Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6877

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
200.191.079/01
Formele relaties
Herstelarrest: ECLI:NL:GHARL:2017:8333
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2017:8333.

Toepassing van het Afghaans recht. Strikte scheiding van vermogens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.191.079/01

(zaaknummer rechtbank C/18/145603 / FA RK 14-16)

beschikking van 24 juli 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E.T. van Dalen te Groningen,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. Y. Schippers te Groningen.

1 Het verdere geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar de (tussen)beschikking van 19 september 2017, waarvan de inhoud voor partijen bekend is.

1.2

Na de tussenbeschikking is bij het hof binnengekomen:

- een brief met advies van 30 januari 2018 van het Internationaal Juridisch Instituut (verder te noemen: IJI);

- een faxbericht van 20 februari 2018 van mr. Van Dalen;

- een journaalbericht van 22 februari 2018 van mr. Schippers met productie(s).

1.3

Desgevraagd geven partijen aan geen nieuwe zitting te wensen.

2 De motivering van de beslissing

De inhoud van het toe te passen Afghaans recht

2.1

Bij beschikking van 19 september 2017 heeft het hof de volgende vraagstelling aan het IJI voorgelegd:

1. Wat is de inhoud van het toe te passen Afghaans recht, regio Kabul, ten aanzien van de verdeling of verrekening tussen partijen?

2. Zijn er aspecten die niet aan de orde zijn gekomen in de eerste onderzoeksvraag, maar wel van belang kunnen zijn voor de beslechting van het voorliggende geschil?

2.2

Het IJI concludeert in zijn deskundigenbericht dat in het Afghaanse recht, regio Kabul, tijdens het huwelijk een strikte scheiding van vermogens geldt en dat een dergelijk stelsel geen vermogensrechtelijke gevolgen heeft bij ontbinding van het huwelijk, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Daarbij heeft het IJI het Afghaans Burgerlijk Wetboek van 1977 als uitgangspunt genomen, dat formeel voor Soennieten geldt. Het IJI is ervan uitgegaan dat partijen beiden Soennieten zijn.

2.3

De man is het eens met het uitgangspunt dat er sprake is van een strikte scheiding van vermogens. Hij wijst er echter op dat in artikel 3 van de huwelijksovereenkomst van 21 februari 2014 van partijen is vermeld dat de vrouw geen contant geld of voorwerpen als bruidsschat in ontvangst mag nemen die een hogere waarde hebben dan de prijs van zilver bij de bank die maximaal 300 Afghani, ofwel € 4,-, bedraagt.

Het hof begrijpt de man aldus dat hij aanvoert dat alle roerende zaken die tijdens het huwelijk gezamenlijk, dan wel door de vrouw, zijn verworven als bruidsschat in de zin van artikel 3 van de huwelijksovereenkomst van partijen moeten worden aangemerkt en dus aan de man in eigendom toebehoren. Dit betekent volgens de man dat de verdeling van de roerende zaken door de rechtbank, inhoudende dat de vrouw alle roerende zaken mocht houden, onjuist is en dat deze zaken alsnog aan de man dienen te worden toebedeeld. Hij vraagt het hof uitdrukkelijk dienovereenkomstig de zaak te bekijken.

2.4

De vrouw voert aan dat het advies van het IJI de overwegingen van de rechtbank en daarmee haar stellingen bevestigt. De vrouw stelt dat er tussen partijen geen nadere afspraken zijn gemaakt, hetgeen ook niet gebruikelijk is in Afghanistan. Voor zover de man heeft aangevoerd dat de roerende zaken aan hem toebehoren, is de vrouw van mening dat dit een wijziging, vermeerdering dan wel aanvulling van zijn verzoek betreft, hetgeen in dit stadium van de procedure niet meer mogelijk is. Daarnaast betwist de vrouw de stelling van de man uitdrukkelijk. Onduidelijk en ongemotiveerd is waarop de man zijn gedachtegang baseert dat al hetgeen tijdens het huwelijk gezamenlijk of door de vrouw is verworven als bruidsschat in de zin van artikel 3 van de huwelijksovereenkomst van partijen moet worden aangemerkt. Een bruidsschat is iets anders dan de roerende goederen die tijdens het huwelijk door een van partijen worden verworven. Uit de huwelijksovereenkomst blijkt geenszins dat al hetgeen tijdens het huwelijk gezamenlijk dan wel door de vrouw is verworven als bruidsschat moet worden gezien.

2.5

Het hof beschouwt het door de man gestelde als een vermeerdering van het verzoek van de man en overweegt dienaangaande het volgende.

2.6

Ingevolge de artikelen 359 t/m 361 juncto artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behoort het beroepschrift/verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep de gronden te bevatten waarop het berust. Deze regel brengt mee dat de verweerder/verzoeker in hoger beroep bij het inrichten van zijn verweer in beginsel ervan mag uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appel door het beroepschrift/verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep is vastgelegd. Daaruit volgt dat de rechter in beginsel geen acht behoort te slaan op grieven die in een later stadium dan in het beroepschrift/verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep worden aangevoerd. Dit geldt ook voor een verandering of vermeerdering van het verzoek en voor nieuwe weren.

2.7

Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief of de verandering dan wel vermeerdering van het verzoek alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van het verzoek kan plaatsvinden. Daarnaast kan in het algemeen het aanvoeren van een grief of een verandering dan wel vermeerdering van het verzoek na het tijdstip van het indienen van het beroepschrift/verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe grief of de verandering dan wel vermeerdering van het verzoek ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat - indien dan nog mogelijk - een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief of de verandering dan wel vermeerdering van het verzoek niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.

2.8

Vast staat dat de vrouw bezwaar heeft gemaakt tegen de vermeerdering van het verzoek van de man, zodat van een ondubbelzinnig instemmen geen sprake is. Evenmin is naar het oordeel van het hof aanleiding voor een uitzondering op basis van de aard van het geschil. De aard van het geschil waardoor een uitzondering gerechtvaardigd wordt geacht, wordt vooral daardoor bepaald dat de rechterlijke uitspraak ter zake een onderhoudsbijdrage en/of de omgang in beginsel vatbaar is voor wijziging, voor wat betreft de onderhoudsbijdrage zelfs met terugwerkende kracht. Voor partijen bij zodanig geschil is van belang dat de beslissing is gebaseerd op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde feiten en omstandigheden (ter voorkoming van een opvolgende procedure). Een dergelijke situatie is hier echter niet aan de orde.

2.9

Voorts betreft de wijziging van het verzoek een geschilpunt dat de man reeds bij het instellen van het hoger beroep bij de beoordeling had kunnen betrekken. De man heeft voldoende gelegenheid gehad om te appelleren tegen de beslissing inzake de verdeling van de inboedel. Dat hij dat heeft nagelaten, dient voor zijn rekening en risico te blijven. In hetgeen de man heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding anders te oordelen. Weliswaar verwijst de man naar aanleiding van het advies van het IJI naar artikel 3 van de huwelijksovereenkomst van 21 februari 2014 van partijen, maar hij had zijn standpunt inzake de verdeelde inboedel reeds eerder kunnen innemen. Dat het verzoek ertoe strekt te voorkomen dat het geschil mogelijk zou moeten worden beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde gegevens, is derhalve niet aan de orde.

2.10

Het hof is derhalve van oordeel dat de vermeerdering van het verzoek niet alsnog in de beoordeling van het hoger beroep dient te worden betrokken omdat dit in strijd is met de goede procesorde.

2.11

Ten overvloede overweegt het hof dat de man zijn stelling, dat alle roerende zaken die tijdens het huwelijk gezamenlijk, dan wel door de vrouw, zijn verworven als bruidsschat in de zin van artikel 3 van de huwelijksovereenkomst van partijen moeten worden aangemerkt, niet onderbouwd heeft en dat deze ook anderszins niet aannemelijk is nu het begrip "bruidsschat" in zijn algemeenheid goederen die op een dergelijke manier zijn verworven niet omvat.

2.12

Nu de man het eens is met het uitgangspunt van het IJI in zijn deskundigenbericht dat sprake is van strikte scheiding van vermogens van partijen tijdens het huwelijk en de man hiertegen voor het overige onvoldoende heeft ingebracht, volgt het hof het IJI in zijn conclusie. Het hof gaat derhalve evenals de rechtbank uit van een strikte scheiding van vermogens van partijen tijdens het huwelijk. De beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de auto's en de betaal- en spaarrekening op naam van de vrouw, de betaalrekening en de creditcard op naam van de man en de gezamenlijke betaal- en spaarrekening zijn dan ook op juiste gronden gegeven. Het hof neemt de motivering hieromtrent over en maakt deze - na eigen onderzoek - tot de zijne.

2.13

Het hof zal het verzoek van de man zoals genoemd in het petitum van zijn beroepschrift onder 1. afwijzen.

De manuscripten en sieraden

2.14

De man heeft gesteld dat de vrouw de manuscripten van de door hem geschreven romans onder zich houdt. Het hof is evenwel van oordeel dat hij zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat de man sieraden van haar onder zich houdt, is het hof van oordeel dat zij haar stelling evenmin heeft aangetoond. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stellingen van partijen. Hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Het geldbedrag van € 10.000,-

2.15

De rechtbank heeft overwogen dat het geldbedrag van € 10.000,- niet aan de orde zal komen bij de verdeling, omdat dit bedrag voor de peildatum is opgenomen van de gezamenlijke bankrekening.

2.16

De man heeft aangevoerd dat in geval het hof oordeelt dat het Afghaans recht inhoudt hetgeen door de man in zijn beroepschrift wordt gesteld, inhoudende dat alles aan hem toebehoort, de vrouw het bedrag van € 10.000,- aan de man dient terug te betalen.

2.17

Nu het hof uitgaat van een strikte scheiding van vermogens van partijen, behoeft deze stelling van de man geen bespreking meer. Aan de voorwaarde waaronder de man dit verzoek heeft gedaan (zie punt 55 van het appelschrift) is immers niet voldaan.

De verrekening van de lasten inzake de voormalige echtelijke woning

2.18

Het hof gaat voorbij aan de primaire stelling van de man dat de voormalige gemeenschappelijke echtelijke woning volgens het Afghaans recht aan hem toebehoort, nu op grond van het Afghaanse recht sprake is van een strikte scheiding van vermogens van partijen tijdens het huwelijk, zoals het hof hiervoor heeft overwogen.

2.19

De man heeft subsidiair gesteld dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat de vrouw de helft van de woonlasten inzake de gemeenschappelijke woning over de periode vanaf de peildatum tot de verkoop op de man kan verhalen.

2.20

Meer subsidiair heeft de man gesteld dat hij over de periode vanaf de peildatum van 3 januari 2014 aanspraak maakt op een gebruikersvergoeding vanwege het feit dat de vrouw in die periode gebruik heeft gemaakt van hun voormalige gezamenlijke woning, die destijds voor de onverdeelde helft aan hem toebehoorde. De man heeft aangevoerd dat de hoogte van de gebruiksvergoeding op € 11.511,86 dient te worden gesteld en dat de vordering van de vrouw op de man betreffende de helft van de lasten inzake de voormalige echtelijke woning ten bedrage van € 11.511,86 hiermee verrekend dient te worden.

2.21

Het hof stelt voorop dat voor de vraag of de vrouw aanspraak maakt op verrekening van de lasten inzake de voormalige echtelijke woning en de vraag of de man aanspraak maakt op een gebruiksvergoeding op grond van artikel 10:127 leden 1 en 4 onder e BW het Nederlands recht van toepassing is, nu de woning in Nederland is gelegen.

2.22

Het hof gaat voorbij aan de subsidiaire stelling van de man dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat de vrouw de helft van de woonlasten inzake de gemeenschappelijke woning over de periode vanaf de peildatum tot de verkoop op de man kan verhalen, nu hij zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De omstandigheid dat de man in diezelfde periode eigen woonlasten had, acht het hof daartoe onvoldoende. Weliswaar heeft de man ook gesteld dat het de keuze van de vrouw is geweest om in de gemeenschappelijke woning te blijven wonen, de woning pas in de zomer van 2015 is verkocht en de man niet dient te boeten voor de financiële gevolgen van haar keuze, te meer nu zij hoofdkostwinnaar was, maar dat kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.23

Op grond van artikel 3:169 BW is, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Deze bepaling heeft ten doel de deelgenoot die verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (zie HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143). Daarbij geldt dat de redelijkheid en billijkheid de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen.

2.24

Het hof acht het redelijk een gebruiksvergoeding aan de vrouw op te leggen, nu vaststaat dat de vrouw in de gemeenschappelijke woning woonde en de man niet over het genot daarvan beschikte. Aan de stelling van de vrouw dat een vergoeding in dit geval niet op zijn plaats is omdat geen sprake zou zijn van overwaarde van de woning, gaat het hof voorbij, nu de grondslag van de door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding erin is gelegen dat de vrouw het genot van de tot de gemeenschap van goederen behorende woning heeft en de man niet. Dat de man de woning vrijwillig en niet krachtens een rechtelijke beslissing heeft verlaten, maakt dat niet anders.

2.25

Door de vrouw is de wijze van berekening van de (hoogte van de) gebruiksvergoeding door de man, waarbij de man aansluiting heeft gezocht bij de door haar betaalde lasten, niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal dan ook de door de vrouw aan de man verschuldigde redelijke vergoeding voor het gebruik van de gemeenschappelijke woning bepalen op het bedrag van de helft van de lasten inzake deze woning die de vrouw vanaf de peildatum tot de overdracht van de woning heeft voldaan, ofwel op € 11.511,86.

2.26

Het voorgaande betekent dat de man na verrekening van de lasten inzake de voormalige echtelijke woning met de gebruiksvergoeding geen bijdrage verschuldigd is in deze lasten van de vrouw.

De premie overlijdensrisicoverzekering

2.27

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 434,31 aan haar in verband met de door haar vanaf 3 januari 2014 betaalde premie inzake de overlijdensrisicoverzekering van partijen, die gekoppeld was aan de hypothecaire geldlening inzake de gezamenlijke woning van partijen.

2.28

De man betwist dat de overlijdensrisicoverzekering is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening. Volgens de man behoort de overlijdensrisicoverzekering niet tot de eenvoudige gemeenschap, nu uit de overlegde stukken blijkt dat deze alleen op zijn leven is afgesloten en niet op het leven van de vrouw en de vrouw, de kinderen en de erfgenamen van de vrouw als begunstigden zijn aangemerkt. Tevens heeft de man aangevoerd dat de premies voor de peildatum zijn voldaan.

2.29

Het hof stelt voorop dat op de vraag of de man de helft van de premies inzake de overlijdensrisicoverzekering dient te voldoen op grond van artikel 10:36 onder a BW het Nederlands recht van toepassing is, nu partijen thans (enkel) de Nederlandse nationaliteit gemeenschappelijk hebben.

2.30

Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de overlijdensrisicoverzekering verbonden was met de (aflossing van de) hypothecaire geldlening inzake de gemeenschappelijke woning van partijen. De overgelegde polis acht het hof daartoe onvoldoende, nu daaruit volgt dat de verzekering op het leven van de man is afgesloten en de vrouw de begunstigde was, zoals de man heeft gesteld. Niet gebleken is van verpanding of overdracht van de rechten op uitkering uit de verzekering aan de hypotheekverstrekker. Evenmin heeft de vrouw in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man onderbouwd dat zij na de peildatum premies inzake de overlijdensrisicoverzekering heeft voldaan. Dat uit de polis volgt dat de premie € 70,53 per maand bedraagt en de verzekering blijkens de brief van 20 april 2016 per 1 april 2016 is beëindigd, is daartoe onvoldoende. Derhalve zal het hof het verzoek van de vrouw afwijzen.

De kosten van het deskundigenonderzoek

2.31

De kosten van het deskundigenonderzoek zijn bij beschikking van 19 september 2017 begroot op afgerond € 1.059,- (€ 875,- plus € 183,75 btw). Bepaald is dat de vrouw en de man ieder de helft van het voorschot dient te voldoen. De definitieve beslissing over de kosten van de deskundigenonderzoeken is aangehouden. Het hof zal daarover hierna beslissen.

2.32

Anders dan de vrouw heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om te bepalen dat de man de kosten van het deskundigenonderzoek dient te dragen. Het hof zal bepalen dat partijen ieder de helft van deze kosten dragen.

2.33

De kosten van het deskundigenonderzoek bedragen € 1.059,-. Partijen hebben ieder de helft van deze kosten reeds voldaan. Het hof zal zowel de man als de vrouw veroordelen tot betaling van de helft van deze kosten, ofwel € 529,50. Het hof zal bepalen dat dit bedrag wordt verrekend met het voorschot ten bedrage van € 529,50 dat zij reeds hebben voldaan, zodat partijen per saldo geen bedrag verschuldigd zijn.

Proceskostenveroordeling

2.34

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep, waaronder de daadwerkelijke advocaatkosten en de eventuele kosten die verder nog uit de procedure voortvloeien.

2.35

In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Naar het oordeel van het hof heeft de man de procedure niet nodeloos ingesteld, mede gelet op de onduidelijkheid van de inhoud van het toe te passen recht. Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren gelet op de familierechtelijke aard van de zaak.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 2 februari 2016 ten aanzien van de verdeling voor zover het betreft de beslissing inzake de lasten inzake de gemeenschappelijke woning van partijen;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de lasten van de gezamenlijke woning vanaf de peildatum door partijen dienen te worden gedeeld;

stelt de kosten van het deskundigenonderzoek vast op € 1.059,-, inclusief btw;

veroordeelt partijen ieder tot betaling van een bedrag van € 529,50, inclusief btw, voor de kosten van het deskundigenonderzoek, welk bedrag door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verrekend met het door hen reeds betaalde voorschot ten bedrage van € 529,50, inclusief btw, zodat partijen per saldo geen bedrag meer verschuldigd zijn;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 2 februari 2016 ten aanzien van de verdeling, behoudens de beslissing inzake de lasten inzake de gemeenschappelijke woning van partijen;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, I.A. Vermeulen en H. Lenters, bijgestaan door mr. I.M. Klaver als griffier, en is op 24 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.