Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6697

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
200.239.353
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten jeugdhulp. Verzoek voldoet niet aan wettelijke vereisten. Psychologisch onderzoek, geen instemmingsverklaring. 6.1.2. lid 6 JW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2019/10.5
FJR 2019/26.20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.239.353

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 457526)

beschikking van 19 juli 2018

inzake

[naam zoon] ,

verblijvende in de gesloten accommodatie [verblijfplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [naam zoon] ,

advocaat: mr. B.J. de Groot te Haarlem,

en

de gecertificeerde instelling

Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.


Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[naam moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de moeder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 1 mei 2018;

- een faxbericht van de GI van 27 juni 2018 met bijlagen.

2.2

Bij beschikking van 22 mei 2018 heeft dit hof last gegeven aan de Raad voor Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch om mr. De Groot als advocaat aan [naam zoon] toe te voegen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 28 juni 2018 plaatsgevonden. [naam zoon] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI is S. Sankar verschenen. Tevens is de moeder verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming is met kennisgeving vooraf niemand verschenen.

2.4

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.5

Desgevraagd heeft mr. De Groot ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van het faxbericht met bijlagen van de GI, aangezien zij deze kort voor de zitting heeft ontvangen en niet met [naam zoon] heeft kunnen bepreken. Het hof heeft daarop beslist dat op het faxbericht met bijlagen van 27 juni 2018 geen acht wordt geslagen omdat deze stukken zonder noodzaak vlak voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingekomen ter griffie van het hof en mr. De Groot in redelijkheid niet voldoende heeft kunnen kennisnemen van de bijlagen en zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

3 De feiten

3.1

Op [geboortedatum] is [naam zoon] geboren te [geboorteplaats] . De moeder is alleen belast met het gezag over hem.

3.2

Bij beschikking van 27 december 2017 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, [naam zoon] onder toezicht gesteld tot 27 december 2018.

3.3

De GI heeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet (Jw) op 26 maart 2018 bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.

3.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de GI een machtiging verleend om [naam zoon] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en doen verblijven tot 27 december 2018.

3.5

[naam zoon] verblijft sinds 24 april 2018 in de gesloten accommodatie [naam gesloten accommodatie] .

4 De omvang van het geschil

[naam zoon] is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 april 2018. De grieven 1 en 2 zien op de instemmingsverklaring van de deskundige. Grief 3 ziet op de duur van de machtiging.

[naam zoon] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de GI alsnog in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek van de GI af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is [naam zoon] ontvankelijk in zijn hoger beroep.

5.2

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 Jw slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

5.3

Een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 3 Jw bovendien slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

5.4

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. Het verzoek behoeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 6 Jw instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

5.5

In de grieven 1 en 2 wordt aangevoerd dat het verzoek van de GI niet voldoet aan de formele, wettelijke vereisten. In het bijzonder voert [naam zoon] aan dat geen instemmingsverklaring is overgelegd zoals bedoeld in artikel 6.1.2 lid 6 Jw van een gedragswetenschapper die hem, nadat het verzoek door de GI is opgesteld, heeft gesproken. Een besluit tot een verzoek gesloten jeugdhulp was op het moment van het opstellen van het NIFP-rapport nog niet genomen door de GI. Het hof is van oordeel dat deze grieven slagen.

5.6

Uit de tekst en het commentaar bij artikel 6.1.2. lid 6 JW blijkt dat vanwege de ingrijpendheid van de maatregel gesloten jeugdhulp lid 6, evenals artikel 29a Wet op de Jeugdzorg, bepaalt dat het verzoek moet zijn voorzien van de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper behorend tot een categorie die bij nadere regeling is aangewezen, namelijk degenen die in het kwaliteitsregister jeugd staan ingeschreven als gedragswetenschapper en de gezondheidszorgpsycholoog ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG). De gedragswetenschapper moet toetsen of de geslotenheid inderdaad noodzakelijk is. Ook deze eis wordt in verband met de ingrijpendheid van de maatregel gesteld. Er is geen nadere termijn gesteld voor de invulling van ‘kort tevoren’, maar het is van belang dat de actualiteitswaarde van het advies van de gedragswetenschapper hoog is. Bij die beoordeling gaat het erom of terecht wordt geconstateerd dat een bepaalde vorm van jeugdzorg nodig is, in dit geval plaatsing in een gesloten accommodatie. Bij het onderzoek dat aan de verklaring, bedoeld in lid 6 van artikel 6.1.2 JW, moet voorafgaan, gaat het erom dat bekeken wordt of de jeugdige voldoet aan het criterium voor een machtiging. Omdat beide aspecten in elkaars verlengde liggen, ligt een keuze voor het doen uitvoeren van beide taken door één en dezelfde persoon voor de hand.

5.7

In dit geval is heeft de deskundige het psychologisch onderzoek Pro Justitia op

14 maart 2018 afgerond. Het verzoek van de GI is op 29 maart 2018 bij de rechtbank Midden-Nederland ingediend. Het psychologisch onderzoek is derhalve niet gemaakt naar aanleiding van het verzoek van de GI om een machtiging gesloten plaatsing van [naam zoon] . In het rapport, opgesteld in opdracht van de officier van justitie, wordt een klinische opname van betrokkene geadviseerd in een gespecialiseerde vooralsnog gesloten behandelinstelling voor jeugdigen. Daarnaast wordt de meerwaarde van toezicht en begeleiding van jeugdreclassering met bijzondere voorwaarden in een voorwaardelijk strafdeel gezien. De deskundige ziet geen aanleiding voor het adviseren van een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) en Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-Maatregel).

Uit het rapport blijkt niet dat de gedragsdeskundige instemt dat een geval zich voordoet als in artikel 6.1.2 lid 2 JW. Niet althans onvoldoende is gebleken dat een verblijf gesloten opvang noodzakelijk is omdat de jeugdige zich anders zal onttrekken aan de jeugdhulp die de jeugdige nodig heeft. De gedragsdeskundige heeft zich ook niet concreet uitgelaten over de door de GI verzochte duur van de gesloten machtiging. Nu in het rapport niet valt te lezen dat [naam zoon] met het oog op het verzoek gesloten machtiging uithuisplaatsing is onderzocht, past het verzoek bij gebreke aan een daarop gevolgde instemmingsverklaring niet in het wettelijk kader.

5.8

Gelet op het vorenstaande behoeft grief 3 geen nadere bespreking.

5.9

Ten overvloede overweegt het hof dat ter mondelinge behandeling is gebleken dat het goed gaat met [naam zoon] . De GI heeft verklaard dat [naam zoon] inmiddels een stuk meer ontspannen is. Hij kan meer naar zijn eigen handelen kijken en naar wat er op de groep gebeurt. Hij kan terugkijken op conflicten en daarover praten, hetgeen eerder moeilijker bespreekbaar was. Hij is vooruitgegaan in de huidige setting en de gezinsvoogd is bezig met vervolgstappen richting kamertraining. Dit wil [naam zoon] ook graag omdat hij, na het behalen van zijn examens, in augustus 2018 wil starten met een vervolgopleiding in Rotterdam. Het hof gaat ervan uit dat [naam zoon] en de GI zich - ook na het wegvallen van de gesloten plaatsing - zullen inzetten voor de verdere positieve ontwikkeling van [naam zoon] en een daarbij passende huisvesting.

5.10

Deze beschikking is ingevolge artikel 6.1.12 lid 1 Jw bij voorraad uitvoerbaar.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 april 2018 en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van [naam zoon] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A Smeeïng-van Hees, R. Feunekes en R.A. Boon, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 19 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.