Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6512

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
21-002181-17
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:608, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag, hogere straf gelet op de omstandigheden waaronder het gevecht heeft plaatsgevonden en het uitblijven van duidelijkheid voor de nabestaanden + BP deels niet-ontvankelijk (Shock-schade).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002181-17

Uitspraak d.d.: 16 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 11 april 2017 met parketnummer 05-780000-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [verdachte] ( [geboorteland] ) op [1989] ,

thans verblijvende in [detentieadres] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.D.J. Visschers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging en een andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – de tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 31 december 2015 te Zutphen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] een of meerdere

malen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam

te steken of te stoten, althans te treffen;


subsidiair:
hij op of omstreeks 31 december 2015 te Zutphen,

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de parkeerplaats van de [locatie]

aan de [adres] , in elk geval op of aan een

openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten

[slachtoffer] welk geweld bestond uit slaan en/of stompen en/of schoppen en/of

trappen en/of op/tegen de grond duwen van die [slachtoffer] en/of uit het steken

en/of stoten, althans treffen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl dit door hem gepleegde geweld

enig letsel en/althans zwaar lichamelijk letsel en/althans de dood het voor het

slachtoffer ten gevolge heeft gehad;


meer subsidiair:
hij op of omstreeks 31 december 2015 te Zutphen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die

[slachtoffer] een of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp in het lichaam te steken en/of te stoten, althans te treffen en/of die

[slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of tegen het hoofd en/of het lichaam te

schoppen en/of te trappen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt op basis van het sporenonderzoek en de camerabeelden dat tussen de locatie waar het gevecht aanving, en de plaats waar het bloedspoor begon dat [slachtoffer] – na te zijn gestoken – achterliet, een afstand van ongeveer 15 meter bestond. Dit gegeven biedt, mede in aanmerking nemend dat [medeverdachte] zegt direct na het steken veel bloed te hebben gezien, volgens de raadsman ondersteuning aan de verklaring van verdachte dat niet hij, maar [medeverdachte] [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl verdachte op dat moment op enige afstand – maar niet zichtbaar voor de bewakingscamera's – stond. Ook uit de eerste verklaring van de getuige [getuige] volgt volgens de verdediging dat [medeverdachte] als laatste bij [slachtoffer] is geweest.

Voor zover [getuige] mogelijk belastend verklaart ten aanzien van [verdachte] , is zijn verklaring niet betrouwbaar.

De raadsman heeft mede op grond van het voorgaande betoogd dat verdachte geen

geweldshandeling(en) heeft verricht en dat derhalve vrijspraak dient te volgen ter zake het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

Bewijsoverwegingen en bewezenverklaring 1

De feiten

Op grond van de inhoud van bewijsmiddelen, die verder ook niet ter discussie staat, staat vast dat op 31 december 2015 [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) naar de parkeerplaats op het terrein van de verslavingskliniek van de Stichting [naam stichting] aan de [adres] te Zutphen zijn gereden. Aldaar was [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) ook aanwezig. [verdachte] en [slachtoffer] zijn uit hun auto’s gestapt en naar elkaar toegelopen. [medeverdachte] bleef in de auto zitten. [slachtoffer] heeft [verdachte] een kopstoot gegeven en daarna een aantal klappen. [verdachte] werd hierdoor enkele meters achteruit gedreven waarbij hij probeerde zich te verweren. Vervolgens is [medeverdachte] uit de auto gestapt en heeft hij zich in het gevecht gemengd.2

Op enig moment tijdens deze confrontatie is [slachtoffer] driemaal met een mes gestoken. [slachtoffer] is later die dag overleden, als gevolg van meermalen bij leven opgelopen steekverwondingen. De verwondingen bestonden onder andere uit een steek- of snijwond van 9 bij 4 centimeter in de rechter flank. Aan de buigzijde van de bovenarm was een snij- of steekwond van 11 centimeter, tot een diepte van circa 8 centimeter met daarbij klieving (splitsing) van de elleboogslagader. Aan de linker kuit was een steekwond van 3 centimeter, met een lengte van 13 centimeter.3

Ten aanzien van het tenlastegelegde:

[verdachte] en [medeverdachte] wijzen naar elkaar als de persoon die [slachtoffer] zou hebben gestoken en geschopt.

[verdachte] heeft ter terechtzitting van het hof en op de terechtzittingen in eerste aanleg verklaard dat, nadat hij van [slachtoffer] een kopstoot en klappen had gekregen, [medeverdachte] hem is gaan helpen. Op een gegeven moment is hij spullen, die uit zijn zak waren gevallen tijdens het voorval, gaan oprapen. Vervolgens zou [medeverdachte] [slachtoffer] tegen de grond hebben geslagen en om [slachtoffer] heen zijn gelopen. [medeverdachte] zou degene zijn geweest die [slachtoffer] heeft geschopt en met het mes heeft gestoken. [verdachte] heeft niet gezien dat [medeverdachte] [slachtoffer] heeft gestoken.4[verdachte] heeft ter terechtzitting van het hof ook verklaard dat hij zowel voorafgaand aan als na de confrontatie met [slachtoffer] de bestuurder van de auto was.5

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte] hem belde en hem kwam ophalen. [verdachte] zou [medeverdachte] naar de kapper brengen. [verdachte] reed de verkeerde kant op en zei tegen [medeverdachte] dat hij met iemand moest praten. [verdachte] zei: “Wacht even een minuutje. Laat me even met die jongen praten, dan zet ik je af “. Dit zei [verdachte] op het moment dat hij de parkeerplaats op draaide. Op de parkeerplaats is [verdachte] uit de auto gestapt om met [slachtoffer] te praten. [slachtoffer] gaf [verdachte] direct een kopstoot en sloeg hem een aantal keren. [medeverdachte] is toen de auto uitgerend om [verdachte] te helpen en probeerde [slachtoffer] te raken, maar hij miste. [slachtoffer] probeerde [medeverdachte] te omarmen met een zogeheten “bear hug”. [verdachte] stond tussen [slachtoffer] en [medeverdachte] in. [verdachte] was gewond en [medeverdachte] wilde hem bevrijden. Op het moment dat [medeverdachte] en [slachtoffer] met elkaar in gevecht raakten, trok [medeverdachte] [verdachte] weg. Op een gegeven moment gaf [medeverdachte] [slachtoffer] een “uppercut”. [medeverdachte] probeerde nog een keer uit te halen, maar op dat moment kwam [verdachte] van achteren, van de linkerzijkant van [medeverdachte] uit het niets. [verdachte] heeft [slachtoffer] toen met een mes gestoken. [medeverdachte] heeft het mes gezien. [slachtoffer] is in zijn maagstreek gestoken. Er was volgens [medeverdachte] geen noodzaak om [slachtoffer] te steken. [verdachte] en [slachtoffer] stonden op dat moment bij elkaar. [slachtoffer] liep weg. Hij hield zijn zij vast. [medeverdachte] wilde weg, hij draaide zich om en zag [verdachte] [slachtoffer] schoppen. [slachtoffer] lag op dat moment op de grond. [verdachte] schopte [slachtoffer] tegen zijn hoofd. [medeverdachte] schreeuwde tegen [verdachte] : “laten we gaan, laten we gaan”. [verdachte] hield op dat moment het mes vast. [medeverdachte] zag dat [verdachte] boos was. [verdachte] wilde niet ophouden met het schoppen van [slachtoffer] . [medeverdachte] riep [verdachte] een aantal keer, maar hij negeerde [medeverdachte] . [medeverdachte] is terug naar de auto gerend en vervolgens kwam [verdachte] terug naar de auto. In de auto sloeg [verdachte] op het stuur en zei: “waarom heb ik hem gestoken?”.6

Nu de beide verdachten van de steekpartij en het schoppen van het slachtoffer elkaar daarvan beschuldigen, dient zich de vraag aan of voor hun respectieve verklaringen steunbewijs in het dossier aanwezig is. Daarover overweegt het hof het volgende.

Van het treffen op de parkeerplaats tussen enerzijds [slachtoffer] en anderzijds [verdachte] en [medeverdachte] bestaan camerabeelden van twee camera's (CAM01 en CAM02), die vanuit verschillende posities zicht geven op delen van de parkeerplaats waar het gevecht heeft plaatsgevonden. Deze beelden zijn bekeken en geanalyseerd. Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat de auto waarin [verdachte] en [medeverdachte] zaten, om 12:29:13 uur het parkeerterrein op komt rijden en om 13:31:15 uur de parkeerplaats verlaat.7

In het proces-verbaal van bevindingen is beschreven wat op de hiervoor genoemde camerabeelden is te zien. In dit proces-verbaal staat, voor zover hier relevant en zakelijk weergegeven, het volgende:

13:30:02 uur – Ik zie op CAM01 de bestuurder VE1 uit auto 2 stappen en met armen langs het lijf lopen richting SO.

13:30:05 uur – Ik zie op CAM02 de deur aan de bestuurderszijde van auto 1 opengaan en een persoon uitstappen. Deze persoon, het slachtoffer (hierna te noemen: SO), loopt doelgericht vervolgens richting auto 2.

13:30:09 uur – VE1 en SO komen met elkaar in gevecht, dit zie ik op CAM02. Ik zie op CAM02 dat VE1 achteruit wordt gewerkt door SO en vervolgens zie ik ze samen (VE1 en SO) al vechtend om 13:30:10 uur in beeld komen op CAM01.

13:30:11 uur – Ik zie op CAM01 VE2 uit auto 2 stappen van af de passagierszijde. VE2 stapt uit terwijl VE1 en SO aan het vechten zijn, dit zie ik op CAM01.

VE2 loopt richting de vechtende VE1 en SO en gaat mee vechten om 13:30:19.

13:30:20 uur – VE1 komt los van SO en neemt VE2 direct het gevecht over. Dit is zichtbaar op CAM01. Ik zie dat VE2 meerdere malen met de linker arm naar achteren beweegt en met kracht weer naar voren op het lichaam en hoofd van SO komt.

13:30:24 uur – Ik zie dat VE1 zich bukt ter hoogte van de goot gelegen tussen

geparkeerde auto 1 en 2 en vervolgens wegloopt richting het gevecht van VE2 en SO.

13:30:26 uur – Alle betrokkenen zijn uit beeld van CAM01 en op CAM02 is ook niets te zien van het gevecht. Het gevecht vindt plaats voor auto 2 en ter hoogte van de goot achter de bossage op de parkeerplaats.

13:30:37 uur – VE2 komt weer op beeld op CAM01 en bukt zich. Vervolgens loopt VE2 weer uit beeld richting auto 1.

13:30:42 uur – VE2 loopt weer terug in beeld en loopt richting de passagierszijde van de auto 2. Wanneer VE2 hiernaartoe loopt, doet hij de beide armen omhoog alsof deze persoon zijn kleding goed doet of iets in zijn kleding stopt.

13:30:47 uur – VE1 komt het beeld op CAM02 in rennen en bukt zich om 13:30:49. Vervolgens loopt VE1 rustig naar de bestuurderszijde van auto 2. Net voordat VE1 de auto in stapt, lijkt het alsof deze persoon met de rechter hand in zijn jaszak of broek gaat.

13:30:50 uur – VE2 stapt in aan de passagierszijde van auto 2.

13:30:55 uur – Ik zie op CAM02 dat het SO van achter de bossage op het parkeerterrein komt en richting auto 1 loopt naar de motorkap.

13:31:02 uur – VE1 stapt in aan bestuurderszijde van auto 2.

13:31:15 uur – Ik zie op CAM01 dat auto de parkeerplaats van de kliniek verlaat en linksaf gaat richting het noorden.8

Van het moment van het steken (dat moet hebben plaatsgevonden tussen 13:30:26 uur en 13:30:37 uur) zijn geen beelden, omdat dit zich kennelijk afspeelde buiten het zicht van de camera’s. Het hof stelt vast dat tussen het moment waarop VE1 aan de bestuurderszijde uit auto 2 stapt (13:30:02 uur) en het moment waarop VE1 weer aan de bestuurszijde in die auto stapt (13:31:02 uur) ongeveer 60 seconden zijn verstreken.

Het hof gaat er op grond van de verklaring van [verdachte] – dat hij de auto bestuurde – vanuit dat [verdachte] in de beschrijving van de beelden 'VE1' is en [medeverdachte] 'VE2'. [medeverdachte] is derhalve de eerste die vanuit de locatie waar de confrontatie met [slachtoffer] plaatsvond weer in beeld van de camera komt en in de richting van de auto gaat (13:30:42 uur). [verdachte] komt daarna pas, om 13:30:47 uur, vanaf diezelfde locatie weer in beeld van diezelfde camera.

Een voorbijganger, de getuige [getuige] , heeft een en ander van het voorval waargenomen en heeft verklaringen bij de politie en later bij de rechter-commissaris afgelegd. Deze getuige verklaarde dat hij reed op zijn fiets op de [adres] te Zutphen. Hij zag dat er drie jongen mannen met elkaar aan het vechten waren.9 Hij heeft verder verklaard: “De jongen die vermoord is (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) viel op de grond. Daarna liepen die twee (het hof begrijpt [verdachte] en [medeverdachte] )naar de auto. Toen zag één van de daders dat het slachtoffer (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) opstond. Toen ging die jongen er achteraan.

Op de vraag verbalisant "Kunt u persoon 2 uitgebreid omschrijven. Zullen we van persoon 2 de tweede dader maken?" Ja, dit is de jongen die terugliep naar het slachtoffer en hem nog een keer trapte.” Op een vraag van de verbalisant (die luidde: "U zei dat … persoon 2 weer terugkwam naar het slachtoffer. Waar was persoon 2 toen?"), verklaarde [getuige] vervolgens: “Hij liep samen met zijn maat richting hun auto. Ze waren nog niet bij de auto.”.10

Het hof gaat er vanuit– gelet op de hiervoor aangehaalde beschrijving van de camerabeelden, bovengenoemde verklaring van de getuige [getuige] en de verklaring van [verdachte] dat hij de bestuurder was van de auto waarmee hij en [medeverdachte] zich verplaatsten – dat [medeverdachte] de jongen is die als eerste bij de auto was en als eerste is ingestapt en dat [verdachte] de persoon is die volgens de getuige als laatste bij de auto was en als laatste (want aan de bestuurderszijde) in de auto stapte.

Een dag na het incident heeft [medeverdachte] zijn broer, die gedetineerd was, telefonisch gesproken. Het gesprek vindt deels in de Engelse taal en deels in de Somalische taal plaats. Het telefoongesprek is getapt, vertaald en uitgeschreven. In het gesprek wordt onder andere het navolgende gezegd (J is [medeverdachte] en T is de broer van [medeverdachte] ):

T: hoe staat het ermee?

J: moeilijk (letterlijk: sticky)

T: hoezo, hoezo?

J: mijn neger heeft iemand omgelegd (letterlijk: my niger caught a body), mijn neger heeft iemand omgelegd gisteren. Mijn neger heeft iemand omgelegd gisteren.

T: dat meen je niet echt?

J: ik zweer het je, ik was erbij!

T: wat bedoeld je “hij heeft gisteren iemand omgelegd?”, jongen wat nu dan?, is hij de bak ingegaan?

J: nee vriend … ik was er bij, hij en ik … jahh … hij heeft hem met een mes gestoken

T: nehh!!?

J: ik zweer het je en dat is waarom ik paranoïde ben

T: (even stil) neeh … jongen!

J: Tee jongen, wat moet ik nou doen?

T: zweer je dat?

J: ik zweer het

T: wat wat wat (stottert) mijn man uh … is hij gestorven dan?

J: ja echt waar … (ik zweer het)

T: echt waar?

J: [naam] (fonetisch) ik had hem, broeder, ik had hem!!

T: Watte?

J: … ik had hem, brov

T: wat bedoel je “had hem” brov … waar heb je het over? je zit echt wel in de nesten, brov, ik denk ... luister ...

T: he jongen, luister ...

J: ja

T: jij achterlijke idioot dat je er bent, ik zweer het ... hee wat wat ... heb je er nog enig geld mee verdiend/gemaakt? Je hebt er geen geld ... van overgehouden?

J: nee luister, je weet niet wat er gebeurd, brov... luister, luister, ik was .. mijn neger en ik zaten gewoon te chillen en die gozer mishandeld hem, ik zat in de auto en mijn man zei zo van ... eh mijn neger zei al van “hee luister”, als er iets mocht gebeuren, help me dan he? en toen mijn man naar die gozer toeliep, gaf die gozer hem direct een kopstoot

T: aji

J: dus ik ren er naar toe … ik (man) ren erheen … ik … want mijn neger was overrompeld/verdoofd (letterlijk: stunned) he? ik ren er naar toe en vervolgens .. en ik krijg een gevecht (fonetisch) met die jongen, mijn … ik had die jongen te pakken, man, ik zweer je dat ik hem had, en toen … trekt mijn neger dus een mes tevoorschijn en steekt hem, he, een paar keer (diepe zucht).11

Het hof constateert dat [medeverdachte] op de dag na het voorval met zijn broer een telefoongesprek voerde waarin hij aan zijn broer over het voorval op 31 december 2015 vrijwel gelijkluidend verklaart als in zijn verklaringen in april 2016 tegenover de politie.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van [medeverdachte] dat [verdachte] heeft gestoken onbetrouwbaar is, omdat die met betrekking tot de plaats en/of het moment waarop dat zou zijn gebeurd onjuist moet zijn, aangezien met die verklaring onverenigbaar is de plaats waar, afgaande op het sporenonderzoek, het bloedspoor dat [slachtoffer] na het steken achterliet, begon.

Allereerst merkt het hof hierover op dat uit de beschrijving van de camerabeelden kan worden afgeleid dat gedurende de gehele gewelddadige confrontatie betrokkenen zich meermalen – al dan niet met elkaar in gevecht – hebben verplaatst. Deze dynamiek maakt naar het oordeel van het hof, anders dan de raadsman betoogt, dat niet zonder meer betekenis kan worden toegekend aan een – in afstand relatief beperkt – verschil tussen de plaats die [medeverdachte] aanduidt als steeklocatie en de plaats waar volgens bevindingen van de politie het bloedspoor begint. Naar het oordeel van het hof maakt deze door de raadsman beweerde ongerijmdheid de verklaring van [medeverdachte] nog niet onbetrouwbaar. Ook niet indien daarbij wordt betrokken dat volgens [medeverdachte] [slachtoffer] na het steken hevig bloedde. Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar. Hierbij hecht het hof, evenals rechtbank, mede betekenis aan het feit dat [medeverdachte] één dag na het incident, als [medeverdachte] en [verdachte] nog niet zijn aangehouden en [medeverdachte] geen dossierkennis heeft, telefonisch contact met zijn broer heeft en hem hetzelfde vertelt over wat er is voorgevallen als een paar maanden later bij de politie. De verklaringen van [medeverdachte] , ruim drie maanden later afgelegd, sluiten aan bij dat telefoongesprek en zijn dus consistent. Bovendien worden zij op relevante onderdelen ondersteund door de (beschrijving van de) camerabeelden en de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige] . [medeverdachte] heeft dit ten tijde van het telefoongesprek met zijn broer niet kunnen voorzien. Het hof acht het daarom niet aannemelijk dat sprake is geweest van een door de raadsman gesuggereerd vooropgezet plan van [medeverdachte] om zijn hachje te redden door met zijn gedetineerde broer te bellen – welk gesprek immers zou worden opgenomen – om zijn verklaring sterker te maken. [medeverdachte] heeft, ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige gehoord, nogmaals bevestigd dat [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken. 12

Met betrekking tot het betoog van de raadsman dat de verklaringen van de getuige [getuige] , voor zover daaruit zou kunnen worden afgeleid dat zijn cliënt – en niet [medeverdachte] – [slachtoffer] heeft gestoken, onbetrouwbaar zijn omdat, kort gezegd, zijn verschillende verklaringen op punten onderling afwijken en niet altijd zouden corresponderen met hetgeen de camera’s omtrent de gebeurtenissen hebben vastgelegd, overweegt het hof het volgende.

Uit de door de onafhankelijke getuige [getuige] afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat hij in ieder geval heeft waargenomen dat – nadat [slachtoffer] op de grond was terechtgekomen – [verdachte] en [medeverdachte] zich aanvankelijk beiden van hem hebben verwijderd. Vervolgens heeft hij waargenomen dat één van hen – op een moment waarop ze nog niet terug bij de auto waren – naar [slachtoffer] is teruggegaan en hem heeft geschopt. Deze waarneming vindt ondersteuning in de beschrijving van de camerabeelden waaruit kan worden afgeleid dat ‘VE1’ ( [verdachte] ) om 13:30:47 – vijf seconden later dan ‘VE2’ ( [medeverdachte] ) – weer in beeld van de camera komt. [verdachte] komt op dat moment pas ook weer in beeld vanuit de richting waar – buiten beeld – de voor [slachtoffer] fatale fase van de confrontatie en het schoppen moet hebben plaatsgevonden. Het hof heeft, anders dan de raadsman heeft bepleit, geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuige waar het deze onderdelen van zijn verklaring betreft.

Tegenover al het voorgaande is het hof van oordeel dat, anders dan de raadsman heeft betoogd, voor de verklaring van [verdachte] dat het [medeverdachte] moet zijn geweest die [slachtoffer] heeft gestoken en geschopt geen steekhoudend noch overtuigend steunbewijs bestaat. De – eerst ter terechtzitting in eerste aanleg – door [verdachte] afgelegde verklaring strookt op onderdelen (zoals het teruglopen om te schoppen door [medeverdachte] ) niet met hetgeen de onafhankelijke getuige [getuige] heeft waargenomen. De verklaring van [verdachte] dat hij heel de tijd dat hij uit beeld van de beide camera’s is geweest bezig was met gevallen spullen oprapen, wordt ook weerlegd door de verklaring van [getuige] . Het wordt ook alleen voor de eerste seconden vóór hij uit beeld verdwijnt en de laatste seconden vóór hij weer instapte in de auto ondersteund door de camerabeelden, terwijl het fatale steken en het schoppen daartussen heeft plaatsgevonden. Dat getuigen hebben gehoord dat [verdachte] aan zijn broer [broer verdachte] heeft gezworen dat hij niet heeft gestoken levert geen onafhankelijk steunbewijs op, omdat het in wezen afkomstig is uit dezelfde bron: [verdachte] zelf. Dat [medeverdachte] aan ‘ [naam] ’ zou hebben verklaard dat hij ( [medeverdachte] ) degene was die heeft gestoken, heeft [medeverdachte] naar het oordeel van het hof genoegzaam weerlegd door zijn verklaring over hoe dat gesprek had moeten worden begrepen.

Op basis van al het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 31 december 2015 te Zutphen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] een of meerdere

malen met een mes , althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam

te steken , althans te treffen .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden

die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte conform de eis van de officier van justitie veroordeeld tot 10

jaar gevangenisstraf met aftrek. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat

verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar met aftrek.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, en op grond van de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft het slachtoffer op gewelddadige wijze van het leven beroofd door hem meermalen met een mes in het lichaam te steken. Over de achtergrond van de voor [slachtoffer] fataal afgelopen ontmoeting met verdachte is geen duidelijkheid verschaft. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte en [slachtoffer] binnen een paar seconden nadat [verdachte] is uitgestapt al hevig in gevecht zijn. Het hof acht niet aannemelijk dat een dergelijke snelle escalatie plaatsvindt als - zoals verdachte verklaart - [slachtoffer] alleen boos was geworden omdat verdachte achter hem aan reed en, om die situatie na een eerder telefonisch contact over de kwestie (verder) uit te praten, verdachte op een parkeerterrein wilde ontmoeten.

Het slachtoffer heeft tijdens die ontmoeting verdachte direct een kopstoot en meerdere klappen gegeven. De achtergrond van deze agressie is zoals gezegd onbekend, maar naar het oordeel van het hof is verdachte een voorzienbaar gewelddadige confrontatie met [slachtoffer] niet uit de weg gegaan door onder de geschetste omstandigheden in te gaan op diens voorstel elkaar te ontmoeten.

Het hof kan - bij gebreke van een verklaring van verdachte - slechts gissen naar het motief van verdachte om [slachtoffer] dodelijke steekwonden toe te brengen, maar hecht in elk geval geloof aan de verklaring van [medeverdachte] dat daartoe op dat moment geen enkele noodzaak bestond.

Verdachte heeft bij gelegenheid van een voorzienbare en door hem te vermijden gewelddadige confrontatie die hij welbewust is aangegaan zonder geldige reden de dood veroorzaakt van een jonge man en heeft het slachtoffer daarmee het recht op leven ontnomen. Het handelen van verdachte getuigt van een totaal gebrek aan respect voor het leven van die ander. De verdachte heeft de nabestaanden van het slachtoffer groot en onherstelbaar leed toegebracht waarbij, zoals ook ter terechtzitting door de moeder van het slachtoffer is verwoord, het feit dat verdachte geen openheid heeft gegeven over de achtergrond van de gebeurtenis die haar zoon het leven heeft gekost, het rouwproces verzwaart.

Als reactie op buitengewoon ernstige en zinloze feiten als het onderhavige, die voor de direct betrokkenen en voor degenen die daarmee onverhoeds als getuige worden geconfronteerd, maar ook voor de samenleving zeer schokkend zijn, kan naar het oordeel van het hof slechts een langdurige vrijheidsbenemende straf in aanmerking komen.

Bij de straftoemeting heeft het hof kennisgenomen van het ten name van verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat hij met betrekking tot geweldsdelicten first-offender is.

Met name gelet op de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde is het hof van oordeel dat,

zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd, aan verdachte een zwaardere straf dan door de rechtbank is uitgesproken dient te worden opgelegd.

Er is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden van verdachte waaraan een relevant strafverminderend effect kan worden toegekend.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Het schadeopgaveformulier houdt in dat om een vergoeding wordt gevraagd ten aanzien van:

post 2 – Medisch kosten, totaal € 34,- -

post 3 – Inkomstenderving, totaal € 4.000,12

post 4 – Reiskosten, totaal € 75,84

post 5 – Grafmonument € 4.300,--

Notaris nalatenschap € 583,04 +

€ 4.883,04

Post 6 – Smartengeld € 30.000,- - +

Totaal € 38.993,- -

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.896,20. Uit de motivering leidt het hof af dat de rechtbank de kosten van het grafmonument, als materiële schade, toewijsbaar acht.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Smartengeld, gederfde inkomsten, medische kosten en reiskosten

Het hof acht het zonder meer voorstelbaar dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit en het verlies van haar zoon psychische klachten heeft opgelopen. Door mw. drs. K. Bekkers, psychotherapeut, is een brief geschreven naar aanleiding van een verwijzing door de huisarts van de benadeelde partij vanwege een vermoeden van een posttraumatische stress-stoornis. Bij de intake werd ‘het beeld gezien’ van posttraumatische stress-stoornis en dysthymie (laat begin).

Gelet op onder andere het Taxibus-arrest (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het schadeveroorzakende feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201). Ook de materiële schade ten gevolge van dit ziektebeeld kan dan voor vergoeding in aanmerking komen.

De raadsman heeft de vordering gemotiveerd betwist voor zover die verband houdt met de gestelde shockschade en heeft in dat verband aangevoerd dat de namens de benadeelde partij overgelegde brief, die afkomstig is van een behandelend psychotherapeut, geen diagnose bevat en slechts een vertrekpunt voor behandeling is, naar aanleiding van een vermoeden van de huisarts. Er is daarmee onvoldoende informatie voorhanden om vast te kunnen stellen of sprake is van shockschade.

Het hof stelt voorop dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, dat in het algemeen voor het bewijs van het bestaan van shockschade noodzakelijk is dat vast staat dat bij de benadeelde sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld door de rechtstreekse confrontatie met de gruwelijke gevolgen van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Het hof kan, gelet op deze jurisprudentie en de gemotiveerde betwisting namens verdachte, op basis van de thans aan de vordering gegeven onderbouwing niet vaststellen dat het bewezenverklaarde op de hiervoor bedoelde wijze bij de benadeelde partij heeft geleid tot een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat (louter) het gevolg is van het bewezenverklaarde. Daarbij betrekt het hof dat over het algemeen in civiele procedures over soortgelijke schades bij onenigheid over de vraag of van (zuivere) shockschade sprake is een onafhankelijke (door de beide partijen gezamenlijk of door de rechter te benoemen) deskundige (een psychiater) wordt geraadpleegd en niet (zonder meer) wordt afgegaan op informatie van behandelaren van de benadeelde. Nader partijdebat ter vaststelling van eventuele shockschade in de hiervoor bedoelde zin zou een onevenredige belasting vormen voor het strafproces. Voor zover de gevraagde schadevergoeding (smartengeld, gederfde inkomsten, medische kosten en een deel van de reiskosten) verband houdt met shockschade, kan de benadeelde partij daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het deel van de reiskosten dat ziet op de gesprekken met de officier van justitie en de advocaat-generaal, waarbij – naar mag worden aangenomen – ook de vordering zal zijn besproken, vormen wat het hof betreft buiten rechte gemaakte kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade, zoals bedoeld in art. 6:96 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor verdachte aansprakelijk is. Deze kosten ad in totaal € 8,88 komen voor toewijzing in aanmerking. Over de verdere reiskosten beslist het hof onder het kopje ‘proceskosten’.

Grafmonument en kosten notaris

Met betrekking tot de kosten die zien op het grafmonument is het hof van oordeel dat dit door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte kosten van lijkbezorging zijn zoals bedoeld in art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek die door de benadeelde partij – als in art. 51f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering genoemd persoon – kunnen worden gevorderd. De hoogte van de gevorderde kosten is niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De kosten die zien op afdoening van de nalatenschap van het slachtoffer vallen naar het oordeel van het hof niet onder kosten van lijkbezorging. Het betreft geen rechtstreekse schade als gevolg van het bewezenverklaarde feit die op de voet van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde partij kan ook in zoverre in haar vordering niet worden ontvangen.

Proceskosten

In zijn arrest van 12 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1600) heeft de Hoge Raad uitleg gegeven over de proceskostenregeling in civiele procedures zoals geregeld in de artikelen 237 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, mede in relatie tot schade zoals bedoeld in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek. Die exclusieve en limitatieve regelgeving brengt met zich dat in geval van procederen bij gemachtigde in procedures die in persoon gevoerd mogen worden (art. 238 tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) in beginsel enkel aanspraak bestaat op vergoeding van proceskosten bestaande uit het “salaris gemachtigde” (in dit geval: kosten rechtsbijstand door een advocaat) en “verschotten” (die hier niet aan de orde zijn). Enkel in het geval een partij in zo’n geval in persoon procedeert, omvatten de proceskosten reis-, verblijfs- en verletkosten van die partij (art. 238 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Het hof ziet op grond van dit alles in deze zaak geen aanleiding voor het toekennen van reiskosten aan de benadeelde partij die verband houden met het bijwonen van zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep. Voor toekenning van deze kosten als schade ex art. 6:96 BW is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ook geen plaats. De als onderdeel van de schade gevorderde reiskosten, zijn te beschouwen als niet toewijsbare proceskosten en zullen daarom worden afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.448,45. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij behoort tot de in art. 51f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen die als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte schade heeft geleden, bestaande uit kosten van lijkbezorging zoals bedoeld in art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. De wettelijke rente daarover zal worden toegewezen met ingang van een datum gelegen in (ongeveer) het midden van de periode waarin die kosten zijn gemaakt.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een zwarte iPad, een Apple iPhone (wit), een iPhone S5 (zilver), een Lebara kaart, een zwart Samsung telefoontoestel en een witte Blackberry 9700.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.308,88 (vierduizend driehonderdacht euro en achtentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Wijst de gevorderde proceskosten bestaande uit reiskosten en verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak voor het overige begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.308,88 (vierduizend driehonderdacht euro en achtentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 53 (drieënvijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 mei 2016.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 9.448,45 (negenduizend vierhonderdachtenveertig euro en vijfenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.448,45 (negenduizend vierhonderdachtenveertig euro en vijfenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 82 (tweeëntachtig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 februari 2016.

Aldus gewezen door

mr. J.W. Rijkers, voorzitter,

mr. C.M.E. Lagarde en mr. K.A.J.M. Wetzels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier,

en op 16 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 16 juli 2018.

Tegenwoordig:

mr. C.M.E. Lagarde, voorzitter,

mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,

G. Heeres, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 zie de stukken van het voorbereidend onderzoek, opgemaakt door de Politie Eenheid Oost-Nederland, Team Grootschalige Opsporing, District Noord- Oost Gelderland, onderzoek Bolivia, BVH nummer 2015641457 en de verhoren van de door de rechter-commissaris in de rechtbank Gelderland gehoorde getuigen.

2 zie het proces-verbaal terechtzitting van de rechtbank Gelderland van 28 maart 2017.

3 een schriftelijk bescheid, zijnde NFI-rapportage, Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt op 12 januari 2016 door Ann Maes, arts en patholoog (ordner 9/10 – blz. 2718 e.v.).

4 zie de processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank Gelderland van respectievelijk 11 oktober 2016 en 28 maart 2017 en het proces-verbaal ter terechtzitting van de zitting van het hof van 2 juli 2018.

5 zie het proces-verbaal ter terechtzitting van de zitting van het hof van 2 juli 2018.

6 zie de processen-verbaal van het 7e, 8e en 10e verhoor van verdachte [medeverdachte] , proces-verbaalnummers 637, 640 en 726 (ordner 10/10 – blz. 3512 e.v., blz. 3538 e.v. en 3584 e.v.), gesloten op respectievelijk 13 april 2016, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van politie, 15 april 2016 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van politie, en 7 juni 2016 door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden hoofdagent van politie.

7 zie het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, proces-verbaalnummer 140 (ordner 2/10– blz. 208 e.v.), gesloten op 8 januari 2016, door [verbalisant 3] , brigadier van politie.

8 zie het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, proces-verbaalnummer 140 (ordner 2/10– blz. 208 e.v.), gesloten op 8 januari 2016, door [verbalisant 3] , brigadier van politie.

9 zie het proces-verbaal van verhoor getuige (ordner 2/10 – blz. 238 e.v.), gesloten op 31 december 2015, door [verbalisant 4] , aspirant van politie.

10 zie het proces-verbaal van verhoor getuige, proces-verbaalnummer 3 (ordner 2/10 – blz. 240 e.v.), gesloten op 8 januari 2016, door [verbalisant 5] , aspirant van politie, en [verbalisant 6] , hoofdagent van politie.

11 een schriftelijk bescheid, zijnde een uitgewerkt tapgesprek van 1 januari 2016 (ordner 3/10 – blz 881 en 882.

12 zie de processen-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Gelderland van 11 oktober 2016.