Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6769

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
200.231.691/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Arbeidsgeschil. Re-integratie. Spoedeisend belang. Werkneemster is 100% arbeidsongeschikt. Om die reden geen spoedeisend belang bij vordering tewerkstelling. Wel belang bij vordering te worden toegelaten tot re-integratie. Werkgever heeft standplaats gewijzigd en wil re-integratie doen plaats vinden op nieuwe standplaats. Medische situatie werknemer én gewijzigde omstandigheden op oude standplaats maken re-integratie op oude standplaats echter wenselijker. Besluit tot wijziging standplaats geschorst. Bevel aan werkgever werknemer toe te laten tot re-integratie op oude standplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0878
Onderwijs Totaal 2019/936
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.231.691/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6404296 \ CV EXPL 17-10115)

arrest in kort geding van 24 juli 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. D.F.W. Schalkwijk, kantoorhoudend te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft E.W. Kingma, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

Stichting voor Christelijk Beroepsonderwijs en Volwasseneducatie Friesland/Flevoland,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ROC Friese Poort,

advocaat: mr. J.W. Janse-Velema, kantoorhoudend te Woerden, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis ex artikel 254 lid 5 Rv van 20 december 2017 dat de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 januari 2018;

- de memorie van grieven (met producties);

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met productie);

- de pleidooien d.d. 3 juli 2018 overeenkomstig de pleitnotities van de advocaten. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 21 juni 2018 door ROC Friese Poort respectievelijk 28 juni 2018 door [appellante] zijn ingebracht;

- het proces-verbaal van de zitting van 3 juli 2018.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier, de bij pleidooi gewisselde stukken en het proces-verbaal van die zitting.

2.3

[appellante] vordert, na wijziging van eis, in het (principaal) hoger beroep dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,

1.

het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Privaatrecht, locatie Leeuwarden van 20 december 2017 vernietigt en opnieuw rechtdoende ROC Friese Poort veroordeelt om [appellante] binnen 48 uur na betekening van dit arrest in de gelegenheid te stellen haar bij e-mail van 7 september 2016 overeengekomen werkzaamheden (en zoals weergegeven in de brief van 27 oktober 2016) als coördinerend docent/decaan op de vestiging van ROC Friese Poort te [A] te hervatten en

2.

ROC Friese Poort verbiedt uitvoering te geven aan het besluit van 19 juli 2017 op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag indien ROC Friese Poort aan één of meer van voornoemde verplichtingen niet voldoet en

3

ROC Friese Poort veroordeelt in de proceskosten inclusief salaris gemachtigde/advocaat van zowel het kort geding als het hoger beroep alsmede de nakosten.

2.4

ROC Friese Poort vordert in het incidenteel hoger beroep dat het hof rechtsoverweging 4.7 van het vonnis van de kantonrechter vernietigt en opnieuw rechtdoende oordeelt dat tussen partijen een eenzijdig wijzigingsbeding is overeengekomen en het vonnis voor het overige bekrachtigt, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incidenteel hoger beroep waaronder het salaris van de advocaat van ROC Friese Poort.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

3.2

[appellante] , geboren [in] 1957, is met ingang van 18 augustus 1997 in dienst getreden bij ROC Friese Poort. De laatste functie die [appellante] vervulde is die van coördinerend docent, met als standplaats [A] / [B] . [A] was daarbij de kantoorlocatie van waaruit zij werkzaam was.

3.3

[appellante] heeft zich [in] 2016 ziek gemeld. Naar aanleiding daarvan en vervolgens is door de bedrijfsarts periodiek gerapporteerd. Zakelijk gezien houdt die rapportage in:

21-06-2016 Klachten kennen geen medische reden maar zijn gevolg van conflict met leidinggevende. Oplossing van de klachten kan slechts bereikt worden door het aanpakken van dat conflict.

02-12-2016 Werknemer is zodanig beperkt dat er geen mogelijkheden voor re-integratie zijn.

23-12-2016 Werknemer kan om medische redenen eigen of aangepaste werkzaamheden tijdelijk niet verrichten. Niet medische redenen belemmeren re-integratie. Advies: open dialoog werkgever - werknemer.

01-02-2017 Eerst moet medisch herstel plaats vinden. Daarna gesprekken met werkgever.

02-03-2017 Start re-integratie nog niet mogelijk. Advies: spreek elkaar aan op re-integratie-inspanningen.

06-04-2017 Werknemer is deels hersteld: werkhervatting 6 uur per week. Zonder druk, zonder piekbelasting en zonder hoge mate van verantwoordelijkheid. Advies: spreek elkaar aan op re-integratie-inspanningen.

29-05-2017 Interventieadvies: mediation inzetten.

23-06-2017 Advies: schakel bemiddelaar in en spreek elkaar aan op re-integratie-inspanningen.

3.3

Eind december 2016 is [appellante] getroffen door een TIA, als gevolg waarvan zij is opgenomen in het ziekenhuis.

3.4

In een brief van 6 juli 2017 aan [appellante] heeft ROC Friese Poort mededeling gedaan van het voornemen de standplaats van [appellante] te wijzigen naar [C] . In een e-mailbericht van 13 juli 2017 maakt [appellante] bezwaar tegen dit voornemen. Zij voert in dat verband onder meer aan dat zij vanwege haar recente ziektegeschiedenis regelmatig en in het bijzonder bij vermoeidheid en stress aanvallen van duizeligheid heeft, die soms minuten en soms veel langer duren. Om die reden is het volgens [appellante] belangrijk dat zij een werkplek heeft die dicht bij haar woning ligt. Bij brief van 19 juli 2017 heeft ROC Friese Poort aan [appellante] meegedeeld dat haar standplaats wordt gewijzigd in [C] .

3.5

De op de periode na die brief betrekking hebbende rapportage van de bedrijfsarts en huisarts vermeldt het volgende:

01-09-2017 Werknemer kan om medische redenen eigen of aangepaste taken niet verrichten. Niet-medische redenen belemmeren re-integratie. Advies: spreek elkaar aan op re-integratie-inspanningen.

28-12-2017 Werknemer is niet aan het werk. Herstel stagneert. Onveranderd arbeidsongeschikt. Acties voor werkgever en werknemer: spreek elkaar aan op re-integratie-inspanningen.

15-01-2018 Huisarts: ernstige draaiduizeligheid. Nu eerst naar neuroloog voor verder onderzoek.

08-02-2018 Werknemer nu niet belastbaar met arbeid. Opstarten 2e spoor niet opportuun. Actie: spreek elkaar aan op re-integratie-inspanningen.

28-03-2018 Opstellen FML nodig. Advies: mediation regelen + arbeidskundig consult.

18-04-2018 Marginale belastbaarheid. Maar: via dialoog moet oplossing worden gevonden.

18-04-2018 FML: beperkingen. Voor vervoer aangewezen op anderen. Kan 10 uur per week werken.

06-06-2018 Werkhervatting behoort nu feitelijk niet tot de mogelijkheden. Vervolgafspraak nodig in verband met opstellen documenten WIA-aanvraag. Advies: spreek elkaar aan op re-integratie-inspanningen.

3.6

[appellante] was aanvankelijk werkzaam in het team van mevrouw [D] . Met haar is een conflict ontstaan over deelname door [appellante] aan het traject Leerkracht. In een poging het conflict op te lossen is een externe coach ingezet, [E] . Dat heeft niet het gewenste resultaat gehad. [appellante] is daarna overgeplaatst naar het team van mevrouw [F] . Adjunct-vestigingsdirecteur in [A] was [G] . Hij is inmiddels elders binnen de organisatie van ROC Friese Poort werkzaam. ROC Friese Poort heeft, voor zover van belang, op de vestiging [A] ingevoerd het project Leerkracht. [H] is de coach van dat project. Het team van mevrouw [F] neemt deel aan dat project onder leiding van [H] . Vestigingsdirecteur in [A] is mevrouw [I] .

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg, kort samengevat, gevorderd een veroordeling van ROC Friese Poort om [appellante] in de gelegenheid te stellen tot werkhervatting op de vestiging van ROC Friese Poort te [A] , daaraan een dwangsom te verbinden en ROC Friese Poort te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten.

4.2.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 20 december 2017 de vorderingen afgewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Aan dat oordeel heeft de kantonrechter ten grondslag gelegd dat niet evident is dat de bodemrechter tot werkhervatting op de locatie [A] van ROC Friese Poort zal besluiten omdat de arbeidsrelatie is verstoord, [appellante] onvoldoende open staat voor mediation of een andere vorm van bemiddeling, de samenwerking met collega's belast is door alles wat [appellante] over haar collega's heeft geschreven en niet gebleken is dat haar medische situatie aan werkhervatting op de locatie [C] van ROC Friese Poort in de weg staat.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

Principaal hoger beroep

Wijziging van eis

5.1

[appellante] heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd in die zin dat zij, naast de al gevorderde werkhervatting in [A] ook vordert een, met een dwangsom te versterken, verbod aan ROC Friese Poort uitvoering te geven aan het plaatsingsbesluit van 19 juli 2017. ROC Friese Poort heeft zich tegen toewijzing verzet.

5.2

Ingevolge artikel 130 lid 1 Rv is een wijziging van eis niet toelaatbaar indien deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Daarvan is geen sprake. Het gewijzigde deel van de eis ziet materieel op dezelfde kwestie als die welke het onderwerp is van de oorspronkelijke eis, te weten het bezwaar van [appellante] tegen werkhervatting in [C] en haar wens tot werkhervatting in [A] te worden toegelaten. ROC Friese Poort wordt door die eiswijziging in haar verdediging dan ook niet bemoeilijkt. De feiten (memorie van antwoord, pleidooi) laten bovendien zien dat ROC Friese Poort haar verweer betrekkelijk eenvoudig mede heeft kunnen richten op het gewijzigde deel van de eis. Recht wordt daarom gedaan op basis van de gewijzigde eis. Het hof tekent daarbij aan dat de eis is gewijzigd in het eerste inhoudelijke processtuk in hoger beroep, zodat de eiswijziging ook niet in strijd is met de twee-conclusieregel.

Spoedeisend belang

5.3

Op 19 juli 2017 heeft ROC Friese Poort de standplaats van [appellante] gewijzigd van [A] in [C] . [appellante] heeft daarop het onderhavige kort geding aanhangig gemaakt. Inzet daarvan was: werkhervatting en wel in [A] . De kantonrechter heeft de vordering tot werkhervatting op 20 december 2017 afgewezen. De eerste vraag die het hof, ook ambtshalve, heeft te beantwoorden is of [appellante] per heden nog spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

5.4

Het laatste bericht van de bedrijfsarts dat in deze procedure is ingebracht is gedateerd 6 juni 2018. Daarin staat vermeld dat werkhervatting "nu feitelijk niet tot de mogelijkheden behoort". [appellante] heeft dit bericht van de bedrijfsarts zelf in het geding gebracht en acht het juist. De vordering van [appellante] komt er dus op neer dat zij het hof verzoekt een bevel te geven aan ROC Friese Poort om haar tot het werk toe te laten (in [A] ) hoewel zij door de bedrijfsarts niet tot werkhervatting in staat wordt geacht en zij zichzelf ook niet arbeidsgeschikt acht. Zolang die situatie van ongeschiktheid tot werkhervatting voortduurt, heeft [appellante] echter geen spoedeisend belang bij haar vordering ROC Friese Poort te bevelen [appellante] tot werkhervatting (in [A] ) toe te laten. Haar grieven zijn alle gericht op de afwijzing van het verzochte bevel haar toe te laten tot werkhervatting in [A] en kunnen dus, gegeven het ontbreken van spoedeisend belang bij die vordering, onbesproken blijven.

Voorziening

5.5

Met die constatering wordt echter geen recht gedaan aan de situatie zoals die ten tijde van de behandeling van dit hoger beroep is. Weliswaar behoort werkhervatting nu kennelijk niet tot de mogelijkheden, maar het al genoemde advies van de bedrijfsarts houdt ook in dat partijen elkaar moeten blijven aanspreken op re-integratie-inspanningen. Dat advies sluit aan bij alle eerdere adviezen van de bedrijfsarts (zie 3.2 en 3.5) waarvan de essentie telkens weer is dat ingezet moet worden op re-integratie van [appellante] en dat partijen elkaar op re-integratie-inspanningen moeten aanspreken.

5.6

In dat licht bezien vat het hof de vordering van [appellante] ook op als een vordering inhoudende een veroordeling van ROC Friese Poort om [appellante] toe te laten tot re-integratie op de vestiging [A] . Tot een dergelijke lezing van de vordering van [appellante] kan worden gekomen omdat die lezing evident besloten ligt in de wél ingestelde vordering en de onderbouwing daarvan. In de appeldagvaarding is immers al uitdrukkelijk vermeld dat het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 19 juli 2017 erin is gelegen dat zij met onmiddellijke ingang gedwongen wordt om "(re-integratie)werkzaamheden" uit te voeren vanuit [C] en dat zij geschaad wordt door iedere dag dat zij "niet in staat is om in [A] (re-integratie)werkzaamheden te verrichten". Het tussen partijen gevoerde debat gaat bovendien, in eerste aanleg zowel als in hoger beroep, in belangrijke mate over de vraag hoe, maar vooral ook waar, aan de re-integratie van [appellante] vorm gegeven moet worden. ROC Friese Poort wordt dan ook in geen enkel (processueel) belang geschaad indien het hof de vordering opvat zoals vermeld en dus de focus richt op de vraag of een voorziening getroffen dient te worden inhoudende dat [appellante] moet worden toegelaten tot re-integratie op de vestiging van ROC Friese Poort in [A] . Beoordeling van die vraag vindt plaats op basis van het gehele procesdossier zoals dat in hoger beroep vorm heeft gekregen.

Re-integratie

5.7

ROC Friese Poort wil [appellante] niet toelaten tot re-integratie in [A] . De redenen daarvoor zijn, grotendeels, dezelfde als die welke ten grondslag lagen aan het besluit tot wijziging van de standplaats van 19 juli 2017. Samengevat komen die redenen erop neer dat sprake is van gebrek aan wederzijds vertrouwen, mede omdat [appellante] weigerde en bleef weigeren mee te werken aan het project Leerkracht.

5.8

Wie het dossier leest en kennis neemt niet slechts van de overstelpende hoeveelheid correspondentie, maar ook van de toonzetting daarvan - in het bijzonder aan de zijde van [appellante] - kan niet anders concluderen dan dat het vertrouwen in elkaar in de beleving van beide partijen ernstig beschadigd is. [appellante] heeft daarbij de pijlen gericht op diverse functionarissen/leidinggevenden van ROC Friese Poort dan wel door ROC Friese Poort ingeschakelde derden, in het bijzonder:

- [H] , coach van het project Leerkracht

- [D] , opleidingsmanager

- [E] , coach

- [G] , adjunct-vestigingsdirecteur [A]

- [I] , vestigingsdirecteur [A] .

5.9

De belemmering om met deze betrokkenen samen te werken is echter, feitelijk bezien, deels verdwenen. [D] is geen opleidingsmanager meer van [appellante] , [E] treedt niet meer op als (externe) coach en [G] is niet meer werkzaam in [A] . Met deze drie personen heeft [appellante] inmiddels dus geen functionele relatie meer. Het tussen hen bestaande (eventuele - partijen beleven dat aspect ieder op eigen wijze) bestaande gebrek aan vertrouwen speelt derhalve feitelijk geen rol meer.

5.10

Dat is wel het geval met [H] , coach van het project Leerkracht. Bij re-integratie in [A] zal [appellante] dus weer te maken krijgen met haar. De kritiek van [appellante] op de positie van [H] was een functionele: het gevaar bestond dat [H] in het kader van haar taak als coach van het project Leerkracht verkregen vertrouwelijke informatie zou gebruiken in haar functie van lid van het Sociaal Medisch Team (SMT). Inmiddels is [H] geen lid meer van het SMT. De door [appellante] genoemde belemmering voor deelname door haar aan het project Leerkracht is dus vervallen. Van haar mag daarom verwacht worden dat zij, indien en zodra de re-integratie het stadium bereikt van deelname aan het project Leerkracht, daaraan loyaal deelneemt. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellante] zelf heeft verklaard dat zij het project Leerkracht altijd heeft toegejuicht. Het lijkt nuttig en mogelijk om die deelname vooraf te doen gaan door een gesprek tussen haar en [H] om de basis te leggen voor een werkbare toekomstige verhouding. Zo'n gesprek zal een gesprek moeten zijn zonder geluidsopname en zonder deelname van de levenspartner van [appellante] , maar onder leiding van een derde die oog heeft voor de actuele kwetsbaarheid van [appellante] (waarover hierna meer).

5.11

Vestigingsdirecteur [I] heeft het nodige moeten incasseren van [appellante] . Zij is daardoor, zo bleek ter zitting van 3 juli 2018, ook wel aangeslagen omdat ze niet slechts de geuite kritiek maar ook de felle bewoordingen waarin die verpakt was als zeer grievend heeft ervaren. Dit gevoelen is begrijpelijk. Daarbij past echter de kanttekening dat bedoelde bewoordingen meestal niet van [appellante] zelf afkomstig waren, maar van haar levenspartner en van haar (toenmalige) advocaat. De tweede kanttekening is dat [I] , als vestigingsdirecteur, feitelijk slechts in beperkte mate betrokken is bij de werkzaamheden van [appellante] als coördinerend docent en pas is aangetreden als vestigingsdirecteur toen het conflict met [appellante] al geruime tijd speelde. De derde kanttekening is dat de functie van [I] nu eenmaal meebrengt dat zij ook te maken heeft of kan hebben met spanningsvolle situaties rondom medewerkers van ROC Friese Poort en haar professionele vaardigheden mede daarop zouden moeten zijn toegesneden. Van [I] mag daarom verwacht worden dat zij bij re-integratie van [appellante] in [A] , zonder het verleden te ontkennen, niettemin enige afstand tot dat verleden neemt en zich toekomstgericht opstelt. Ook hier geldt dat het nuttig lijkt eerst een gesprek te doen plaats vinden tussen [I] en [appellante] , onder leiding van een derde, zoals hiervoor al nader omschreven met betrekking tot [H] .

5.12

Het welslagen van een poging tot re-integratie in [A] zal in belangrijke mate mede afhankelijk zijn van de houding die [appellante] daarbij aanneemt. Tot en met de zitting van 3 juli 2018 heeft zij de nadruk gelegd op alle, in haar ogen bestaande, feilen aan de zijde van ROC Friese Poort. Het dossier laat echter zien dat [appellante] wel erg overtuigd is van haar eigen gelijk en erg lastig te bewegen is tot inschikkelijkheid. Zij zal dus een omslag moeten maken en zich, zonder het verleden te ontkennen, net zoals dat hiervoor van [I] werd verlangd, toekomstgericht moeten opstellen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat [appellante] niet een serieuze poging zal willen ondernemen ook haar eigen houding aan te passen ten behoeve van een geslaagde re-integratie. Integendeel, als er iets is wat [appellante] op 3 juli 2018 positief en gepassioneerd heeft weten over te brengen is het dat zij nog steeds dolgraag als docent aan de slag gaat. Dat kan kritische reflectie op eigen optreden stimuleren.

Medische beperkingen en het besluit tot wijziging van standplaats

5.13

Uit de berichten van de bedrijfsarts in de periode van 21 juni 2016 tot en met 6 juni 2018 blijkt dat de klachten van [appellante] aanvankelijk geen medische redenen kenden maar hun oorzaak vonden in het arbeidsconflict met ROC Friese Poort. Vanaf december 2016 verandert dat. [appellante] heeft toen een TIA gehad en dat heeft geleid tot medische beperkingen, terwijl het arbeidsconflict onverminderd bleef bestaan. Uit de berichten van april/mei 2018 van de bedrijfsarts, gecombineerd met de toen opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) blijkt dat [appellante] wel tot het verrichten van een beperkt aantal uren arbeid in staat werd geacht, maar dat haar concentratiemogelijkheden en spanningsboog beperkt zijn (waarmee het hof de in die FML genoemde "specifieke voorwaarden" samenvat). Voor haar vervoer is [appellante] , aldus de FML, aangewezen op hulp van anderen. Op 6 juni 2018 laat de bedrijfsarts weten dat de gesprekken met de werkgever in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter [appellante] veel stress opleveren. De huisarts rapporteert begin 2018 bovendien al dat [appellante] last heeft van ernstige draaiduizeligheid. Al met al is [appellante] op dit moment aan te merken als een kwetsbaar persoon op wier welbevinden het arbeidsconflict, in combinatie met de medische beperkingen, ernstig drukt. Onbetwist woont [appellante] in [A] zo dicht bij haar werk dat zij dat gemakkelijk te voet en per fiets kan bereiken. Daardoor kan zij wanneer haar medische situatie dat nodig maakt gemakkelijk van school naar huis gaan, bijvoorbeeld om wat te rusten. Onbetwist is ook dat juist het besluit [C] te maken tot de standplaats van [appellante] op haar grote druk legt. Daar komt bij dat, ook wanneer ROC Friese Poort zorgt voor vervoer van en naar [C] , [appellante] wanneer zij re-integreert in [C] niet snel en gemakkelijk thuis kan komen indien dat vanwege haar medische situatie noodzakelijk zou zijn.

5.14

Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is gebleken dat ROC Friese Poort bij het besluit tot wijziging van de standplaats geen rekening heeft gehouden met de medische beperkingen die [appellante] als gevolg van de TIA heeft. Door ROC Friese Poort is in dat verband weliswaar aangevoerd dat zij niet bekend was met die beperkingen, maar ROC Friese Poort miskent daarmee dat [appellante] in haar reactie op het voorgenomen besluit melding heeft gemaakt van haar medische beperkingen. ROC Friese Poort had, naar voorlopig oordeel van het hof, als goed werkgever onderzoek moeten doen naar de ernst van deze beperkingen en naar de vraag in hoeverre een wijziging van de standplaats gelet op die beperkingen vanuit medisch oogpunt onwenselijk was en in de weg stond aan re-integratie van [appellante] alvorens tot de standplaatswijziging te besluiten.

De voorziening

5.15

Vanuit de invalshoek van de beperkingen van [appellante] bezien is re-integratie in [A] het meest wenselijk: dat werkt stress verminderend bij haar, voorkomt vervoerproblemen, biedt haar mede daardoor het voor herstel noodzakelijke 'comfort' en is daarom kansrijker te oordelen dan re-integratie in [C] . Vanuit samenwerkingsoogpunt bezien zijn risico's verbonden aan re-integratie in [A] , maar die risico's zijn beperkt omdat [appellante] daar nog slechts met een deel van haar conflictpartners heeft te maken en een toekomstgerichte houding van alle (resterende) betrokkenen mag en kan worden verwacht. Om deze reden zal een voorziening worden getroffen die inhoudt dat [appellante] in [A] tot re-integratie moet worden toegelaten. In verband met de voor het onderwijs geldende vakantieperiode zal een enigszins ruime termijn worden gesteld.

5.16

In afwachting van de resultaten van die re-integratie zal het besluit van 19 juli 2017 (aanwijzing [C] als standplaats van [appellante] ) worden geschorst. Bij schorsingsbesluiten in kort geding wordt regelmatig aan de meest gerede partij de verplichting opgelegd binnen een korte periode na die beslissing het oordeel van de bodemrechter in te roepen over het geschorste besluit. Dat wordt nu niet gedaan om te voorkomen dat partijen, ongewild, in procedures blijven hangen. Indien een van partijen (niettemin) een bodemprocedure aanhangig wil maken staat haar dat overigens vrij. Indien de re-integratie daartoe aanleiding geeft kan de meest gerede partij zich bovendien altijd opnieuw tot de rechter in kort geding wenden om een, op de actuele situatie, toegesneden beslissing te geven over de al dan niet bestaande noodzaak van het voortduren van de schorsing van het besluit van 19 juli 2017. Voor het opleggen van dwangsommen bestaat onvoldoende aanleiding omdat ervan wordt uitgegaan dat ROC Friese Poort de thans te geven voorziening, die uitvoerbaar bij voorraad is, zal respecteren.

Incidenteel hoger beroep

5.17

Het incidenteel hoger beroep was nodeloos omdat het niet gericht was tegen een door de eerste rechter gegeven beslissing (maar slechts tegen een overweging in het vonnis) en de in dat hoger beroep aangesneden kwestie van het eenzijdige wijzigingsbeding door ROC Friese Poort in eerste aanleg reeds als verweer was gevoerd. Naar vaste jurisprudentie kan de omstandigheid dat de in eerste aanleg gevoerde verweren in de vorm van een incidenteel hoger beroep onder de aandacht van het hof worden gebracht niet ertoe leiden dat verwerping van die verweren - en dientengevolge de verwerping van het incidenteel hoger beroep - de incidenteel appellant op een kostenveroordeling komt te staan (HR 3 oktober 2008, NJ 2008, 530, LJN: BD7478). Geen der partijen zal derhalve in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.

6 De slotsom

6.1.

Nu een voorziening noodzakelijk wordt geoordeeld zal het bestreden vonnis worden vernietigd.

6.2.

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof ROC Friesland in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 127,26

- griffierecht € 110,-

Subtotaal verschotten € 237,26

- salaris advocaat € 600,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 103,81

- griffierecht € 318,-

subtotaal verschotten € 421,81

- salaris advocaat € 3.222,- (3 punten x tarief II)

6.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 20 december 2017 en doet opnieuw recht;

beveelt ROC Friese Poort [appellante] uiterlijk per 1 september 2018 of, als deze na die datum plaats vindt, onmiddellijk na betekening van dit arrest in de gelegenheid te stellen haar re-integratie als coördinerend docent te hervatten op de vestiging [A] van ROC Friese Poort;

schorst de (verdere) tenuitvoerlegging van het besluit van 19 juli 2017, waarbij de standplaats van [appellante] is gewijzigd van [A] in [C] ;

veroordeelt ROC Friese Poort in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 237,26 voor verschotten en op € 600,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 421,81 voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt ROC Friese Poort in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval ROC Friese Poort niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. H. de Hek en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018.