Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6591

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
200.232.245/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; ontruiming gehuurde woning wegens betalingsachterstand huur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.232.245/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6185903 \ CV EXPL 17-7251)

arrest van 17 juli 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. K.A. Faber, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

28 juni 2017 en 6 december 2017 die de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ex artikel 254 lid 5 Rv (hierna: de voorzieningenrechter) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 januari 2018,
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek,

- de memorie van grieven.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Op verzoek van het hof heeft de advocaat van [appellant] nog de in het overgelegde dossier ontbrekende dagvaarding in verzet d.d. 26 juli 2017 van [geïntimeerde] verstrekt. De in die verzetdagvaarding genoemde producties heeft het hof niet ontvangen. Voor zover van belang zal het hof hierna beoordelen of daaraan gevolgen moeten worden verbonden en zo ja, welke.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep kort gezegd vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter van 6 december 2017 en alsnog toewijzing van zijn vorderingen, alsmede veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van hetgeen deze ter uitvoering van het te vernietigen vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

3.2

[appellant] is eigenaar van de woning aan de [a-straat 1] te [A] (hierna: de woning). De woning bevindt zich op het erf van [appellant] , naast diens woonboerderij.

3.3

[geïntimeerde] huurt sinds 1 februari 2016 de woning van [appellant] . [geïntimeerde] dient voor de huur maandelijks bij vooruitbetaling € 580,- aan [appellant] te voldoen. Tot ongeveer

25 maart 2017 zorgde de Kredietbank Nederland in het kader van het budgetbeheer van [geïntimeerde] voor de betaling van de huurpenningen. Na deze datum diende [geïntimeerde] dat weer zelf te doen.

3.4

Vanaf april 2016 heeft [appellant] circa acht maanden in Indonesië verbleven. [appellant] heeft in verband daarmee [geïntimeerde] verzocht om op zijn thuisblijvende achttienjarige zoon en (huis)dieren te passen, alsmede om enige werkzaamheden te verrichten.

3.5

Bij brief van 29 november 2016 heeft [appellant] onder meer het volgende aan [geïntimeerde] bericht:

“Middels dit aangetekende stuk willen wij u aangeven dat wij de huur van ons pand aan de [a-straat 1] te [A] met u wensen te beëindigen. De betreffende reden hiervoor is dat we de woning dringend voor eigen gebruik nodig zijn. Tevens heeft u dusdanig veel vernielingen op het erf toegebracht dat wij hiervan overlast ondervinden en ook op deze gronden de huur wettelijk mogen beëindigen onder de noemer overlast. (…) U dient de woning schoon met de complete inboedel in goede staat achter te laten voor 1 februari 2017.

(…).

U wordt verzocht binnen 6 weken na dagtekening uw akkoord schriftelijk te bevestigen aan ons op onderstaand adres(…)”

3.6

Bij e-mailbericht van 13 januari 2017 heeft [geïntimeerde] jegens [appellant] bezwaar gemaakt tegen beëindiging van de huurovereenkomst. Daarbij heeft [geïntimeerde] vermeld dat een beëindiging niet conform het contract is en heeft hij betwist dat er sprake is van vernielingen.

3.7

Begin maart 2017 heeft [geïntimeerde] een WhatsApp bericht aan [appellant] gestuurd met onder meer de navolgende tekst:

“Hey [appellant] . Er is voor de laatste keer huur overgemaakt. Vanaf 01-04-2017 is de huur opgezecht. Ik zal hier ook nog even een schrijven via de mail van verzenden. Mvg [geïntimeerde] .”

[appellant] heeft op 6 maart 2017, voor zover van belang, de volgende reactie gestuurd:

“Onlangs liet u middels een whatsapp bericht weten dat u per 1-4-2017 de huur opzegt. Ik wil u wijzen op de juridische kanten hiervan. In het huurcontract staat duidelijk vermeld dat dit schriftelijk dient te gebeuren. Ik adviseer u dat per aangetekende brief te doen zodat u daar een verzendbewijs van heeft. Ik accepteer de opzegdatum van 1-4-2017, mits u die schriftelijk bevestigd deze week (…)”

[geïntimeerde] heeft daarop op 6 maart 2017 onder meer geantwoord:

“Dat is fijn om te horen. Ik zal u deze week een getekende brief per pdf toesturen naar u
e-mailadres. De sleutels van het huisje zal ik u aangetekend versturen (…). “

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellant] heeft [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard en – kort gezegd – na vermeerdering van eis gevorderd te oordelen dat de huurovereenkomst per 1 februari 2017 is geëindigd en/of per 1 april 2017 en/of op een door de rechtbank te bepalen tijdstip, veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming van de woning en deze ontruimd te houden op straffe van een dwangsom, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de achterstallige huurtermijnen alsmede voor de maanden waarover hij nog genot van het gehuurde heeft gehad.

4.2.

De voorzieningenrechter heeft bij verstekvonnis van 28 juni 2017 [geïntimeerde] veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom, tot betaling van € 1.380,- aan achterstallige huur en gebruiksvergoeding en tot betaling van € 580,- dat [geïntimeerde] de woning na 1 juli 2017 nog in gebruik heeft tot aan de ontruiming. [geïntimeerde] is in de proceskosten veroordeeld.

4.3.

[geïntimeerde] is tegen dit vonnis in verzet gekomen, welk verzet er toe heeft geleid dat de voorzieningenrechter bij het bestreden vonnis van 6 december 2017 het verstekvonnis van

28 juni 2017 heeft vernietigd en de vorderingen van [appellant] alsnog heeft afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Volgens de grieven van [appellant] heeft de voorzieningenrechter ten onrechte de gevorderde vordering tot ontruiming niet toegewezen (grief I), ten onrechte niet bewezen geacht dat sprake is van een huurachterstand (grief II), ten onrechte geoordeeld dat de huurovereenkomst door [appellant] niet is ontbonden of beëindigd (grief III) en ten onrechte niet bewezen geacht dat er een verband is tussen de overlast en de huurovereenkomst en dat de vordering op deze gronden niet slaagt (grief IV). De grieven lenen zich, rekening houdend met door [geïntimeerde] in eerste aanleg gevoerde verweren, voor gezamenlijke beoordeling.

5.2

Het hof stelt voorop dat in een kort geding procedure alleen voorlopige voorzieningen kunnen worden getroffen en geen beslissingen kunnen worden gegeven die de rechtstoestand van partijen vaststellen. Dat brengt mee, zoals door de voorzieningenrechter in het verstekvonnis van 28 juli 2017 terecht is overwogen, dat voor het geven van een declaratoir in dit kort geding geen ruimte is. Voor zover de grieven van [appellant] er toe zouden strekken om alsnog vast te stellen met ingang van welke datum de huurovereenkomst tussen partijen is geëindigd (petitum inleidende dagvaarding onder 1.) stuiten zij daarop af.

5.3

Ten aanzien van grief III overweegt het hof dat deze berust op een onjuiste lezing van rechtsoverweging 4.5 van het vonnis van 6 januari 2017. De voorzieningenrechter heeft immers niet geoordeeld dat [appellant] de huurovereenkomst niet heeft ontbonden of beëindigd, maar geoordeeld dat de enkele opzegging van de huurovereenkomst deze niet doet eindigen, en dat gezien het door [geïntimeerde] gemaakte bezwaar daartegen door [appellant] een procedure tot beëindiging van de huurovereenkomst moet worden gestart om op de in de wet gegeven gronden tot beëindiging van de huurovereenkomst te komen.

5.4

Voor zover [appellant] met deze grief opkomt tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.9 van het vonnis - kort gezegd dat het vooralsnog onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de huurovereenkomst op grond van dringend eigen gebruik dient te worden beeindigd - faalt de grief. [appellant] heeft in hoger beroep geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd dan die door de voorzieningenrechter op goede gronden zijn verworpen. Het hof verenigt zich met diens oordeel en neemt dat over. Grief III faalt.

5.5

Anders dan de voorzieningenrechter acht het hof voorshands aannemelijk dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden wegens een tekortkoming op grond van de in hoger beroep door [appellant] gestelde feiten en omstandigheden. Het hof overweegt daartoe het volgende.

5.6

[appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] sinds juli 2017 geen huur meer heeft betaald en dat daardoor een huurachterstand tot en met maart 2018 is ontstaan van
€ 6.264,71. Daarbij heeft [appellant] onder verwijzing naar een kopie van een afschrift van zijn bankrekening gemotiveerd betwist dat hij een door [geïntimeerde] in eerste aanleg gestelde betaling van een bedrag van € 1.740,- heeft ontvangen. Volgens dat bankafschrift betreft het een betaling van € 1,40,-. Het hof houdt het er gezien dat bankafschrift en bij gebreke van nadere onderbouwing van de zijde van [geïntimeerde] voor dat hij geen betaling van een bedrag van € 1.740,- heeft verricht. Het hof gaat er wel van uit dat de in eerste aanleg door [geïntimeerde] gestelde betalingen in mei 2017 en juni 2017 van elk € 580,- – zoals genoemd in rechtsoverweging 4.11 van het vonnis waarvan beroep – door [appellant] zijn ontvangen, nu hij de ontvangst van deze bedragen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Een aldus nader berekende huurachterstand van € 5.104,71, die betrekking heeft op een periode van meer dan drie maanden, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof in een bodemzaak ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

5.7

Bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt dient, zo nodig ambtshalve, mede te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Het hof acht gezien de oplopende huurachterstand, gevoegd bij het feit dat [geïntimeerde] , behoudens een korte periode van verblijf bij zijn vriendin, is teruggekeerd naar de woning zonder dat blijkt dat hij zijn betalingsgedrag heeft veranderd, dat spoedeisend belang aanwezig en dus een voorlopige voorziening aangewezen, aldus dat [geïntimeerde] de woning dient te ontruimen. Daar weegt niet tegen op wat door [geïntimeerde] in zijn verzetdagvaarding is gesteld, namelijk dat hij medicatie gebruikt tegen depressiviteit, dat [appellant] meerdere woningen heeft en dat [geïntimeerde] is aangewezen op zijn vriendenkring in [A] . [geïntimeerde] heeft weliswaar gesteld dat hij geen andere woonruimte kan krijgen, maar aan die stelling geen onderbouwing gegeven. Van [appellant] kan daarom in de gegeven omstandigheden niet worden gevergd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. De tot ontruiming van de woning strekkende vordering van [appellant] zal daarom worden toegewezen, een en ander zoals nader in het dictum van dit arrest is geformuleerd. Het hof ziet aanleiding om de ontruimingstermijn te stellen op dertig dagen na betekening van dit arrest. In zoverre slagen de grieven I en II.

5.8

Gelet op het voorgaande heeft [appellant] geen belang meer bij bespreking van grief IV.

5.9

Het hof zal de vordering om [geïntimeerde] te veroordelen ‘tot betaling van achterstallige huurpenningen alsmede voor de maanden waarover gedaagde ( [geïntimeerde] , hof) nog het woongenot van de woning heeft gehad’ (dagvaarding in eerste aanleg, petitum onder 3.) afwijzen omdat [appellant] ten aanzien van deze geldvordering geen spoedeisend belang heeft gesteld. Dat bij de ontruiming wel een spoedeisend belang bestaat doet daaraan niet af (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2017:8610).

Daar komt bij dat deze vordering te onbepaald is.

5.10

De vordering om [appellant] te machtigen de ontruiming door middel van ‘de sterke arm der wet’ (dagvaarding in eerste aanleg, petitum onder 5.) te bewerkstelligen indien [geïntimeerde] niet aan de veroordeling tot ontruiming voldoet is niet toewijsbaar. Artikel 556 lid 1 Rv schrijft voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een gerechtsdeurwaarder. Genoemde bepaling vormt in dit opzicht een uitzondering op het bepaalde in

artikel 3:299 BW. De gerechtsdeurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging om de hulp van de sterke arm te kunnen inroepen. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing is verklaard. Het hof ziet in het feit dat op deze wijze ontruiming kan worden bewerkstelligd aanleiding om geen dwangsom op te leggen, zoals door [appellant] is gevorderd.

5.11

[appellant] heeft terugbetaling gevorderd van al hetgeen hij ter voldoening aan het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Deze vordering is toewijsbaar. Het strookt immers met de eisen van een goede rechtspleging de mogelijkheid aan te nemen dat in hoger beroep, met het oog op het verkrijgen van een executoriale titel, aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis een vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie wordt verbonden.

6 De slotsom

6.1.

Door het slagen van eerdergenoemde grieven moet het bestreden vonnis worden vernietigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen. Het hof stelt die kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] vast op € 177,21 voor verschotten (explootkosten € 97,31, overige kosten € 1,90, griffierecht € 78,- ) en op € 600,- voor salaris gemachtigde.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 417,91 voor verschotten (€ 318,- voor griffierecht en op € 99,91 voor explootkosten) en op € 1.074,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief

(1 punt x tarief II).

7
7. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter te Leeuwarden van 6 december 2017 en doet opnieuw recht;

- veroordeelt [geïntimeerde] om binnen dertig dagen na betekening van dit arrest de woning aan de [a-straat 1] te [A] te ontruimen, te verlaten en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [appellant] te stellen;

- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] terug te betalen al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis van 6 december 2017 aan [geïntimeerde] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 177,21 voor verschotten en op € 600,- voor salaris gemachtigde en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 417,91 voor verschotten en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. I. Tubben en mr. J.H. Kuiper en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken 17 juli 2018.