Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6765

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
200.218.053/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opheffing beslag; ondeugdelijkheid gepretendeerde vordering; belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.218.053/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/436850 / KL ZA 17-145)

arrest van 24 juli 2018

in de zaak van

Backrub Holding B.V.,

gevestigd te Eemnes,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Backrub,

advocaat: mr. M. Straus, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

1 Cart B.V.,

gevestigd te Naarden,

hierna: Cart,

2. Omniaretail B.V.,

gevestigd te Naarden,

hierna: Omniaretail,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: Cart c.s.,

advocaat: mr. M.J. Elkhuizen, kantoorhoudend te Amsterdam.

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 16 januari 2018.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 januari 2018 hier over. De in dat arrest bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018. Een afschrift van het proces-verbaal van die comparitie bevindt zich bij de stukken. Partijen hebben, na een periode van beraad over een minnelijke regeling, op de rol van 19 juni 2018 weer arrest gevraagd. Arrest is daarna bepaald op de met het proces-verbaal aangevulde stukken.

1.2

Namens Backrub heeft mr. Straus bij brief van 21 juni 2018 opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal van de comparitie van partijen. Het hof overweegt dat de door mr. Straus genoemde punten voor de beslissing niet relevant zijn geweest, zodat Backrub geen belang heeft bij de bespreking daarvan.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.14 van het bestreden vonnis van 26 april 2017, zoals dat op 11 mei 2017 schriftelijk is uitgewerkt. Het hof zal rekening houden met de door Backrub in de toelichting op grief 1 verwoorde bezwaren, voor zover die zijn gericht tegen die vaststelling van feiten in de rechtsoverwegingen 2.1, 2.3 en 2.4 van dit vonnis. In zoverre heeft Backrub bij deze grief verder geen belang, nu deze enkel wat betreft de feitenvaststelling niet kan leiden tot een andere beslissing. Voor zover de eerste grief zich richt tegen inhoudelijke overwegingen en oordelen van de voorzieningenrechter, zal het hof daarop, voor zover van belang, acht slaan bij de inhoudelijke beoordeling. Aangevuld met een enkel feit dat in hoger beroep is komen vast te staan, gaat het aldus om het volgende.

3.2.

[A] Holding B.V. is bestuurder van Cart. Laatstgenoemde

vennootschap is bestuurder en enig aandeelhouder van onder meer Omniaretail, Connective Power B.V. en ADPS B.V.

[A] Holding B.V., Connective Power B.V. en ADPS B.V. zullen hierna gezamenlijk Connective Power c.s. worden genoemd.

3.3

Backrub verricht salesactiviteiten voor derden.

3.4

ADPS is een digitaal product waarmee een winkelier of een winkelketen inzicht

kan krijgen in prijzen van concurrenten en daardoor de prijzen aan kan passen.

3.5

Op 28 oktober 2011 hebben Connective Power B.V. en [A] Holding

B.V. een overeenkomst betreffende de outsourcing van salesactiviteiten van ADPS met

Backrub gesloten tegen een vergoeding van 20% van de met dit product gegenereerde omzet (de Overeenkomst).

3.6

In artikel 2.2 van de Overeenkomst is bepaald dat Connective Power B.V. de overeenkomst slechts conform het bepaalde in de overeenkomst mag opzeggen indien het ‘Escalatieprotocol bij ontevredenheid CP over de Outsourcing’ volledig is gevolgd. Daarnaast voorziet artikel 2.6 Overeenkomst in een mogelijkheid tot opzegging door Connective Power B.V., onder meer indien “b. De Medewerker zich schuldig heeft

gemaakt aan een ernstige omissie of ernstige misdraging in samenhang met of betreffende

de onderneming van CP, of niet handelt in overeenstemming met een wezenlijke verplichting

als bedoeld in deze Overeenkomst.

3.7

In de artikelen 3.5 en 3.6 van de Overeenkomst is bepaald dat bij een “Exit” ter zake van ADPS, waaronder wordt verstaan een gehele of gedeeltelijke overdracht van activa (en eventueel ook passiva) betrekking hebbende op ADPS dan wel een gehele of gedeeltelijke verkoop van aandelen die gerechtigd zijn tot de met ADPS te genereren inkomsten, Backrub recht heeft op een “Exit-vergoeding” ter grootte van 20% “van alle cash opbrengsten (de ‘Exit opbrengst ) die daarop betrekking hebben."

3.8

In artikel 3.7, aanhef en onder ii) en iii) is bepaald dat Connective Power B.V. en [A] Holding B.V. alle huidige en toekomstige activiteiten betreffende ADPS (blijven) inbrengen in ADPS B.V. en geen activiteiten zullen opzetten die in redelijkheid thuishoren bij (de omschrijving van) ADPS en onder (iv) en (v) dat Connective Power B.V. en [A] Holding B.V. ervoor zorg zullen dragen dat ADPS B.V. naast hen schriftelijk en onvoorwaardelijk toetreedt tot de Overeenkomst en alle daarin genoemde rechten en verplichtingen accepteert als ware zij daarbij vanaf de aanvang partij en dat zij naast ADPS B.V. hoofdelijk zullen (blijven) instaan voor de verplichting tot betaling van de Exit-vergoeding.

3.9

In juli 2013 is een aanvulling op deze overeenkomst gesloten (hierna:

“Addendum”) waarin wordt geconstateerd dat ADPS B.V. is opgericht en “zodoende

de Overeenkomst nu volledig betrekking heeft op ADPS B.V. i.p.v. Connective Power.”

Voorts zijn in het addendum bepalingen opgenomen waaruit volgt dat de vergoeding die

Backrub voor haar werkzaamheden ontvangt alsmede de Exit-vergoeding wordt bijgesteld

naar 18% van de met de ADPS-software gegenereerde omzet.

3.10

Na enige correspondentie over het functioneren van Backrub heeft [A] namens ADPS B.V. bij brief van 20 augustus 2013 aan Backrub geschreven:

“ Helaas moet ik uit jouw reactie constateren dat je de deur volledig dicht gooit voor verdere samenwerking. (...) Omdat jij tot op heden geen enkel signaal heb gegeven aan deze punten te willen werken en in je brief ook duidelijk aangeeft dat je mijn punten niet onderkent (…) kan ik niet anders dan tot de conclusie komen dat je in ernstige mate niet voldoet aan jouw verplichtingen uit hoofde van de outsourcing overeenkomst tussen ADPS BV en Backrub BV en een verdere samenwerking met jou het voortbestaan van ADPS BV in gevaar brengt. Door jouw ernstige tekortkomingen en opstelling in deze ben ik genoodzaakt om onze samenwerking onmiddellijk te beëindigen op grond van artikel 2.6 sub b van onze outsourcing overeenkomst.

Uit hoofde van voornoemd artikel zeg ik hierbij namens Connective Power BV per direct onze outsourcing overeenkomst op.”

3.11

Op 12 november 2013 heeft [A] namens ADPS B.V. een brief aan

Backrub gestuurd met daarin onder meer het volgende.

“Voor zover nog vereist en volledigheidshalve, zegt ADPS B.V. de Overeenkomst per direct op, louter voor het gevat in rechte komt vast te staan dat deze thans nog zou bestaan.”

Aan deze brief is een door [A] namens [A] Holding B.V. getekend document gehecht met onder meer de volgende inhoud.
“Bekrachtiging Addendum

Voor zover nog nodig en volledigheidshalve bekrachtigt (..) ADPS B.V. de in het Addendum (..) van 5 juli 2013 genoemde punten. ADPS B.V. heeft daarmee aanvaard dat zij alle rechten en plichten uit de Overeenkomst van Connective Power B.V. heeft overgenomen”.

3.12

Bij vonnis van 27 augustus 2014 heeft de rechtbank Amsterdam in conventie op vordering van Backrub onder andere voor recht verklaard dat de Overeenkomst niet door opzegging door Connective Power B.V. noch door opzegging door ADPS B.V. is geëindigd en heeft zij de Overeenkomst voor zover betreffend de artikelen 1, 3.1 tot en met 3.4, en 4 ontbonden. Voorts zijn Connective Power B.V. en ADPS B.V. bij dat vonnis hoofdelijk veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, om aan Backrub een schadevergoeding van
€ 37.730,- te betalen ter zake van hetgeen zij conform de Overeenkomst vanaf augustus 2013 tot aan het moment van ontbinding zijn verschuldigd wegens gederfde inkomsten over 12 ¼ maanden. De door Backrub voor het overige gevorderde schadevergoeding is afgewezen omdat van opzegging geen sprake is en geen ontbinding is gevorderd van de bepalingen van de Overeenkomst die tot een dergelijke schade zou kunnen leiden. De reconventionele vorderingen van Connective Power B.V c.s. tot onder meer ontbinding van de Overeenkomst voor de artikelen 1, 3 en 4, tegen een vergoeding ten laste van ADPS B.V., althans voor de artikelen 1, 3.1 tot en met 3.4 en 4 per de eerst mogelijke datum en voor de artikelen 3.5 tot en met 3.12 per 1 juli 2017, waarbij het exit-percentage in die artikelen jaarlijks met 6% afneemt, alsmede tot betaling van een schadevergoeding van € 875.000,- zijn afgewezen.

3.13

Op 6 april 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-

Nederland, locatie Lelystad, aan Backrub toestemming verleend om ten laste van Cart B.V.

beslag te leggen op de door haar gehouden aandelen in Omniaretail B.V. Daarnaast is aan

Backrub toestemming verleend om ten laste van Omniaretail B.V. beslag te leggen onder

ING Bank B.V. en op de roerende zaken die zich bevinden in of rond het kantooradres van

Omniaretail B.V. De vordering is daarbij begroot op € 2.564.000,-.

3.14

Backrub heeft op 7 april 2017 conform de verleende toestemming conservatoire

beslagen gelegd. De dagvaarding in de hoofdzaak is uitgebracht op 21 april 2017.

3.15

Bij brief van 12 april 2017 heeft Connected Capital & Partners het volgende aan

Cart B.V. geschreven:

“Wij vinden het zeer vervelend dat de procedure met Backrub Holding B.V. verder is geëscaleerd. En stellen het op prijs dat jullie de nieuwe omstandigheden afgelopen

maandag direct zijn komen toelichten. We hebben de situatie intern besproken en willen jullie middels deze brief laten weten hoe wij hier mee zullen omgaan. Wij durven het risico te nemen het due diligence proces de komende 2 weken onverminderd door te zetten om te zorgen dat wij zonder tijdsverlies en met de hulp van onze externe adviseurs het proces voor groeifinanciering binnen de afgesproken termijn kunnen afronden. Indien er echter in de loop van de komende twee weken geen duidelijkheid is omtrent de gelegde beslagen, zullen we aan het eind van die periode, per 28 april 2017 onze due diligence activiteiten moeten opschorten om niet onnodig extra kosten te maken. Na ruggenspraak met onze andere partners, moeten wij jullie helaas berichten dat, indien de desbetreffende beslagen niet worden opgeheven, wij genoodzaakt zullen zijn onze huidige gesprekken niet betrekking tot de beoogde kapitaalinjectie te beëindigen. Dit is een belangrijke investering voor ons fonds en wij willen onze stakeholders niet opzadelen met een investering in een bedrijf dat te maken heeft niet vergaande beslaglegging op haar banktegoeden en andere eigendommen zoals aandelen in een werkmaatschappij. Wij stellen oor om over 2 weken, op 28 april

2017, opnieuw hierover met elkaar om tafel te zitten teneinde te bespreken waar jullie dan staan en hoe verder.”

3.16

In hoger beroep tegen het in 3.12 genoemde vonnis van de rechtbank Amsterdam heeft het Gerechtshof Amsterdam bij tussenarrest van 13 maart 2018 onder meer geoordeeld dat de verplichtingen uit de Overeenkomst niet langer op Connective Power B.V. maar slechts op ADPS B.V. rusten. Het hof heeft verder geoordeeld dat Connective Power c.s. niet bevoegd waren de overeenkomst op te zeggen, dat sprake is van een tekortkoming die Backrub het recht gaf de overeenkomst partieel te ontbinden en dat op grond van artikel 6:277 BW de schade van Backrub die een gevolg is van deze ontbinding vergoed dient te worden. Het hof heeft beslist dat het volgen van het volledige escalatieprotocol naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat partijen direct mogen overgaan tot het benoemen van een bindend adviseur.

3.17

Connective Power c.s. hebben Backrub bij dagvaarding van 26 maart 2018 gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam met vorderingen die er toe strekken dat Backrub na

27 augustus 2014 geen recht heeft op een exit-vergoeding op grond van de Overeenkomst, althans dat deze hooguit € 12.177,- dan wel € 29.700,- bedraagt.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

Cart c.s. hebben in eerste aanleg kort gezegd gevorderd opheffing van de door Backrub ten laste van Cart c.s. op 7 april 2017 gelegde conservatoire derdenbeslagen, althans de vordering tot zekerheid waarvan die beslagen zijn gelegd opnieuw te begroten en Backrub te veroordelen de beslagen op te heffen tegen zekerheidsstelling door Cart c.s. door middel van een bankgarantie, met veroordeling van Backrub c.s. in de proceskosten.

4.2.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 26 april 2017 die vorderingen toegewezen, aldus dat alle door Backrub gelegde beslagen door de voorzieningenrechter zijn opgeheven, met veroordeling van Backrub in de proceskosten van Cart c.s.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Backrub heeft tegen het vonnis van 26 april 2017 zes grieven gericht, waarmee het geschil in volle omvang aan het hof wordt voorgelegd. Het hof zal daarom de grieven gezamenlijk beoordelen. Die strekken tot vernietiging van het bestreden vonnis en derhalve tot herleving van de opgeheven beslagen.

5.2

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat ingevolge artikel 705 lid 2 Rv een beslag wordt opgeheven indien sprake is van een van de in dat artikel genoemde opheffingsgronden, zijnde verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag en, in het geval van beslag voor een geldvordering, indien daarvoor voldoende zekerheid wordt gesteld. Ook indien zich een van deze opheffingsgronden voordoet, zal een belangenafweging moeten worden gemaakt, waarbij het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag moet worden afgewogen tegen het belang van de beslaglegger bij handhaving daarvan (vgl. HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR 1996:ZC1205; HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:AT9060). Degene die opheffing vordert van een ten laste van hem gelegd beslag zal aannemelijk moeten maken dat het vorderingsrecht van de beslaglegger ondeugdelijk is, met in achtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure. De kortgedingrechter zal hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd, welke beoordeling niet los kan geschieden van de in een zodanig geval vereiste afweging van wederzijdse belangen (zie laatstgenoemd arrest van de Hoge Raad). Het spoedeisend belang bij een op artikel 705 Rv gebaseerde vordering tot opheffing van een conservatoir beslag vloeit voor uit de aard ervan.

5.3

Backrub heeft aan haar verzoek tot beslaglegging ten grondslag gelegd dat zij recht heeft op een “exit-vergoeding “ op grond van artikel 3.5 en 3.6 van de met Connective Power c.s. gesloten overeenkomst. Het verzoek strekt gezien de stellingen van Backrub niet tot beslaglegging in verband met haar vorderingen tot schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW wegens de opzegging van de overeenkomst waarover door het hof Amsterdam in het arrest van 13 maart 2018 (zie hiervoor in 3.16) is geoordeeld.

Het in de toelichting op grief 2 gedane beroep op de zogenoemde afstemmingregel - wat daar verder ook van zij – gaat niet op, omdat de bodemrechter niet heeft geoordeeld dat Backrub een exit-vergoeding toekomt. Het oordeel in deze procedure kan daar dus niet op worden afgestemd. Over de grondslag en de omvang van de die exit-vergoeding is tot dusver immers in de procedures tussen Backrub en Connective Power c.s. geen beslissing gegeven. Het feit dat het Hof Amsterdam in zijn arrest partijen in overweging heeft gegeven onder meer de afwikkeling van “resterende verplichtingen uit hoofde van de exit-vergoeding” onderwerp te maken van bindend advies, kan niet als een dergelijk oordeel worden aangemerkt.

5.4

De vordering waarvoor beslag is gelegd, is gebaseerd op het leerstuk van de onrechtmatige daad. Volgens Backrub hebben Connective Power c.s. in verband met haar recht op een de exit-vergoeding in strijd met de overeenkomst (artikel 3.7) gehandeld doordat zij de ADPS-tool – waaronder volgens Backrub ook begrepen moet worden de zogenaamde Pricewatch-tool – hebben ingebracht in Omniaretail. Daarmee is de bron van inkomsten aan ADPS B.V., en daarmee aan verhaal van Backrub onttrokken. Van deze tekortkoming van Connective Power c.s. hebben Cart c.s. geprofiteerd, en dat profiteren dient als een onrechtmatige daad van Cart c.s. te worden gekwalificeerd, mede gelet op de omstandigheid dat de bestuurders van Cart c.s. actief aan de vermogensverschuiving hebben meegewerkt, aldus Backrub.

5.5

Cart c.s. hebben deze vorderingen betwist: volgens hen is geen sprake van een tekortkoming van Connective Power c.s., noch van daarmee verband houdend onrechtmatig handelen van Cart c.s. Volgens Cart c.s. heeft Backrub geen recht op een exit-vergoeding, omdat de Overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd en uiteindelijk ook artikel 3.5 en volgende van de Overeenkomst ontbonden zullen worden op daartoe strekkende vorderingen van Connective Power c.s. in de onder 3.17 genoemde procedure. Nu al in januari 2015 met de aandelenoverdracht een exit heeft plaatsgevonden, heeft Backrub hooguit recht heeft op een vergoeding van 18% van € 165.000,-, zijnde de koopprijs voor de aandelen, aldus Cart c.s. in haar meer subsidiaire standpunt. Een vergoeding van deze omvang rechtvaardigt geen beslag, nu Backrub ook niet aan Connective Power c.s. - haar contractspartijen - heeft gevraagd deze vordering te voldoen en die partijen met de nakoming daarvan niet in gebreke blijven.

Cart c.s. hebben niet onrechtmatig gehandeld, omdat de inkomsten van de ADPS-tool steeds in ADPS B.V. zijn gebleven, ook na de aandelenoverdracht. Daarnaast betwist Cart c.s. dat Backrub schade heeft geleden en stelt zij dat haar belangen door de beslaglegging worden geschaad.

5.6

Kern van het geschil betreft de vraag of Backrub recht heeft op een exit-vergoeding als bedoeld in artikel 3.5 en 3.6 van de overeenkomst. Artikel 3.6 luidt als volgt:.

3.6

Een Exit zal geacht worden plaats te vinden/hebben gevonden in geval van:

i) gehele of gedeeltelijke overdracht van activa ( en eventueel ook passiva) betrekking hebbende op ADPS;

ii) gehele of gedeeltelijke verkoop van aandelen die gerechtigd zijn tot de met ADPS te genereren inkomsten;

5.7

Geconfronteerd met het verweer van Cart c.s. heeft Backrub op de comparitie bij het hof gesteld - en op een vraag van het hof bevestigd - dat de tot vergoeding aanleiding gevende exit heeft plaatsgevonden in 2017, doordat in dat jaar een kapitaalinjectie van Connected Capital & Partners heeft plaatsgevonden. Zij baseert haar vordering in het kader van haar verzoek tot beslaglegging daarmee klaarblijkelijk niet langer op de aandelenoverdracht van januari 2015.

Uit het feit dat een kapitaalinjectie is gegeven door Connected Capital & Partners volgt echter niet zonder meer dat sprake is van een exit zoals die in artikel 3.6 van de overeenkomst is gedefinieerd. Dat met die injectie activa met betrekking tot de tool ADPS geheel of gedeeltelijk zijn overgedragen of dat sprake is geweest van een aandelentransactie als bedoeld in ii) van dat artikel met betrekking tot de aandelen in ADPS, heeft Backrub niet gesteld. Een dergelijke transactie verdraagt zich overigens ook niet met de aandelentransactie die in 2015, naar Cart c.s. onbetwist heeft gesteld, heeft plaatsgevonden. In de gestelde kapitaalsinjectie kan Backrub naar het voorlopig oordeel van het hof dan ook geen grond vinden voor een exit-vergoeding; een nadere onderbouwing is van de zijde van Backrub achterwege gebleven. Op deze feitelijke grondslag kan Backrub naar het voorlopig oordeel van het hof jegens haar contractpartijen Connective Power c.s. dan ook geen rechten aan artikel 3.5 van de overeenkomst ontlenen. Anders dan door Backrub is gesteld, schieten die partijen om die reden in zoverre niet tekort in de nakoming van de overeenkomst. Gelet daarop valt niet in te zien dat Connective Power c.s. met de kapitaalsinjectie in strijd hebben gehandeld met artikel 3.7 van de overeenkomst en dat Backrub aan schending van die bepaling een vorderingsrecht kan ontlenen.

Het hof tekent aan dat zij gemakshalve de contractspartijen van Backrub heeft aangeduid met Connective Power c.s.. Gezien het arrest van 13 maart 2018 van het hof Amsterdam zijn daarmee enkel nog bedoeld bedoelde ADPS B.V. en [A] Holding B.V., omdat Connective Power B.V. geen rechten en verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst meer heeft (zie rechtsoverweging 3.7 van dat arrest).

5.8

Met het voorgaande ontvalt de door Backrub gestelde grondslag aan haar vorderingen op Cart c.s.: omdat voorshands onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van tekortschieten van Connective Power c.s., geldt dat ook voor de stelling dat Cart c.s. profiteren van die tekortkoming dan wel dat zij meewerken aan frustreren van het verhaal van die exit-vergoeding. Naar het oordeel van het hof is daarmee summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door Backrub ingeroepen recht gebleken. Daarmee is in beginsel een grond voor opheffing van het beslag gegeven.

5.9

Gelet op het voorgaande, en gezien de navolgende feiten en omstandigheden, wegen de belangen van Cart c.s. bij opheffing van het beslag zwaarder dan het belang van Backrub bij handhaving of herleving daarvan.

In hoger beroep is onbetwist door Cart c.s. gesteld dat er gezien de financiële toestand van de ondernemingen (’rode cijfers”) op korte termijn behoefte bestaat aan een nieuwe financiering (door Connected Capital & Partners), welke aanvullende financiering in gevaar komt indien het beslag herleeft, ook als het gaat om het beslag op de aandelen van Cart c.s. en de roerende zaken van Omniaretail. Bovendien is onbetwist door Cart c.s. gesteld dat een herleving van het beslag tot gevolg heeft dat de salarissen van het personeel van Cart c.s. niet betaald kunnen worden. Backrub heeft van haar kant, naast het verhaalsaspect, geen specifieke onderbouwing aan haar belang gegeven. Bovendien heeft te gelden dat eventuele schade die mogelijk door Cart c.s. als gevolg van beslaglegging wordt geleden niet door Backrub c.s. vergoed kan worden, gezien haar vermogenspositie. Tegen rechtsoverweging 4.5.4, waarin de voorzieningenrechter dit aspect in de belangenafweging heeft betrokken, heeft Backrub niet gegriefd, zodat het ervoor gehouden moet worden dat die overweging juist is.
6. De slotsom

6.1

De grieven stuiten op het voorgaande af en falen om die reden. Het hof zal daarom het vonnis waarvan beroep bekrachtigen. Een afzonderlijke beoordeling van de grieven kan achterwege worden gelaten.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Backrub in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Cart c.s. zullen worden vastgesteld op € 716,- voor verschotten (griffierecht) en op € 2.148,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief II).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van voorzieningenrechter van 26 april 2017;

veroordeelt Backrub in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Cart c.s. vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt Backrub in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval Backrub niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. J. Smit en mr. H.M. Fahner en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

24 juli 2018.