Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6402

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
WAHV 200.207.804
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof geeft een overzichtsarrest naar aanleiding van de regelmatig gevoerde verweren betreffende het appelverbod van artikel 14 van de Wahv. Hierin wordt de bestaande jurisprudentie over het appelverbod verduidelijkt en wordt - met het oog op de praktijk - weergegeven welke omstandigheden kunnen leiden tot het buiten toepassing laten van het appelverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/227
VR 2019/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.207.804

12 juli 2018

CJIB 198422585

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 12 januari 2017

betreffende

[naam betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. J.M.C. Niederer,

kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 18 januari 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

Aan de beoordeling van het hoger beroep voorafgaande beschouwingen

  1. Het hof heeft geconstateerd dat regelmatig verweren worden gevoerd die betrekking hebben op de toepassing van het zogeheten appelverbod. Deze verweren hebben betrekking op de vraag of en zo ja in welke gevallen het appelverbod geldt, of de op het appelverbod betrekking hebbende nationale regelgeving buiten toepassing moet worden gelaten en of het appelverbod moet worden doorbroken. Het hof ziet hierin aanleiding om -met het oog op de praktijk- zijn jurisprudentie weer te geven en te verduidelijken.

  2. Artikel 14 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) luidt als volgt:

“1. Degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld, alsmede de officier van justitie, kunnen tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, tenzij de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 70,-.

2. Eveneens kan degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld doch daarin met toepassing van het bepaalde in artikel 11, vierde lid, niet-ontvankelijk is verklaard, tegen die beslissing hoger beroep instellen op de grond dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de zekerheid niet dan wel niet tijdig is gesteld dan wel ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.”

3. Het hof merkt allereerst op dat het niet de kantonrechter is die bij zijn beslissing een sanctie oplegt. De sanctie wordt opgelegd door de verbalisant, de kantonrechter beoordeelt de rechtmatigheid van de door de officier van justitie gegeven beslissing op het administratief beroep, gericht tegen de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd. Dit brengt mee dat artikel 14, eerste lid, van de Wahv aldus dient te worden verstaan dat hoger beroep mogelijk is indien na de beslissing van de kantonrechter een sanctie resteert die meer bedraagt dan € 70,- (vergelijk het arrest van het hof van 5 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:65).

4. Met betrekking tot het tweede lid van dit artikel heeft het hof in zijn arrest van
15 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11074, geoordeeld dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikellid noch uit het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op toegang tot de rechter kan worden afgeleid dat artikel 14, tweede lid, van de Wahv van overeenkomstige toepassing dient te worden geacht voor de situatie dat de kantonrechter op een andere grond dan de in dit lid genoemde grond het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5. Een en ander brengt mee dat op de voet van artikel 14, eerste lid, van de Wahv hoger beroep openstaat bij het hof, als na de beslissing van de kantonrechter een sanctie van meer dan € 70,- resteert en voorts, op de voet van artikel 14, tweede lid, van de Wahv, als de sanctie niet meer bedraagt dan € 70,- ingeval de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van het niet (tijdig) stellen van zekerheid. Anders gezegd: er is geen hoger beroep mogelijk indien na de beslissing van de kantonrechter een sanctie resteert die niet meer dan € 70,- bedraagt, tenzij de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat niet (tijdig) zekerheid is gesteld.

6. Gemeenschappelijk voor de zaken waarvoor het appelverbod geldt, is dat het gaat om zaken waarin sprake is van een sanctie die niet meer dan € 70,- bedraagt -zogeheten bagatelzaken- terwijl de kantonrechter, op de voet van artikel 12, eerste lid, van de Wahv, aan procespartijen de gelegenheid heeft geboden om hun zienswijze op een openbare zitting nader toe te lichten.

7. Het hof heeft voorts in vaste jurisprudentie geoordeeld dat het appelverbod niet in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Dergelijke bepalingen brengen immers niet mee dat in bagatelzaken hoger beroep mogelijk moet zijn of dat een kantonrechter de opgelegde sanctie inhoudelijk moet kunnen toetsen. Dit brengt mee dat het hof geen aanleiding heeft gezien om het in artikel 14, eerste lid, van de Wahv neergelegde appelverbod buiten toepassing te achten. Verwezen wordt naar (onder meer) de arresten van het hof van 29 mei 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:4472), 15 december 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:11074) en 29 december 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:11439).

8. Het hof wordt geregeld voor de vraag gesteld of het appelverbod moet worden doorbroken. Het hof stelt voorop dat de Wahv geen mogelijkheid biedt tot doorbreking van het in artikel 14, eerste lid, neergelegde appelverbod. Uit de rechtspraak van het hof volgt dat aan een procespartij het appelverbod niet wordt tegengeworpen indien een geslaagd beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het beroep door de kantonrechter. Het hof ziet aanleiding om deze jurisprudentie te preciseren. Het hof overweegt daartoe als volgt.

9. Naast de hoofdregel in het eerste lid van artikel 14 van de Wahv, heeft de wetgever in het tweede lid van dit artikel een aparte voorziening getroffen voor de zaken waarin de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat niet dan wel niet tijdig zekerheid is gesteld terwijl niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroep niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. In dergelijke zaken kan de kantonrechter afzien van het horen van een betrokkene op een openbare zitting. Dit vloeit voort uit artikel 11, vierde lid (oud), thans vijfde lid, van de Wahv (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 1992, gepubliceerd in Verkeersrecht 1992, 68). Het in artikel 6 van het EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter noopt, volgens de wetgever, in een zodanig geval ertoe dat de voorziening van hoger beroep wordt opengesteld.

10. Ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het EVRM heeft een ieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. In het derde lid van dit artikel is aan een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, een aantal verdedigingsrechten toegekend.

11. Bij het instellen van het appelverbod heeft de wetgever voor ogen gehad dat de kantonrechter, in de zaken die vallen onder de reikwijdte van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, op de voet van artikel 12, eerste lid, van de Wahv, aan procespartijen de gelegenheid heeft geboden om hun zienswijze op een openbare zitting nader toe te lichten. Het door de wetgever bedoelde, in artikel 6 van het EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter, heeft aldus betrekking op het recht op een openbare behandeling van de zaak en de mogelijkheid van degene aan wie de sanctie is opgelegd om daarbij aanwezig te zijn om zich daar te verdedigen tegen die opgelegde sanctie.

12. Indien de kantonrechter - in strijd met voornoemd artikel - degene aan wie de sanctie is opgelegd niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn standpunt op de openbare zitting toe te lichten, kan het aldus geduide in artikel 6 van het EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter meebrengen, dat het appelverbod van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, wegens strijd met deze bepaling, buiten toepassing moet worden gelaten. Grondslag daarvoor is artikel 94 van de Grondwet. Het hof stelt in zodanige situatie procespartijen in de gelegenheid om op een openbare zitting van het hof hun zienswijze toe te lichten.

13. Hierop moet een beroep worden gedaan. Dat betekent dat feiten en omstandigheden moeten worden gesteld die meebrengen dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten. Het is niet de taak van het hof om hiernaar ambtshalve onderzoek te doen.

14. Daarbij zij opgemerkt dat niet in iedere situatie dat de kantonrechter afziet van het houden van een zitting het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten. Het hof heeft daarbij het oog op zijn jurisprudentie waaruit volgt dat het beginsel van hoor en wederhoor meebrengt dat indien de behandeling ter zitting, waarvoor partijen overeenkomstig artikel 12, eerste lid, van de Wahv zijn uitgenodigd, is aangehouden, een vervolgzitting dient plaats te vinden. Indien de kantonrechter in zodanig geval niettemin afziet van het houden van een vervolgzitting betrekt het hof bij de beoordeling of het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten of een procespartij in haar rechtens te erkennen belangen is geschaad. Het hof wijst in dit verband op zijn arrest van 19 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3345. Dit brengt mee dat door een procespartij die zich in zodanige situatie beroept op buiten toepassing laten van het appelverbod, feiten en omstandigheden zullen moeten worden gesteld ter adstructie van deze belangen.

15. Met betrekking tot verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak indien partijen conform artikel 12, eerste lid, van de Wahv door de kantonrechter in de gelegenheid zijn gesteld om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten, overweegt het hof dat de omstandigheid dat de kantonrechter een zodanig verzoek niet honoreert niet meebrengt dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten. Het betreft hier een beslissing die de kantonrechter kan nemen zonder dat dit tot de conclusie leidt dat er geen toegang is tot de rechter als hiervoor bedoeld. Er bestaat geen recht op aanhouding van de behandeling van de zaak indien daarom wordt verzocht. Het hof wijst in dit verband op zijn arrest van 4 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8630. Een en ander geldt ook indien de kantonrechter niet beslist op een aanhoudingsverzoek. Een zodanige situatie dient te worden verstaan als een afwijzing van dat verzoek. Het hof oordeelt in zoverre anders dan het eerder (onder meer bij arrest van 5 augustus 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BG1794) heeft geoordeeld.

16. Klachten die niet het hierboven geduide in artikel 6 van het EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter betreffen, kunnen niet leiden tot buiten toepassing laten van het appelverbod. Hieronder vallen klachten over het niet opmaken van een proces-verbaal van het verhandelde ter zitting of de klacht dat de beslissing van de kantonrechter met een stempel is ondertekend. In dit verband wijst het hof op zijn arrest van 17 mei 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2018:4546. Ook klachten die er in de kern op neer komen dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen -hetzij inhoudelijk hetzij procedureel- kunnen niet leiden tot buiten toepassing laten van het appelverbod. Dit zijn geen klachten die betrekking hebben op het recht op toegang tot de rechter als hierboven geduid.

Beoordeling van het ingestelde beroep

17. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 24,-. Tegen de beslissing van de kantonrechter staat daarom gelet op hetgeen hiervoor onder 3. tot en met 7. is overwogen geen hoger beroep open.

17. De gemachtigde van de betrokkene bepleit dat het appelverbod moet worden doorbroken (het hof begrijpt: buiten toepassing moet worden gelaten). Hij voert daartoe - kort samengevat - aan dat de betrokkene niet bekend is met de oproeping voor de zitting van de kantonrechter, dat de kantonrechter zijn beslissing heeft gebaseerd op hetgeen hem ambtshalve bekend is, dat de kantonrechter niet heeft beslist op een gemotiveerd verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak en dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt.

19. Ten aanzien van de klacht van de gemachtigde dat de betrokkene niet bekend is met de oproeping voor de zitting bij de kantonrechter overweegt het hof het volgende.

20. Ingevolge artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde gezonden.
Bij de stukken van het geding bevindt zich een aan de gemachtigde gericht schrijven van de griffier van de rechtbank d.d. 14 november 2016, waarin de gemachtigde wordt uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 29 december 2016 te 09:00 uur. De ontvangst hiervan is door de gemachtigde niet betwist. De gemachtigde stelt dat "appellant", de betrokkene namens wie hij beroep heeft ingesteld, niet bekend is met de oproep voor de

zitting.

21. Met de uitnodiging van de gemachtigde is voldaan aan de uit artikel 12, eerste lid, Wahv voortvloeiende verplichting om de betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. De gemachtigde dient, gelet op artikel 6:17 Awb, de betrokkene op de hoogte te stellen van deze uitnodiging. De klacht faalt derhalve.

22. Met betrekking tot de klacht dat de kantonrechter zich heeft gebaseerd op hetgeen hem ambtshalve bekend is, stelt het hof vast dat de kantonrechter, blijkens het proces-verbaal van de zitting, tevens beslissing van de kantonrechter, de informatie waarop hij zijn beslissing baseert ter zitting aan de orde heeft gesteld. De klacht komt er derhalve in de kern op neer dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen. Dit vormt geen aanleiding voor buiten toepassing laten van het appelverbod.

22. Voor wat betreft de klacht over het niet beslissen op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak verwijst het hof naar hetgeen hierboven onder 15. is overwogen.

In de onderhavige zaak is de gemachtigde de gelegenheid is geboden om op een openbare zitting de zienswijze van de betrokkene nader toe te lichten.

24. Met betrekking tot de klacht over het niet opmaken van een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter wijst het hof op hetgeen hierboven onder 16. is overwogen.

25. Gelet op het vorenstaande zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

25. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.