Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6400

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
200.235.782/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind en mentorschap. Geen gewichtige redenen voor ontslag huidige mentor. Geen uitdrukkelijke voorkeur rechthebbende, die beschermt woont met intensieve dementiezorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.235.782/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6410941 VO VERZ 17-3352 &

6513221 VO VERZ 17-3675 & 6513303 VT VERZ 17-470)

beschikking van 5 juli 2018

inzake

[verzoekster1] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: [verzoekster1] , en

[verzoekster2] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: betrokkene/de moeder,

verzoekers in hoger beroep,

advocaat: mr. A. Atema te Groningen.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de dochter] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: [de dochter] ,

2 [de zoon] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de zoon,

3 [de mentor] ,

gevestigd te [D] ,

verder te noemen: de mentor,

4 [de bewindvoerder] B.V.,

gevestigd te [E] ,

verder te noemen: de bewindvoerder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 16 maart 2018;

- het verweerschrift van de mentor;

- het verweerschrift van de bewindvoerder met productie(s);

- een brief van de mentor van 2 mei 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Atema van 1 juni 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 6 juni 2018 plaatsgevonden. [verzoekster1] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Verder zijn [de dochter] , de zoon en de mentor verschenen.

2.3

Op 13 juni 2018 heeft een raadsheer-commissaris van het hof, te weten mr. Jonkman, in aanwezigheid van de griffier, betrokkene op locatie gehoord. Het proces-verbaal daarvan is aan de advocaat van betrokkene en [verzoekster1] als ook aan de overige belanghebbenden toegestuurd.

3 De feiten

3.1

Betrokkene is geboren [in] 1936. Zij verblijft in verpleeghuis [F] te [B] , naar het hof begrijpt sinds eind 2017.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 23 oktober 2017, heeft de mentor een verzoek tot onderbewindstelling ingediend. In het verzoekschrift wordt verzocht om [de bewindvoerder] B.V. tot bewindvoerder van betrokkene te benoemen. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 4 december 2017, heeft [verzoekster1] eveneens verzocht tot onderbewindstelling van betrokkene met benoeming van haarzelf tot bewindvoerder en tot (opvolgend) mentor van betrokkene, onder ontslag van [de mentor] als mentor.

3.3

Bij de bestreden beschikking van 19 december 2017 is - voor zover hier van belang - een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan betrokkene vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [de bewindvoerder] B.V. tot bewindvoerder, en is het verzoek van [verzoekster1] tot ontslag van [de mentor] als mentor, onder gelijktijdige benoeming van haarzelf tot (opvolgend) mentor, afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoekster1] en betrokkene zijn met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de benoeming van de bewindvoerder en de afwijzing van het verzoek tot ontslag van de mentor. [verzoekster1] en betrokkene verzoeken het hof om de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de benoeming van [de bewindvoerder] B.V. tot bewindvoerder en wat betreft de afwijzing van het verzoek tot ontslag van [de mentor] als mentor en, opnieuw rechtdoende, [verzoekster1] te benoemen tot bewindvoerder en (opvolgend) mentor over (de goederen en gelden van) betrokkene.

4.2

De mentor en de bewindvoerder voeren (ieder afzonderlijk) verweer en verzoeken het hof (naar het hof begrijpt en voor zover hier van belang:) de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van [verzoekster1] en betrokkene af te wijzen.

4.3

Het hof zal eerst het verzoek van [verzoekster1] ten aanzien van het mentorschap bespreken en daarna haar verzoek ten aanzien van het bewind.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van het verhoor van betrokkene op 13 juni 2018 en de stukken in het dossier oordeelt het hof dat genoegzaam is gebleken dat betrokkene - in verband met haar gezondheid (dementie en cognitieve problemen) - niet voldoende in staat is om haar uitdrukkelijke wil kenbaar te maken ten aanzien van de geschilpunten die aan het hof zijn voorgelegd. In eerste instantie noemt betrokkene [verzoekster1] helemaal niet op de vraag wie haar kinderen zijn, op een ander moment - ten aanzien van de vraag wie haar zaken zou moeten behartigen - weer wel.

Mentorschap

5.2

Op grond van artikel 1:461 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een mentor ontslag verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de medementor of degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 451 BW, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.

5.3

Het hof oordeelt dat niet is aangetoond dat er sprake is van gewichtige redenen die het ontslag van de (huidige) mentor rechtvaardigen. Uit niets is gebleken dat de belangen van betrokkene door de mentor niet op een goede wijze worden behartigd dan wel dat hij de door de wet aan hem opgelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt.

5.4

[verzoekster1] enerzijds en [de dochter] en de zoon anderzijds hebben vanwege hun moeizame relatie geen contact met elkaar. Dit is begin 2017 (mede) de reden geweest om een onafhankelijke mentor aan te stellen. Uit de stukken, waaronder het verzoekschrift van de mentor van 21 oktober 2017 tot onderbewindstelling, de brief van Noorderbreedte van 23 april 2018, en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat de zorgbehoefte van de moeder sterk is toegenomen. Dit wordt bevestigd door het centrum indicatiestelling zorg (CIZ) dat op 6 oktober 2017 een indicatie voor langdurige 24-uurszorg zorg op grond van de Wet langdurige zorg heeft afgegeven. Het betreft beschermd wonen met intensieve dementiezorg. De mentor heeft gelet op het ziektebeeld van de moeder de noodzaak gezien om de moeder te laten opnemen in verpleeginstelling [F] . Het was niet langer verantwoord - ook niet met de thuisondersteuning op dat moment - om de moeder (zelfstandig) thuis te laten wonen. [de dochter] en de zoon staan achter deze beslissing en hebben de indruk dat de moeder het naar haar zin heeft in het verpleeghuis. Zij hebben verder een goede samenwerking met de mentor en ondersteunen het verzoek van [verzoekster1] tot zijn ontslag dan ook niet. Ter zitting hebben zij onweersproken verklaard dat de moeder bang was om alleen thuis te zijn, wel eens angstig in haar eentje over straat liep en thuis een keer is gevallen en een tijd op de grond heeft gelegen. Volgens hen is de moeder ook niet meer in staat om iemand te bellen in een noodsituatie. [verzoekster1] vindt dat de moeder per direct weer thuis in haar eigen woning moet wonen met de benodigde hulp van de thuiszorg en haarzelf. [de dochter] , de zoon, de mentor en overige zorgverleners/onderzoekers achten dit, gelet op de intensieve benodigde zorg, niet haalbaar en niet verantwoord.

5.5

Het hof ziet in het voorgaande reeds voldoende grond om de belangen van niet- vermogensrechtelijke aard van betrokkene te laten behartigen door mentor [de mentor] , die als onafhankelijke partij in staat is te communiceren met alle betrokken partijen en informatie (over de zorgontwikkelingen en welzijn van de moeder) op neutrale wijze met een ieder kan delen. Van een gewichtige reden voor ontslag is dan ook geen sprake.

Bewind

5.6

Op grond van 1:435 lid 3 van het BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Op grond van artikel 1:435 lid 4 BW wordt, tenzij het derde lid is toegepast, indien betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd.

5.7

Vanwege de gezondheid van betrokkene, het feit dat zij nog over een eigen woning beschikt, de verstoorde verhoudingen tussen de kinderen en de moeizame communicatie en samenwerking met [verzoekster1] , heeft de mentor op 21 oktober 2017 een verzoek ingediend om (ook) de vermogensrechtelijke belangen van betrokkene door een onafhankelijke partij te laten uitvoeren. Niet in geschil is dat een onderbewindstelling nodig is, maar wel de vraag wie tot bewindvoerder moet worden benoemd. [verzoekster1] wenst zelf tot bewindvoerder benoemd te worden en stelt dat dit de uitdrukkelijke voorkeur van de moeder is. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen wordt de moeder niet in staat geacht haar wil op dit punt kenbaar te maken. Het hof is voorts, gelet op de hiervoor genoemde verstoorde familieverhoudingen, van oordeel dat afgeweken dient te worden van de wettelijke voorkeursregeling en dat het in het belang van de moeder is dat haar vermogensrechtelijke belangen worden behartigd door een onafhankelijk bewindvoerder. Ook voor wat betreft deze belangen geldt immers dat de kinderen van de moeder verschillende standpunten innemen. Zo wil [verzoekster1] de woning van betrokkene aanhouden zodat zij weer thuis kan gaan wonen, terwijl de andere kinderen willen dat de moeder in het verpleeghuis blijft wonen. Het hof ziet in het voorgaande als ook in hetgeen ten aanzien van het mentorschap is overwogen, gegronde redenen om af te wijken van de wettelijke voorkeursregeling en zal derhalve niet overgaan tot benoeming van [verzoekster1] . Het hof gaat ten slotte voorbij aan de stelling van [verzoekster1] dat de bewindvoerder haar taken tot dusver niet goed uitvoert, nu enige onderbouwing hiervan ontbreekt.

5.8

Voor zover [verzoekster1] en betrokkene een beroep hebben gedaan op het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en dan met name op het in artikel 3 sub a van dat verdrag neergelegde grondbeginsel van “respect voor de inherente waardigheid, persoonlijke autonomie, met inbegrip van de vrijheid zelf keuzes te maken en de onafhankelijkheid van personen” overweegt het hof als volgt. Voor zover er een inbreuk op voornoemd grondbeginsel is gemaakt, wordt dit door het hof in het belang van betrokkene noodzakelijk en proportioneel geacht.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

19 december 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Jonkman, I.M. Dölle, en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 5 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.