Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6788

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
02-08-2019
Zaaknummer
200.192.269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermindering quasilegaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/249
ERF-Updates.nl 2019-0192
RN 2019/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.192.269

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 390665)

arrest van 24 juli 2018

in de zaak van

mr. Frederik Kroes q.q.,

notaris te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,

in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflater] ,

appellant in hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

verder te noemen: mr. Kroes of de vereffenaar,

advocaat: mr. R.P.J. Hendrikx te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,

en

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

verder te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J. Nagtegaal te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussenvonnis van 17 juni 2015 en het eindvonnis 23 maart 2016, die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 30 mei 2016,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord met producties A.1 tot en met A.a5 en B, C en D,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Op [overlijdensdatum] 2010 is overleden [erflater] (verder te noemen: erflater), ten tijde van zijn overlijden nog op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [partner] . Op 22 december 2010 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken, die door het overlijden van de erflater op [overlijdensdatum] 2010 geen werking heeft gekregen.

3.2

Erflater heeft bij testament van 25 oktober 2007 over zijn nalatenschap beschikt. Ingevolge de daarin gemaakte beschikkingen zijn enige erfgenamen van erflater:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 1992; en

- [geïntimeerde] (verzoekster in hoger beroep), geboren op [geboortedatum] 1995,

beide dochters van erflater. De moeder van [geïntimeerde] en [kind 1] is [X] .

3.3

De nalatenschap van erflater is door [kind 1] en de destijds nog minderjarige [geïntimeerde] op

1 februari 2011 aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Zij traden beiden op grond van artikel 4:195 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op als vereffenaar en hebben mr. Kroes op grond van artikel 4:197 lid 1 BW verzocht als boedelnotaris op te treden. Als zodanig heeft de mr. Kroes zich laten inschrijven in het boedelregister.

3.4

Bij beschikking van 19 maart 2013 is door de kantonrechter op verzoek van de boedelnotaris de opheffing van de vereffening bevolen en zijn de kosten van de vereffening vastgesteld op € 17.502,84. Vervolgens is de opheffing van de vereffening op 26 maart 2013 ingeschreven in het boedelregister. De vordering van mr. Kroes als boedelnotaris op de nalatenschap is het voormelde bedrag van de vereffeningskosten. Deze vordering is niet voldaan.

3.5

Erflater heeft als verzekeringnemer bij ASR Verzekeringen twee polissen van levensverzekering gesloten onder de nummers [polisnummer 1] en [polisnummer 2] en daarbij aanvankelijk als eerste begunstigden aangewezen zichzelf respectievelijk [partner] en bepaald dat het lijfrentekapitaal niet in contanten zal worden uitgekeerd, maar zal dienen als rekengrootheid voor de vaststelling van een oudedagslijfrente of een nabestaandenlijfrente.

Erflater heeft de begunstiging van die polissen op of omstreeks 15 april 2010 gewijzigd. De wijziging houdt in dat [partner] als begunstigde is vervangen door [geïntimeerde] . Op de polissen is de navolgende clausule gesteld:

Bij het overlijden van de verzekerde voor de einddatum zal het lijfrentekapitaal bij overlijden, zijnde 90% van de netto reservewaarde van de verzekering, niet in contanten worden uitgekeerd, maar dienen als rekengrootheid voor de vaststelling van een nabestaandelijfrente als bedoeld in artikel 3.125, lid 1 letter b, en artikel 1.7 lid 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001.”

3.6

Door het overlijden van erflater zijn de twee verzekeringspolissen bij ASR Verzekeringen geëxpireerd. Op 14 oktober 2011 zijn bedragen van € 23.391,72 en

€ 18.373,66 vrijgevallen (totaal € 41.765,38), die op grond van de vermelde clausule in de desbetreffende polissen direct gestort zijn in - dan wel hebben te gelden als rekengrootheid voor - een nabestaanden Direct Ingaande Lijfrente bij ASR (polisnummer [polisnummer 3] ) ten behoeve van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is blijkens de polis van deze lijfrente (de polis spreekt van een renteverzekering) zowel verzekeringnemer als verzekerde. Verzekerd is een jaarlijkse rente van € 3.128,08 die ingaat op 3 oktober 2011 en die eindigt op de rentevervaldatum voorafgaande aan de dag van overlijden van [geïntimeerde] , maar uiterlijk op 3 november 2025. Met ingang van 3 oktober 2011 ontvangt [geïntimeerde] iedere drie maanden een netto lijfrente-uitkering van € 453,34. Het brutobedrag is € 782,02 per kwartaal.

3.7

Mr. Kroes heeft op 29 oktober 2013 verzocht om hem op de voet van artikel 4:203 lid 1 sub b BW en artikel 4:209 lid 5 BW tot vereffenaar te benoemen. De rechtbank heeft overwogen dat mr. Kroes als schuldeiser van de nalatenschap belang heeft bij dit verzoek en dat er door vermindering van het aan [geïntimeerde] gemaakte quasilegaat bestaande in de onder 3.5 beschreven begunstiging voldoende baten zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden. De rechtbank heeft in haar beschikking van 30 april 2014 mr. Kroes benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van erflater. Deze beschikking is bekrachtigd door dit hof in zijn beschikking van 24 februari 2015. In het vervolg van dit arrest wordt mr. Kroes zo vaak als nodig aangeduid als de vereffenaar.

3.8

De vereffenaar heeft op 25 juni 2014 aan [geïntimeerde] een verklaring uitgebracht tot ‘vermindering en terugvordering quasi-legaat’ en daarin meegedeeld dat de begunstiging dan wel de lijfrente-uitkeringen als quasilegaat moeten worden aangemerkt en dienen te worden verminderd, omdat de goederen van de nalatenschap niet toereikend zijn om alle schulden te voldoen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

De vereffenaar heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 41.765,38 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.192,65 en de wettelijke rente vanaf 25 juni 2014, en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure. Aan zijn vordering heeft hij ten grondslag gelegd dat de begunstiging/lijfrente-uitkering is aan te merken als een quasilegaat dat moet worden verminderd als de schulden van de nalatenschap niet (volledig) kunnen worden voldaan.

4.2

[geïntimeerde] heeft als verweer gevoerd, dat vermindering van het quasilegaat op grond van artikel 4:127 Burgerlijk Wetboek (BW) onredelijk is vanwege het verzorgingskarakter van de levensverzekering. Zij heeft verzocht om de notaris te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten.

4.3

De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis geoordeeld dat het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is dat [geïntimeerde] verplicht is tot vergoeding of vermindering. De rechtbank heeft daarom de vordering van de notaris afgewezen en hem veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] , tot aan de uitspraak van het vonnis begroot op € 1.866,- waarin begrepen € 1.788,- aan salaris advocaat, en – onder voorwaarde van niet tijdige betaling daarvan – in de nakosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

De vereffenaar komt met drie grieven op tegen het eindvonnis en vordert in hoger beroep – samengevat – vernietiging daarvan en alsnog toewijzing van zijn vorderingen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties en de kosten van beslaglegging. [geïntimeerde] voert verweer en concludeert tot bekrachtiging van het bestreden eindvonnis, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van rechtsgronden met veroordeling van de notaris in de kosten van het hoger beroep.

5.2

De grieven van de vereffenaar komen erop neer dat het hof in de beschikking van 24 februari 2015 al heeft geoordeeld dat van een verzorgingskarakter bij de aanwijzing van [geïntimeerde] als begunstigde van de beide verzekeringspolissen geen sprake is. Dit heeft de rechtbank volgens de vereffenaar miskend (grief 1). Maar wat hier verder ook van zij, het verzorgingskarakter ontbreekt volgens de notaris sowieso (grief 2) en zo al van een verzorgingskarakter zou (moeten) worden uitgegaan dan is vergoeding van de waarde (van de polis) op grond van artikel 4:127 BW niet onredelijk (grief 3).

5.3

Het hof gaat ervan uit dat de uitkering die door het overlijden van erflater verschuldigd is geworden als een gift geldt en dat de begunstiging van [geïntimeerde] een quasilegaat is (4:126 lid 2 onder b BW). Dit heeft tot gevolg dat [geïntimeerde] verplicht is tot vergoeding van de waarde van het in mindering komende gedeelte aan de vereffenaar, maar alleen voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is (artikel 4:127 BW en 4:216 BW). Deze beperking is opgenomen met het oog op een goede afstemming tussen het erfrecht en het verzekeringsrecht. In de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2000/01, 17 213, nr. 7, pag. 5-6) is daarover opgemerkt:

“De toevoeging van de aan artikel 4.3.3.14 lid 1 (hof: thans artikel 4:90 lid 1 BW) ontleende woorden «voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is» strekt ertoe de regels van erfrecht en verzekeringsrecht beter op elkaar af te stemmen. Daarvoor is reden, nu begunstigingen door sommenverzekering tijdens leven van de erflater niet door beslag of in faillissement of schuldsaneringsregeling uitgewonnen kunnen worden, wanneer zulks voor de verzekeringnemer of de begunstigde onredelijk benadelend zou zijn (zie de artikelen 479p lid 1 Rv, 21a lid 1 en 295a lid 1 Fw). Van onredelijke benadeling in de zin van de genoemde bepalingen is met name sprake wanneer de begunstigingen een verzorgingskarakter hebben. Door de wijziging wordt voorkomen dat een begunstiging die tijdens leven van de verzekeringnemer niet kon worden uitgewonnen, na zijn overlijden wèl kan worden uitgewonnen ten behoeve van schuldeisers en legitimarissen. Begunstigingen door sommenverzekering zullen zo minder snel aanleiding geven tot inkorting of vermindering dan andere vermogensverschuivingen bij dode, welke via de nalatenschap lopen. Tevens wordt door de koppeling van het onredelijkheidscriterium, ontleend aan artikel 4.3.3.14 lid 1, aan het criterium «onredelijke benadeling» uit het verzekeringsrecht, bereikt dat bij begunstigingen uit sommenverzekering met een verzorgingskarakter niet telkens vastgelegd behoeft te gaan worden – hetgeen ook thans niet pleegt te gebeuren – dat de begunstiging strekt ter nakoming van een natuurlijke verbintenis en derhalve geen quasi-legaat oplevert in de zin van artikel 4.4.2.7b lid 2 onder b (hof: thans artikel 4:126 lid 2 onder b BW).”

5.4

Het hiervoor genoemde artikel 21a Fw, thans vernummerd naar artikel 22a Fw, bepaalt dat het recht op het doen afkopen van een levensverzekering en het recht om de begunstiging te wijzigen in faillissement buiten de boedel vallen voor zover de verzekeringnemer of de begunstigde door afkoop of door wijziging van de begunstiging onredelijk wordt benadeeld. Uit de parlementaire geschiedenis (Toelichting) van het huidige artikel 22a Fw (Kamerstukken II 1994-1995, 22 969, nr. 20, p. 6) volgt dat onredelijke benadeling bij de uitwinning in faillissement door de curator zal moeten worden aangenomen indien het een levensverzekering met verzorgingskarakter betreft. Hierbij staat primair het belang van de begunstigde voorop. Ook indien de aanwijzing van een derde als begunstigde als een gift is aan te merken kan van onredelijke benadeling sprake zijn indien verzorgingsaanspraken van de begunstigde worden uitgewonnen.

5.5

Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat voor de vraag of is voldaan aan het onredelijkheidscriterium van artikel 4:126 lid 2 onder b BW doorslaggevend is of de begunstiging een verzorgingskarakter heeft. Het belang van de begunstigde staat daarbij voorop en gaat voor op de belangen van schuldeisers en legitimarissen. Van een verzorgingskarakter is niet alleen sprake indien erflater met de begunstiging uitdrukkelijk de verzorging van de begunstigde heeft beoogd, maar ook indien de begunstiging in de gegeven omstandigheden noodzakelijk blijkt voor de betaling van de kosten van studie en levensonderhoud van de begunstigde.

5.6

Met grief 1 betoogt de vereffenaar dat het hof in zijn beschikking van 24 februari 2015 heeft geoordeeld dat van een verzorgingskarakter van de levensverzekering geen sprake is en dat vermindering niet onredelijk is. De vereffenaar beroept zich kennelijk op het gezag van gewijsde van deze beschikking (artikel 236 Rv). Deze beschikking is gegeven op een verzoek van mr. Kroes om hem op voet van artikel 4:203 lid 1 sub b BW en artikel 4:209 lid 5 BW tot vereffenaar te benoemen. Een analoge toepassing van artikel 236 Rv, dat voor vonnissen is geschreven, is mogelijk op beschikkingen, maar uit de aard van de verzoekschriftenprocedure kan anders voortvloeien. Dat is hier het geval, omdat het bij de benoeming van een vereffenaar gaat om rechtsgevolgen waarover partijen niet vrij kunnen beschikken. Alleen daarom al faalt grief 1. Bovendien heeft het hof in onderdeel 5.8 van deze beschikking overwogen het ervoor te houden dat de aanwijzing van [geïntimeerde] als begunstigde een quasilegaat is en dat [geïntimeerde] verplicht is de waarde te vergoeden, voor zover dat niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is. Vervolgens overweegt het hof: “Er zijn in deze zaak vooralsnog geen omstandigheden gebleken die vergoeding naar het oordeel van het hof onredelijk maken.” Dat oordeel (“vooralsnog”) staat niet eraan in de weg in de onderhavige zaak, die de vermindering van het quasilegaat betreft, opnieuw daarover te oordelen aan de hand van alle feiten en omstandigheden die in deze procedure zijn gebleken. Ook daarom faalt grief 1 van de vereffenaar.

5.7

De grieven 2 en 3 komen erop neer dat het verzorgingskarakter ontbreekt en dat vergoeding van de waarde niet onredelijk is. Voor de beoordeling van die grieven zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Alvorens te oordelen zal het hof hierna eerst (in aanvulling op de vaststaande feiten) de omstandigheden zoals die in deze procedure zijn gebleken vaststellen.

5.8

Na de geboorte van [geïntimeerde] zijn de erflater en haar moeder gescheiden en is de erflater hertrouwd met [partner] . [geïntimeerde] is na de scheiding van haar ouders bij haar moeder blijven wonen. Voor diens overlijden zag [geïntimeerde] haar vader elk weekend. Haar zus [kind 1] had nauwelijks contact met haar vader. De erflater was verplicht per maand € 150,- per kind per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [geïntimeerde] en [kind 1] , maar betaalde slechts € 50 tot € 60,- per maand in totaal aan de moeder van [geïntimeerde] en [kind 1] , die zelf weinig financiële middelen tot haar beschikking had. De erflater heeft de begunstiging van de levensverzekeringen in april 2010 gewijzigd en [geïntimeerde] als (tweede) begunstigde na zichzelf aangewezen, kennelijk toen de echtscheiding met [partner] in zicht kwam. Op het moment dat de erflater kort daarna in december 2010 onverwacht overleed was [geïntimeerde] 15 jaar oud. Door het overlijden van de erflater eindigde zijn verplichting bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [geïntimeerde] . Zij was op dat moment nog niet in staat zelf in de kosten van haar opvoeding en verzorging te voorzien, terwijl haar moeder niet de financiële draagkracht had om in deze kosten van [geïntimeerde] bij te dragen.

Na het overlijden van de erflater heeft [geïntimeerde] een MBO opleiding gevolgd en deze in 2015 afgerond. Vervolgens is zij gaan werken als dierenartsassistente. Sinds september 2017 studeert zij fysiotherapie aan een HBO-instelling in Leiden waar ze ook woont. Deze studie duurt vier jaar. Daarna wil ze verder studeren en zich bekwamen in dierenfysiotherapie. Ze ontvangt studiefinanciering van DUO voor een uitwonende student en heeft inmiddels al een studieschuld van € 15.000,-. Naast haar studie werkt ze in de horeca. De moeder van [geïntimeerde] heeft nog steeds onvoldoende middelen om bij te dragen in het levensonderhoud en de studiekosten van [geïntimeerde] . Tot 15 maart 2015 zijn de driemaandelijkse lijfrente-uitkeringen betaald. Dat is een totaalbedrag van ongeveer € 5.500,-. Die bedragen zijn inmiddels besteed. Daarna zijn in verband met derdenbeslag door de vereffenaar op de uitkeringen geen betalingen aan [geïntimeerde] meer gedaan.

5.9

De schuldeisers van de nalatenschap zijn de vereffenaar en de ABN AMRO Bank. Volgens opgave van de vereffenaar ter gelegenheid van de pleidooien bedraagt de vordering van de bank ongeveer € 20.000,- wegens achterstallige hypotheekrente en de vordering van de vereffenaar zelf (afgerond) € 17.000,-, waarbij de vereffenaar opmerkte dat zijn vordering (de vereffeningskosten) door deze procedure nog is opgelopen. De vereffenaar is voornemens zijn vordering ter zake van de vereffeningskosten op de uitdelingslijst als preferent aan te merken. Uit de aangifte voor de erfbelasting blijkt dat de nalatenschap van de erflater op de sterfdatum feitelijk bestond uit een woning en een daarbij horende hypotheekschuld en andere schulden. De waarde van de woning is voor de erfbelasting aangegeven voor € 434.000,-, de hypotheekschuld bedroeg op de sterfdatum € 363.024,- en de overige schulden € 25.204,-. Het aandeel van [geïntimeerde] en [kind 1] in de nalatenschap van de erflater is voor de erfbelasting vastgesteld op € 28.449,- elk. Mr. Kroes is in de nalatenschap van de erflater opgetreden als boedelnotaris. Een kandidaat-notaris van zijn kantoor, mr. Harris, is door de kantonrechter in Utrecht toegevoegd als executeur. Deze toegevoegd executeur heeft op 4 januari 2013 de kantonrechter verzocht om opheffing van de vereffening en daartoe aangevoerd “dat uit de enig resterende baten van de nalatenschap, zijnde de te verwachten executie-verkoopopbrengst van de woning (…) slechts (gedeeltelijk) de preferente schuldeisers (boedelnotaris/hypotheekhouder ABN AMRO) kunnen worden voldaan.” Na de opheffing van de vereffening zijn mr. Kroes en mr. Harris niet langer als boedelnotaris en toegevoegd executeur betrokken geweest bij de afwikkeling van de nalatenschap van de erflater. Doordat de woning op 27 mei 2013 is verkocht en geleverd voor een koopprijs van € 280.000,- is er een restschuld bij de ABN AMRO Bank ontstaan die thans volgens opgave van de vereffenaar ongeveer € 20.000,- bedraagt.

5.10

Het hof is van oordeel dat de begunstiging van [geïntimeerde] een verzorgingskarakter heeft. Zelfs als niet zou vaststaan dat de erflater zelf ook de verzorging van [geïntimeerde] na zijn overlijden heeft beoogd door haar als begunstigde aan te wijzen – wat gelet op de strekking van de begunstiging te voorzien in een nabestaandenlijfrente aannemelijk is – dan heeft nog te gelden dat [geïntimeerde] deze lijfrente naar het oordeel van het hof nodig heeft om daarmee te kunnen voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding en van studie (waaronder ook de mogelijkheid om na afronding van haar HBO-opleiding fysiotherapie zich verder te bekwamen in dierenfysiotherapie). Dat vloeit voort uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.8 is overwogen. Dat betekent dat grief 2 faalt.

5.11

Het hof is verder van oordeel dat het, gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van deze zaak, onredelijk is [geïntimeerde] verplicht te houden tot enige vergoeding van de waarde van haar begunstiging. Zoals hiervoor al is overwogen staat het belang van [geïntimeerde] voorop en gaat haar belang voor op de belangen van de vereffenaar en de ABN AMRO Bank als schuldeisers. Het hof neemt daarbij vooral in aanmerking dat [geïntimeerde] de lijfrentetermijnen, voor zover die al zijn betaald, heeft moeten gebruiken voor haar onderhoud en studie en de uitkeringen daarvoor ook in de toekomst zal moeten gebruiken, aangezien zij, nu haar vader is overleden en haar moeder geen financiële middelen heeft, is aangewezen op een studiebeurs voor uitwonende studenten van DUO en op de beperkte inkomsten die zij daarnaast heeft uit een bijbaan in de horeca. Ook heeft zij als gezegd een studieschuld van € 15.000,-. Het hof oordeelt dat dit belang zo zwaar weegt dat het belang van de vereffenaar en de ABN AMRO Bank dat hun vorderingen op de nalatenschap worden voldaan daarvoor moet wijken en dat het onredelijk is [geïntimeerde] te verplichten de waarde van haar begunstiging te vergoeden. Dat betekent dat ook grief 3 faalt.

5.12

Alle grieven falen. Het hof zal het bestreden eindvonnis bekrachtigen en de vereffenaar als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen als hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 maart 2016;

veroordeelt de vereffenaar in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 314,- voor verschotten en op € 5.877,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten tegen € 1.959,- per punt, tarief IV);

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en R.E. Brinkman en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018.