Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6717

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
200.189.974/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Prijsafspraken. Haviltex. Eigendomsvoorbehoud. Onrechtmatig beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.189.974/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/141530 / HA ZA 13-515)

arrest van 17 juli 2018

in de zaak van

Varkenshandel Dijk B.V.,

gevestigd te Brucht,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: Dijk,

advocaat: mr. B. Nijman, kantoorhoudend te Wageningen,

tegen

1 Vennootschap onder firma [geïntimeerde1] ,

gevestigd te [A] ,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [A] ,

4. [geïntimeerde4] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. J. Bisschop, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 25 juli 2017 hier over.

1.2

In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie is op 14 december 2017 gehouden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de processtukken. Ter zitting is van de zijde van Dijk nog een akte houdende uitlating producties genomen waarbij twee producties zijn overlegd.

1.3

Aan het slot van de comparitie is de zaak naar de rol van 16 januari 2018 verwezen voor uitlating partijen. Ter rolle van 16 januari 2018 hebben partijen arrest gevraagd. Arrest is vervolgens bepaald op het overgelegde procesdossier, de genoemde akte en het

proces-verbaal van de comparitie.

1.4

De vordering van Dijk in hoger beroep strekt ertoe dat de door de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, in eerste aanleg gewezen vonnissen van 8 april 2015 en

2 december 2015 wat betreft de in de reconventie gegeven beslissingen worden vernietigd, met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

2 De vaststaande feiten

2.1

Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.11) van het tussenvonnis van 8 april 2015 zijn geen grieven gericht en ook verder is niet gebleken van bezwaren tegen deze vaststelling. Het hof zal dan ook uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde feiten, die met nog andere vaststaande feiten op het volgende neerkomen.

2.2

Geïntimeerden 2 tot en met 4 waren vennoten van de vennootschap onder firma [geïntimeerde1] (geïntimeerde 1, hierna: [geïntimeerde1] vof). [geïntimeerde1] vof oefende een zeugfokbedrijf en varkenshouderij uit. Er werden op twee locaties zeugen gehouden, [A] en [B] .

2.3

Dijk handelt in varkens en vervoert varkens, zowel in Nederland als daarbuiten.

2.4

Dijk en [geïntimeerden] c.s. hebben langere tijd zaken met elkaar gedaan.

2.5

Select Porc is een zustervennootschap van Dijk. De heer [C] (hierna: [C] ) is werkzaam bij Select Porc.

2.6

Begin 2012 waren [geïntimeerden] c.s. op zoek naar een nieuwe zeugenstapel. De vennootschap onder firma [F] van As (hierna: [F] vof) had in verband met de sluiting van dat bedrijf een zeugenstapel te koop.

2.7

[geïntimeerden] c.s. hebben de zeugenstapel van [F] vof gekocht onder de voorwaarden en bepalingen zoals vastgelegd in een op 22 februari 2012 gedateerde koopovereenkomst. In de koopovereenkomst wordt een aantal van 640 zeugen genoemd.

2.8

[geïntimeerden] c.s. konden de aankoop van de zeugenstapel niet met eigen middelen financieren. Dijk was bereid de aankoop van de zeugenstapel door [geïntimeerden] c.s. te financieren.

2.9

In maart 2012 heeft [C] als vertegenwoordiger van Dijk een stuk opgesteld dat, voor zover thans van belang, als volgt luidt:

Voorstel: financiering overname zeugenstapel

Brucht 8 maart 2012,

Mts. [geïntimeerde1]

(...) Als ontvanger van nader te omschrijven lening

en

Varkenshandel Dijk bv

(...) Als verstrekker van deze lening

Komen als volgt overeen:

Bedrijf [geïntimeerde1] is voornemens een volledige zeugenstapel van +/- 650 dieren over

te nemen. De overname waarde van deze zeugenstapel is +/- € 150.000

Varkenshandel Dijk verstrekt aan Mts [geïntimeerde1] voor het voldoen van de overname

som een lening groot € 150.000,-

(...) Voorwaarden

Over de lening zal op jaarbasis 6,5% rente berekend worden over het nog openstaand

bedrag. Deze rente wordt maandelijks achtererf berekend.

Aflossing en rentebetaling zal plaatsvinden middels een inhouding per af te leveren big

betreffende leveringen van zowel bedrijf " [B] " als bedrijf " [A] "

Inhouding van dit bedrag per big zal aanvangen met ingang van de door [geïntimeerde1]

van beide bedrijven af te leveren biggen vanaf 1 mei 2012.

Deze inhouding zal € 2,00 per afgeleverd big bedragen.

(…)

Eigendomsvoorbehoud:

Gedurende de periode vanaf verstrekking van de lening totdat de lening volledig is afgelost

gelden de op het bedrijf " [B] " aanwezige zeugen als onderpand voor de verstrekte

lening en mogen niet het onderpand zijn voor een andere financiering.

(…)

Op het moment dat de lening volledig is afgelost vervalt dit eigendomsvoorbehoud.

(…)

De beschikbare biggen zullen door de varkenshandel Dijk tegen marktconforme prijzen

worden overgenomen.

Marktconform betekent voor Bedrijf " [A] " op dit moment N.W. preis + €6, =(excl

BTW) en voor bedrijf [B] N.W. preis + 4,00 excl. BTW) voor gezonde biggen incl. de

afgesproken enting.

(…)”

2.10

De zeugen (uiteindelijk in totaal 578) zijn in drie groepen bij [geïntimeerden] c.s. afgeleverd te weten op 14 juni 2012 (252 zeugen), op 9 augustus 2012 (80 zeugen) en op

23 augustus 2012 (246 zeugen).

2.11

In een e-mail van 15 juni 2012 heeft de adviseur van [geïntimeerden] c.s., de heer [D] (hierna: [D] ) van ABAB Consultants BV, aan Dijk een tekstvoorstel gedaan in verband met het door Dijk gewenste eigendomsvoorbehoud, met – voor zover van belang – de navolgende inhoud:

“Bij deze stuur ik u een stuk tekst over uitgebreid eigendomsvoorbehoud die we bij de te leveren zeugenstapel aan [geïntimeerde2] mogelijk zouden kunnen opnemen. Mijn collega [E ] jurist binnen ABAB, heeft mij deze tekst aangeleverd. Hiermee wordt bewerkstelligd dat het eigendom van geen enkele geleverde zeug over gaat naar de zeugenhouder alvorens de laatste factuur geheel betaald is.

Laten we vandaag nog maar even contact hebben.

Eigendomsvoorbehoud

1. Tot zekerheid van de juiste en volledige nakoming van de verplichtingen van de zeugenhouder, behoudt de handelaar zich de eigendom van het geleverde voor tot op het moment waarop de zeugenhouder aan zijn verplichtingen heeft voldaan. (…)”.

2.12

[D] heeft in zijn e-mail van 21 juni 2012 [C] laten weten dat het totale aankoopbedrag van de zeugenstapel is begroot op € 173.550,- en heeft voorgesteld de facturatie van de zeugenstapel via Dijk te laten lopen. In een mail van later die dag heeft [D] aan [C] voorgesteld twee overeenkomsten te laten opstellen; één koopovereenkomst tussen Van Nuland vof en Dijk en één tussen Dijk en [geïntimeerden] c.s. Voorts heeft [D] onder andere het navolgende geschreven in deze e-mail “Deze zullen jullie in concept ter beoordeling ontvangen. Hierna moet de facturatie en betaling plaats vinden.(…) Wie gaat van Nuland informeren? Als ik dat moet doen hoor ik het graag”. Hierop heeft [C] bij e-mail van 22 juni 2012, voor zover van belang, als volgt gereageerd: “(…) Wil je naast voorwaarden die in jouw schrijven al zijn opgenomen, in de verkoopovereenkomst Dijk / Aankoop [geïntimeerde1] , wel rekening houden met de ook besproken voorwaarde dat: gedurende de looptijd van de lening alle op beide bedrijven geproduceerde biggen, slachtvarkens en af te voeren slachtzeugen tegen marktconforme prijzen aan Dijk worden geleverd. (…)”.

2.13

In zijn e-mail van 13 juli 2012 aan [geïntimeerden] c.s. heeft [C] de prijsstelling aan de orde gesteld en, voor zover van belang, het navolgende geschreven:

“(…)

Mijn voorstel is :

van af nu TIJDELIJK de toeslag terug te brengen naar € 4,00 op Nord West Preis incl. BTW. (in de hoop dat de vaste afnemers dan niet afhaken!)

Johan dit is nog altijd +/- NVV plus € 8,00

(…)”

2.14

[D] heeft in zijn e-mail van 13 juli 2012 aan [C] laten weten dat hij de heer [F] van Van Nuland vof aan de telefoon heeft gehad en hem heeft ingelicht.

2.15

Op 1 oktober 2012 zijn een “Koopovereenkomst zeugenstapel I” (hierna Koopovereenkomst I) en een “Koopovereenkomst zeugenstapel II” (hierna Koopovereenkomst II) ondertekend. De eerste overeenkomst ziet op de verkoop en levering van de hiervoor bedoelde zeugenstapel door Van Nuland vof aan Dijk en de tweede overeenkomst ziet op de verkoop en levering van de zeugenstapel door Dijk aan [geïntimeerden] c.s. In overeenkomst II is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Prijs en betaling

Artikel 2

(...)

2. De koopprijs inclusief toeslag wordt door de koper voldaan door middel van verrekening

met de vorderingen van koper op verkoper uit hoofde van de leveringen zoals bedoeld in lid

4 van dit artikel. (…)

4. De koper verplicht zich tot het moment dat de hoofdsom vermeerderd met eventueel

achterstallige verschuldigde rente volledig door hem is voldaan alle op zijn bedrijf c.q.

bedrijven geproduceerde en aan derden te verkopen en te leveren (mest)biggen, alsmede

alle van zijn bedrijf c.q. bedrijven te verkopen en af te voeren slachtzeugen te verkopen en te

leveren aan de verkoper tegen op het moment van levering geldende marktconforme prijzen.

Eigendomsvoorbehoud

Artikel 4

Tot zekerheid van de juiste en volledige nakoming van de verplichtingen van de koper,

behoudt de verkoper zich de eigendom van de verkochte zeugen (...) voor tot op het moment

waarop de koper aan zijn verplichtingen heeft voldaan. (…)”

2.16

Het door [geïntimeerden] c.s. aan Dijk verschuldigde bedrag in verband met de koop van de zeugenstapel bedroeg uiteindelijk € 175.940,14.

2.17

Vanaf 1 oktober 2012 heeft Dijk – zoals overeengekomen – wekelijks een bedrag van € 5.000,- verrekend met de koopprijs van de door [geïntimeerden] c.s. aan Dijk

geleverde biggen. Met ingang van 14 januari 2013 is het wekelijks te verrekenen bedrag

teruggebracht naar € 2.000,- omdat inmiddels de hoofdsom minder dan € 100.000,-

bedroeg.

2.18

Op 24 mei 2013 heeft mr. drs. [G] (hierna: [G] ) namens [geïntimeerden]

c.s. een brief aan Dijk verzonden met, voor zover thans van belang, de navolgende inhoud:

“Betaling (mest)biggen en slachtzeugen

In de overeenkomst is de koopprijs die u zult voldoen vastgelegd in artikel 2 lid 4. Met

"marktconforme prijs" wordt bedoeld de "Nord West Preis". Voor de vestiging te

[A] is een opslag van € 6,00 per big overeengekomen en voor de vestiging [B]

een opslag van € 4,00 per big.

Gebleken is dat u deze overeengekomen koopprijs niet aan cliënte voldoet. Tot heden heeft

dat geleid tot een tekort van € 227.127,14. Krachtens de overeenkomst bent u dit bedrag dus

aan cliënte verschuldigd.

(…)

Cliënte heeft u meermaals medegedeeld dat de door u betaalde koopprijs niet

overeenkomstig de gemaakte afspraken is, doch u heeft daar tot op heden niets op uit

gedaan. U verkeert derhalve ter zake de nakoming van uw verplichtingen uit de

overeenkomst jegens cliënte in verzuim. (…)”

2.19

Bij brief van 6 juni 2013 heeft [G] zijn sommatie herhaald.

2.20

Op 7 juni 2013 heeft Dijk aan [geïntimeerden] c.s. bij deurwaardersexploot een

brief doen betekenen, waarin [geïntimeerden] c.s. in gebreke worden gesteld met

betrekking tot de nakoming van de koopovereenkomst en gesommeerd worden hun

contractuele verplichtingen alsnog na te komen. Daarnaast heeft Dijk in deze brief een beroep gedaan op het door haar gepretendeerde eigendomsvoorbehoud en op het recht om de geleverde zeugen terug te nemen.

2.21

Bij verzoekschrift van 12 juni 2013 heeft Dijk de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, verzocht haar verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir beslag tot afgifte op de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zeugen. Dat verlof is op 12 juni 2013 verleend, met aanwijzing van de Coöperatieve Vereniging AB Oost (hierna: AB Oost) als gerechtelijk/ruraal bewaarder. Op 17 juni 2013 heeft deurwaarder H. Makkinga de op de locatie [B] aanwezige zeugen in conservatoir beslag genomen, waarna medewerkers van AB Oost de verzorging van de zeugen ter hand hebben genomen. In verband met de definitieve aanstelling van de ruraal bewaarder heeft op 2 juli 2013 een zitting plaatsgevonden bij de kantonrechter (van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle). Bij beschikking van 2 juli 2013 heeft de kantonrechter de aanstelling van de ruraal bewaarder gehandhaafd. Dijk heeft op 4 juli 2013 het beslag opgeheven.

2.22

Vervolgens heeft Dijk een kort geding gestart tot afgifte van de zeugen waarop zij beslag had gelegd. De zitting in kort geding heeft plaatsgevonden op 22 juli 2013. Het vonnis is gewezen op 6 augustus 2013. De vordering tot afgifte van de zeugen is door de voorzieningenrechter afgewezen evenals de door [geïntimeerden] c.s. ingestelde reconventionele vordering.

2.23

Bij brief van 24 juni 2013 heeft de Rabobank (Salland) de aan [geïntimeerden] c.s.

verstrekte financiering met een opzegtermijn van 3 maanden opgezegd. Medio februari

2014 heeft de NVWA het gehele bedrijf van [geïntimeerden] c.s. ontruimd en alle zeugen

en biggen afgevoerd. Op 11 september 2014 zijn de onroerende zaken van

[geïntimeerden] c.s. op een executieveiling verkocht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Dijk heeft in eerste aanleg – na vermindering van eis – in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat de overeenkomst tussen Dijk en [geïntimeerden] c.s. (naar het hof begrijpt wordt hiermee Koopovereenkomst II bedoeld) op de dag van dagvaarding is ontbonden en veroordeling gevorderd van [geïntimeerden] c.s. tot vergoeding van de schade die Dijk als gevolg van de tekortkoming van [geïntimeerden] c.s. in de nakoming van de overeenkomst heeft geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in kosten van de procedure waaronder de beslagkosten.

3.2

[geïntimeerden] c.s. hebben in eerste aanleg – na wijziging van eis – in reconventie betaling gevorderd van Dijk van € 226.811,25 in verband met aan Dijk geleverde biggen te vermeerderen met wettelijke handelsrente, alsmede hebben zij vergoeding gevorderd van de geleden schade als gevolg van het door Dijk gelegde beslag, bestaande uit directe schade ten bedrage van € 34.141,-, de factuur van [H] ten bedrage van € 605,- en de factuur van Agitax BV ten bedrage van € 2.285,45, genoemde bedragen te vermeerderen met wettelijke rente, en voor het overige op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Ten slotte hebben zij gevorderd ter handstelling door Dijk van een btw-factuur ter zake van de levering van de zeugenstapel door Dijk, veroordeling van Dijk in de buitengerechtelijke kosten van € 2.906,- en in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 8 april 2015 de belangrijkste geschilpunten tussen partijen uiteengezet, een comparitie van partijen gelast en Dijk in de gelegenheid gesteld tot het nemen van een nadere akte. Bij tussenvonnis van 2 december 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat Dijk geen rechtsgeldig beroep op een eigendomsvoorbehoud toekomt. In het verlengde hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat het door Dijk gelegde beslag onrechtmatig was. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de door [geïntimeerden] c.s. als gevolg van de beslaglegging door Dijk geleden schade toewijsbaar is waar het de directe schade van € 34.141,-, de factuur van [H] € 605,- en de factuur van Agitax

€ 2.285,45 betreft. De vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat is naar het oordeel van de rechtbank eveneens toewijsbaar waar deze betrekking heeft op de indirecte schade zoals genoemd in het rapport van Agitax. Voor zover het evenwel gaat om de door [geïntimeerden] c.s. gevorderde schade als gevolg van ondeskundig gebruik van de voederinstallatie door AB Oost (de gerechtelijk bewaarder), heeft de rechtbank geoordeeld dat deze schade niet toewijsbaar is nu niet is komen vast te staan dat de storingen aan de voederinstallatie het gevolg zijn van onoordeelkundig gebruik door medewerkers van AB Oost. Ten slotte heeft de rechtbank Dijk bewijs opgedragen van de stelling dat zij de biggen van [geïntimeerden] c.s. steeds heeft afgenomen voor een prijs die door onderhandelingen tot stand is gekomen. De vordering tot ter handstelling van de btw-factuur heeft de rechtbank ook toewijsbaar geacht. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld tegen het vonnis van 2 december 2015.

3.4

Naar aanleiding van het tussenvonnis van 2 december 2015 heeft Dijk vier getuigen opgeroepen en laten horen ter zitting van 12 januari 2016, waaronder [C] .

3.5

Dijk heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 8 april 2015 en 2 december 2015 bij appeldagvaarding van 29 februari 2016.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

Tegen het tussenvonnis van 8 april 2015 als zodanig zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof het hoger beroep in zoverre zal verwerpen.

4.2

Ter comparitie bij het hof heeft Dijk haar vordering tot ontbinding van de overeenkomst met [geïntimeerden] c.s. ingetrokken, zodat wat betreft de vorderingen van Dijk nog slechts die tot vergoeding van de door Dijk geleden schade als gevolg van de gestelde tekortkoming van [geïntimeerden] c.s. op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet aan de orde is. Aan deze vordering heeft Dijk het tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst door [geïntimeerden] c.s. ten grondslag gelegd, daarin bestaande – zo begrijpt het hof – dat [geïntimeerden] c.s. niet aan de verplichting tot levering van biggen aan Dijk heeft voldaan en daarmee ook niet heeft voldaan aan haar verplichting tot afbetaling van de koopprijs van de zeugenstapel. Ter comparitie in eerste aanleg heeft Dijk deze schade nader gespecificeerd in die zin dat de schade uiteenvalt in twee onderdelen, te weten het restant van de lening (bedoeld wordt de financiering van de koopprijs van de zeugenstapel) zijnde ongeveer € 95.000,- en de kosten van verzorging en dergelijke van de dieren tijdens de periode van het beslag. Hoewel ter zitting in eerste aanleg door Dijk is aangegeven dat “beide posten nader gespecificeerd zouden kunnen worden zodat een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet meer nodig lijkt”, is dit tot op heden niet gebeurd. In hoger beroep heeft Dijk over de schade opgemerkt dat het gaat om de betaling van de resterende koopsom en schade, voor zover er nog schade zou zijn.

4.3

De vordering van Wichers Schreurs c.s. (in oorspronkelijk reconventie) heeft betrekking op de prijs van de door [geïntimeerden] c.s. aan Dijk geleverde biggen. [geïntimeerden] c.s. leggen aan deze vordering ten grondslag dat Dijk een andere prijs dan de overeengekomen prijs heeft betaald. De overeengekomen prijs is volgens hen de Nord West Preis plus € 6,- voor de vestiging [A] en de Nord West Preis plus € 4,- voor de vestiging [B] . [geïntimeerden] c.s. vorderen dan ook een nabetaling. Voorts heeft de vordering van [geïntimeerden] c.s. betrekking op de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig door Dijk gelegde beslag op de dieren. [geïntimeerden] c.s. hebben hieraan de stelling ten grondslag gelegd dat Dijk geen beroep op een eigendomsvoorbehoud op de zeugen en biggen in [B] toekwam en dus ook niet gerechtigd was om conservatoir beslag tot afgifte te leggen. Gelet hierop was het beslag onrechtmatig, reden waarom Dijk aansprakelijk is voor de als gevolg van het beslag door [geïntimeerden] c.s. geleden schade. Een deel van de schade is al te kwantificeren, namelijk de directe schade en de facturen van Agritax en [H] . Voor zover het de indirecte schade betreft en de schade die betrekking heeft op het feit dat [geïntimeerden] c.s. de biggen tegen een lagere prijs dan met Dijk overeengekomen heeft moeten verkopen en op het onoordeelkundig gebruik van de voederinstallatie door AB Oost, is deze nog niet vast te stellen en dient deze in de schadestaatprocedure aan de orde te komen, aldus [geïntimeerden] c.s.

4.4

Het geschil tussen partijen draait in de kern om de vraag wat partijen overeen zijn gekomen met betrekking tot de door Dijk aan [geïntimeerden] c.s. te betalen prijs voor de geleverde biggen en de vraag of Dijk een beroep op een eigendomsvoorbehoud toekomt en in het verlengde daarvan de rechtmatigheid van het door Dijk gelegde beslag en de eventueel door [geïntimeerden] c.s. geleden schade als gevolg van dat beslag. Op deze punten heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 2 december 2015 enerzijds een bindend eindoordeel (eigendomsvoorbehoud) en anderzijds een bewijsopdracht (overeengekomen prijs van de geleverde biggen) gegeven. Hiertegen richten zich de grieven van Dijk. De eerste grief (I) van Dijk is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Dijk zich niet met succes op een eigendomsvoorbehoud kan beroepen. De tweede grief (II) van Dijk is gericht tegen de aan haar door de rechtbank verstrekte bewijsopdracht. De derde grief (III) is ten slotte gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de directe schade van € 43.141,- en de gemaakte deskundige kosten van € 605,- respectievelijk € 2.285,45 toewijsbaar zijn.

4.5

Tegen het oordeel van de rechtbank dat Dijk een btw-factuur voor de verkoop van de zeugenstapel aan [geïntimeerden] c.s. ter hand moet stellen, zijn geen grieven gericht door Dijk, zodat dit oordeel geen onderdeel uitmaakt van het geschil in hoger beroep. Het hof zal hieronder eerst de tweede grief beoordelen en daarna de eerste en de derde grief beoordelen nu deze grieven in elkaars verlengde liggen.

marktconforme prijs

4.6

Centraal bij grief II staat de vraag wat partijen hebben afgesproken omtrent de door Dijk voor de door [geïntimeerden] c.s. geleverde biggen te betalen prijs.

4.7

[geïntimeerden] c.s. leggen aan hun vordering tot betaling van € 226.811,25 de stelling ten grondslag dat het begrip “marktconforme prijzen” in artikel 2 lid 4 van Koopovereenkomst II (1 oktober 2012) aldus moet worden uitgelegd dat een vaste prijs is overeengekomen, te weten de Nord West Preis notering plus een opslag van € 6,- respectievelijk € 4,- afhankelijk van de vestiging waar de biggen vandaan kwamen. Ter onderbouwing van hun stelling verwijzen zij naar het stuk van 8 maart 2012 (genoemd in rechtsoverweging 2.9), de e-mail van 13 juli 2012 van Dijk aan [geïntimeerden] c.s. (rechtsoverweging 2.13) en het feit dat nadien geen andersluidende afspraken zijn gemaakt.

4.8

Dijk heeft de uitleg van het begrip marktconforme prijzen zoals door [geïntimeerden] c.s. toegelicht, gemotiveerd weersproken. In dat verband komt Dijk met grief II op tegen de aan haar door de rechtbank verstrekte bewijsopdracht van de stelling dat zij de biggen van [geïntimeerden] c.s. steeds heeft afgenomen voor een prijs die door onderhandelingen tot stand is gekomen.

4.9

Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, LJN: AG4158).

Voorts volgt uit HR 20 februari 2004 (LJN: AO1427) dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder komt bij de uitleg betekenis toe aan de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan - waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden - en de overige bepalingen ervan (HR 29 juni 2007, LJN: BA4909 en HR 19 januari 2007, LJN: AZ3178). Nu [geïntimeerden] c.s. zich beroepen op de rechtsgevolgen van de door hen gestelde uitleg van het begrip marktconforme prijs in de overeenkomst, te weten dat een vaste prijs is overeengekomen, de Nord West Preis notering plus een opslag van € 6,- respectievelijk € 4,- afhankelijk van de vestiging waar de biggen vandaan kwam, rust de bewijslast van deze stelling op [geïntimeerden] c.s.

4.10

Het hof oordeelt tegen de achtergrond van deze maatstaven als volgt.

4.11

Uit de stukken blijkt dat er verschillende prijsnoteringen zijn voor biggen, waarvan de zogenoemde Nord West Preis er één is. De Nord West Preis wordt vooral gehanteerd voor biggen die naar (Noord) Duitsland worden geëxporteerd. Naast een vaste notering wordt vaak gewerkt met een variabele toeslag.

4.12

Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat voor biggen geleverd vanuit de locatie [A] de Nord West Preis-notering gold. Ook is ter zitting komen vast te staan dat in die gevallen waarin voor [A] een onjuiste notering is gehanteerd, dit later is gecorrigeerd. Voor [A] spitst de discussie zich toe op de hoogte van de toeslag. Voor [B] geldt dat in het begin van de leveringen (oktober 2012) de zogenoemde NVV-notering is gehanteerd, maar later is ook voor [B] de Nord West Preis notering gehanteerd. Ook voor [B] gaat het met name om de hoogte van de toeslag en voor een beperkte periode om de toegepaste notering.

4.13

Door Dijk wordt met name weersproken dat partijen een vaste toeslag overeen zijn gekomen. Dijk heeft in dit verband gesteld dat de te betalen toeslag afhankelijk was van de tijd van het jaar en de kwaliteit van de biggen en steeds voor een bepaalde periode werd afgesproken totdat de omstandigheden aanleiding gaven voor het maken van een nieuwe afspraak. Dijk heeft in dit verband voorts aangevoerd dat de verwijzing naar “het moment” in het document van maart 2012 (rechtsoverweging 2.9) slaat op de toeslag die voor een beperkte tijd wordt vastgezet en wordt aangepast als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. [geïntimeerden] c.s. stellen daarentegen dat sprake was van een vaste toeslag van € 6,- respectievelijk € 4,-.

4.14

Naar het oordeel van het hof is het stuk van maart 2012 te kwalificeren als een discussiestuk. Door Dijk is onbetwist gesteld dat partijen op dat moment in gesprek waren over een financiering, maar dat het toen niet tot een daadwerkelijke overeenkomst is gekomen omdat [geïntimeerden] c.s. elders (via de Rabobank of de voerleverancier Fuite) een financiering kon krijgen. Het stuk van maart 2012 is ook niet ondertekend. Toen het verkrijgen van een financiering elders niet lukte, meldden [geïntimeerden] c.s. zich alsnog bij Van Dijk. In dat stuk is echter wel een aanwijzing te vinden voor de uitleg van de overeenkomst tussen partijen op het punt van de prijsbepaling van de biggen nu daarin staat “Marktconform betekent voor Bedrijf " [A] " op dit moment N.W. preis + €6, =(excl BTW) en voor bedrijf [B] N.W. preis + 4,00 excl. BTW) voor gezonde biggen incl. de afgesproken enting”. [C] heeft hierover op 12 januari 2016, voor zover van belang, het volgende verklaard: “Ik heb al verklaard dat ik het ‘voorstel financiering overname zeugenstapel’ heb opgesteld. De bedoeling van hetgeen is gesteld in de laatste alinea van dat stuk [hof: bedoeld wordt de hiervoor weergegeven passage uit het stuk van maart 2012] is dat de basisprijs de Nord West Preis zou zijn en dat de toeslag variabel is en dat is tot uitdrukking gebracht in de bewoording ‘op dit moment’. Ik heb dus niet bedoeld voor langere tijd vaste prijzen af te spreken, dus een vaste toeslag.”

4.15

Partijen hebben vanaf maart 2012 afgerekend op basis van de Nord West Preis met een opslag van € 6,-, zoals vermeld in het stuk van maart 2012. Vanaf de vestiging in [B] werden op dat moment nog geen biggen aan Dijk geleverd. In zoverre mochten [geïntimeerden] c.s. er dan ook van uitgaan dat tussen partijen de in het stuk van maart 2012 genoemde Nord West Preis notering overeen was gekomen alsmede een toeslag van € 6,- respectievelijk € 4,-. Hiermee is evenwel nog niet gezegd dat [geïntimeerden] c.s. er in redelijkheid van uit mochten gaan dat dit te allen tijde de marktconforme prijs zou zijn, zoals zij betogen. De zinsnede “op dit moment” duidt er juist op dat de prijs aan verandering onderhevig kon zijn; dat derhalve sprake was van een momentopname.

4.16

De gang van zaken tussen partijen in juli 2012 stemt ook overeen met de door Dijk voorgestane uitleg. In juli 2012 heeft [C] – gelet op de marktomstandigheden – een aanpassing van de toeslag op de Nord West Preis voorgesteld (zie zijn e-mail van 13 juli 2012, rechtsoverweging 2.13). [geïntimeerden] c.s. hebben gesteld dat zij hiermee niet hebben ingestemd, maar daarvan blijkt niets. Na de e-mail van [C] is de toeslag ook daadwerkelijk aangepast gedurende een aantal maanden en door [geïntimeerden] c.s. is al die tijd niet nadrukkelijk (schriftelijk) bezwaar gemaakt tegen de aangepaste toeslag en de daarop gebaseerde facturen en betalingen. Vervolgens is Koopovereenkomst II tot stand gekomen waarin aan de term marktconforme prijzen de zinsnede “op het moment van levering geldende” vooraf gaat, hetgeen ook weer duidt op prijzen die aan verandering onderhevig zijn. Niet gebleken is dat [geïntimeerden] c.s. tegen deze toevoeging hebben geprotesteerd of hierbij kanttekeningen hebben geplaatst, hetgeen juist voor de hand had gelegen nu voor [geïntimeerden] c.s. duidelijk had moeten zijn, gelet op de gang van zaken in juli 2012, dat Dijk zich op het standpunt stelde dat de toeslag afhankelijk was van onder andere de marktomstandigheden op het moment van levering en dus aan verandering onderhevig. In dat kader had Dijk de toeslag immers ook al aangepast. Daarbij werden [geïntimeerden] c.s. bijgestaan door een adviseur.

4.17

Juist gelet op de e-mail van [C] en de vervolgens doorgevoerde aanpassing in de toeslag in verbinding met de zinsnede “op het moment van levering geldende” in Koopovereenkomst II, konden en mochten [geïntimeerden] c.s. er niet van uit gaan dat met marktconforme prijzen een vaste toeslag van € 6,- respectievelijk € 4,- werd bedoeld. Hierbij weegt het hof voorts mee dat [geïntimeerden] c.s. pas een jaar later hun klachten met betrekking tot de toeslag kenbaar hebben gemaakt, terwijl uit de stukken blijkt dat door [geïntimeerden] c.s. wel uitdrukkelijk bezwaar is gemaakt tegen een andere kwestie inzake de prijs, te weten een factuur van Dijk waarbij voor [A] de NVV-notering was gehanteerd, waarop die factuur werd aangepast. [geïntimeerden] c.s. konden en mochten er echter wel van uit gaan dat zowel voor de vestiging in [A] als in [B] de Nord West Preis-notering werd gehanteerd. Zulks gelet op de tekst van het stuk van maart 2012 in combinatie met de verklaring van [C] en het feit dat ook voor [A] steeds de Nord West Preis-notering werd gehanteerd. Uit de stukken, ook van de zijde van Dijk, volgt ook dat het in de branche gebruikelijk is een vaste notering af te spreken met een variabele toeslag, zie ook de verklaring van [C] . Dat partijen met betrekking tot de vestiging in [B] een ten opzichte van het stuk van maart 2012 andersluidende afspraak zouden hebben gemaakt, in die zin dat voor [B] een andere notering zou gelden, is door Dijk niet of onvoldoende onderbouwd gesteld. Door Dijk zijn ook geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan [geïntimeerden] c.s. er niet op mochten vertrouwen dat ook voor [B] de Nord West Preis-notering gold.

4.18

In het licht van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de door [geïntimeerden] c.s. gegeven uitleg aan het begrip “marktconforme prijzen” in die zin dat sprake is van de Nord West Preis met een vaste toeslag, niet is komen vast te staan. Wel volgt uit hetgeen door [geïntimeerden] c.s. is gesteld en door Dijk onvoldoende gemotiveerd is weersproken, dat partijen zowel voor de vestiging in [A] als in [B] , de Nord West Preis- notering overeen zijn gekomen. Het vorenstaande brengt met zich dat de tweede grief slaagt en dat het tussenvonnis van 2 december 2015 op dit punt vernietigd dient te worden.

Eigendomsvoorbehoud

4.19

De door [geïntimeerden] c.s. gevorderde schadevergoeding is gebaseerd op de stelling dat door Dijk onrechtmatig beslag tot afgifte is gelegd, omdat zij geen – ingevolge een gemaakt eigendomsvoorbehoud – eigenaresse van de zeugen en biggen was en dus uit dien hoofde geen recht op afgifte van de zeugen en biggen had.

4.20

Het hof stelt voorop dat de discussie omtrent de rechtmatigheid van het door Dijk gelegde beslag zich toespitst op de vraag of Dijk zich het eigendom van de zeugen en biggen had voorbehouden en dientengevolge eigenaresse was van de zeugen en biggen en niet op de vraag of [geïntimeerden] c.s. met de nakoming van de betalingsverplichting uit hoofde van de overeenkomst in gebreke waren. Het hof zal binnen deze door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd beoordelen of Dijk ingevolge een gemaakt eigendomsvoorbehoud ten tijde van de beslaglegging eigenaresse was van de zeugen en biggen.

4.21

Het eigendomsvoorbehoud strekt ertoe dat ondanks levering van de zaak aan de koper de eigendom niet eerder overgaat dan op het tijdstip dat de verkoper voldoening verkrijgt van de koopprijs (artikel 3:92 lid 1 BW).

4.22

[geïntimeerden] c.s. gronden hun vordering tot schadevergoeding op de stelling dat Dijk onrechtmatig beslag heeft gelegd. De onrechtmatigheid is – volgens [geïntimeerden] c.s. – daarin gelegen dat Dijk ten onrechte pretendeerde rechthebbende te zijn van de zeugen en biggen in [B] en beslag tot afgifte heeft gelegd. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten op [geïntimeerden] c.s. de stelplicht en bewijslast van de stelling dat Dijk onrechtmatig beslag tot afgifte heeft gelegd. [geïntimeerden] c.s. zullen gelet op hun stellingname dienen te stellen en bij voldoende betwisting dienen te bewijzen dat zij rechthebbenden waren op de zeugen en biggen en dat Dijk (daarom) niet gerechtigd was tot het leggen van beslag tot afgifte. Gelet echter op het bepaalde in artikel 3:109 BW jo. 3:119 BW worden [geïntimeerden] c.s. als degenen die de feitelijke macht over de varkens uitoefenden vermoed rechthebbende te zijn (geweest), behoudens tegenbewijs. Voor dit tegenbewijs kan niet worden volstaan met een ontzenuwen van het vermoeden maar zal tegendeelbewijs moeten worden geleverd (vergelijk HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1398). Dijk zal dan ook voldoende feiten en omstandigheden moeten stellen en bij betwisting bewijzen, waaruit de juistheid kan volgen van zijn stellingname dat zij als eigenaresse van de zeugenstapel deze onder eigendomsvoorbehoud aan [geïntimeerden] c.s. heeft geleverd en dat laatst genoemden ten tijde van de beslaglegging derhalve houders van de zeugen waren voor Dijk.

4.23

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Koopovereenkomst II aangaande de verkoop van de zeugenstapel tussen Dijk en [geïntimeerden] c.s., waarbij Dijk de zeugenstapel aan [geïntimeerden] c.s. verkoopt gelijk [geïntimeerden] c.s. van Dijk koopt, met daarin opgenomen een eigendomsvoorbehoud dateert van 1 oktober 2012. De levering van de zeugenstapel aan [geïntimeerden] c.s. had toen echter al plaatsgevonden, namelijk op 14 juni 2012, op 9 augustus 2012 en op 23 augustus 2012. Gelet op artikel 3:92 lid 1 BW dient het beding waarbij de eigendom wordt voorbehouden voorafgaand aan en uiterlijk bij de aflevering te worden gemaakt. Een eenmaal plaatsgevonden hebbende eigendomsoverdracht kan niet achteraf ongedaan worden gemaakt door alsnog een eigendomsvoorbehoud overeen te komen. Ten tijde van het sluiten van de Koopovereenkomst II op 1 oktober 2012 had de levering en de eigendomsoverdracht al plaatsgevonden. Koopovereenkomst II had op dit punt dan ook geen effect meer. Dijk stelt evenwel dat het eigendom van de zeugen ook al eerder, te weten voorafgaand of ten tijde van de verschillende momenten van aflevering, is voorbehouden. In dit verband is door Dijk gewezen op de e-mailcorrespondentie van 21/22 juni 2012 tussen [D] en [C] , de e-mail van 13 juli 2012 van [D] aan [C] en de schriftelijke verklaring van de heer [F] (hierna: [F] ) vennoot van Van Nuland vof van 6 oktober 2016.

4.24

Dijk verliest met zijn stellingen als verwoord in 4.23 uit het oog dat voor het kunnen voorbehouden van het eigendom van een zaak men eigenaar van die zaak dient te zijn op het moment van aflevering. Daarvoor was nodig dat de zeugen – alvorens deze aan [geïntimeerden] c.s. werden verkocht en geleverd – door Van Nuland vof aan Dijk in eigendom waren overgedragen.

4.25

Dat zulks is gebeurd volgt in ieder geval niet uit de overeenkomst van 1 oktober 2012. Ook uit de verklaring van [F] van 6 oktober 2016 kan niet worden afgeleid dat de zeugen voor de aflevering aan [geïntimeerden] c.s. aan Dijk in eigendom waren overgedragen door Van Nuland vof. [F] verklaart dat [D] hem na de eerste levering heeft uitgelegd dat de leveringen "via Varkenshandel Dijk liepen en dat Dijk zou betalen". Dit stemt overeen met de mededeling van [D] in zijn e-mail van

13 juli 2012 dat hij contact heeft gehad met [F] . Hieruit volgt echter nog niet dat Van Nuland vof de zeugenstapel in eigendom had overgedragen aan Dijk. [F] verklaart op 6 oktober 2016 weliswaar dat toen het tweede koppel zeugen op 9 augustus 2012 werd geleverd, hij wist dat Dijk de koper van de dieren was en dat de dieren aan Dijk zijn gefactureerd, maar hij verklaart vervolgens dat hij de stukken van Dijk, te weten de Koopovereenkomst I pas in september 2012 heeft gezien. Daaruit kan niet worden afgeleid dat Van Nuland vof op 9 augustus 2012 de zeugenstapel al aan Dijk had verkocht en geleverd. In zijn e-mail van 14 december 2016 aan [geïntimeerden] c.s. schrijft [F] : “Zoals je kan zien heb ik 2 mails je doorgemaild wat betreft onze eerste contacten met Dijk varkenshandel, de eerste is van 07-9-2012, vanaf dat moment is het mij duidelijk geworden hoe de afwikkeling [financieel] tot stand zou komen!!(…) Zoals ik nu kan zien heb ik tot en met factuur Dijk 4 [datum 19-09-2012] nog gericht aan [geïntimeerde2] , na die datum wist ik pas dat ik ze aan Dijk varkenshandel moest richten!! (…)”. In afwijking van zijn eerdere verklaring verklaart [F] in deze mail dat hem pas begin september 2012 duidelijk is geworden hoe het zou gaan en dat hij tot 19 september 2012 ook aan [geïntimeerden] c.s. heeft gefactureerd.

4.26

Uit het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd kan niet meer worden afgeleid dan dat ergens tussen de eerste en de tweede levering contact is geweest tussen [F] en [D] . Dat dit contact heeft geleid tot een overdracht van de zeugenstapel door Van Nuland vof aan Dijk (door tussenkomst van [D] ), is evenwel niet gebleken en blijkt ook niet uit de overige stukken, ook niet uit de verklaring van 6 oktober 2016 van [F] , nu hij daarin enkel verklaart dat hij wist dat Dijk de koper was maar niet dat de overdracht van de zeugenstapel voor 1 oktober 2012, althans voor de afleveringen aan [geïntimeerden] c.s., door [F] vof aan Dijk heeft plaatsgevonden. Door Dijk is ook niet concreet gesteld dat en wanneer de zeugenstapel door Van Nuland vof aan Dijk is overgedragen, in het bijzonder is door Dijk niet gesteld dat er een koopovereenkomst tussen Van Nuland vof en Dijk is gesloten en dat de zeugenstapel door Van Nuland vof aan Dijk is geleverd door Dijk het bezit van de zeugenstapel te verschaffen (als bedoeld in artikel 3:90 BW jo. artikel 3:115 sub a BW). De enkele verwijzing naar een telefonisch contact tussen [D] , een adviseur van [geïntimeerden] c.s., en [F] en een door Dijk opgestelde verklaring van [F] , die later is genuanceerd, zonder nadere concretisering van het waar en hoe van de overdracht van de zeugenstapel, is naar het oordeel van het hof ontoereikend. Dijk heeft aldus niet voldaan aan zijn onder 4.22 bedoelde stelplicht. Aan bewijslevering door Dijk wordt dan ook niet toegekomen. Nu het vermoeden van 3:119 BW niet is weerlegd, zal het hof ervan uitgaan dat [geïntimeerden] c.s. eigenaren waren van de zeugenstapel ten tijde van de beslaglegging.

4.27

Het beroep van Dijk op artikel 6:159 BW, inhoudende dat Van Nuland vof hun rechtsverhouding met [geïntimeerden] c.s. met medewerking van laatstgenoemden aan Dijk hebben overgedragen, faalt eveneens. Wat er verder ook zij van dit beroep (een akte ontbreekt), gesteld noch gebleken is dat in de koopovereenkomst tussen Van Nuland vof en [geïntimeerden] c.s. een eigendomsvoorbehoud overeen is gekomen, zodat ook in geval van contractsovername er geen sprake is van een tijdig tot stand gekomen eigendomsvoorbehoud.

4.28

Het beroep op de redelijkheid en billijkheid kan Dijk evenmin baten. Dijk verliest hierbij uit het oog dat niet in geschil is de vraag of [geïntimeerden] c.s. bereid waren in te stemmen met een eigendomsvoorbehoud, maar de vraag of Dijk voor de levering van de zeugenstapel aan [geïntimeerden] c.s. daarvan eigenaar is geworden, welke vraag ontkennend dient te worden beantwoord.

4.29

Het is vaste rechtspraak dat degene die een beslag legt, handelt op eigen risico en, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade dient te vergoeden, indien het ten onrechte blijkt te zijn gelegd, zulks ook in het geval dat hij, op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd zijnde, bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld. Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt (HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608).

4.30

Nu is komen vast te staan dat Dijk geen eigenaresse was van de zeugen en biggen in [B] , heeft Dijk door conservatoir beslag tot afgifte te leggen inbreuk gemaakt op een recht van [geïntimeerden] c.s. en daarmee onrechtmatig gehandeld. Gesteld noch gebleken is voorts dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor aan de beslaglegging het onrechtmatige karakter komt te ontvallen. Dit brengt met zich dat Dijk aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerden] c.s. als gevolg van de beslaglegging hebben geleden. Het hof komt dan ook toe aan de beoordeling van de door [geïntimeerden] c.s. gevorderde schade op grond van het onrechtmatig gelegde beslag. De vaststelling dat Dijk onrechtmatig beslag heeft gelegd, brengt ook met zich dat de door Dijk gevorderde schade in verband met de verzorging van de zeugen (dieren) tijdens de beslagperiode niet voor vergoeding in aanmerking komt en afgewezen dient te worden.

4.31

Dijk komt met grief III op tegen de toewijzing van een drietal schadeposten in dit verband door de rechtbank. De door de rechtbank toegewezen schadeposten hebben allen betrekking op de slechte verzorging van de dieren tijdens de beslagperiode lopende van

14 juni 2013 tot en met 4 juli 2013.

4.32

[geïntimeerden] c.s. hebben ter onderbouwing van hun schade als gevolg van de beslaglegging de centrale stelling ingenomen dat de dieren gedurende de beslagperiode zijn verwaarloosd. Deze stelling is door [geïntimeerden] c.s. in eerste aanleg uitvoerig toegelicht en onderbouwd. Door [geïntimeerden] c.s. zijn foto’s in het geding gebracht waaruit de toestand van de zeugen en biggen blijkt ten tijde van de beslagperiode. Bij de opheffing van het beslag op 4 juli 2013 te 16:00 uur is door een dierenarts een bedrijfsbezoek gebracht, waarvan een opname is gemaakt. Deze opname is in het geding gebracht. Uit het door de dierenarts, naar aanleiding van dat bedrijfsbezoek, uitgevoerde bloedonderzoek blijkt sprake te zijn van een te laag hemoglobinegehalte bij de betreffende dieren. Er is voorts informatie overgelegd van Rendac – een bedrijf dat kadavers ophaalt – waaruit blijkt dat tijdens de beslagperiode aanmerkelijk meer dode dieren zijn opgehaald bij [geïntimeerden] c.s. in [B] dan daarvoor. Er zijn transcripties overgelegd van een tweetal gespreken met medewerkers van AB Oost. Ten slotte is een rapport van bevindingen van Agitax, van de heer [I] , van oktober 2013 overgelegd. Het rapport van Agitax komt overeen met de bevindingen van de dierenarts. De conclusie in het rapport van Agritax is dat de biggen niet de noodzakelijke ijzerinjecties hebben gehad en dat op het bedrijf geen wettelijk verplichte visitebrieven aanwezig zijn over de beslagperiode waaruit de conclusie wordt getrokken dat de benodigde entingen niet zijn gegeven.

4.33

Weliswaar heeft Dijk in eerste aanleg betwist dat de dieren niet goed zijn verzorgd tijdens de beslagperiode maar deze betwisting is in eerste aanleg slechts gestaafd met een verslag van de medewerkers van AB Oost en facturen van de mestafvoerder en Veldman Techniek BV, die werkzaamheden aan de voederinstallatie heeft uitgevoerd. Dijk heeft voorts ontkend dat is nagelaten de noodzakelijk entingen uit te voeren. Door Dijk is voorts aangevoerd dat het dierenwelzijn reeds in de periode voorafgaand aan de beslaglegging niet goed was op het bedrijf van [geïntimeerden] c.s., hetgeen de reden was waarom het beslag op 4 juli 2013 is opgeheven. In hoger beroep heeft Dijk ter aanvulling op hetgeen in eerste aanleg is gesteld en ter onderbouwing van zijn grief, niet meer gesteld dan dat zij – nu zij niet betrokken is geweest bij het onderzoek door Agitax – in de gelegenheid moet worden gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij de dieren tijdens de beslagperiode goed heeft behandeld.

4.34

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat Dijk, gelet op de door [geïntimeerden] c.s. overgelegde stukken ook in onderlinge samenhang beschouwd, de stellingen van [geïntimeerden] c.s. ten aanzien van de schade (dierenwelzijn) onvoldoende gemotiveerd heeft betwist zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Zo had van Dijk verwacht mogen worden dat zij stukken had overgelegd waaruit bleek dat de dieren wel van de noodzakelijke entingen zijn voorzien tijdens de beslagperiode. Ook had van Dijk verwacht mogen worden dat zij haar bezwaren tegen het rapport van Agitax nader had geconcretiseerd. Het is juist dat zij niet bij het onderzoek betrokken is geweest, maar zij had desondanks haar bezwaren tegen dit rapport concreet kunnen maken. In dit kader zij opgemerkt dat Dijk ook geen gebruik heeft gemaakt van de uitnodiging van [geïntimeerden] c.s. om de situatie direct na de beslaglegging te bekijken. Nu Dijk in hoger beroep geen nadere onderbouwing van haar verweer heeft gegeven, geldt ook in hoger beroep dat zij haar verweer onvoldoende heeft gemotiveerd.

4.35

De vordering van [geïntimeerden] c.s. met betrekking tot de directe schade van

€ 34.142,-, welke voor het overige niet is betwist, is gelet op het vorenstaande dan ook toewijsbaar. Tegen de vordering van [geïntimeerden] c.s. met betrekking tot de kosten van de deskundige van € 605,- respectievelijk € 2.285,45 zijn geen specifieke grieven gericht, zodat ook deze bedragen toewijsbaar zijn. Door Dijk zijn ook geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de overige schade verwijzing naar de schadestaatprocedure dient plaats te vinden, zodat ook dit oordeel in stand kan blijven.

4.36

De grieven I en III falen derhalve.

Verdere beoordeling

4.37

Aangezien grief II slaagt, dient het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk te worden vernietigd, namelijk voor zover Dijk in reconventie bewijs is opgedragen inzake de overeengekomen prijzen en in conventie de vordering van Dijk tot ontbondenverklaring/ontbinding en schadevergoeding in afwachting daarvan is aangehouden. Voor het overige kan het vonnis worden bekrachtigd. Op grond van artikel 356 Rv kan het hof, in geval van (gedeeltelijke) vernietiging van het tussenvonnis, de zaak (in zoverre) aan zich houden om in hoger beroep op de zaak te beslissen. Het hof heeft op een aantal principiële punten in dit arrest een beslissing genomen, maar beide partijen hebben schadevergoeding op te maken bij staat gevorderd en het debat over de schade is tot nu toe onderbelicht gebleven in de procedure. Dit vormt in beginsel reden om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank. Het hof zal echter eerst, een (enkelvoudige) schikkingscomparitie gelasten om te kijken of partijen alsnog overeenstemming kunnen bereiken nu het hof reeds een aantal beslissingen heeft genomen in deze zaak. Zo is nu duidelijk dat afrekening van de door [geïntimeerden] c.s. aan Dijk geleverde biggen kon plaatsvinden op basis van een wisselende toeslag. Wel diende de Nord West Preis te worden gehanteerd. Tussen partijen staat vast dat voor de vestiging [A] ook steeds de Nord West Preis is gehanteerd. Voor de vestiging in [B] is dit evenwel anders. Vast is komen te staan dat voor [B] in eerste instantie is afgerekend op basis van de NVV-notering en dat pas later (vanaf medio januari 2013) de Nord West Preis is gehanteerd. In zoverre dient dan ook een nieuwe afrekening te worden gemaakt voor de vestiging [B] op basis van de Nord West Preis-notering. Voorts heeft Dijk tijdens de comparitie van partijen aangegeven dat zij thans in staat is haar vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat nader te specificeren en ook [geïntimeerden] c.s. zijn wellicht in staat – door de voortschrijdende tijd – hun schade als gevolg van de beslagging door Dijk nader te specificeren.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] in persoon en Dijk en [geïntimeerden] vof vertegenwoordigd door iemand die bevoegd is tot het aangaan van een schikking samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. I.F. Clement, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bij deze comparitie bestaat geen gelegenheid om pleitnotities voor te dragen;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden september, oktober en november zullen opgeven op de roldatum 14 augustus 2018, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. I.F. Clement, mr. L. Janse en mr. W.A. Zondag en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

17 juli 2018.