover de moeder en [verzoeker] hebben aangevoerd dat de artsen die [de minderjarige2] tot nu toe hebben onderzocht niet de specialistische kennis in huis hebben die nodig is om te kunnen vaststellen of [de minderjarige2] - zoals zij vermoeden - aan de aandoening OI (Osteogenesis Imperfecta) lijdt, of een andere medische aandoening die een verklaring kan geven voor de botbreuken en het andere letsel van [de minderjarige2] , overweegt het hof het volgende. De GI heeft ter zitting van het hof verklaard dat er namens de GI door de vertrouwensarts van [L] , ter uitvoering van hetgeen de kinderrechter ter zake in zijn beschikking van 8 maart 2018 ten aanzien van [de minderjarige2] heeft overwogen, op 31 mei 2018 opnieuw contact is opgenomen met het [E] en dat er opnieuw is gekeken naar de wenselijke doorverwijzingen. Het [E] ziet op dit moment echter geen enkele grond om nadere onderzoeken te doen naar IO en/of andere door de moeder genoemde, mogelijk bij [de minderjarige2] aanwezige, ziektebeelden (zoals Angio Oedeem).

De GI heeft in dit kader nogmaals verwezen naar, en ter zitting van het hof voorgelezen uit, de door het [E] opgemaakte rapportage van 26 februari 2018 naar aanleiding van de opname van [de minderjarige2] in het [K] Kinderziekenhuis ten behoeve van het uitwerken van diagnostiek bij onverklaarde letsels. In deze brief staat onder meer het volgende:

"Bespreking: Hoofdprobleem: medische evaluatie onverklaarde letsels

Fracturen

Status na en bij multiple fracturen zonder passende anamnestische verklaring. Er zijn geen

aanwijzingen voor een onderliggende botziekte (radiologisch of biochemisch).

Volledigheidshalve volgt nog uitslag van DNA onderzoek richting osteogenesis imperfecta -

echter ook bij afwijkende uitslag zal de conclusie blijven dat de fracturen niet zonder meer hieruit te verklaren zijn.

Weke delen letsels

Ten aanzien van de multiple hematomen en zwellingen in het verleden zij aangetekend dat een stollingsstoornis als oorzaak is uitgesloten. Ten aanzien van het actueel aanwezige letsel in de hals (zwelling, striemen, hematomen en petechiën) geldt dat een passende verklaring voor het ontstaan hiervan in de anamnese ontbreekt, en dat spontaan ontstaan hiervan niet past in een bekende ziekte. Het patroon zou kunnen passen bij verwurging.

Overig

Er waren gedurende opname geen tekenen van algehele malaise, zoals eerder gerapporteerd.

Ook de psychomotore ontwikkeling is normaal. Eerdere episoden van afwijkend lopen te duiden bij fracturen. De episode gepaard gaande met trekkingen (anamnese) voorafgaande aan opname in [A] is meest waarschijnlijk niet epileptisch bepaald geweest, en heeft meer waarschijnlijk een gemeenschappelijke achtergrond met het letsel in de hals (zie boven)."

5.7

Ten aanzien van de huidige situatie geldt dat [verzoeker] voorlopig is gedetineerd en tijdens deze detentie onderzocht zal worden in het Pieter Baan Centrum. Naar verwachting zal hij in elk geval tot oktober 2018 in voorlopige hechtenis blijven vanwege de verdenking van kindermishandeling.

Verder stelt het hof vast dat het Landelijk Expertisecentrum Kindermishandeling en het Nederlands Forensisch Instituut op dit moment een (vervolg)onderzoek verrichten.

De moeder is (vooralsnog) niet als (mede)verdachte aangemerkt, maar dit zou -aldus de GI- indien de uitkomsten van voornoemde onderzoeken bekend zijn, alsnog kunnen gebeuren.

5.8

Uit de door de moeder in het geding gebrachte stukken, de weekverslagen van [G ] en een door [G ] opgesteld veiligheidsplan blijkt dat de moeder het goed doet in de moeder-kind/kind voorziening. De GI beaamt dit. Volgens de GI zijn er (ook uit eerder onderzoeken) geen zorgen over de opvoedingsvaardigheden van de moeder. Niettemin acht de GI de veiligheid van de kinderen bij de moeder niet in voldoende mate gegarandeerd. Daarbij is, aldus de GI, niet alleen van belang dat ook de moeder alsnog als verdachte kan worden aangemerkt dan wel de moeder [de minderjarige2] onvoldoende heeft kunnen beschermen, maar ook dat zeer recent een bericht van de recherche is ontvangen betreffende een zorgmelding over het handelen in drugs rondom of vanuit de woning van de moeder. Door onder meer deze omstandigheden wordt er door de GI, zo is ter zitting van het hof gebleken, op dit moment niet gewerkt wordt aan terugplaatsing van de kinderen bij de moeder, ondanks dat de moeder het goed doet volgens het verslag en het veiligheidsplan van [G ] .

5.9

De moeder heeft ter zitting van het hof nogmaals uitdrukkelijk erop gewezen dat zij -ondanks haar kritische houding ten opzichte van haar verblijf bij [G ] - altijd heeft opengestaan voor hulpverlening. De moeder is ook nu nog bereid aan alles mee te werken wat nodig wordt geacht. Zij wil ook alles doen om de veiligheid van haar kinderen te waarborgen. Met het oog daarop is de moeder ook voornemens te gaan scheiden van [verzoeker] . De beschuldigingen van drugshandel heeft zij weersproken en zijn volgens haar afkomstig van een wraaklustige ex-partner van [verzoeker] , waarmee hij in een geschil over gezag en omgang is verwikkeld.

5.10

Het hof vindt het positief dat de moeder goed meewerkt aan hulpverlening en ook bereid is daaraan verder haar medewerking te blijven verlenen. Zolang er echter geen verdere duidelijkheid is over de toedracht van de ernstige letsels van [de minderjarige2] , zoals die nu meermalen in een korte periode zijn gebleken, is een (voortzetting van de) uithuisplaatsing van de kinderen in hun belang noodzakelijk. De kinderen zijn voor hun veiligheid, gelet op hun leeftijd, volledig afhankelijk van hun verzorgers en opvoeders. De zorgen over hun veiligheid in de thuissituatie bij de moeder (en [verzoeker] ) zijn fors en terecht. Uit de meest recente informatie van deskundigen blijkt immers dat de letsels waarschijnlijk tot veel waarschijnlijker het gevolg zijn van toegebracht letsel dan van accidenteel letsel of een onderliggende ziekte of aandoening. Het hof heeft geen reden om aan die deskundigheid te twijfelen.

5.11

Wel acht het hof het van belang dat -zolang onduidelijkheid bestaat over het perspectief van de kinderen- de contacten tussen de moeder en de kinderen worden geïntensiveerd en geobserveerd voor zover de zwaarwegende belangen van de kinderen daar ruimte toe bieden.

5.12

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook nu nog aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikkingen dan ook bekrachtigen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaak met nummer 200.240.717:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 maart 2018, uitgesproken onder zaaknummer C/18/182613 / JE RK 18-156, waarvan beroep;

wijst af het verzoek tot schorsing van de werking van de in de hoofdzaak bestreden beschikking;

in de zaak met nummer 200.240.726:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 8 maart 2018, uitgesproken onder zaaknummer C/18/182610 / JE RK 18-155, waarvan beroep;

wijst af het verzoek tot schorsing van de werking van de in de hoofdzaak bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. I.M. Dölle en
mr. C. Koopman, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 24 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.