Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6480

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
200.236.869
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging uithuisplaatsing. Beschikking in ‘klare taal’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.236.869

(zaaknummer rechtbank Gelderland 332601)

beschikking van 12 juli 2018

inzake

[de moeder] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.C. Sneper te Rotterdam,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Arnhem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de William Schrikker Stichting,

en

[de vader] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.M.C. Tinneveld te Arnhem.

1 Het proces bij de rechtbank

In de beslissing, zie proces-verbaal van de uitspraak van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 februari 2018, staat hoe het proces bij de rechtbank is verlopen.

2 Het proces bij het hof

2.1.

In het dossier van het hof zit een beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 27 maart 2018.

2.2.

De zitting bij het hof was op 8 juni 2018. De moeder is die dag verschenen samen met haar advocaat. Namens de raad is gekomen [lid van de raad voor de kinderbescherming] . Namens de William Schrikker Stichting zijn gekomen [persoon 1 William Schrikker Stichting] en [persoon 2 William Schrikker Stichting] .

3 De voorgeschiedenis

3.1.

De vader en de moeder hebben een relatie gehad en zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaatsnaam] , hierna te noemen: [kind 1] ,

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaatsnaam] , hierna te

noemen: [kind 2] , en

- [kind 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaatsnaam] , hierna te noemen:

[kind 3] .

De ouders hebben samen het gezag over [kind 1] , [kind 3] en [kind 2] .

3.2.

Van april 2012 tot april 2015 is er een ondertoezichtstelling geweest voor [kind 1] . Met ingang van 26 september 2016 is [kind 1] opnieuw onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting.

3.3.

In zijn beslissing van 24 november 2017 heeft de kinderrechter [kind 2] en [kind 3] met ingang van 23 november 2017 voorlopig onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting voor de periode tot 23 februari 2018. Ook heeft de kinderrechter bepaald dat [kind 2] en [kind 3] uit huis geplaatst moeten worden voor een periode van vier weken en daarna nog (bij beslissing van 5 december 2017) tot 23 februari 2018.

3.4.

In de beschikking van 19 februari 2018 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [kind 2] en [kind 3] verlengd tot 22 februari 2019.

3.5.

[kind 2] en [kind 3] hebben eerst een aantal maanden in een crisispleeggezin gezeten. Sinds kort verblijven zij samen met [kind 1] in een gezinshuis.

4 Waar het nu over gaat

4.1.

De moeder is het niet eens met de beschikking van 19 februari 2018. Zij is het niet eens met de uithuisplaatsing van [kind 2] en [kind 3] . Zij verzoekt het hof daarom om [kind 2] en [kind 3] weer naar huis te laten gaan. Als dat niet meteen kan, wil de moeder binnen twee maanden toewerken naar een situatie waarin dat wel gaat lukken. De William Schrikker Stichting kan in die twee maanden dan een veiligheidsplan opstellen.

4.2.

De William Schrikker Stichting en de raad zijn het niet mee eens met het verzoek van de moeder. Zij vragen dit verzoek van de moeder af te wijzen.

5 De redenen voor de beslissing

Wat in de wet staat

5.1.

In artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis kan plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. In artikel 1:265c lid 2 BW staat dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met een jaar kan verlengen.

Wat iedereen ervan vindt

5.2.

De moeder is het niet eens met de uithuisplaatsing van [kind 2] en [kind 3] . Tijdens de relatie van de moeder met de vader is sprake geweest van huiselijk geweld. De moeder beseft heel goed dat dit een onveilige situatie voor de kinderen is geweest. De relatie tussen de ouders is inmiddels geëindigd en de moeder wil graag de kans krijgen om voor [kind 2] en [kind 3] te zorgen. Daarbij is de moeder bereid hulp te accepteren. In het verleden heeft de moeder ook altijd het beste met de kinderen voor gehad en hulp gezocht als dit nodig was. Van verwaarlozing is nooit sprake geweest. [kind 3] zou er onverzorgd hebben uitgezien, maar dit moet een momentopname zijn geweest. [kind 2] heeft er namelijk altijd goed verzorgd uitgezien op de peuterspeelzaal. De William Schrikker Stichting heeft de omgang tussen de moeder en de kinderen inmiddels terug gebracht naar één keer in de vier weken. Het is voor de moeder onmogelijk om binnen zo’n korte tijd te laten zien dat zij de opvoeding van [kind 2] en [kind 3] wèl aankan. De moeder wil heel graag laten zien dat ze het wel kan en daarom heeft zij zich aangemeld bij Sustvarius. Sustvarius kan de moeder beoordelen op haar mogelijkheden om de kinderen zelf op te voeden en Sustvarius kan de moeder daarbij verder begeleiden. Ook krijgt de moeder nog hulp van Siza. De moeder heeft nu sterk het gevoel dat zij geen eerlijke kans krijgt en dat de uithuisplaatsing een definitieve maatregel is. In het verleden heeft het NIFP een onderzoek gedaan en uit dit onderzoek bleek dat [kind 1] naar huis kon. De moeder is van mening dat zij in staat is om ook [kind 2] en [kind 3] zelf op te voeden.

5.3.

De raad heeft tijdens de zitting gezegd dat de raad nog niet zo lang geleden een onderzoek heeft gedaan. Uit dit onderzoek komen ernstige zorgen over [kind 2] en [kind 3] naar voren. De jeugdbeschermer bevestigt deze zorgen. Het gaat om heel jonge kinderen die veel signalen afgeven. Deze signalen geven aan dat het bij de ouders thuis niet goed is geweest. Er is sprake geweest van verwaarlozing, kindermishandeling, hechtingsproblemen en de kinderen hebben veel meegekregen van het huiselijk geweld. Ook zijn er aanwijzingen dat sprake is geweest van seksueel misbruik. Hier wordt nog verder onderzoek naar gedaan. Volgens de moeder is de vader de boosdoener, maar het is de moeder ook niet gelukt om de kinderen te beschermen. [kind 2] en [kind 3] zijn twee getraumatiseerde kinderen die veel hebben meegemaakt en die veel stabiliteit, rust en structuur nodig hebben. De kinderen hebben zelfs meer nodig dan een normaal pleeggezin aan hen kan bieden. Daarom zijn de kinderen verplaatst naar een gezinshuis, waar zij in een therapeutische omgeving kunnen wonen. De kinderen kunnen nu nog niet terug naar de moeder. Eerst moet duidelijk worden wat de moeder de kinderen kan bieden. De jeugdbeschermer zal daar samen met de moeder naar moeten kijken.

5.4.

De William Schrikker Stichting is het eens met de raad.

Wat het hof ervan vindt

5.5.

Het hof vindt het volgende van belang. Tijdens de ondertoezichtstelling van [kind 1] kwamen zorgen over de opvoedsituatie van [kind 2] en [kind 3] naar voren. Omdat de jeugdbeschermer op dat moment niets voor [kind 2] en [kind 3] kon betekenen is aan de raad gevraagd een onderzoek te doen. Uit dat raadsonderzoek komt naar voren dat [kind 2] en [kind 3] zijn opgegroeid in een zeer onveilige omgeving. In de thuissituatie bij de ouders is sprake geweest van huiselijk geweld en ook laten de kinderen signalen zien van kindermishandeling. Een voorbeeld van zo’n signaal is dat de kinderen heel erg schrikken van situaties die eigenlijk heel onschuldig zijn. Daarnaast hebben beide kinderen een spraak-taal achterstand. Aan de moeder is hulp aangeboden, zodat er verbetering in de situatie kon gaan komen. Maar de moeder heeft geen gebruik gemaakt van dit hulpaanbod. Door hieraan niet mee te werken, heeft zij de belangen van de kinderen niet voorop gesteld.

Volgens de moeder is op dit moment sprake van een andere situatie, omdat de relatie met de vader inmiddels is verbroken. Het klopt dat de situatie nu anders is, maar ook het handelen van de moeder in het verleden is van belang en het is haar toen niet gelukt om de kinderen te beschermen en een veilige omgeving te bieden. Zij heeft niet weten te voorkomen dat de kinderen beschadigd zijn geraakt en trauma’s hebben opgelopen. Na de uithuisplaatsing is de ernst van de situatie pas echt duidelijk geworden. De kinderen geven steeds meer zorgelijke signalen af. Hierdoor zijn nu ook vermoedens van seksueel misbruik ontstaan. De trauma’s van de kinderen hebben tot gevolg dat zij niet naar een normaal pleeggezin kunnen. Voor de kinderen is een verblijf in een gezinshuis nodig. Door de problemen die de kinderen hebben, vindt het hof dat de kinderen niet terug kunnen naar de moeder. Eerst moet duidelijk worden welke mogelijkheden de moeder heeft om de kinderen zelf te kunnen opvoeden, waarbij ook gekeken moet worden of de moeder op een goede manier met de problemen van de kinderen kan omgaan.

5.6.

Het hof is het dus niet met de moeder eens dat de kinderen (op heel korte termijn) weer terug naar huis kunnen. Het hof is van mening dat er nog steeds redenen zijn om de kinderen uit huis te plaatsen. Het hof heeft hiervoor al uitgelegd waarom hij dat vindt. Het hof is het dus eens met de beschikking van de rechtbank. Daarom wijst het hof het beroep van de moeder af.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beslissing van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 februari 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R. Feunekes en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier, en is op 12 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.