Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6776

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
200.239.728/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming non-concurrentiebeding in kort geding afgewezen. Hof hangt aannemelijk dat beding in bodemprocedure zal worden geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0884
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.239.728/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6729772 \ VV EXPL 18-29)

arrest in kort geding van 24 juli 2018

in de zaak van

Itass IT- Consultants B.V.,

gevestigd te Emmen,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Itass,

advocaat: mr. A.J.E. Riemslag, kantoorhoudend te Emmen, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.C. Post, kantoorhoudend te Assen, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen (hierna: de kantonrechter) ex artikel 254 lid 4 Rv van 24 april 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende de grieven (met producties);
- de memorie van antwoord (met producties);
- het proces-verbaal van het pleidooi van 12 juli 2018, met de pleitnotities van de advocaten van partijen.

2.2

Aan het slot van het pleidooi is arrest bepaald op het ter voorbereiding van het pleidooi overgelegde procesdossier en op het proces-verbaal van het pleidooi.

2.3

De vorderingen van Itass in hoger beroep strekken ertoe dat haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.11) van zijn vonnis de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren gebleken, zodat in hoger beroep van deze feiten kan worden uitgegaan. Deze feiten komen, aangevuld met enkele andere vaststaande feiten, op het volgende neer.

3.2

Itass is een in Emmen gevestigde IT-organisatie, die gespecialiseerd is in IT-werkplekken. Itass werkt als IT-specialist in Noord- en Oost-Nederland en verzorgt de aanleg van netwerken, de installatie van hard- en software, systeembeheer en gebruikersondersteuning. Daarnaast handelt Itass als groothandel in computers, randapparatuur en software en houdt zich bezig met het hosten van websites.

3.3

Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel is NORISK IT Groep B.V. (hierna te noemen: NORISK), gevestigd te Assen, een groothandel in computers, randapparatuur en software. Daarnaast is in het uittreksel vermeld dat NORISK zich bezighoudt met het produceren, repareren, assembleren, ontwikkelen, ontwerpen, importeren, exporteren, distribueren, kopen en verkopen van systemen voor gegevensopslag en met het in- en uitlenen c.q. detacheren van personeel.

3.4

[geïntimeerde] is op 4 januari 2011 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van Itass, Ipet automatiseerders B.V. (hierna te noemen Ipet) in de functie van servicedeskmedewerker. Sedert 1 oktober 2013 is [geïntimeerde] bij Ipet werkzaam in de functie van supportmedewerker ICT en kantoormachines. In die functie was [geïntimeerde] - kort gezegd - verantwoordelijk voor het beantwoorden van (telefonische) vragen rondom ICT en machines, het aannemen en doorzetten van contractstoringen.

3.5

Medio juni 2015 heeft Itass Ipet overgenomen en is [geïntimeerde] bij Itass in dienst getreden.

3.6

Op 1 juni 2017 zijn partijen een gewijzigde arbeidsovereenkomst overeengekomen met voor [geïntimeerde] de functie van servicedeskmedewerker, die schriftelijk is vastgelegd. Op basis van deze arbeidsovereenkomst heeft [geïntimeerde] , bij een 39-urige werkweek, een bruto salaris van € 1.850,60 per maand. De arbeidsovereenkomst bevat naast een geheimhouding- en een relatiebeding een concurrentiebeding, dat alsvolgt luidt (artikel 17 van de overeenkomst):
"1. Het is werknemer verboden om binnen een tijdvak van 1 jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen een kring met Emmen als middelpunt en met een straal van 75 kilometer in enigerlei vorm werkzaam te zijn bij of ten behoeve van een bedrijf gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van werkgever, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welke aard ook te hebben, tenzij de werknemer daartoe voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever heeft verkregen, aan welke toestemming werkgever voorwaarden kan verbinden.

2. Bij overtreding van het in lid 1 omschreven verbod verbeurt werknemer ten behoeve van werkgever zonder dat nadere ingebrekestelling noodzakelijk is, een dadelijk opeisbare en niet voor verrekening vatbare boete van € 5.000,- ineens, vermeerderd met een boete van € 2.500 - voor elke dag, of gedeelte daarvan, dat werknemer in overtreding is, onverminderd het recht van werkgever om nakoming van het concurrentiebeding te vorderen en/of volledige schadevergoeding."

3.7

In de arbeidsovereenkomst wordt in artikel 1 lid 2 over de functie van [geïntimeerde] vermeld:
"Tijdens zijn dienstverband zal werknemer de volgende taken voor werkgever verrichten; het onderhouden van netwerken bij relaties, service verlenen en bemannen van de servicedesk. De taken van werknemer zijn voorts opgenomen in de bij deze overeenkomst gevoegde functieomschrijving, welke integraal onderdeel uitmaakt van deze arbeidsovereenkomst."
Als bijlage A bij de arbeidsovereenkomst is een functieovereenkomst gevoegd, waarin de volgende taken als belangrijkste taken worden vermeld (de opsomming begint met b.):
"b. zorgdragen voor de technische uitvoering van projecten, zowel bij de préconfiguratie als hij de on-site installatie.

c. installeren en configureren van servers, serveropties, netwerkcomponenten en andere toebehoren.

d. uitvoeren van maatwerkinstallaties op basis van netwerkbesturingssystemen.

e. advisering op het gebied van kantoorautomatisering.
f. verlenen van telefonische support op het gebied van automatisering.

g. het uitvoeren van operationeel systeembeheer.

h. het uitvoeren van on-site support.

i. het uitvoeren van servicedeskwerkzaamheden. (...)".

3.8

Op 22 december 2017 heeft [geïntimeerde] aan ltass aangegeven dat hij voornemens is zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen. In reactie daarop heeft Itass gemeld dat zij [geïntimeerde] zal houden aan het concurrentiebeding. [geïntimeerde] heeft daarop op 22 december 2017 zijn arbeidsovereenkomst schriftelijk opgezegd tegen 31 januari 2018.

3.9

[geïntimeerde] is op 1 februari 2018 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij NORISK in de functie van Coördinator Service Facilities. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en NORISK is bepaald dat [geïntimeerde] bij een fulltime dienstverband (40 uur) een salaris van € 2.777,88 bruto per maand ontvangt. In zijn functie als coördinator is [geïntimeerde] blijkens de functieomschrijving verantwoordelijk voor het inventariseren, implementeren en rapporteren van ondersteunende systemen bij zowel interne processen als klantsystemen.

3.10

In een e-mailbericht van 22 januari 2018 aan een aantal relaties van Itass heeft [geïntimeerde] het volgende geschreven:
"Geachte relatie,
Ik heb een leuke nieuwe functie aangeboden gekregen. Ik zal daarom Itass per 1 februari 2018 verlaten.
Via deze weg wil ik jullie bedanken voor de fijne contacten die ik de afgelopen jaren zowel bij Ipet als Itass met jullie heb mogen hebben.
Wellicht spreken we elkaar nog eens in de toekomst!"

3.11

NORISK en Itass hebben via e-mail op 24 januari 2018 met elkaar gecorrespondeerd over de ontstane situatie zonder tot een oplossing te komen. Hun bestuurders hebben ook telefonisch contact met elkaar gehad.

3.12

In een brief van 29 januari 2018 heeft de toenmalige advocaat van Itass [geïntimeerde] laten weten dat het in dienst treden bij NORISK een schending van het concurrentiebeding behelst. Hij heeft [geïntimeerde] gesommeerd het beding na te komen en [geïntimeerde] , voor het geval [geïntimeerde] geen gevolg geeft aan deze sommatie, de verschuldigdheid van de contractuele boete in het vooruitzicht gesteld. Verder heeft hij geschreven:
"Ter voorkoming van een gerechtelijke procedure heb ik cliënte bereid gevonden een eenmalig en niet voor onderhandeling vatbaar voorstel te doen. Tegen betaling van een bedrag van € 20.000,- ineens is cliënte bereid alsnog schriftelijk toestemming te verlenen voor uw indiensttreding bij NORISK met ingang van 1 februari aanstaande."

4
4. De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Itass heeft [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard. Zij heeft gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot onverkorte nakoming van het concurrentiebeding op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag. Ook heeft zij gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om aan haar een bedrag te betalen van € 25.000,-, als voorschot op de definitief te bepalen contractuele boete.

4.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat het concurrentiebeding wordt vernietigd.

4.3

De kantonrechter heeft de vordering in reconventie niet in behandeling genomen omdat deze pas ter zitting, en om die reden niet conform het procesreglement, is ingediend. De vorderingen in conventie heeft hij afgewezen. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat Itass geen beroep toekomt op het non-concurrentiebeding. Daartoe is volgens hem allereerst relevant dat niet is komen vast te staan dat Itass en NORISK concurrenten van elkaar zijn. Ook is van belang dat [geïntimeerde] bij NORISK niet een zelfde functie gaat uitoefenen als hij bij Itass heeft gedaan. Verder is niet aannemelijk geworden dat [geïntimeerde] uit hoofde van zijn functie bij Itass over concurrentiegevoelige informatie kan beschikken.

5
5. De bespreking van de grieven

5.1

Het hof stelt bij de bespreking van de grieven voorop dat Itass ook in hoger beroep nog een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dat spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering tot nakoming van het non-concurrentiebeding.

5.2

Itass heeft vijf grieven, genummerd als 5.1 tot en met 5.5, geformuleerd. Met de grieven 5.1 tot en met 5.4 komt Itass op tegen de afwijzing van haar vordering tot nakoming van het concurrentiebeding en betaling van een voorschot van
€ 25.000,-. De grieven hangen met elkaar samen en leggen het geschil van partijen in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal de grieven dan ook tezamen behandelen.

5.3

De vorderingen van Itass zijn, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het concurrentiebeding niet geheel of gedeeltelijk zal vernietigen. Dat laatste is het geval indien de bodemrechter van oordeel is dat in verhouding tot het te beschermen belang van Itass [geïntimeerde] door het beding onbillijk wordt benadeeld (artikel 7:653 lid 3 sub b BW). Het hof zal nagaan of aannemelijk is dat de bodemrechter tot dat oordeel zal komen en het beding dus (geheel of gedeeltelijk) zal vernietigen.

5.4

Naar voorlopig oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] er groot belang bij om in dienst te kunnen treden bij NORISK. Bij Itass verdiende [geïntimeerde] in januari 2018, zeven jaar nadat hij bij een rechtsvoorganger van Itass in dienst trad, € 1.850,- bruto per maand, oftewel nog geen € 300,- per maand meer dan het minimumloon. Het hof acht niet aannemelijk dat het salaris van [geïntimeerde] bij Itass binnen afzienbare, of zelfs op de middellange termijn, substantieel zou worden verhoogd. De afgelopen jaren is van een dergelijke verhoging geen sprake geweest en toen medio 2017 een nieuwe arbeidsovereenkomst werd gesloten tussen partijen heeft Itass ook geen reden gezien tot een meer dan marginale verhoging van het, gezien opleiding en ervaring van [geïntimeerde] , bepaald matige salaris. Itass heeft weliswaar aangevoerd dat [geïntimeerde] salarisverhogingen in het vooruitzicht zijn gesteld als hij bepaalde cursussen zou volgen, maar [geïntimeerde] heeft dat betwist en Itass heeft haar stellingen bovendien niet geconcretiseerd door aan te geven hoe groot die verhogingen zouden zijn en op welke termijn deze zouden worden gerealiseerd. Bovendien is onaannemelijk dat [geïntimeerde] binnen Itass carrière zou kunnen maken. Ook indien, zoals Itass stelt maar [geïntimeerde] gemotiveerd betwist, [geïntimeerde] niet heeft aangegeven een andere functie te ambiëren, geldt dat Itass niet heeft gesteld dat [geïntimeerde] een andere functie is aangeboden en evenmin dat Itass groeimogelijkheden in [geïntimeerde] zag. De overgelegde verslagen van beoordelingsgesprekken wijzen er eerder op dat Itass redelijk tevreden met, maar zeker niet enthousiast was over, het functioneren van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] scoort vooral voldoendes en slechts een enkele ’goed’. Al met al was de carrière van [geïntimeerde] bij Itass naar het oordeel van het hof op dood spoor geraakt; [geïntimeerde] verdiende een matig salaris, had geen concreet uitzicht op een hoger salaris, werd (getuige de beoordelingsgesprekken) niet bijzonder gewaardeerd en had geen concreet uitzicht op carrière binnen de organisatie van Itass.
Bij NORISK ontvangt [geïntimeerde] op basis van een 40-urige werkweek een salaris van ruim

€ 2.750,-, ongeveer anderhalf keer het salaris dat hij bij Itass ontving. Daarnaast heeft hij, een auto van de zaak. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij bij NORISK concreet zicht heeft op verdere salarisverhogingen zonder dat daaraan eisen worden gesteld op het gebied van het behalen van diploma’s. De bestuurder van NORISK heeft bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep, desgevraagd, uiteengezet dat NORISK veel potentie ziet in [geïntimeerde] en dat hij verwacht dat [geïntimeerde] binnen de organisatie van NORISK nog stappen kan maken. Ook heeft [geïntimeerde] bij NORISK een leidinggevende functie.
Waar de carrière van [geïntimeerde] bij Itass in het slob was geraakt, heeft [geïntimeerde] die bij NORISK weer vlot kunnen trekken; hij heeft een leidinggevende in plaats van een uitvoerende functie, een inkomen dat anderhalf keer zo hoog is als bij Itass en daarnaast een auto van de zaak, vooruitzichten op verdere carrièrestappen met navenant betere arbeidsvoorwaarden dan hij nu al heeft en geniet waardering voor zijn functioneren.

5.5

In het licht van wat hiervoor is overwogen over de zeer grote positieverbetering van [geïntimeerde] belemmert het concurrentiebeding [geïntimeerde] aanzienlijk. Het beding verhindert het [geïntimeerde] immers om zijn werk bij NORISK voort te zetten. Het hof acht niet aannemelijk dat [geïntimeerde] op korte termijn een vergelijkbare functie zal kunnen vinden. [geïntimeerde] heeft, naar bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is gebleken, een MBO-opleiding op het gebied van de ICT gevolgd. In het laatste jaar van zijn studie is hij bij Ipet in dienst getreden. De opleiding en werkervaring van [geïntimeerde] zijn dan ook gericht op de ICT, waarbij ten aanzien van de werkervaring geldt dat [geïntimeerde] alleen werkervaring heeft in een ICT bedrijf, dus niet in een ICT functie in de non-profit sector of in een bedrijf buiten de ICT. Het ligt dan ook voor de hand dat de kansen van [geïntimeerde] op een andere baan in de ICT sector het grootste zijn. Gelet op de ruime geografische reikwijdte van het beding - 75 kilometer vanaf Emmen - zijn ICT-bedrijven in Noordoost Nederland, dus in de ruime omgeving van de woonplaats van [geïntimeerde] , uitgesloten. Grotere plaatsen als Assen, Groningen, Hoogeveen, Meppel, Zwolle en Almelo liggen binnen een straal van

75 kilometer van Emmen.

5.6

Naar voorlopig oordeel van het hof is het belang van Itass bij handhaving van het beding beperkt. Het hof stelt daarbij voorop dat een concurrentiebeding bedoeld is om het bedrijfsdebiet van de werkgever - de opgebouwde knowhow en goodwill - te beschermen. Het beding is niet bedoeld om werknemers te binden, of om te bewerkstelligen dat een werknemer pas na betaling van een vergoeding kan vertrekken. Een werkgever die zijn werknemers aan zich wil binden, dient dat te doen door zorg te dragen voor goede, of in elk geval concurrerende arbeidsvoorwaarden, door zijn werknemers de mogelijkheid te geven zich te ontwikkelen en door hun inspanningen te waarderen. Het enkele feit dat een werknemer in de uitoefening van zijn functie kennis en ervaring heeft opgedaan, betekent nog niet dat de werkgever bij het vertrek van die werknemer, en ook niet bij het vertrek van die werknemer naar een concurrent, in zijn bedrijfsdebiet is aangetast. Dat een werknemer bij zijn vertrek kennis en ervaring die is opgedaan bij zijn werkgever ‘meeneemt’ is inherent aan zijn vertrek. Dat de nieuwe werkgever profijt heeft van de kennis en ervaring van de werknemer is inherent aan het in dienst nemen van een werknemer met kennis en ervaring. Het concurrentiebeding biedt geen bescherming tegen het vertrek van een ervaren werknemer en tegen de indiensttreding van die werknemer bij een concurrent van de oude werkgever, maar alleen tegen de aantasting van het bedrijfsdebiet door zo’n overstap. Van zo’n aantasting zal bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de betrokken werknemer door zijn functie op de hoogte is van essentiële relevante commerciële en technische informatie of van unieke werkprocessen en strategieën en hij deze kennis ten behoeve van zijn nieuwe werkgever kan gebruiken, waardoor de nieuwe werkgever in de concurrentieslag met de oude werkgever in het voordeel is, of bijvoorbeeld doordat de werknemer zo intensief samenwerkt met bepaalde klanten van de oude werkgever dat deze klanten overstappen naar diens nieuwe werkgever.

5.7

Het hof gaat er, bij het in kaart brengen van de belangen van Itass bij handhaving van het concurrentiebeding in het voordeel van Itass en bij wijze van veronderstelling, vanuit dat Itass en NORISK concurrenten zijn, in die zin dat zij min of meer vergelijkbare producten en diensten aanbieden en zich (gedeeltelijk) op dezelfde soort relaties richten. Dat dit het geval is, heeft [geïntimeerde] overigens gemotiveerd betwist, maar het hof kan de discussie van partijen op dit punt onbesproken laten.

5.8

Ook indien Itass en NORISK concurrenten van elkaar zijn, is naar voorlopig oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat Itass door de indiensttreding van [geïntimeerde] bij NORISK in haar bedrijfsdebiet wordt aangetast. Daarbij is van belang dat [geïntimeerde] een uitvoerende functie had. Hij ondersteunde de klanten van Itass bij technische problemen. In dat kader had hij kennis van de producten en diensten die Itass aan die klanten leverde en geleverd had. Zijn kennis op dit punt had, gelet op zijn functie, een operationeel en geen strategisch karakter. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] commerciële contacten met de klanten had en met hen sprak, laat staan onderhandelde, over nieuwe contracten. Dat [geïntimeerde] contact onderhield met de ‘beslissers’ binnen de organisatie van de klanten van Itass is evenmin gesteld noch gebleken. Het ligt meer voor de hand dat hij contact onderhield met medewerkers van klanten die te kampen hadden met storingen of zelf storingen moesten oplossen. Als [geïntimeerde] al beschikte over commerciële informatie bij Itass betrof het naar het voorlopig oordeel van het hof geen relevante – strategische – informatie, die het bedrijfsdebiet van Itass raakt.
Itass heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij beschikt over relevante technische of unieke werkprocessen of strategieën heeft, die (mede) haar bedrijfsdebiet vormen. In dit verband heeft Itass alleen gewezen op TOPdesk, het door Itass gebruikte

IT-managementinformatiesysteem. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is gebleken dat TOPdesk geen uniek door of voor Itass ontwikkeld systeem is, maar een systeem dat door veel ICT bedrijven gebruikt wordt en vrij op de markt verkrijgbaar is. [geïntimeerde] gaat de implementatie van dit systeem binnen NORISK (bege)leiden. Hij heeft vanwege de door hem opgebouwde ervaring met dit systeem bij Itass onmiskenbaar een voordeel en dat voordeel valt NORISK nu in de schoot. Dat is inherent aan de overstap van de werknemer van de ene werkgever naar de andere. Met de overstap gaan, zoals hiervoor is overwogen, de bij de oude werkgever opgebouwde kennis en ervaring mee naar de nieuwe werkgever, net als algemene vaardigheden die de werknemer heeft als lezen, schrijven en rekenen. Daardoor wordt het bedrijfsdebiet van NORISK nog niet aangetast. TOPdesk maakt als vrij op de markt verkrijgbaar managementinformatiesysteem geen deel uit van dat debiet. Daarbij zij aangetekend dat de door [geïntimeerde] verkregen kennis van TOPdesk aanvankelijk beruste op een eendaagse cursus, zodat een door Itass met TOPdesk te belasten medewerker dit systeem zich snel eigen kan maken.

5.9

De slotsom is dat als Itass al belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding dit belang naar het voorlopig oordeel van het hof niet, of hooguit zeer marginaal, een belang is dat door het beding wordt beschermd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat Itass naast een concurrentiebeding ook een geheimhouding- en relatiebeding heeft, dat haar beschermt tegen het benaderen van en werken voor haar relaties en het delen van bedrijfsinformatie van Itass door [geïntimeerde] . Dat daarvan sinds de indiensttreding van [geïntimeerde] bij NORISK, nu ongeveer een halfjaar geleden, sprake is geweest, heeft Itass niet aannemelijk kunnen maken. Anders dan Itass ziet het hof geen kwaad in het door [geïntimeerde] naar zijn relaties verstuurde e-mailbericht. In het e-mailbericht maakt [geïntimeerde] op een zakelijke wijze melding van zijn vertrek bij Itass, zonder zich negatief over Itass uit te laten of zijn relaties (impliciet) uit te nodigen hem te volgen naar NORISK, wier naam hij niet noemt.
Het hof merkt, gezien het bovenstaande ten overvloede, op dat Itass gelet op het door haar advocaat gedane voorstel tot afkoop van het concurrentiebeding kennelijk zelf een relatief gering belang hechtte aan (handhaving van) het beding.

5.10

De slotsom is dat naar voorlopig oordeel van het hof in verhouding tot het te beschermen belang van Itass [geïntimeerde] door het beding onbillijk wordt benadeeld. Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk dat het beding in een eventuele bodemprocedure zal worden vernietigd voor zover het in de weg staat aan de indiensttreding van [geïntimeerde] bij NORISK, waardoor onwaarschijnlijk is dat de bodemrechter de vorderingen van Itass zal toewijzen.

5.11

De grieven falen.

5.12

Met grief 5.5 komt Itass op tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Volgens hem zijn, nu de reconventionele vordering van [geïntimeerde] niet in behandeling is genomen, beide partijen in het ongelijk gesteld. Het hof volgt [geïntimeerde] daarin niet. [geïntimeerde] heeft geprobeerd een reconventionele vordering in te stellen, maar de kantonrechter heeft zijn vordering niet in behandeling genomen, zodat deze vordering geen deel uitmaakte van de rechtsstrijd in eerste aanleg. Het hof laat dan nog daar dat niet aannemelijk is geworden dat Itass kosten heeft moeten maken met het oog op de reconventionele vordering, die pas bij gelegenheid van de behandeling van het kort geding werd geïntroduceerd.

5.13

Ook deze grief faalt.

5.14

Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal Itass worden verwezen in de proceskosten van het geding in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 3 punten, tarief III – gelet op de hoogte van het gevorderde voorschot).

6 De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

veroordeelt Itass in de kosten van het geding in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 318,- aan verschotten en op

€ 4.173,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, D.H. de Witte en A.W. Jongbloed en is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.