Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6629

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
200.224.163/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie. Wijziging met terugwerkende kracht. De man kan onder de door het hof geschetste omstandigheden niet worden verweten dat hij het wijzigingsverzoek niet eerder heeft ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.224.163/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/118200 / FA RK 17-469)

beschikking van 12 juli 2018

inzake

Stichting [bewindvoerder] ,
mede kantoorhoudend te [A] / [B] ,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van:
[verzoeker],
wonende te [C] ,

verzoeker in het principaal appel,
verweerster in het incidenteel appel,
verder te noemen: de man,
advocaat mr. E. Henkelman te Groningen,

en

[verweerster] ,
wonende op een geheim adres,
verweerster in het principaal appel,
verzoekster in het incidenteel appel,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat mr. D. Jakobs te Emmen.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 juni 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 26 september 2017;
- het verweerschrift tevens incidenteel appel;
- het verweerschrift in het incidenteel appel;
- een journaalbericht van mr. Henkelman van 24 oktober 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Jakobs van 23 april 2018 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Henkelman van 3 mei 2018 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Henkelman van 9 mei 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 mei 2018. De man is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Henkelman. De vrouw heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Jakobs.

3 Feiten

3.1

Uit het [in] 2012 ontbonden huwelijk van partijen is [in] 2003 geboren de thans nog minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ).

3.2

Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 7 maart 2012 is bepaald dat de man € 185,- per maand kinderalimentatie voor [de minderjarige] aan de vrouw dient te voldoen en € 350,- per maand partneralimentatie met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk.

3.3

Bij beschikking van 13 juni 2012 is een bewind ingesteld over het vermogen van de man met benoeming van Stichting [bewindvoerder] te [D] tot bewindvoerder.

3.4

De vrouw heeft in 2015 uit een nieuwe relatie een zoon gekregen.

3.5

Bij verzoekschrift van 26 oktober 2016, dat is ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden en op 2 maart 2017 is ontvangen door de locatie Assen, heeft de man verzocht voormelde onderhoudsverplichtingen te wijzigen in die zin dat die op nihil worden bepaald met ingang van 1 januari 2014, dan wel met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en/of op een bedrag in goede justitie te bepalen.

3.6

De vrouw heeft op 23 december 2016 een verweerschrift ingediend waarin zij de rechtbank heeft verzocht het verzoek van de man af te wijzen.

3.7

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 7 maart 2012 aldus gewijzigd dat de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderbijdrage voor [de minderjarige] met ingang van 2 maart 2017 is bepaald op € 25,- per maand en de partneralimentatie met ingang van die datum is bepaald op € 190,- bruto per maand. Een en ander uitvoerbaar bij voorraad en (naar het hof begrijpt uit de overwegingen:) afwijzing van het meer of anders verzochte.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil zijn de door de man aan de vrouw verschuldigde kinder- en partneralimentatie en meer in het bijzonder het verzoek van de man tot wijziging daarvan.

4.2

De man verzoekt het hof in het principaal appel om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de beschikking van 7 maart 2012 aldus te wijzigen dat de kinderbijdrage voor [de minderjarige] wordt bepaald op € 25,- per maand en de partneralimentatie op nihil, zulks met ingang van 1 januari 2014, althans per datum van het inleidende verzoekschrift, althans op een zodanige bijdrage en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

4.3

De vrouw verzoekt het hof om het verzoek van de man in het principaal appel ongegrond te verklaren. In incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog de inleidende verzoeken van de man tot wijziging van de beschikking van 7 maart 2012 af te wijzen.

4.4

De man verzoekt het hof het verzoek van de vrouw in incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen.

Nadere afbakening
4.5 Uit het voorgaande volgt dat de ondergrens van het geschil wordt gevormd door het verzoek van de man om de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2014 te bepalen op
€ 25,- per maand en de partneralimentatie op nihil. De bovengrens van het geschil wordt gevormd door het verzoek van de vrouw om de onderhoudsbijdragen te laten gelden zoals die zijn bepaald in de beschikking van 7 maart 2012 (zijnde in 2012 respectievelijk
€ 185,- per maand en € 350,- per maand).

4.6

De grieven van de man in het principaal appel betreffen de ingangsdatum (1) en zijn draagkracht (2). In de toelichting bij de tweede grief heeft de man tevens opmerkingen gemaakt over de zorgkorting en lasten van de vrouw. De enige grief van de vrouw in het incidenteel appel heeft betrekking op de draagkracht van de man.

5 De motivering van de beslissing


De wijziging van omstandigheden
5.1 Het voorliggende verzoek is gebaseerd op de stelling dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW die een nieuwe beoordeling van de onderhoudsverplichtingen van de man jegens [de minderjarige] en de vrouw rechtvaardigt.

5.2

Uit de overwegingen van de rechtbank in de beschikking van 7 maart 2012, waarvan in deze procedure wijziging wordt verzocht, kan niet worden afgeleid van welke gegevens de rechtbank is uitgegaan bij de in geding zijnde onderhoudsbijdragen en partijen hebben dit ook niet kunnen aangeven. Geconstateerd is slechts in die beschikking dat de man onvoldoende heeft weersproken dat hij in staat is de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage(n) te voldoen. De man heeft aan het onderhavige wijzigingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij achteraf bezien de aan hem opgelegde onderhoudsbijdragen niet heeft kunnen betalen omdat zijn inkomen nadien is gewijzigd door omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend. Gelet op de door de man overgelegde inkomensbescheiden en hetgeen partijen daaromtrent hebben aangevoerd, is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat het inkomen van de man wisselend is geweest in de jaren na 2012 zodat reeds daarom een nieuwe beoordeling van de onderhoudsverplichtingen is gerechtvaardigd. Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies en dat om die reden voorbij moet worden gegaan aan de vermindering van het inkomen van de man, volgt het hof dat niet, mede gelet op hetgeen hierna onder 5.5/5.6 is overwogen.

De ingangsdatum
5.3 Tussen partijen is de ingangsdatum van de (eventuele) wijziging in geschil. De man heeft verzocht de wijziging van de onderhoudsverplichtingen per 1 januari 2014 in te laten gaan. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht heeft gekozen voor 2 maart 2017 als ingangsdatum.

5.4

Vaste jurisprudentie is dat de rechter aan wie een verzoek als het onderhavige is voorgelegd, behoedzaam dient om te gaan met zijn bevoegdheid om een wijziging met terugwerkende kracht in te laten gaan. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep en brengt met zich mee dat het hof zich rekenschap zal dienen te geven van de gevolgen voor de onderhoudsgerechtigde met het oog op een eventuele terugbetalingsverplichting ten aanzien van onderhoudsbijdragen die overeenkomstig behoefte zijn besteed. Het is het hof in dit verband ter zitting gebleken dat feitelijk niets is betaald of verhaald uit hoofde van de beschikking van 7 maart 2012 en ook niet uit hoofde van de hier bestreden beschikking, zodat een eventuele terugbetalingsverplichting van door de man aan de vrouw betaalde onderhoudsbijdragen niet aan de orde is. Daarnaast is gebleken dat de vastgestelde onderhoudsbijdragen niet in mindering zijn gebracht op de uitkering aan de vrouw.

5.5

Onduidelijk is gebleven waar de in de beschikking van 7 maart 2012 aan de man opgelegde onderhoudsbijdragen op zijn gebaseerd. Als gesteld en niet betwist staat wel vast dat de man al vrij snel na de beschikking in 2012 in persoonlijke- en financiële moeilijkheden is geraakt en dat de man daar hulp voor heeft gezocht. De man heeft ter zitting toegelicht dat hij destijds het overzicht kwijt was en dat hij niet wist dat het mogelijk was in hoger beroep te gaan van de beschikking van 7 maart 2012 of wijziging daarvan te verzoeken bij de rechtbank. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan die toelichting mede nu op 13 juni 2012 een beschermingsbewind op verzoek van de man zelf is ingesteld op de grond dat de man niet in staat was zelf zijn vermogensrechtelijke belangen naar behoren waar te nemen. Vanaf dat moment was het de taak van de bewindvoerder om de vermogensrechtelijke belangen van de man te behartigen in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW). De man heeft daarover ter zitting nog verklaard dat hij bij de bewindvoerder melding heeft gemaakt van zijn alimentatieverplichting. Om voor de man – en ook het hof – onbekende redenen heeft de bewindvoerder geen wijziging van de onderhoudsverplichtingen gevraagd ondanks dat de alimentatie steeds feitelijk niet werd voldaan, met als gevolg dat de schuldenlast van de man in de afgelopen jaren is opgelopen, vooral door het oplopen van niet betaalde alimentatie. Uiteindelijk heeft de man in 2017 een gesprek bij de gemeente gevraagd en dat gesprek heeft geleid tot indiening van het onderhavige wijzigingsverzoek.

5.6

Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van het hof de man niet worden verweten dat hij niet eerder het wijzigingsverzoek heeft ingediend. Na bevraging van de man ter zitting heeft het hof voorts zelf kunnen vaststellen dat de man zich in een kwetsbare positie heeft bevonden waardoor hem naar het oordeel van het hof niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt van zijn verminderde en enigszins wisselende inkomsten. Het hof zal daarom hierna de in geding zijnde onderhoudsverplichtingen van de man alsnog met terugwerkende kracht vanaf 2014 beoordelen aan de hand van de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht met inachtneming van de aanbevelingen van de expertgroep alimentatienormen c.q. het zogenoemde tremarapport. Gelet op de wettelijke voorrang van kinderalimentatie zal het hof steeds eerst de kinderalimentatie berekenen overeenkomstig de door de expertgroep aanbevolen systematiek en vervolgens de partneralimentatie.

Ten aanzien van 2014
De kinderalimentatie
* de behoefte
5.7 Ter zitting van het hof zijn partijen het erover eens geworden dat voor de bepaling van de behoefte van [de minderjarige] - overeenkomstig het vermelde in het verweerschrift van
4 juli 2011 dat destijds in de echtscheidingsprocedure is ingediend - dient te worden uitgegaan van een netto gezinsinkomen van partijen in de laatste periode van het huwelijk van € 1.481,- per maand en een daarmee corresponderende behoefte van afgerond € 183,- per maand. Geïndexeerd naar 2014 is dat een behoefte van afgerond € 189,- per maand. Het hof zal daar met partijen vanuit gaan.

* de draagkracht van de man
5.8 Uit de overgelegde jaaropgaven 2014 blijkt dat de man in 2014 vanuit zijn werk bij [E] een totaal bruto loon heeft genoten van € 16.957,- en dat hij daarnaast in 2014 een WW-uitkering heeft gehad van in totaal € 1.576,- bruto. Een en ander correspondeert doorgerekend in het rekenprogramma van het hof (Ina) met een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.323,- per maand (tarieven 2014/1). Dat NBI leidt in de toepasselijke tabel behorend bij het rapport van de expertgroep alimentatienormen versie 2014, tot een draagkracht van € 90,- per maand. Gelet op de betwisting en het ontbreken van een nadere onderbouwing van de desbetreffende stelling van de vrouw, zal het hof (in alle jaren) voorbij gaan aan haar stelling dat de man hiernaast nog andere (zwarte) inkomsten heeft gehad.

* de draagkracht van de vrouw

5.9

De vrouw heeft naar niet in geschil is steeds een bijstandsuitkering gehad naar de norm voor een alleenstaande ouder. In 2014 bedroeg de desbetreffende bijstandsnorm circa

€ 948,- per maand inclusief vakantietoeslag zijnde omgerekend naar een heel jaar € 11.376,- bruto. Volgens het rekenprogramma van het hof heeft de vrouw hierbij aanspraak op
€ 1.248,- kindgebonden budget. Een en ander leidt doorgerekend tot een NBI van € 884,- per maand en dat correspondeert in de draagkrachttabel met een (minimale) draagkracht van
€ 25,- per maand.

* draagkrachtvergelijking

5.10

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen kleiner is dan de behoefte bestaat geen aanleiding voor een draagkrachtvergelijking en dient de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderbijdrage in beginsel te worden bepaald op de bij de man beschikbare draagkracht met inachtneming van een eventuele zorgkorting, zijnde een percentage van de behoefte dat gerelateerd is aan de zorgregeling c.q. het aantal verblijfsdagen.

* de zorgkorting en conclusie kinderalimentatie

5.11

Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd omtrent de zorgregeling zal het hof uitgaan van een zorgkorting van 5% zijnde nominaal afgerond € 9,- per maand. Ondanks het ontbreken van omgang ziet het hof in dit verband geen aanleiding een zorgkorting geheel achterwege te laten nu niet is gebleken dat zulks geheel en alleen aan de man is te wijten. Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om in de behoefte van het kind te voorzien. Indien een tekort aan draagkracht bestaat, vermindert het tekort de zorgkorting. Na toepassing van de zorgkorting wordt het tekort gelijkelijk verdeeld over de onderhoudsplichtigen. Het tekort aan draagkracht is gelet op het vorenstaande € 74,- per maand en de helft daarvan is voor rekening van de man
(189 - 90 - 25 = 74 /2 = 37). Daaruit volgt dat de man de zorgkorting niet kan verzilveren en de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderbijdrage in dit jaar moet worden bepaald het bedrag van zijn draagkracht zijnde € 90,- per maand.
De partneralimentatie

* de behoefte van de vrouw
5.12 Het hof zal bij gebrek aan andersluidende gegevens de behoefte van de vrouw bepalen met behulp van de zogenoemde hofnorm zijnde 60% van het netto gezinsinkomen verminderd met de kosten van de kinderen. Uitgaande van voormeld netto gezinsinkomen in 2011 van € 1.481,- per maand verminderd met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [de minderjarige] van destijds € 183,-, leidt dat in de hofnorm tot een behoefte in 2011 van circa
€ 779,- netto per maand (€ 1.481,- minus € 183,- = € 1.298,- x 60%). Geïndexeerd naar 2014 is dat een behoefte van afgerond € 810,- netto per maand.

* de behoeftigheid van de vrouw

5.13

Een onderhoudsplicht als de onderhavige bestaat alleen bij het ontbreken van mogelijkheden voor de onderhoudsgerechtigde om in eigen behoefte te voorzien. Voor het bepalen van de behoeftigheid wordt daarom rekening gehouden met de redelijkerwijs te verwerven eigen inkomsten. Vast staat dat de vrouw steeds een bijstandsuitkering heeft gehad van haar gemeente en dat zij is vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Een bijstandsuitkering vermindert de behoefte van de vrouw niet gelet op het subsidiaire
(vangnet) karakter ervan. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd omtrent de situatie van de vrouw ziet het hof geen aanleiding verdiencapaciteit aan de vrouw toe te rekenen mede nu zij is belast met de dagelijkse zorg voor [de minderjarige] en haar extra zorg behoevende zoon. Eventuele toeslagen waar de vrouw aanspraak op heeft zijn evenmin van invloed op haar behoeftigheid (vgl. ECLI:NL:HR:2017:1273). Uit het voorgaande volgt dat de behoeftigheid van de vrouw kan worden becijferd in dit jaar op € 810,- netto per maand.

* de draagkracht van de man voor partneralimentatie

5.14

Het hof heeft voor de berekening van de draagkracht van de man voor partneralimentatie een afzonderlijke berekening gemaakt waarin rekening is gehouden met de prevalerende kinderalimentatie en daarnaast met woonlasten en ziektekosten. Het hof gaat bij gebrek aan gegevens uit van een kale huur in 2014 van € 430,- per maand, waarbij het hof aansluiting heeft gezocht bij de hoogte van de huurlast van de man in 2015 van circa € 435,-. Voor premie ziektekosten zal het hof naar redelijkheid een bedrag van € 100,- per maand in aanmerking nemen. Het hof heeft voorts een proefberekening gemaakt voor de hoogte van de zorg- en huurtoeslag zijnde respectievelijk € 72,- en € 94,- per maand. Het hof zal verder een last van € 90,- per maand in aanmerking nemen voor de algemene (gepubliceerde) kosten van het beschermingsbewind. Het hof ziet geen aanleiding hiernaast nog andere (noodzakelijke) lasten ten laste te brengen van de draagkracht van de man voor partneralimentatie. De kosten van andere verzekeringen, [F] en [G] waar in de stukken melding van is gemaakt zijn geen lasten die bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen afzonderlijk in aanmerking worden genomen en voor zover de man heeft verwezen naar zijn schulden (anders dan de alimentatie-achterstand) heeft de man geen inzage gegeven in de achtergronden en noodzaak ervan.
5.15 Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de man een draagkracht heeft voor partneralimentatie (inclusief fiscaal voordeel) van € 22,- per maand.

Jusvergelijking
5.16 Het hof heeft een jusvergelijking gemaakt om te berekenen of de vrouw bij toekenning van partneralimentatie meer vrij te besteden ruimte overhoudt dan de man. Daarbij is het hof voor wat betreft de woonlasten van de vrouw en ziektekosten uitgegaan van de (onbetwiste) gegevens in de draagkrachtberekening die namens haar in eerste aanleg zijn overgelegd bij het journaalbericht van 3 februari 2017. Het betreft een kale huur van € 516,- per maand en een premie ziektekosten van € 152,- per maand. De andere lasten van de vrouw laat het hof buiten beschouwing nu de noodzaak en achtergronden daarvan niet zijn aangetoond. Het betreft de lasten onder post 127, 132 en 134 in die draagkrachtberekening. Aan beide zijden heeft het hof (in alle jaren) de toeslagen buiten beschouwing gelaten in de jusvergelijking overeenkomstig de jurisprudentie hierover van de Hoge Raad (vgl. r.o. 3.6 in ECLI:NL:HR:2017:1273). Gelet op de uitkomst van de jusvergelijking vindt het hof het redelijk de partneralimentatie voor 2014 op nihil te bepalen.

Conclusies
5.17 Gelet op het voorgaande zal het hof de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie in 2014 bepalen op € 90,- per maand en de partneralimentatie op nihil.

Ten aanzien van 2015
De kinderalimentatie
* de behoefte
5.18 De naar 2015 geïndexeerde behoefte van de minderjarige is afgerond € 192,- per maand.

* de draagkracht van de man
5.19 Uit de overgelegde jaaropgaven 2015 blijkt dat de man in 2015 een bruto loon heeft genoten van € 15.300,- naast een bruto WW-uitkering van € 2.479,-. Dat correspondeert doorgerekend in het rekenprogramma met een NBI van € 1.282,- per maand (tarieven 2015/1). Bij dat NBI behoort op grond van de draagkrachttabel een draagkracht van afgerond € 67,- per maand. Gelet op de betwisting en het ontbreken van een nadere onderbouwing van de desbetreffende stelling van de vrouw, zal het hof ook in dit jaar voorbij gaan aan haar stelling dat de man hiernaast nog andere (zwarte) inkomsten heeft gehad.

* de draagkracht van de vrouw

5.20

De vrouw heeft naar niet in geschil is ook in dit jaar een bijstandsuitkering gehad naar de norm voor een alleenstaande ouder. In 2015 bedroeg de desbetreffende bijstandsnorm circa € 960,- per maand inclusief vakantietoeslag zijnde omgerekend naar een heel jaar
€ 11.520,- bruto. Hierbij heeft de vrouw aanspraak op € 4.313,- kindgebonden budget. Een en ander leidt doorgerekend in het rekenprogramma tot een NBI van € 1.153,- per maand en dat correspondeert in de draagkrachttabel met een (minimale) draagkracht van € 25,- per maand. In dit jaar is de vrouw bevallen van haar zoon. Nu zij echter geen inzage heeft gegeven in zijn behoefte en de mate waarin zijn vader daarin bijdraagt zal het hof hem in deze procedure buiten beschouwing laten. Overeenkomstig de eigen draagkrachtberekening van de vrouw (zie 5.16) zal in de berekening aan de zijde van de vrouw vanaf 2015 uitgegaan worden van een kindgebondenbudget voor een kind. De (minimale) draagkracht van de vrouw wordt geacht volledig beschikbaar te zijn voor [de minderjarige] .

* draagkrachtvergelijking
5.21 Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen kleiner is dan de behoefte bestaat geen aanleiding voor een draagkrachtvergelijking en dient ook in dit jaar de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderbijdrage in beginsel te worden bepaald op de bij de man beschikbare draagkracht met inachtneming van een eventuele zorgkorting, zijnde een percentage van de behoefte dat gerelateerd is aan de zorgregeling c.q. het aantal verblijfsdagen.

* de zorgkorting en conclusie kinderalimentatie

5.22

Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd omtrent de zorgregeling zal het hof uitgaan van een zorgkorting van 5% zijnde nominaal afgerond € 10,- per maand. Ook in dit jaar is het tekort aan draagkracht bij de ouders zodanig dat de man de zorgkorting niet kan verzilveren en hij zijn totale beschikbare draagkracht van € 67,- per maand dient aan te wenden voor [de minderjarige] .

De partneralimentatie

* de behoefte en behoeftigheid van de vrouw
5.23 De naar 2015 geïndexeerde behoefte van de vrouw bedraagt afgerond € 816,- netto per maand. Het hof zal ook voor dit jaar ervan uitgaan dat de behoeftigheid van de vrouw daaraan gelijk is.

* de draagkracht van de man voor partneralimentatie

5.24

Het hof heeft voor de berekening van de draagkracht van de man voor partneralimentatie een afzonderlijke berekening gemaakt waarin rekening is gehouden met de prevalerende kinderalimentatie en daarnaast met woonlasten en ziektekosten. Het hof gaat uit van een kale huur in 2015 van € 435,- per maand, zoals die blijkt uit de bijlage bij de huurverhogingsbrief 2016. Voor premie ziektekosten zal het hof naar redelijkheid een bedrag van € 100,- per maand in aanmerking nemen. Het hof heeft voorts rekening gehouden met zorg- en huurtoeslag naar hoogte zoals die uit het rekenprogramma volgt. Het hof ziet ook in dit jaar om dezelfde redenen als overwogen met betrekking tot het voorgaande jaar geen aanleiding hiernaast nog andere (noodzakelijke) lasten ten laste te brengen van de draagkracht van de man voor partneralimentatie met uitzondering van de algemene kosten van het beschermingsbewind, die blijkens publicatie voor dit jaar afgerond € 111,- per maand bedragen.

5.25

Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de man een draagkracht heeft voor partneralimentatie (inclusief fiscaal voordeel) van € 15,- per maand.

Jusvergelijking
5.26 Het hof heeft een jusvergelijking gemaakt om te berekenen of de vrouw bij toekenning van partneralimentatie meer vrij te besteden ruimte overhoudt dan de man. Daarbij is het hof aan de lastenzijde bij de vrouw uitgegaan van dezelfde onbetwiste gegevens als in 2014 en ook hier heeft het hof de toeslagen buiten beschouwing gelaten in de jusvergelijking. Uit de jusvergelijking volgt dat partijen (nagenoeg) evenveel vrij besteedbare ruimte hebben indien de man geen partneralimentatie aan de vrouw voldoet. Het hof vindt het daarom redelijk de partneralimentatie ook in 2015 op nihil te bepalen.

Conclusies
5.27 Gelet op het voorgaande zal het hof de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie in 2015 bepalen op € 67,- per maand en de partneralimentatie op nihil.

Ten aanzien van 2016
De kinderalimentatie
* de behoefte
5.28 De naar 2016 geïndexeerde behoefte van de minderjarige is afgerond € 194,- per maand.

* de draagkracht van de man
5.29 Uit de overgelegde jaaropgave 2016 blijkt dat de man in 2016 een bruto loon heeft genoten van € 16.717,-. Dat correspondeert met een NBI van € 1.259,- per maand. Bij dat NBI behoort op grond van de draagkrachttabel een (minimale) draagkracht van € 25,- per maand. Gelet op de betwisting heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat de man daarnaast nog andere (zwarte) inkomsten heeft gehad.

* de draagkracht van de vrouw

5.30

De vrouw heeft blijkens de tot de stukken behorende jaaropgaaf 2016 van haar gemeente in dit jaar een bruto inkomen gehad van € 14.896,-. Uit het rekenprogramma volgt dat zij bij dat inkomen aanspraak heeft op een kindgebonden budget voor [de minderjarige] van
€ 4.337,- in totaal op jaarbasis. Het hof heeft haar zoon buiten beschouwing gelaten gelet op de eigen draagkrachtberekening van de vrouw en omdat de vrouw geen inzage heeft gegeven in zijn behoefte en de mate waarin de vader van haar zoon daaraan bijdraagt. Een en ander leidt doorgerekend tot een NBI van de vrouw in 2016 van € 1.336,- per maand en dat correspondeert in de draagkrachttabel met een draagkracht van € 70,- per maand.

* draagkrachtvergelijking

5.31

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen kleiner is dan de behoefte bestaat geen aanleiding voor een draagkrachtvergelijking en dient de verschuldigde kinderbijdrage te worden bepaald op de bij de man beschikbare draagkracht met inachtneming van een eventuele zorgkorting.

* de zorgkorting en conclusie kinderalimentatie

5.32

Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd omtrent de zorgregeling zal het hof ook in dit jaar uitgaan van een zorgkorting van 5% zijnde nominaal afgerond € 10,- per maand. Ook in dit jaar is het tekort aan draagkracht bij de ouders zodanig dat de man de zorgkorting niet kan verzilveren en hij zijn totale beschikbare draagkracht van € 25,- per maand dient aan te wenden voor [de minderjarige] .

De partneralimentatie

* de behoefte en behoeftigheid van de vrouw
5.33 De naar 2016 geïndexeerde behoefte van de vrouw bedraagt afgerond € 827,- netto per maand. Het hof zal ook voor dit jaar ervan uitgaan dat de behoeftigheid van de vrouw daaraan gelijk is nu geen reden is daarover anders te oordelen dan hiervóór vermeld met betrekking tot de voorliggende jaren.

* de draagkracht van de man voor partneralimentatie

5.34

Het hof heeft voor de berekening van de draagkracht van de man voor partneralimentatie een afzonderlijke berekening gemaakt waarin rekening is gehouden met de prevalerende kinderalimentatie naast de woonlasten € 438,- per maand en ziektekosten van € 100,- per maand conform de door de man overgelegde gegevens. Het hof heeft voorts rekening gehouden met zorg- en huurtoeslag naar hoogte zoals die uit het rekenprogramma volgt. Het hof ziet ook in dit jaar om dezelfde redenen als overwogen met betrekking tot het voorgaande jaar geen aanleiding hiernaast nog andere (noodzakelijke) lasten ten laste te brengen van de draagkracht van de man voor partneralimentatie met uitzondering van de algemene kosten van het beschermingsbewind, die blijkens publicatie voor dit jaar afgerond € 111,- per maand bedragen. Uit de draagkrachtberekening volgt dat de man een draagkracht voor partneralimentatie heeft in 2016 van € 121,- bruto per maand.

Jusvergelijking

5.35

Het hof heeft een jusvergelijking gemaakt om te berekenen of de vrouw bij toekenning van partneralimentatie meer vrij te besteden ruimte overhoudt dan de man. Daarbij is het hof evenals in de jusvergelijking voor de voorgaande jaren voor de woonlasten van de vrouw en ziektekosten uitgegaan van de (onbetwiste) gegevens in de draagkrachtberekening die namens haar in eerste aanleg zijn overgelegd bij het journaalbericht van 3 februari 2017. Aan beide zijden heeft het hof (in alle jaren) de toeslagen buiten beschouwing gelaten in de jusvergelijking overeenkomstig de jurisprudentie hierover van de Hoge Raad (vgl. r.o. 3.6 in ECLI:NL:HR:2017:1273). Gelet op de uitkomst van de jusvergelijking vindt het hof het redelijk de partneralimentatie ook in 2016 op nihil te bepalen.

Conclusies

5.36

Gelet op het voorgaande zal het hof de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie in 2016 bepalen op € 25,- per maand en de partneralimentatie op nihil.

Ten aanzien van 2017
De kinderalimentatie
* de behoefte
5.37 De naar 2017 geïndexeerde behoefte van de minderjarige is afgerond € 198,- per maand.

* de draagkracht van de man
5.38 De jaaropgave 2017 van de man ontbreekt maar uit de overgelegde salarisspecificatie met betrekking tot de periode I-2018 blijkt een jaarloof BT, zijnde kort gezegd het fiscaal bruto loon over het voorgaande jaar dus 2017, van € 15.505,-. Dat correspondeert doorgerekend in INA (tarieven 2017/1) met een NBI van € 1.168,- per maand en dat leidt in de draagkrachttabel 2017 tot een (minimale) draagkracht van afgerond € 25,- per maand. Ook voor dit jaar gaat het hof voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man zwarte inkomsten heeft gehad nu daarvoor geen enkele onderbouwing is gegeven en ook geen concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die daarop duiden.
* de draagkracht van de vrouw

5.39

De vrouw heeft blijkens de tot de stukken behorende jaaropgaaf 2017 van haar gemeente in dit jaar een bruto inkomen gehad van € 15.064,-. Uit het rekenprogramma volgt dat zij bij dat inkomen aanspraak heeft op een kindgebondenbudget voor [de minderjarige] van

€ 4.452,- in totaal op jaarbasis. Een en ander leidt doorgerekend tot een NBI van de vrouw in 2017 van € 1.355,- per maand en dat correspondeert in de draagkrachttabel 2017 met een (forfaitaire) draagkracht van € 73,- per maand. Het hof heeft de zoon van de vrouw hierbij buiten beschouwing gelaten gelet op de eigen draagkrachtberekening van de vrouw en omdat de vrouw geen inzage heeft gegeven in zijn behoefte en de mate waarin de vader van haar zoon daaraan bijdraagt.


* draagkrachtvergelijking

5.40

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen kleiner is dan de behoefte bestaat geen aanleiding voor een draagkrachtvergelijking en dient de verschuldigde kinderbijdrage te worden bepaald op de bij de man beschikbare draagkracht met inachtneming van een eventuele zorgkorting.


* de zorgkorting en conclusie kinderalimentatie

5.41

Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd omtrent de zorgregeling zal het hof ook in dit jaar uitgaan van een zorgkorting van 5% zijnde nominaal afgerond € 10,- per maand. Ook in dit jaar is het tekort aan draagkracht bij de ouders zodanig dat de man de zorgkorting niet kan verzilveren en hij zijn totale beschikbare draagkracht van € 25,- per maand dient aan te wenden voor [de minderjarige] .


De partneralimentatie

* de behoefte en behoeftigheid van de vrouw
5.42 De naar 2017 geïndexeerde behoefte van de vrouw bedraagt afgerond € 844,- netto per maand. Het hof zal evenals in de voorgaande jaren ervan uitgaan dat de behoeftigheid van de vrouw daaraan gelijk is gelet op haar situatie en het subsidiaire karakter van haar inkomen.

* de draagkracht van de man voor partneralimentatie

5.43

Het hof heeft voor de berekening van de draagkracht van de man voor partneralimentatie een afzonderlijke berekening gemaakt waarin rekening is gehouden met de prevalerende kinderalimentatie naast de kale huur van € 448,- per maand en ziektekosten van € 108,- per maand zoals blijkt de door de man in hoger beroep overgelegde stukken. Het hof heeft voorts rekening gehouden met een huurtoeslag van € 213,- per maand en een zorgtoeslag van € 89,- per maand zoals die uit het rekenprogramma volgen. Het hof ziet ook in dit jaar om dezelfde redenen als overwogen met betrekking tot het voorgaande jaar geen aanleiding hiernaast nog andere (noodzakelijke) lasten ten laste te brengen van de draagkracht van de man voor partneralimentatie met uitzondering van de algemene kosten van het beschermingsbewind, die blijkens publicatie voor dit jaar afgerond € 111,- per maand bedragen. Uit de draagkrachtberekening volgt dat de man een draagkracht voor partneralimentatie heeft van € 17,- bruto per maand.

Jusvergelijking en conclusie

5.44

Gelet op het voorgaande zal het hof de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie in 2017 bepalen op € 25,- per maand. Het hof heeft ook voor dit jaar een jusvergelijking gemaakt. Daarbij is het hof evenals in de jusvergelijking voor de voorgaande jaren voor de woonlasten van de vrouw en ziektekosten uitgegaan van de (onbetwiste) gegevens in de draagkrachtberekening die namens haar in eerste aanleg zijn overgelegd bij het journaalbericht van 3 februari 2017. Aan beide zijden heeft het hof (in alle jaren) de toeslagen buiten beschouwing gelaten in de jusvergelijking overeenkomstig de jurisprudentie hierover van de Hoge Raad (vgl. r.o. 3.6 in ECLI:NL:HR:2017:1273). Gelet op de uitkomst van de jusvergelijking vindt het hof het redelijk de partneralimentatie ook in 2017 op nihil te bepalen.

Ten aanzien van 2018
De kinderalimentatie
* de behoefte
5.45 De naar 2018 geïndexeerde behoefte van de minderjarige is afgerond € 201,- per maand.

* de draagkracht van de man
5.46 Uit de overgelegde salarisspecificatie I-2018 blijkt dat de man een basissalaris heeft van € 1.023,12 per vier weken (60%). Het hof ziet geen reden aan te nemen dat de man daarnaast niet net als in voorgaande jaren ten minste een bruto loon van € 200,- per maand voor overwerk kan genieten, mede gelet op zijn toelichting ter zitting dat hij momenteel op projectbasis fulltime werkt. In totaal is dat op jaarbasis inclusief vakantietoeslag zo'n € 16.763,- bruto en dat correspondeert doorgerekend in Ina met een NBI van € 1.260,- per maand (tarieven 2018/1). Bij dat NBI hoort op grond van de draagkrachttabel een (minimale) draagkracht van € 25,- per maand.

* de draagkracht van de vrouw

5.47

Aan de zijde van de vrouw zal het hof uitgaan van een (minimale) draagkracht van
€ 25,- per maand in dit jaar. De uitkering van de vrouw in 2018 bedraagt in dit verband circa € 992,- per maand inclusief vakantietoeslag. Dat leidt tezamen met haar aanspraak op een kindgebonden budget voor [de minderjarige] van € 4.489,- op jaarbasis doorgerekend tot een NBI van
€ 1.192,- per maand inclusief kindgebonden budget en dat NBI correspondeert in de tabel met genoemde forfaitaire minimale draagkracht van € 25,- per maand.

* draagkrachtvergelijking, zorgkorting en conclusie

5.48

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen kleiner is dan de behoefte bestaat ook in dit jaar geen aanleiding voor een draagkrachtvergelijking en dient de verschuldigde kinderbijdrage te worden bepaald op de bij de man beschikbare draagkracht met inachtneming van de zorgkorting. Ook in dit jaar is het tekort aan draagkracht bij de ouders zodanig dat de man de zorgkorting niet kan verzilveren en hij zijn totale beschikbare draagkracht van € 25,- per maand dient aan te wenden voor [de minderjarige] .

5.49

De door de man aan de vrouw verschuldigde kinderbijdrage in 2018 kan hiermee worden becijferd op € 25,- per maand.

De partneralimentatie

* de behoefte en behoeftigheid van de vrouw
5.50 De naar 2018 geïndexeerde behoefte van de vrouw bedraagt afgerond € 857,- netto per maand. Het hof zal ook voor dit jaar ervan uitgaan dat de behoeftigheid van de vrouw daaraan gelijk is.

* de draagkracht van de man voor partneralimentatie

5.51

Het hof heeft voor de berekening van de draagkracht van de man voor partneralimentatie een afzonderlijke berekening gemaakt waarin rekening is gehouden met de prevalerende kinderalimentatie naast de kale huur van € 461,- per maand en premie ziektekosten van de man van € 110,- per maand zoals die uit de stukken blijken. Het hof heeft voorts rekening gehouden met huurtoeslag en een zorgtoeslag zoals die uit het rekenprogramma volgen. Het hof ziet ook in dit jaar om dezelfde redenen als overwogen met betrekking tot het voorgaande jaar geen aanleiding hiernaast nog andere (noodzakelijke) lasten ten laste te brengen van de draagkracht van de man voor partneralimentatie met uitzondering van de algemene kosten van het beschermingsbewind, die blijkens publicatie voor dit jaar afgerond € 111,- per maand bedragen. Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de man een draagkracht heeft voor partneralimentatie inclusief fiscaal voordeel van € 72,- per maand.

Jusvergelijking
5.52 Het hof heeft ook voor dit jaar een jusvergelijking gemaakt. Daarbij is het hof evenals in de jusvergelijking voor de voorgaande jaren voor de woonlasten van de vrouw en ziektekosten uitgegaan van de (onbetwiste) gegevens in de draagkrachtberekening die namens haar in eerste aanleg zijn overgelegd bij het journaalbericht van 3 februari 2017. Aan beide zijden heeft het hof (in alle jaren) de toeslagen buiten beschouwing gelaten in de jusvergelijking overeenkomstig de jurisprudentie hierover van de Hoge Raad (vgl. r.o. 3.6 in ECLI:NL:HR:2017:1273). Gelet op de uitkomst van de jusvergelijking vindt het hof het redelijk de partneralimentatie ook in 2018 op nihil te bepalen.

Conclusies
5.53 Gelet op het voorgaande zal het hof de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie in 2018 bepalen op € 25,- per maand en de partneralimentatie op nihil.

6
6. Aangehechte berekeningen

6.1

Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte en door de griffier van het hof gewaarmerkte berekeningen met betrekking tot het voormelde over de jaren vanaf 2014.

7
7. De slotsom

7.1

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat het hof zal beslissen als hierna vermeld.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal- en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 juni 2017 waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 7 maart 2012 op zodanige manier dat als volgt wordt beslist:

2014:
bepaalt de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2003 met ingang van
1 januari 2014 op € 90,- per maand en de door de man aan de vrouw verschuldigde uitkering tot levensonderhoud per 1 januari 2014 op nihil;

2015:
bepaalt de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2003 met ingang van

1 januari 2015 op € 67,- per maand en de door de man aan de vrouw verschuldigde uitkering tot levensonderhoud per 1 januari 2015 op nihil;

2016 e.v.:
bepaalt de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2003 met ingang van

1 januari 2016 op € 25,- per maand en de door de man aan de vrouw verschuldigde uitkering tot levensonderhoud per 1 januari 2016 op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en M.E. Allegro, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 12 juli 2018 in het openbaar uitgesproken.