Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6621

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
21-001112-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:864, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden wegens het meermalen verkrachten, het mishandelen en het bedreigen van zijn echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001112-16

Uitspraak d.d.: 23 juli 2018

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 februari 2016 met parketnummer 05-740546-15 in de strafzaak tegen

- [verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1977,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal toewijzing van de vordering van de benadeelde partij conform het vonnis van de rechtbank gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

In eerste aanleg is verdachte – kort gezegd en zakelijk weergegeven – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, wegens verkrachting van [slachtoffer] , meermalen gepleegd (feit 1), mishandeling van [slachtoffer] (feit 2) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd (feit 3).

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 11 februari 2015 te [woonplaats] (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] (zijnde verdachtes echtgenote) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten zijn penis in haar vagina brengen, en welk geweld en/of feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte (telkens) voorbij is gegaan aan het verbale en/of fysieke verzet van die [slachtoffer] en/of door zijn, verdachtes, (toenemende) bedreigingen/agressie tegen die [slachtoffer] en/of hun kinderen creëren van een angstige situatie voor die [slachtoffer] ;

2:
hij in of omstreeks 11 februari 2015, in elk geval in de maand februari 2015, te [woonplaats] zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar (krachtig) tegen haar borst, in elk geval tegen haar bovenlichaam, te stompen en/of te duwen;

3:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 11 februari 2015 te [woonplaats] [slachtoffer] (zijnde verdachtes echtgenote) en/of hun kinderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] en/of hun kinderen dreigend de woorden toegevoegd: "ik vermoord jullie" en/of "ik maak jullie allemaal af" en/of "als je oorlog wil, kun je het krijgen en dan is het een gezinsdrama" en/of "ik steek jullie allemaal neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat behoedzaam dient te worden omgegaan met de verklaring van aangeefster. De raadsman stelt dat het de vraag is of de verklaringen van de zoon en de buurvrouw voldoende betrouwbaar en solide zijn om de aangifte te ondersteunen. Indien dat niet het geval is, is niet voldaan aan het bewijsminimum en dient vrijspraak te volgen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen opzet had op de ten laste gelegde mishandeling.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen.1 Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank overnemen. Het hof overweegt aldus – met de rechtbank – als volgt.

Ten aanzien van feit 1

In de periode van 1 mei 2013 tot en met 11 februari 2015 woonde verdachte samen met zijn echtgenote [slachtoffer] (hierna: aangeefster) en hun vier kinderen, in de woning aan de [adres] te [woonplaats] . 2 In die periode heeft verdachte seks met aangeefster gehad. Aangeefster heeft hem meer dan eens laten weten dat zij geen seks wilde. 3

Aangeefster heeft op 21 mei 2015 verklaard dat de eerste keer dat zij seks met verdachte tegen haar wil had, rond mei 2013 was. De laatste keer dat zij seks met verdachte tegen haar wil had, was een paar dagen voor 12 februari 2015. Verdachte was vroeger een lieve en betrouwbaar man, maar dat is in de loop van de tijd veranderd. Hij ging veel meer drinken en qat gebruiken en dan kwam hij in de nacht dronken thuis. Aangeefster en de kinderen durfden dan niet naar beneden. Verdachte was dan heel driftig. De kinderen hebben vaak aangegeven bang voor verdachte te zijn. De man-vrouw verhouding binnen hun relatie zag verdachte als: vrouwen zijn niets, mannen hebben alles voor het zeggen. Als hij iets zei, moest het gebeuren. Over de seksuele relatie met verdachte heeft aangeefster verklaard dat verdachte in het begin heel lief was. Tijdens periodes deed hij het heel ruw en moest het ook als aangeefster het niet wilde. Na zo’n periode kwam het wel weer goed, behalve de laatste anderhalf à twee jaar. Verdachte wilde dan steeds seks, maar aangeefster had er geen zin meer in omdat zij bang voor verdachte was. Verdachte was dan altijd onder invloed van qat en was dronken als hij thuis kwam. Dan moest het gebeuren, ook al lag aangeefster te slapen. Er lag een mes onder het kussen van verdachte en in haar achterhoofd had aangeefster altijd de angst dat als ze niet zou meewerken, verdachte dat wel eens zou kunnen gebruiken. Ze zag dan de boosheid in zijn ogen en was bang dat hij het wel zou pakken. Ze weet dat hij het mes onder zijn kussen had want ze schudde het bed elke dag op en dan legde ze het mes in de keukenla of het messenblok maar hij nam het iedere dag weer mee naar boven. Het mes had hij de laatste anderhalf à twee jaar onder zijn kussen. De seks tegen haar wil gebeurde altijd thuis in de Haverlanden. Hij kwam dan in de nacht om een uur of vier dronken thuis. Zij lag dan al in bed. Als hij thuis kwam, kwam hij regelrecht naar haar toe en trok haar onderbroek uit. Zij deed haar onderbroek dan weer aan, maar hij deed die weer uit en stopte dan zijn penis in haar vagina. Ze huilde dan van de pijn en heeft wel twintig keer gezegd dat ze het niet wilde. Als hij dan uiteindelijk klaar was zei hij nog: ‘als je maar niet zegt dat dit een verkrachting is, dit hoort zo, je bent mijn vrouw’. Het was gewoon een plicht. Dit ging altijd op dezelfde manier.

Haar buurvrouw [getuige 1] (wonende op [adres] ) wist dit. Aangeefster heeft de buurvrouw over haar seksleven met verdachte verteld en tegen de buurvrouw gezegd dat aangeefster het moest toelaten. Ongeveer 9 maanden à een jaar geleden heeft aangeefster er voor het eerst met de buurvrouw over gesproken. Daarna heeft ze er met de buurvrouw nog over gesproken vlak voordat aangeefster bij verdachte wegging.

De eerste keer dat aangeefster seks tegen haar wil had met verdachte, kwam verdachte in de nacht thuis. Aangeefster hoorde dit en zat stijf van angst en trok haar dekbed over zich heen en deed alsof ze sliep. Verdachte deed het dekbed van haar af en trok haar onderbroek uit. Aangeefster zie dat ze het niet wilde en trok haar onderbroek weer aan. Dat ging nog een paar keer zo. Toen ging verdachte op haar liggen en stak zijn penis in haar vagina. Ze ging het bed niet uit omdat hij sterker was. Ze probeerde het wel, maar verdachte trok haar iedere keer weer terug. Ze heeft verdachte ook van zich afgeduwd en getrapt. Verdachte werd toen alleen maar bozer. Het ging altijd op dezelfde manier. In die periode van anderhalf à twee jaar kwam het bijna dagelijks voor. Ze heeft verdachte iedere keer duidelijk gemaakt dat ze geen seks wilde. Dat deed ze door te zeggen dat ze het niet wilde. Ze huilde en probeerde verdachte van zich af te duwen en te trappen en probeerde weg te gaan. Dat is nooit gelukt. De laatste keer, vlak voor 12 februari 2015, ging hetzelfde als de voorgaande keren. Die nacht had verdachte veel bedreigingen geuit en toen heeft aangeefster gezegd dat hij op moest houden, omdat ze anders zou scheiden. Verdachte hield zich dan een paar dagen rustig, maar dan begon het weer. In de laatste week heeft zij hem dat weer gezegd, maar toen bleef hij maar zeggen dat hij hen allemaal kapot zou maken. Als hij de kelen van de kinderen niet zou doorsnijden, zou hij de meiden meenemen naar Somalië. Aangeefster heeft verdachte wel geconfronteerd met de ongewilde seks. Ze zei hem dan dat hij haar pijn had gedaan, maar dan deed hij altijd of hij haar niet gehoord had. 4

Getuige [getuige 1] , buurvrouw van aangeefster, heeft op 1 juli 2015 verklaard dat ze eerder nog goed contact had met verdachte maar dat dat ongeveer drie jaar geleden veranderde. Aangeefster trok zich terug en zag er slecht uit. Ook verdachte zag er toen slecht uit. Hij gebruikte qat. Aangeefster vertelde [getuige 1] haar verhaal. Aangeefster heeft [getuige 1] verteld dat verdachte dreigend tegenover haar stond. Dat hij tegen haar zei dat ze bij verdachte weg mocht gaan, maar dat ze dan haar kinderen niet meer levend zou zien. Verdachte sliep met een mes onder zijn kussen. [getuige 1] heeft dat mes zelf ook gezien. Zelfs de kinderen wisten van dat mes. Door de dunne muren heeft [getuige 1] zelf ook de bedreigingen gehoord. Ze hoorde opmerkingen als: ‘vuile rothoer, wie denk jij wel dat je bent, ik steek een mes in je lijf, je komt hier niet levend de deur uit’. Dat waren momenten dat verdachte zwaar gedronken had en aan de qat zat. Dat is vaak gebeurd. Later heeft [getuige 1] ook het hele verhaal van aangeefster gehoord. Het gebeurde ook dat aangeefster veel alleen zat, dan verdween verdachte weer een avond of hele nacht, dan was aangeefster bang voor het moment dat hij weer thuis zou komen. Want dan begon het weer. [getuige 1] heeft verdachte vaak dronken gezien, dan lag hij op de bank te slapen. [getuige 1] zei hem dat hij dat niet kon maken tegenover de kinderen, maar hij zei dat hij uitmaakte wat er in huis gebeurde. [getuige 1] liep erheen om te kijken wat er aan de hand was omdat ze het niet vertrouwde. Dan keek verdachte haar vuil aan en ging de deur uit, zijn vrouw en kinderen huilend achterlatend. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte vrouwen minderwaardig vindt. [getuige 1] heeft twee keer gezien dat verdachte zijn oudste zoon met een riem aframmelde en één keer heeft zij dat gehoord door de muur heen. Over de laatste drie jaar heeft [getuige 1] verklaard dat aangeefster verdachte heeft meegedeeld dat zij wilde scheiden. Eerst wilde verdachte dat ook, maar later, toen de papieren kwamen, ging hij eisen stellen. Toen wilde aangeefster ook geen gemeenschap meer. Toen is het begonnen. Verdachte smeet aangeefster op bed en had gemeenschap met haar, hij moest en zou gemeenschap hebben met een vrouw. Aangeefster moest meedoen, of ze nou wilde of niet. Verdachte had er recht op. Dan belde aangeefster [getuige 1] ’s morgens op en vertelde ze dat, ze moest het kwijt. Aangeefster vertelde over het op bed smijten maar ook dat wanneer aangeefster lag te slapen, verdachte haar omdraaide en ruw bij haar binnendrong. Ook hoorde [getuige 1] door de openstaande ramen dat verdachte tegen aangeefster tekeer ging. Dat ze moest en zou. Dat deed aangeefster dan. ’s Nachts is [getuige 1] er niet naar toe gegaan. [getuige 1] hoorde aangeefster dan ‘nee, nee’ zeggen en aangeefster lag te huilen. Dat waren momenten dat verdachte gedronken had. Dat kon [getuige 1] horen aan hem en de blikjes lagen dan buiten op straat. Aangeefster heeft [getuige 1] vaak verteld dat dit gebeurde. Zeker één à twee keer in de drie weken. [getuige 1] heeft één keer echt zelf gehoord dat dit tegen de wil van aangeefster in gebeurde. Dat aangeefster ook riep dat verdachte haar met rust moest laten en haar moest laten gaan. Aangeefster ook verteld dat het pijn deed. Ze is gewoon bang. 5

Getuige [getuige 2] , zoon van aangeefster en verdachte, heeft verklaard over zijn vader dat wanneer hij thuis kwam, hij agressief was en vaak dronken. Hij gebruikte ook qat. Als verdachte gedronken had en [getuige 2] deed iets verkeerd, dan werd verdachte agressief. Hij sloeg dan, ook met een riem, en schopte. Verdachte sloeg vooral [getuige 2] . Meestal ging verdachte ’s avonds weg en kwam dan hele nacht niet thuis en als hij thuis kwam, was hij dronken. Verdachte praat dan over hoeren en homo’s. Alle vrouwen in Nederland zijn hoeren. Soms bedreigde verdachte hen ook. [getuige 2] hoorde verdachte dan zeggen dat hij hen allemaal zou neersteken. [getuige 2] hoorde dat vanuit zijn bed. Van het slaan van [getuige 2] door verdachte is bijna altijd wel iemand getuige geweest. Meestal zijn zusjes of zijn moeder en ook zijn buurvrouw.

Volgens [getuige 2] was de relatie tussen zijn vader en moeder in het begin wel goed maar werd die steeds slechter. Zijn vader wilde steeds minder doen en kwam dronken thuis. Verdachte beloofde te stoppen met lang weg blijven en met drinken, die qat, maar dat dan heel even goed en dan ging het weer verder. Verdachtes dreigen werd steeds erger. Verdachte sliep met een mes onder zijn kussen en was steeds vaker dronken. Hij ging steeds vaker dreigen dat hij hen ging vermoorden. Dat zei verdachte tegen hen en tegen zijn moeder. Dan zei verdachte dat hij hen ging omleggen. [getuige 2 zijn] moeder had hem verteld over het mes onder het kussen en toen is [getuige 2] gaan kijken en zag een groot broodmes onder het kussen van verdachte. Van wat er tussen zijn vader en moeder is gebeurd, heeft [getuige 2] bijna alles wel gehoord. Het was meestal in de nacht en [getuige 2] sliep op zolder en hoorde het dan. De deur van de kamer van zijn vader en moeder zat nooit dicht en dan hoorde hij hen praten. Hij hoorde zijn moeder dan zeggen dat verdachte van haar af moest blijven. Dit gebeurde meer dan één keer. Hij heeft zijn vader een keer tegen zijn moeder horen zeggen dat ze een hoer was en dat ze moest pijpen voor geld. [getuige 2] durfde niet naar beneden omdat er dan wat ergs kon gebeuren. Dan zou hij verdachte bozer hebben gemaakt. Aangeefster heeft [getuige 2] verteld dat ze aangifte heeft gedaan van verkrachting. Op de vraag van de verbalisanten of [getuige 2] daar wel eens iets van gezien of gehoord heeft, heeft [getuige 2] geantwoord: “ja gehoord wel denk ik, dat van ‘blijf van me af’, denk ik.” 6

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat sprake zou zijn van onvoldoende wettig bewijs, overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 342, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 januari 2010 (LJN: BK2094; NJ 2010/512) overwogen dat de in artikel 342, lid 2, Sv neergelegde bewijsminimum-regel ziet op de tenlastelegging in haar geheel. De Hoge Raad heeft in dit arrest voorts overwogen dat deze bepaling de rechter verbiedt om tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en deze onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster dat verdachte, ondanks haar verbale en fysieke verzet, seks met aangeefster had en dat zij bang was dat, als ze niet meewerkte, verdachte het mes onder zijn kussen zou gebruiken, ook vanwege zijn (toenemende) bedreigen en agressiviteit, op essentiële punten en in voldoende mate steun vindt in de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , zoals hiervoor weergegeven. Beiden hebben het mes onder het kussen van verdachte gezien en hebben de bedreigingen gehoord die verdachte naar aangeefster uitte. [getuige 1] heeft ’s nachts gehoord dat verdachte tegen aangeefster tekeer ging, dat ze moest en zou en [getuige 1] hoorde aangeefster dan ‘nee, nee’ zeggen en huilen. [getuige 1] heeft aangeefster één keer horen roepen dat hij haar met rust moest laten en moest laten gaan. [getuige 2] heeft ’s nachts gehoord dat aangeefster zei dat verdachte van haar af moest blijven. Dat de verklaringen van de getuigen over wat zij ’s nachts hoorden, betrekking zouden hebben op iets anders dan door verdachte van aangeefster afgedwongen seks, is niet aangevoerd en overigens ook niet aannemelijk. Aangeefster heeft immers niet verklaard dat verdachte ’s nachts ander dan seksueel geweld op haar uitoefende.

Gelet op voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig bewijs in de zin van artikel 342, lid 2, Sv, afkomstig uit meer dan één bron. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar onderbroek uittrok, haar terugtrok in bed, dat hij voorbij is gegaan aan haar verbale en fysieke verzet en dat verdachte, door het mes onder het kussen en door verdachtes bedreigingen en agressie tegen aangeefster, een angstige situatie voor aangeefster heeft gecreëerd en dat zij daardoor gedurende de laatste periode van haar relatie met verdachte tegen haar wil seks met hem heeft gehad. Deze handelingen en feitelijkheden zijn naar oordeel van de rechtbank te kwalificeren als het door geweld, bedreiging met geweld of andere feitelijkheid dwingen van aangeefster tot het ondergaan van gemeenschap met verdachte.

Aangeefster heeft meerdere verklaringen afgelegd. De rechtbank acht die verklaringen consistent en mede gelet op de ondersteuning in de hiervoor genoemde verklaringen, daarom ook betrouwbaar. Gelet op het voorgaande en de hierna weergegeven verklaring van verdachte, heeft het de rechtbank uit de wettige bewijsmiddelen ook de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte heeft bij de politie, gevraagd naar het feit, verklaard: ‘Wij waren toch getrouwd, hoezo verkrachting’. 7 Verdachte heeft ook verklaard dat hij van de politie voor het eerst gehoord heeft dat een vrouw binnen het huwelijk verkracht kan worden. 8

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is weergegeven, acht het hof – evenals de rechtbank – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Dat getuige [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris op een aantal punten min of meer concluderend heeft verklaard doet naar oordeel van het hof niet in een wezenlijke mate afbreuk aan haar verklaring afgelegd bij de politie. Immers, daar waar zij wel evident uit eigen waarneming en wetenschap verklaart, betreft het punten die ook contextueel wezenlijk steun geven aan de belastende verklaringen van aangeefster.

Ten aanzien van feit 2

In februari heeft verdachte aangeefster ter hoogte van haar borsten geduwd in hun woningen in [woonplaats] . 9

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar, vermoedelijk één dag na 10 februari 2015, in hun woning met zijn vuist met kracht tegen haar borst heeft geslagen. Dit deed haar enorm veel pijn. Door de mishandeling is haar borst erg blauw geweest. Haar buurvrouw heeft het letsel gezien. 10

Getuige [getuige 1] , buurvrouw van aangeefster, heeft verklaard dat zij op 10 februari 2015 (het hof begrijpt: 11 februari 2015) hoorde dat verdachte en aangeefster ruzie hadden. Nadat verdachte weg was gegaan, heeft aangeefster [getuige 1] laten zien dat ze blauwe plekken op haar borsten had. Aangeefster vertelde haar dat dit kwam omdat verdachte haar geduwd had. 11

Naar oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van aangeefster voldoende steun in de verklaring van [getuige 1] en die van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster ter hoogte van haar borsten heeft geduwd. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster met kracht tegen haar borst heeft geduwd of gestompt. Borsten zijn gevoelig en kwetsbaar vanwege de klieren die zich hierin bevinden. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat dit duwen of stompen vlak daarna bij aangeefster (blauwe) plekken op haar borsten heeft veroorzaakt. Dat aangeefster tegenover [getuige 1] heeft verklaard geslagen te zijn, maakt haar verklaring niet minder betrouwbaar. De rechtbank acht niet uitgesloten dat aangeefster de harde duw heeft ervaren als een stomp.

Gelet op het voorgaande acht het hof – evenals de rechtbank – het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

Aangeefster heeft verklaard op 24 februari 2015 dat verdachte de afgelopen anderhalf jaar een depressie heeft en dat zij sindsdien erg bang voor hem is geworden. Verdachte slaapt sindsdien ook met een mes in bed. Verdachte heeft vaker aangegeven dat hij aangeefster en de kinderen wil vermoorden. Aangeefster ziet verdachte hiertoe in staat. Het gebruik van qat bij verdachte is ook erg toegenomen. Verdachte is ook vaak weggelopen van huis en kwam dan ’s nachts of ’s ochtends dronken thuis. Ongeveer drie weken geleden heeft aangeefster verdachte laten weten dat ze wilde scheiden. Ze kreeg gevoelens voor een andere man. Verdachte heeft haar daarmee, vermoedelijk op 10 februari 2015, geconfronteerd. Die avond kwam verdachte omstreeks 22.00 uur thuis. Aangeefster zag dat hij veel alcohol had gedronken. Hij zei tegen haar: ‘ik maak jullie af’. Die nacht heeft verdachte die bedreiging meerdere keren geuit. De volgende avond kwam verdachte weer dronken thuis en bedreigde haar en de kinderen weer met de dood. Aangeefster was er van overtuigd dat hij die bedreigingen ten uitvoer zou brengen. Verdachte zei dat als ze oorlog wilde, ze oorlog kon krijgen en dat het dan een gezinsdrama is. Weer liet verdachte weten dat hij haar en de kinderen dood ging maken. De kinderen lagen toen in bed. 12 In de laatste week voor aangeefster op 12 februari 2015 uit huis is gegaan bleef verdachte maar zeggen dat hij hen allemaal kapot zou maken. Als hij de kelen van de kinderen niet zou doorsnijden zou hij de meiden meenemen naar Somalië. 13

Getuige [getuige 2] , de zoon van aangeefster en verdachte, heeft verklaard over zijn vader dat hij thuis kwam, hij agressief was en vaak dronken. Hij gebruikte ook qat. Als verdachte gedronken had en [getuige 2] deed iets verkeerd, dan werd verdachte agressief. Meestal ging verdachte ‘s avonds weg en kwam dan de hele nacht niet thuis en als hij thuis kwam, was hij dronken. Soms bedreigde verdachte hen ook. [getuige 2] hoorde verdachte dan zeggen dat hij hen allemaal zou neersteken. [getuige 2] hoorde dat vanuit zijn bed. Verdachte schreeuwt dan en dan werd [getuige 2] wakker. Volgens [getuige 2] was de relatie tussen zijn vader en moeder in het begin wel goed maar werd die steeds slechter. Zijn vader wilde steeds minder doen en kwam dronken thuis. Verdachte beloofde te stoppen met lang weg blijven en drinken, die qat maar dat ging dan heel even goed en dan ging het weer verder. Verdachtes dreigen werd steeds erger. Verdachte sliep met een mes onder zijn kussen en was steeds vaker dronken. Hij ging steeds vaker dreigen dat hij hen ging vermoorden. Dat zei verdachte tegen hem en tegen zijn moeder. Dat verdachte hen ging omleggen. [getuige 2 zijn] moeder had hem verteld over het mes onder het kussen en toen is [getuige 2] gaan kijken en zag een groot broodmes onder het kussen van verdachte. Het ergst van het gedrag van zijn vader vond [getuige 2] dat verdachte ’s nachts begon te schreeuwen dat hij hen zou gaan vermoorden en hen iets aan zou doen. Dat maakte hem heel bang en dan werd het wel eens stil en dacht hij dat hij zijn moeder de volgende dag niet meer zou zien. 14

Getuige [getuige 1] , buurvrouw van aangeefster, heeft op 1 juli 2015 verklaard dat ze eerder nog goed contact had met verdachte maar dat dat ongeveer drie jaar geleden veranderde. Aangeefster trok zich terug en zag er slecht uit. Aangeefster vertelde [getuige 1] het verhaal. Ook verdachte zag er toen slecht uit. Hij gebruikte qat. Aangeefster heeft [getuige 1] verteld dat verdachte bedreigend tegenover haar stond. Dat ze bij verdachte weg mocht gaan maar dat ze dan haar kinderen niet meer levend zou zien. Verdachte sliep met een mes onder zijn kussen. [getuige 1] heeft dat mes zelf ook gezien. Zelfs de kinderen wisten van dat mes. Door de dunne muren heeft [getuige 1] zelf ook de bedreigingen gehoord. Opmerkingen als: ‘vuile rothoer, wie denk jij wel dat je bent, ik steek een mes in je lijf, je komt hier niet levend de deur uit’. Dat waren dan de momenten dat verdachte dan zwaar gedronken had en aan de qat zat. Dat is vaak gebeurd. Later heeft [getuige 1] ook het hele verhaal van aangeefster gehoord. Het gebeurde ook dat aangeefster veel alleen zat, dan verdween verdachte weer een avond of hele nacht, dan was aangeefster bang voor het moment dat hij weer thuis zou komen. Want dan begon het weer. [getuige 1] heeft verdachte vaak dronken gezien. 15

Naar oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van aangeefster voldoende steun in de verklaring van [getuige 1] en in de verklaring van [getuige 2] , zoals hiervoor weergegeven. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] hebben zelf bedreigingen van verdachte gehoord. Uit de inhoud van de verklaringen volgt dat de bedreigingen concreet zijn en gericht tegen aangeefster en haar kinderen. Die bedreigingen hebben ook [getuige 2] bereikt. Dat [getuige 2] beïnvloed zou zijn door zijn moeder om te verklaren zoals hij heeft gedaan, is geenszins aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande acht het hof – evenals de rechtbank – het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 11 februari 2015 te [woonplaats] (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] (zijnde verdachtes echtgenote) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten zijn penis in haar vagina brengen, en welk geweld en/of feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte (telkens) voorbij is gegaan aan het verbale en/of fysieke verzet van die [slachtoffer] en/of door zijn, verdachtes, (toenemende) bedreigingen/agressie tegen die [slachtoffer] en/of hun kinderen creëren van een angstige situatie voor die [slachtoffer] ;

2:
hij in of omstreeks 11 februari 2015, in elk geval in de maand februari 2015, te [woonplaats] zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar (krachtig) tegen haar borst, in elk geval tegen haar bovenlichaam, te stompen en/of te duwen;

3:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 11 februari 2015 te [woonplaats] [slachtoffer] (zijnde verdachtes echtgenote) en/of hun kinderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] en/of hun kinderen dreigend de woorden toegevoegd: "ik vermoord jullie" en/of "ik maak jullie allemaal af" en/of "als je oorlog wil, kun je het krijgen en dan is het een gezinsdrama" en/of "ik steek jullie allemaal neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – dat verdachte gedurende een langere periode zijn echtgenote meermalen heeft verkracht. Hij is daarbij voorbij gegaan aan haar verbale en fysieke verzet. Verdachte heeft door zijn handelen enkel en alleen gehandeld ter bevrediging van zijn eigen seksuele gevoelens, zonder ook maar enig moment na te denken over het welzijn van zijn echtgenote en de gevolgen voor haar. Ook heeft verdachte zijn echtgenote mishandeld door haar tegen haar borst te slaan of te duwen en haar en hun kind herhaaldelijk bedreigd. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen gedurende een lange periode de lichamelijke en seksuele integriteit van zijn echtgenote in ernstige mate geschonden, maar heeft ook voor het hele gezin een zeer onveilige en bedreigende leefomgeving geschapen en in stand gehouden in hun eigen huis, de plaats waar zij zich juist veilig moeten kunnen voelen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en noodzakelijk is.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juni 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De raadsman heeft bepleit dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn slechts in een beperkte mate overschreden, onder meer door het verzoek van de verdediging tot het horen van aangeefster [slachtoffer] . Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

Alles afwegende komt het hof tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft gezeten. Het hof ziet – evenals de rechtbank – geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.747,72 (bestaande uit een bedrag van

€ 6.747,72 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.624,00 (bestaande uit een bedrag van € 624,00 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade).

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De benadeelde partij heeft echter verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een bedrag van € 20.000,00 (waarvan € 1517,72 ter compensatie van de materiële schade en het overige ter compensatie van de immateriële schade).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen conform het vonnis van de rechtbank.

De verdediging heeft verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld aansluiting te zoeken bij het bedrag zoals door de rechtbank is bepaald.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, het voegingsformulier met bijlagen en de aanvullende stukken is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte ernstig psychisch leed ondervindt. Er is sprake (geweest) van PTSS-klachten, dissociaties en suïcidaliteit en verdachte is opgenomen in de gesloten kliniek van Pro Persona in Ede. In verband met de aard en de ernst van het letsel van de benadeelde partij en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof een bedrag van € 6.000,00 aan smartengeld billijk. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade overweegt het hof dat wat betreft de gevorderde reiskosten, voor zover die zien op de reiskosten die gemaakt zijn in verband met een onderzoek naar de omgangsregeling en in verband met het verkrijgen van een identiteitskaart in verband met de echtscheiding, onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten zijn gemaakt ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten. Dit geldt eveneens voor de kosten voor de aanschaf van een andere mobiele telefoon en de kosten van een identiteitskaart. Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering in zoverre deze ziet op de deze kosten. Voor dat deel kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voor het overige acht het hof de materiële schade voldoende onderbouwd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 6.624,00.

De gevorderde wettelijke rente is ten aanzien van de verschillende schadeposten, die voor de benadeelde partij op verschillende data zijn of zullen ontstaan en ter zake waarvan verdachte met de betaling op verschillende data in verzuim is geraakt of in verzuim zal raken, als volgt toewijsbaar:

  • -

    Eigen risico ziektekostenverzekering (€ 385,00): vanaf 18 februari 2016;

  • -

    Reiskosten (€ 149,00): vanaf 1 augustus 2015;

  • -

    Vervanging sloten (€ 90,00): vanaf 25 juni 2015;

  • -

    Immateriële schade (€ 6.000,00): vanaf 15 maart 2014, zijnde ongeveer de datum halverwege de bewezenverklaarde periode.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof ziet geen aanleiding om – zoals door de vertegenwoordiger van de benadeelde partij is verzocht – de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een bedrag van € 20.000,00 (waarvan € 1517,72 ter compensatie van de materiële schade en het overige ter compensatie van de immateriële schade).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 242, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.624,00 (zesduizend zeshonderdvierentwintig euro) bestaande uit € 624,00 (zeshonderdvierentwintig euro) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.624,00 (zesduizend zeshonderdvierentwintig euro) bestaande uit € 624,00 (zeshonderdvierentwintig euro) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 68 (achtenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

- 25 juni 2015 over een bedrag van € 90,00

- 1 augustus 2015 over een bedrag van € 149,00

- 18 februari 2016 over een bedrag van € 385,00

en van de immateriële schade van € 6.000,- op 14 maart 2014.

Aldus gewezen door

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. C.P.J. Scheele, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I. Vugs, griffier,

en op 23 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. C.P.J. Scheele is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 23 juli 2018.

Tegenwoordig:

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. A. de Vries, advocaat-generaal,

mr. R.W.P. Soons, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 De bewijsmiddelen zijn terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015108309, gesloten op 23 september 2015 en de in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 26, 28; proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 31, 32.

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting eerste aanleg van 4 februari 2016.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 27 t/m 30.

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 32 t/m 35.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 38 t/m 43.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 46.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 60.

9 Verklaring van verdachte ter terechtzitting eerste aanleg van 4 februari 2016; proces-verbaal van verhoor van verdachte p. 55 t/m 57.

10 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] p. 69 t/m 71.

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 79.

12 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 68 t/m 70.

13 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 29.

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 38, 39, 41, 42.

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 32, 33.