Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6507

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
WAHV 200.195.479
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeren in strijd met parkeerverbod op rijbaan of trottoir. Laden en lossen.

Bevestiging met verbetering van gronden, maar er bestaat wel aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.195.479

13 juli 2018

CJIB 180354051

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 2 juni 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 25 januari 2018 is nog een brief van mr. [B] ontvangen. Deze is de advocaat-generaal in afschrift toegezonden.

Beoordeling

1. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd vanwege het (in het dossier) ontbreken van een proces-verbaal van de zitting.

2. De stelling van de gemachtigde dat het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter ontbreekt, mist feitelijke grondslag. In het dossier bevindt zich namelijk wel degelijk een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van 2 juni 2016 (tevens houdende beslissing op het beroep).

3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod /parkeerverbodszone (bord E1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 maart 2014 om 20.16 uur op de Irissenstraat te Rijnsburg met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

4. De gemachtigde voert in hoger beroep het volgende aan. De kantonrechter heeft de klachten van de gemachtigde over de motivering van de beslissing van de officier van justitie, de (on)bevoegdheid van de verbalisant en de lengte van de procedure niet behandeld.

De kantonrechter veronderstelt ten onrechte dat het laden en lossen voortdurend waarneembaar moet zijn. De gemachtigde verwijst hierbij naar een uitspraak van het gerechtshof in Amsterdam (belastingkamer) uit 2010. De gemachtigde stelt voorts - onder verwijzing naar het arrest van dit hof met zaaknummer WAHV 200.152.602 - dat de verweten gedraging niet is verricht omdat het voertuig op het trottoir stond. Uit het dossier blijkt niet waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd. De gemachtigde stelt dat de stelling van de advocaat-generaal dat het trottoir aan de zijde van de weg waar het parkeerverbod E1 geldt, niet zo breed is dat de wagen van de betrokkene met vier wielen op het trottoir kan hebben gestaan, onjuist is omdat niet blijkt dat op het trottoir aan deze zijde is geparkeerd en de advocaat-generaal niet vermeldt hoe breed het trottoir en de wagen zijn.
De gemachtigde stelt voorts dat hij geen afschrift heeft ontvangen van de bijlage bij het aanvullend proces-verbaal, waar de bevoegdheid van de verbalisant uit zou blijken.

5. Het hof stelt vast dat de kantonrechter in het geheel niet is ingegaan op de argumenten van de gemachtigde omtrent de motivering van de beslissing van de officier van justitie, de (on)bevoegdheid van de verbalisant en de lengte van de procedure, maar slechts (gemotiveerd) heeft overwogen dat de gedraging is verricht. De beslissing van de kantonrechter is daarmee niet deugdelijk gemotiveerd.

6. In Wahv-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

7. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het aanvullend proces-verbaal van 15 juli 2014 houdt onder meer het volgende in:

“Ik zag op 18 maart 2014 om 20.06 uur een motorvoertuig geparkeerd staan met kenteken [00-YY-YY] op de openbare weg de Irissenstraat te Rijnsburg. Ik zag toen dat het motorvoertuig geparkeerd stond in een parkeerverbod (bord E1). Ik zag vervolgens geen laad of los activiteiten bij het motorvoertuig. Ik zag toen geen andere signalen waaruit bleek dat het betreffende voertuig werd gebruikt voor het onmiddellijk laden en/of lossen. Ik heb mijn weg vervolgd in de omgeving van het motorvoertuig. Ik zag om 20.16 uur daaraanvolgend hetzelfde motorvoertuig geparkeerd staan op dezelfde plek als 10 minuten daarvoor en heb het motorvoertuig vervolgens voorzien van een proces-verbaal betreffende het parkeren van een motorvoertuig in een parkeerverbod (bord E1). Wederom heb ik geen onmiddellijke laad en/of los activiteiten waargenomen en ook geen signalen waaruit bleek dat betreffende voertuig werd gebruikt om te laden en/of te lossen.
Bijgevoegd in dit aanvullend proces-verbaal heb ik, verbalisant, mijn benoeming in vaste dienst bij gemeente Katwijk toegevoegd. Hieruit blijkt dat ik, verbalisant, een vaste aanstelling heb bij de gemeente Katwijk ook ten tijde van de overtreding op 18 maart 2014.”

8. Bij dit aanvullend proces-verbaal is gevoegd een brief van de gemeente Katwijk aan verbalisant [D] , waaruit blijkt dat deze verbalisant per 1 december 2008 in vaste dienst is getreden bij de gemeente Katwijk.

9. Voor zover de gemachtigde moet worden gevolgd in zijn stelling dat hij de brief omtrent de vaste dienst van de verbalisant niet heeft ontvangen, overweegt het hof dat de verbalisant in het aanvullend proces-verbaal expliciet heeft vermeld - onder verwijzing naar de bijlage - dat zij in vaste dienst is bij de gemeente Katwijk. Indien de gemachtigde deze bijlage niet heeft ontvangen, dan had de gemachtigde daar navraag naar kunnen doen. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van de verbalisant.

10. De volgende regelgeving is in de onderhavige zaak van belang.

11. De onder 3. genoemde gedraging betreft een overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) jo bord E1 uit bijlage 1 van het RVV 1990. Artikel 62 van het RVV 1990 houdt in:

“Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.”

Het bord E1 uit bijlage 1 van het RVV 1990 duidt een algeheel parkeerverbod aan.

12. Artikel 65 van het RVV 1990 luidt als volgt:

“1. Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken, kan de toepassing van een verkeersbord worden beperkt tot één of meer rijstroken.

2. De verkeersborden E1, E2 en E3 van bijlage 1 gelden slechts voor de zijde van de weg alwaar zij zijn geplaatst.

3. Het parkeren van een voertuig en het plaatsen van een fiets en van een bromfiets is echter toegestaan op de daartoe bestemde weggedeelten.”

13. Artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990 luidt als volgt:

“Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.”

14. De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift een foto van de situatie ter plaatse gevoegd. De gemachtigde heeft in zijn nadere toelichting op deze foto gereageerd en eveneens foto's van de situatie ter plaatse bijgevoegd. Uit deze foto's blijkt dat ter plaatse op de Irissenweg aan de linkerzijde van de weg parkeervakken zijn en dat op de rechterzijde van de weg een bord E1 geplaatst is en dat hier naast de rijbaan een trottoir is gelegen. Andere weggedeelten dan trottoir en rijbaan zijn niet aanwezig.

15. Gelet hierop is de verwijzing naar het door de gemachtigde genoemde arrest (waarin het hof tot het oordeel is gekomen dat bord E1 niet verbiedt om in de berm te parkeren en dat voor de uitleg van het begrip "weg" in artikel 65, tweede lid, van het RVV 1990 geen aansluiting behoort te worden gezocht bij het begrip weg als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994) niet van toepassing.

16. Artikel 1, aanhef en onder ac, van het RVV 1990 verstaat onder parkeren:

“Het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.”

17. Onder onmiddellijk laden of lossen van goederen dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (HR 12 mei 1999, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:HR:1999:AA2760). Het dient dan te gaan om goederen die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden opgehaald of gebracht (HR 10 juni 1975, ECLI:NLHR:1975:AJ4297).

18. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van parkeren in de zin van artikel 1 van het RVV 1990. Het hof gaat hierbij uit van de verklaring van de verbalisant dat hij ruim tien minuten geen laad-/losactiviteiten heeft waargenomen. De tijd die aldus verstreken is, is langer dan de tijd die nodig is voor het onmiddellijk laden en/of lossen van goederen. Gelet hierop staat naar het oordeel van het hof vast dat de onder 3. vermelde gedraging is verricht. Dat de belastingkamer van het gerechtshof Amsterdam op

18 november 2010 heeft vastgesteld dat er in die zaak - nog daargelaten dat uit die uitspraak niet blijkt hoe lang er geen activiteiten bij het voertuig zijn waargenomen - wel sprake is van onmiddellijk laden en/of lossen, leidt in onderhavige zaak niet tot een ander oordeel

19. Aan de gemachtigde moet worden toegegeven dat uit de verklaring van de verbalisant niet blijkt op welke plaats het voertuig van de betrokkene exact stond geparkeerd en of dit (al dan niet gedeeltelijk) op het trottoir was. Gelet op de verklaring van de verbalisant staat echter vast dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd in strijd met een parkeerverbod. Het voertuig moet derhalve hetzij op de rijbaan, hetzij (deels) op het trottoir hebben gestaan. Zowel op de rijbaan als op het trottoir is parkeren niet toegestaan, zodat het hof van oordeel is dat de gedraging is verricht.

20. De officier van justitie heeft in zijn beslissing aangegeven dat de officier van justitie een afweging heeft gemaakt tussen de aangevoerde argumenten en wat de verbalisant heeft verklaard, waarbij doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant en geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de beslissing. In het licht van hetgeen in administratief beroep was aangevoerd, is de motivering van de beslissing van de officier van justitie niet ondeugdelijk.

21. Dit betekent dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht ongegrond heeft verklaard, zij het op ondeugdelijke gronden.

22. De gemachtigde voert (in hoger beroep voor het eerst) aan dat de officier van justitie niet heeft gemotiveerd waarom hij niet heeft gehoord. Er is niet afgezien van het recht te worden gehoord en de betrokkene is benadeeld doordat hij niet is gehoord.

23. Ingevolge artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient de officier van justitie, wanneer hij ervan afziet de betrokkene te horen, in zijn beslissing aan te geven op welke grond dat is gebeurd. Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde niet heeft verzocht om te worden gehoord. In de beslissing van de officier van justitie is evenwel niet vermeld waarom van het horen is afgezien. In zoverre is sprake van een motiveringsgebrek. Omdat de betrokkene naar het oordeel van het hof hierdoor niet is benadeeld, zal dit bezwaar met overeenkomstige toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd (vgl. het arrest van het hof van 11 november 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:9051).

24. De gemachtigde klaagt verder over de lange duur van de procedure en heeft gevraagd om immateriële schadevergoeding.

25. Het hof heeft in navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief het administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1.000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1.000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden.

26. De kennelijk aan een arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad ontleende opvatting van de gemachtigde dat het beoordelingskader van het hof ten aanzien van de redelijke termijn strijdig is met de jurisprudentie van de Hoge Raad, miskent dat het aangehaalde arrest niet een bestraffende sanctie betreft. In zaken met betrekking tot bestraffende sancties hanteert de Hoge Raad, evenals het hof, voormelde uitgangspunten.

27. Het hof stelt vast dat in deze zaak in eerste aanleg de redelijke termijn van berechting is overschreden, zodat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene wordt met die vaststelling volstaan.

28. Een en ander leidt tot de conclusie dat de beslissing van de kantonrechter kan worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden.

29. Vervolgens rijst de vraag of het verzoek om proceskosten moet worden ingewilligd. Vaste jurisprudentie van het hof is dat in gevallen als deze in beginsel geen proceskostenvergoeding wordt toegekend. Het hof ziet in dit geval wel aanleiding voor toekenning van proceskostenvergoeding. Daartoe overweegt het hof dat de motivering van de beslissing van de kantonrechter voor een aanzienlijk deel moet worden aangevuld en dat het instellen van hoger beroep dus noodzakelijk is geweest om een adequate reactie op de gevoerde verweren te krijgen. Dat betekent dat de daarvoor gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

30. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend en aan het indienen van de nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt per

1 januari 2018 € 501,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 375,75.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 375,75, over te maken op bankrekeningnummer [00000] ten name van [B] te [C] .

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.