Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6800

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
200.218.765
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Contractspartij bij huurovereenkomst? Schijn van volmachtverlening. Tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst door inbeslagname auto?

Tussen [geïntimeerde] en [appellant] is een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot het voertuig. Het hof overweegt daartoe als volgt. Op 1 mei 2013 is [appellant] bij [geïntimeerde] geweest om een voertuig te reserveren. Op dat moment heeft [appellant] direct de gehele waarborgsom voldaan. [Appellant] heeft bij de reservering kenbaar gemaakt dat iemand anders het voertuig een dag later zou ophalen, maar heeft niet meegedeeld door wie dat precies zou worden gedaan. Ook heeft [appellant] [geïntimeerde] niet laten weten dat hij niet zelf de beoogde huurder was. [Geïntimeerde] heeft er op grond van voornoemde gedragingen gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat [appellant], op het moment dat hij het voertuig reserveerde en de borg betaalde, een overeenkomst voor zichzelf beoogde te sluiten. Toen het voertuig een dag later werd opgehaald door de heer [X] mocht [geïntimeerde] er dan ook vanuit gaan dat [X], die op 2 mei 2013 de schriftelijke huurovereenkomst ondertekende, dit namens [appellant] deed. Of [appellant] op dat moment al dan niet zelf aanwezig was, is daarbij niet relevant.

[Appellant] heeft voorts aangevoerd dat [X] niet over een toereikende volmacht beschikte om namens hem de huurovereenkomst aan te gaan. Echter, gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan [appellant] zich er met succes op beroepen dat sprake was van schijn van volmachtverlening zoals bedoeld in artikel 3:61 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2018, afl. 6, p. 305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.218.765

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 5312684)

arrest van 24 juli 2018

in de zaak van

[appellant] , handelend onder de naam [X] Transport,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. I.K. Kolev,

tegen:

[geïntimeerde] , handelend onder de naam [Y] Rent a Car,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.J. Eijsberg.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 8 augustus 2017 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces verbaal van de comparitie van 13 oktober 2017;

- de memorie van grieven met één productie;

- de memorie van antwoord.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.2

[geïntimeerde] , handelend onder de naam [Y] Rent a Car, houdt zich bezig met de verhuur van personenauto’s en (lichte) bedrijfsauto’s in Nederland en andere landen binnen Europa.

2.3

[appellant] , handelend onder de naam [X] Transport, heeft een koeriersbedrijf.

2.4

Op 1 mei 2013 is [appellant] langs geweest bij [geïntimeerde] . Hij heeft toen een Mercedes Sprinter E7 (hierna: het voertuig) gereserveerd voor de dag erna. In het kader van de reservering heeft [appellant] een waarborgsom in contanten aan [geïntimeerde] betaald.

2.5

Op 2 mei 2013 heeft [man 1] het gereserveerde voertuig opgehaald. Het voertuig zou op 4 mei 2014 naar [geïntimeerde] worden teruggebracht.

2.6

Eveneens op 2 mei 2013 heeft de Britse douane cannabis aangetroffen in het voertuig. De bestuurder van het voertuig, [man 2] , werd aangehouden en het voertuig werd in beslag genomen.

2.7

[geïntimeerde] heeft het voertuig, nadat dit was vrijgegeven door de douane, op 31 juli 2013 laten ophalen in Dover, Engeland.

2.8

Bij factuur van 1 augustus 2013 heeft [geïntimeerde] de gemiste huurinkomsten over de periode van 4 mei 2013 tot en met 31 juli 2013 en de kosten voor het ophalen van het voertuig, in totaal € 5.744,00, bij [appellant] in rekening gebracht. [appellant] heeft dit bedrag niet betaald.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd voor recht te verklaren dat [appellant] jegens [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en op grond daarvan gehouden is de schade te vergoeden die [geïntimeerde] dientengevolge heeft geleden, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente. Voorts heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 5.744,00 aan [geïntimeerde] , althans tot betaling van een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke (handels)rente, en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente en de proceskosten en de nakosten.

3.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 29 maart 2017 (hersteld op 3 mei 2017) de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

4 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) van 29 maart 2017 (en hersteld op 3 mei 2017) zal vernietigen en [geïntimeerde] zal veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, inclusief nakosten, beide vermeerderd met de wettelijke rente. [appellant] heeft daartoe twee grieven aangevoerd.

4.2

Met de eerste grief heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] contractspartij is bij de door [geïntimeerde] gestelde huurovereenkomst. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij nooit de wil heeft gehad zelf een huurovereenkomst te sluiten met [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat dat wel het geval was. Daarnaast heeft [appellant] geen persoonlijke of zakelijke gegevens aan [geïntimeerde] verstrekt en heeft [appellant] op 1 mei 2013 niets op schrift gesteld. [appellant] heeft het voertuig uitsluitend gereserveerd ten behoeve van een collega transportbedrijf, [collega transportbedrijf] , en heeft ten behoeve van die reservering de borg in contanten voldaan. Tot slot is de auto door een andere partij dan [appellant] opgehaald en is pas op dat moment een schriftelijke huurovereenkomst opgesteld en ondertekend.

4.3

De grief faalt. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een huurovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het voertuig. Het hof overweegt daartoe als volgt. Op 1 mei 2013 is [appellant] bij [geïntimeerde] geweest om een voertuig te reserveren voor de periode van 2 mei tot en met 4 mei 2013. Op dat moment heeft [appellant] direct de gehele waarborgsom voldaan. [appellant] heeft bij de reservering kenbaar gemaakt dat iemand anders het voertuig een dag later zou ophalen, maar heeft niet meegedeeld door wie dat precies zou worden gedaan. Ook heeft [appellant] [geïntimeerde] niet laten weten dat hij niet zelf de beoogde huurder was. [appellant] heeft verklaard dat hij de naam van [collega transportbedrijf] niet expliciet heeft genoemd (zie proces-verbaal comparitie d.d. 13 oktober 2017).

[geïntimeerde] heeft er op grond van voornoemde gedragingen op mogen vertrouwen dat [appellant] , op het moment dat hij het voertuig reserveerde en de borg betaalde, een overeenkomst voor zichzelf beoogde te sluiten. Toen het voertuig een dag later werd opgehaald door [man 1] (hierna: [man 1] ) mocht [geïntimeerde] er dan ook vanuit gaan dat [man 1] , die op 2 mei 2013 de schriftelijke huurovereenkomst ondertekende, dit namens [appellant] deed. Of [appellant] op dat moment al dan niet zelf aanwezig was, is daarbij niet relevant.

[appellant] heeft voorts aangevoerd dat [man 1] niet over een toereikende volmacht beschikte om namens hem de huurovereenkomst aan te gaan. Echter, gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan [geïntimeerde] zich er met succes op beroepen dat sprake was van schijn van volmachtverlening zoals bedoeld in artikel 3:61 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat [appellant] niet de wil had om voor zichzelf een huurovereenkomst te sluiten en dat hij in het kader van het sluiten van de overeenkomst ook geen persoonsgegevens of zakelijke gegevens aan [geïntimeerde] heeft verstrekt, hetgeen [geïntimeerde] overigens betwist, doet er niet aan af dat hij wel degelijk de indruk heeft gewekt een huurovereenkomst voor zichzelf te willen sluiten. Bovendien heeft [appellant] ook na het sluiten van de huurovereenkomst de indruk gewekt dat tussen hem en [geïntimeerde] een huurovereenkomst tot stand was gekomen door in de correspondentie die plaatsvond tussen zijn gemachtigde en [geïntimeerde] tot aan de start van de procedure in eerste aanleg te erkennen contractspartij te zijn. Uit het samenstel van alle hiervoor geschetste feiten en omstandigheden wordt de conclusie getrokken dat [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij een huurovereenkomst met [appellant] had gesloten. De eerste grief slaagt daarom niet.

4.4

De tweede grief richt zich vervolgens tegen het oordeel van de kantonrechter dat op de huurovereenkomst de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing zijn. [appellant] heeft aangevoerd dat – voor zover het hof zou aannemen dat toch een huurovereenkomst tussen partijen zou bestaan – hijzelf onbekend was met het bestaan van de algemene voorwaarden en geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud ervan. Dat de algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld aan [man 1] toen die het voertuig bij [geïntimeerde] ophaalde is niet relevant, omdat [man 1] volgens [appellant] niet voor of namens hem handelde.

4.5

De vraag of de algemene voorwaarden al dan niet op de huurovereenkomst van toepassing zijn kan in het midden blijven. [appellant] is namelijk jegens [geïntimeerde] schadeplichtig, ook ingeval de algemene voorwaarden niet op de overeenkomst van toepassing zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat de huurauto op
4 mei 2013 zou worden teruggebracht naar [geïntimeerde] . Dat is niet gebeurd. Daarom is, zoals [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd (zie onder 3.12 van de memorie van antwoord) sprake van een tekortkoming in de zin van artikel 6:74 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond daarvan is [appellant] gehouden de schade van [geïntimeerde] te vergoeden, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Op [appellant] rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de omstandigheden die hij aan zijn beroep op overmacht ten grondslag legt. [appellant] heeft enkel bloot ontkend dat hij op de hoogte is geweest van de 19 kilogram cannabis die in de inbeslaggenomen huurauto is aangetroffen. Ook heeft hij, zonder nadere onderbouwing, aangevoerd dat hij geen kennis van of band met het transport heeft gehad en dat hij daarop geen invloed heeft gehad. Met deze blote ontkenning heeft [appellant] zijn beroep op overmacht onvoldoende onderbouwd. Met name heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt waarom het feit dat een derde de door hem gehuurde auto kon gebruiken ten behoeve van een drugstransport, met alle gevolgen van dien, niet aan zijn schuld te wijten is noch krachtens de overeenkomst of de verkeersopvattingen voor zijn rekening komt. Derhalve is het hof van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst op grond waarvan hij gehouden is de schade van [geïntimeerde] te vergoeden. Gelet op het voorgaande kan de tweede grief onbesproken blijven, omdat deze grief niet tot een ander oordeel leiden.

5 De slotsom

5.1

De eerste grief faalt en de tweede grief leidt niet tot een ander oordeel. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 313,00 voor verschotten en op € 1.518,00 (2 punten x
tarief I) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 29 maart 2017 (hersteld op
3 mei 2017);

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van
[geïntimeerde] vastgesteld op € 313,00 voor verschotten en op € 1.518,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van der Poel, A.E.B. ter Heide en W.C. Haasnoot en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018.