Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6710

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
21-005669-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Trefwoorden

- Niet-ontvankelijkheid vordering tot schadevergoeding benadeelde partij

- Onevenredige belasting strafproces

- Onderbewindstelling

- Artikelen 1:431 en volgende van het Burgerlijk Wetboek

Het gerechtshof veroordeelt verdachte voor heling van een bromfiets, winkeldiefstal, winkeldiefstal met bedreiging en het onbruikbaar maken van een ophoudcel van de politie. Ten aanzien van dit laatste feit is een vordering tot schadevergoeding benadeelde partij ingediend. Tijdens de zitting in hoger beroep blijkt dat het vermogen van verdachte onder bewind is gesteld. Verdachte is daarom niet bevoegd zelfstandig te procederen tegen de hem ingestelde vordering. De bewindvoerder van verdachte is niet opgeroepen en is niet ter zitting verschenen. Deze bewindvoerder heeft de raadsvrouw van verdachte ook niet gemachtigd tot het voeren van verweer tegen de vordering. Oproeping van de bewindvoerder in geding vormt in dit stadium van de procedure een onevenredige belasting van het strafproces. Het hof verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in haar vordering. Ter vergoeding van de veroorzaakte schade wordt echter wel de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005669-17

Uitspraak d.d.: 19 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad , van 4 oktober 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-159430-17 en 16-171123-17, 16-176049-17, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, bewezenverklaring van hetgeen in de zaak met parketnummer 16-159430-17 onder 1 primair, hetgeen in de zaak met parketnummer 16-171123-17 onder 1 en 2 en hetgeen in de zaak met parketnummer 16-176049-17 onder 1 is tenlastegelegd tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft zich voor wat betreft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Politie Midden-Nederland gerefereerd aan het oordeel van het hof. Wel heeft hij gevorderd dat het hof een bedrag van € 205,78, te vermeerderen met de wettelijke rente in de vorm van de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. R.G.M. Rijkhoff, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie [plaats 1] , heeft verdachte veroordeeld ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-159430-17 onder 1 primair, het in de zaak met parketnummer 16-171123-17 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 16-176049-17 onder 1 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde meldplicht en de gedragsvoorwaarde dat verdachte de aanwijzingen van de reclassering opvolgt, ook als dat inhoudt dat hij een verslavingsbehandeling dient te volgen. De politierechter heeft verder bepaald dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Politie Midden-Nederland wordt toegewezen tot een bedrag van € 205,78, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-159430-17 onder 1 ten laste gelegde en omdat het een andere straf aan verdachte zal opleggen. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 16-159430-17:

1. primair:
hij op of omstreeks 19 augustus 2018 te [plaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan een verdachte;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 19 augustus 2017 te [plaats 1] , een goed, te weten een bromfiets heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Zaak met parketnummer 16-176049-17 (gevoegd):

1:
hij op of omstreeks 9 september 2017 te [plaats 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee sixpacks bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Zaak met parketnummer 16-171123-17 (gevoegd):

1:
hij op of omstreeks 2 september 2017 te [plaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere flessen alcoholische drank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij die [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je slaan met de fles!" en/of "Deze kan je op de kop krijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2:
hij op of omstreeks 2 september 2017 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk een ophoudcel, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie Midden-Nederland toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-159430-17 onder 1 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte de brommer gestolen of geheeld heeft. De raadsvrouw stelt dat verdachte aangegeven heeft dat hij de brommer op straat heeft aangetroffen bij een container. De brommer stond niet op slot en startte niet. Verdachte heeft de brommer meegenomen. Hij was zich er echter niet van bewust dat het een gestolen brommer betrof, aldus de raadsvrouw.

Het hof komt op grond van de processtukken en het behandelde ter zitting tot de navolgende feitenvaststelling.

Op 19 augustus 2017 te [plaats 1] ziet verbalisant [verbalisant 1] , op dat moment niet dienstdoende, dat een persoon een bromfiets zonder kentekenplaat probeert te starten. [verbalisant 1] herkent deze persoon ambtshalve als zijnde verdachte. [verbalisant 1] meent zich te herinneren dat verdachte niet in het bezit is van een rijbewijs en belt vervolgens de politie. Eenmaal ter plaatse zien verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] dat verdachte in hun richting kijkt en vervolgens de bromfiets loslaat en wegrent. Verdachte wordt hierna aangehouden.

Uit nader onderzoek door verbalisant [verbalisant 4] blijkt dat het framenummer van de bromfiets duidelijk zichtbaar is weggeslepen en dat de bromfiets niet voorzien is van een kentekenplaat. De bromfiets blijkt op 7 augustus 2017 te zijn gestolen bij het treinstation te [plaats 3] . De bromfiets behoort toe aan [slachtoffer 1] .

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij de bromfiets had gevonden en deze bromfiets mee naar huis wilde nemen. De bromfiets lag scheef op de grond en stond niet op slot. De deksel van de buddy stond open en de benzineknop ook. De bromfiets had geen kentekenbewijs (het hof begrijpt: kentekenplaat). Verdachte heeft de bromfiets meegenomen. Hij heeft verklaard dat het vreemd was dat hij de bromfiets meenam en dat hij dat niet had moeten doen.

Het hof is van oordeel dat het door de raadsvrouw gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 16-159430-17 onder 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Verdachte heeft een gestolen bromfiets voorhanden gehad, waarvan het framenummer duidelijk zichtbaar was weggeslepen. Bovendien beschikte de bromfiets niet over een kentekenplaat en stond deze niet op slot. Het is een feit van algemene bekendheid dat bromfietsen veelvuldig voorwerp van diefstal zijn en dat bromfietsen met een weggeslepen framenummer niet zelden van diefstal afkomstig zijn. Op deze manier kan immers de identiteit van het gestolen voertuig onzichtbaar worden gemaakt.

Onder deze omstandigheden rustte op verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de bromfiets de plicht om onderzoek te verrichten naar de herkomst ervan. Verdachte heeft dit nagelaten. Desondanks is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte destijds redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bromfiets een door misdrijf verkregen goed betrof. Dat de bromfiets niet op slot stond en ergens op straat lag maakt het voorgaande oordeel niet anders. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-159430-17 primair en in de zaak met parketnummer 16-176049-17 en in de zaak met parketnummer 16-171123-17 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 16-159430-17:

1 subsidiair:
hij op 19 augustus 2017 te [plaats 1] een bromfiets voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Zaak met parketnummer 16-176049-17 (gevoegd):

1:
hij op 9 september 2017 te [plaats 1] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee sixpacks bier, toebehorende aan [supermarkt 1] ;

Zaak met parketnummer 16-171123-17 (gevoegd):

1:
hij op 2 september 2017 te [plaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één fles alcoholische drank toebehorende aan [supermarkt 2] , welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij die [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je slaan met de fles!" en "Deze kan je op de kop krijgen";

2:
hij op 2 september 2017 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk een ophoudcel, toebehorende aan Politie Midden-Nederland, onbruikbaar heeft gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 16-159430-17 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Het in de zaak met parketnummer 16-176049-17 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het in de zaak met parketnummer 16-171123-17 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Het in de zaak met parketnummer 16-171123-17 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Op 19 augustus 2017 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een bromfiets, terwijl hij op het moment van voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze bromfiets van diefstal afkomstig was. Verdachte heeft deze bromfiets meegenomen van de straat, terwijl de bromfiets niet op slot stond, geen kentekenplaat had en een weggeslepen framenummer had. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich op geen enkele wijze heeft vergewist van de herkomst van de bromfiets. Door zijn handelen heeft verdachte geen respect getoond voor het eigendomsrecht van de eigenaar van de bromfiets.

Op 2 september 2017 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een fles alcoholische drank uit een filiaal van [supermarkt 2] te [plaats 1] . Daarbij heeft verdachte een medewerkster van de slijterij bedreigd door haar de woorden toe te voegen ‘Ik ga je slaan met de fles!’ en ‘Deze kan je op de kop krijgen’. Winkeldiefstal met bedreiging veroorzaakt hinder voor de gedupeerde winkel en zorgt daarnaast voor gevoelens van angst en onveiligheid bij degene die bedreigd wordt.

Daarnaast heeft verdachte op 2 september 2017, na zijn aanhouding voor de bovengenoemde winkeldiefstal, een ophoudkamer op het politiebureau aan de [straat] te [plaats 2] onbruikbaar gemaakt. Verdachte heeft in deze ophoudkamer geürineerd. Dit is een ergerlijk feit waarmee de verdachte weinig respect heeft getoond voor de Politie Midden-Nederland.

Uit het verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 juli 2018 blijkt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder voor gewelds- en vermogensdelicten. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Uit een door de raadsvrouw per faxbericht ontvangen schrijven d.d. 4 juli 2018 van [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland te [plaats 1] , blijkt dat verdachte op dit moment onder toezicht van de reclassering staat. Verdachte is op 22 juni 2018 in vrijheid is gesteld en heeft zich op 26 juni en 3 juli 2018 conform afspraak bij de toezichthouder gemeld. Tijdens de twee gesprekken met de toezichthouder heeft verdachte zich meewerkend opgesteld en heeft hij laten zien enig probleembesef te hebben ten aanzien van zijn alcoholgebruik. De reclassering acht het in het kader van het onlangs opgestarte toezicht niet wenselijk dat verdachte opnieuw gedetineerd wordt. De reclassering is voornemens om verdachte op korte termijn aan te melden voor diagnostiek en ambulante behandeling.

De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte hulp nodig heeft om zijn leven op de rit te krijgen. De hulpverlening die op dit moment aan verdachte wordt aangeboden staat nog in de kinderschoenen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze hulpverlening doorkruizen. De raadsvrouw verzoekt het hof om aan verdachte, als stok achter de deur, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Gelet op de persoon van verdachte, zijn (alcohol)problematiek, het reeds gestarte reclasseringstoezicht en de omstandigheid dat de reclassering voornemens is om verdachte op korte termijn aan te melden voor diagnostiek en ambulante behandeling, is het hof van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment niet passend is. Om de ernst van de feiten te benadrukken zal het hof in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse onvoorwaardelijke taakstraf aan verdachte opleggen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij Politie Midden-Nederland

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 285,78, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 205,78, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het vermogen van de verdachte onder beschermingsbewind, als bedoeld in de artikelen 1:431 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, is gesteld. Hierdoor mist verdachte de (zelfstandige) bevoegdheid tot beheer en beschikking over zijn vermogen. Die bevoegdheid ligt bij de bewindvoerder, die verdachte bij de vervulling van zijn taak ook in rechte vertegenwoordigt. Hieruit volgt dat verdachte niet bevoegd is zelfstandig te procederen met betrekking tot de tegen hem ingestelde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Niet is gebleken dat de bewindvoerder de raadsvrouw van verdachte heeft gemachtigd tot het voeren van verweer tegen deze vordering. Oproeping van de bewindvoerder in geding, opdat die de procedure van verdachte als formele procespartij over kan nemen, acht het hof in dit stadium van de procedure een onevenredige belasting van het strafproces. Daarom zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaring in haar vordering. Zij kan deze slechts bij de burgerlijke rechter instellen.

Het hof stelt echter vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar civielrechtelijke criteria aansprakelijk is voor de schade die hij door het in de zaak met parketnummer 16-171123-17 onder 2 bewezenverklaarde feit heeft veroorzaakt. Dat het hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaart, staat er niet aan in de weg dat het hof verdachte ter vergoeding van de veroorzaakte schade en dus tot herstel van de rechtmatige toestand, de schadevergoedingsmaatregel oplegt. Het hof acht oplegging van die maatregel passend en zal die opleggen voor een bedrag van 205,78 euro bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 63, 310, 312, 350 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-159430-17 subsidiair en in de zaak met parketnummer 16-176049-17 en in de zaak met parketnummer 16-171123-17 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-159430-17 subsidiair en in de zaak met parketnummer 16-176049-17 en in de zaak met parketnummer 16-171123-17 onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Politie Midden-Nederland

Verklaart de benadeelde partij Politie Midden-Nederland niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Politie Midden-Nederland, ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-171123-17 onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 205,78 (tweehonderdvijf euro en achtenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 2 september 2017.

Aldus gewezen door

mr. A. van Holten, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. J.S. van Duurling, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W.D. de Boer, griffier,

en op 19 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.S. van Duurling is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.