Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6386

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
200.176.220/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toestemming verhuizing naar Polen. Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2016:5123.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.176.220/01

(zaaknummer rechtbank C/19/109507/FA RK 15-669)

beschikking van 3 juli 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] (Polen),

verzoekster in (het principaal) hoger beroep,

verweerster in (het incidenteel) hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.H. Noorman, kantoorhoudend te Emmen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in (het principaal) hoger beroep,

verzoeker in (het incidenteel) hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: voorheen W. Eelsing en mr. J.M. Suurmeijer, thans mr. C.C.N. Cats, kantoorhoudend te Emmen.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2003, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. In de onderhavige procedure zijn tussen partijen in geschil de (vervangende toestemming voor) verhuizing van [de minderjarige] naar Polen c.q. de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien [de minderjarige] .

1.2

Voor het verloop van het geding tot 21 juni 2016 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.3

Het hof heeft in de tussenbeschikking van 21 juni 2016 de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht een nader onderzoek in te (doen) stellen via International Social Service Netherlands (hierna ISSN) naar de verhuizing van [de minderjarige] c.q. haar hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Het hof heeft de raad verzocht omtrent zijn bevindingen te rapporteren en advies uit te brengen uiterlijk op 31 oktober 2016, althans te berichten omtrent de voortgang van het onderzoek.

1.4

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de raad van 28 juni 2016;

- een brief van de raad van 15 juli 2016;

- een brief van de raad van 22 september 2016;

- een brief van de raad van 31 mei 2017;

- een brief van de raad van 2 augustus 2017;

- het proces-verbaal van de (regie)zitting van het hof van 30 oktober 2017;

- het journaalbericht van mr. Noorman van 27 november 2017 met productie(s);

- het journaalbericht van mr. Suurmeijer van 30 november 2017 met productie(s)

- het journaalbericht van mr. Suurmeijer van 19 januari 2018;

- het journaalbericht van mr. Cats van 27 februari 2018;

- een brief van de raad van 12 maart 2018;

- het proces-verbaal van de zitting van het hof van 19 maart 2018;

- het journaalbericht van mr. Cats van 12 april 2018 met productie(s);

- een (brief)rapportage met advies van de raad van 14 mei 2018;

- het journaalbericht van mr. Cats van 30 mei 2018 met productie(s);

- het journaalbericht van mr. Noorman van 8 juni 2018.

1.5

[de minderjarige] heeft nogmaals bij brief van 16 augustus 2017 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de zaak.

1.6

Mr. Cats heeft bij voornoemd journaalbericht van 30 mei 2018 het hof laten weten dat de rechtbank in Polen inmiddels heeft bepaald dat [de minderjarige] in Polen mag blijven, dat de vader zich niet langer wenst te verweren tegen het door de moeder ingestelde hoger beroep met betrekking tot de vervangende toestemming tot verhuizing, dat de vader zich verder refereert aan het oordeel van het hof en dat de vader niet op de geplande zitting van 24 september 2018 zal verschijnen. Omdat ook de moeder bij journaalbericht van 8 juni 2018 heeft laten weten af te zien van een verdere mondelinge behandeling zal het hof de zaak op de stukken afdoen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 21 juni 2017, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist en verwijst naar hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 oktober 2017 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 maart 2018.

2.2

Om te kunnen beoordelen wat het meest in het belang van [de minderjarige] is te achten, continuering van haar verblijf bij de moeder in Polen of een verhuizing terug naar Nederland (al dan niet naar de vader), is het van groot belang dat er zicht is op de huidige ontwikkeling van [de minderjarige] in Polen, alsmede op de gevolgen van een verhuizing naar Nederland voor de ontwikkeling van [de minderjarige] .

2.3

Het hof constateert dat de zaak door allerlei omstandigheden enorme vertraging heeft opgelopen, met name door het ontbreken van informatie vanuit Polen omtrent de situatie van [de minderjarige] en door het wachten op de resultaten van het door het hof aan de raad via ISSN opgedragen onderzoek. Het hof maakte zich in het bijzonder grote zorgen over het feit dat er na het vertrek van de moeder met [de minderjarige] naar Polen op 17 augustus 2015 geen omgang meer heeft plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] . Het contact tussen [de minderjarige] en de vader verliep sindsdien alleen via WhatsApp en Facetime. Ter voorkoming van verder tijdverlies heeft het hof tweemaal zitting gehouden, op 30 oktober 2017 en 19 maart 2018.

2.4

Voor zover hier van belang is er ter zitting van het hof van 19 maart 2018 wederom gezocht naar mogelijkheden voor contact tussen [de minderjarige] en de vader. Nog steeds beschikte het hof niet over relevante, actuele informatie over de situatie van [de minderjarige] in Polen.

Er zijn ter zitting door het hof met partijen de volgende afspraken gemaakt:

- de moeder geeft de vader binnen twee dagen na de zitting het wachtwoord om te kunnen inloggen in het digitale leerlingvolgsysteem/de leeromgeving, zodat de vader net als de moeder de schoolresultaten van [de minderjarige] kan inzien;

- er zal rondom Pasen 2018 een driedaags bezoek plaatsvinden van [de minderjarige] bij de vader; [de minderjarige] zal voor dit bezoek naar Nederland komen;

- gedurende voornoemd eerste bezoek van [de minderjarige] in Nederland zal er een gesprek plaatsvinden tussen [de minderjarige] en de raad;

- de moeder zal (door tussenkomst van haar advocaat) rechtstreeks met de raad (in de persoon van [C] ) de komst van [de minderjarige] naar Nederland afstemmen;

- het tweede contact tussen [de minderjarige] en haar vader zal plaatsvinden in mei 2018; [de minderjarige] zal voor dit bezoek drie dagen naar Nederland komen; alleen als goed is onderbouwd dat dat niet kan vanwege een schoolactiviteit kan het tweede bezoek in plaats daarvan plaatsvinden drie dagen in de eerste week van de zomervakantie.

2.5

Het hof stelt vast dat [de minderjarige] , conform de gemaakte afspraken, met Pasen naar Nederland is gekomen om haar vader te bezoeken. De omgang is niet goed gegaan. [de minderjarige] had het niet naar haar zin bij de vader. Zij is na overleg met de vader, nadat zij twee van de drie geplande dagen bij de vader is gebleven, op een eerder tijdstip opgehaald door haar moeder. De vader informeerde het hof over dit bezoek bij journaalbericht van 12 april 2018. In zijn reactie op dit bezoek geeft de vader aan dat hij [de minderjarige] enorm heeft gemist, maar dat het tot zijn grote verdriet, gezien de houding van [de minderjarige] , niet langer mogelijk is om normaal contact met [de minderjarige] te hebben. De vader heeft te kennen gegeven dat hij niet langer (gedwongen) contact wenst met [de minderjarige] zolang de moeder met [de minderjarige] in Polen verblijft. Verder blijkt uit de brief dat de vader in het belang van [de minderjarige] heeft afgezien van het door het hof opgedragen tweede omgangsmoment in de meivakantie. De vader concludeert in zijn reactie dat [de minderjarige] te lang bij moeder in Polen heeft verbleven en daar een aversie heeft ontwikkeld tegen haar vader. Hij vermoedt dat dit door de moeder komt en neemt haar dit uiterst kwalijk.

Dat het bezoek van [de minderjarige] aan de vader tijdens de Paasdagen niet goed is verlopen wordt ook beschreven in de door de raad opgemaakte rapportage van 14 mei 2018. De raad constateert dat zowel [de minderjarige] als de vader niet tevreden waren over het bezoek en dat de vader naar aanleiding daarvan voornemens is om alle banden met [de minderjarige] te verbreken.

2.6

De raad heeft een persoonlijk gesprek met [de minderjarige] gevoerd op 5 april 2018. Uit dit gesprek heeft de raad het volgende opgemaakt:

"Met [de minderjarige] gaat het goed in Polen, bij moeder. Zij wonen naar haar zeggen in een vrijstaand huis in een rustige buurt waar zij de buren nagenoeg allemaal kent. [de minderjarige] gaat graag naar school en ondanks dat zij is teruggeplaatst naar twee groepen lager, voelt zij zich prettig tussen haar klasgenoten. Ook is zij inmiddels de Poolse taal machtig en vertelt desgevraagd wat dingen in het Pools. Het valt op dat zij niet hoeft na te denken, wanneer zij Pools gaat praten. [de minderjarige] straalt wanneer zij vertelt over haar leven in Polen. Met moeder heeft zij een goede band. Soms kookt [de minderjarige] voor hen, wanneer moeder nog aan het werk is. Ze maakt uit school haar huiswerk en spreekt af met vriendinnen. In haar vrije tijd doen ze leuke dingen. Tot voor kort was het schaatsseizoen er nog, maar het schaatsseizoen is nu voorbij en momenteel gaat [de minderjarige] zwemmen en dansen. [de minderjarige] vindt dansen het leukst. Er is geen sprake van armoede, geeft [de minderjarige] aan, en zij ziet er verzorgd uit. Moeder gaat met [de minderjarige] en een vriendin op vakantie naar Mallorca. [de minderjarige] vindt dit fijn en is blij dat ze niet met vader op vakantie hoeft te gaan. [de minderjarige] heeft een goed contact met haar zeven jaar oudere broer die bijna alle vakanties naar Polen komt. Haar broer heeft inmiddels ook geen contact meer

met vader.

Over het contact met vader, geeft [de minderjarige] aan dat zij een belcontact heeft met vader, waarbij zij met hem skypet via de WhatsApp. Ze had weinig zin om naar vader te gaan, omdat zij niet een heel goede band met hem heeft. Ook heeft zij niet een heel goed contact met de partner van vader. Ze kent de kinderen van vaders partner niet.

[de minderjarige] vindt het niet erg dat vader is hertrouwd. [de minderjarige] heeft moeite met het rookgedrag van vader en zijn partner binnenshuis en zij zegt dat ze daarom niet graag binnen is bij vader. [de minderjarige] sprak af met vriendinnen buitenshuis.

Ook had ze verwacht dat ze meer leuke dingen zouden doen, maar dat is niet gebeurd, behalve een puppy uitzoeken. [de minderjarige] merkt aan zichzelf dat ze het niet leuk vindt om met vader te praten en heeft hier ook geen behoefte aan en ze heeft slecht geslapen bij hen. Dit kwam omdat de zoon van de partner van vader heel vroeg weg moest en [de minderjarige] werd daar wakker van. [de minderjarige] vindt het belcontact met vader eens in de week prima verlopen en ook geen verplichting, maar ze hoeft er niet per se heen. Ze kan wel in de meivakantie naar vader toe, afgezien van de twee dagen in mei waarop ze een project heeft met school. [de minderjarige] wil graag

in Polen blijven wonen, omdat ze er gelukkig en gewend is geraakt. Ook kende ze Polen al goed vanwege de vakanties die ze daar was."

2.7

Om meer zicht te krijgen op de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] bij de moeder in Polen, en bij gebreke van de verzochte, maar niet verkregen informatie van de Poolse kinderbescherming, heeft de raad de school van [de minderjarige] benaderd als informant. De raad heeft telefonisch de directrice van de school van [de minderjarige] te Polen gesproken, mevrouw [D] . Uit de ingewonnen informatie blijkt dat [de minderjarige] sinds tweeënhalf jaar op de school zit. Zij zit nu in de zesde klas. Ze kan goed meekomen met de lesstof en heeft geen taalachterstand. [de minderjarige] spreekt Pools, Spaans en Nederlands. De directrice heeft te kennen gegeven dat [de minderjarige] goed in contact is met andere kinderen en leerkrachten, dat zij behulpzaam en enthousiast is en dat zij de projecten, die er veel zijn op school, goed uitvoert. Ze is elke dag vanaf 8.00 uur op school tot in ieder geval 14.00 uur. Nadien blijft zij vaak voor het maken van haar huiswerk. Vanuit de informatie van de leerkracht blijken er geen zorgen te zijn over [de minderjarige] .

2.8

Verder blijkt uit de rapportage van de raad dat de ISSN de raad op 6 april 2018 heeft bericht dat het tot op heden niet is gelukt om de verzochte informatie te verkrijgen vanuit de kinderbescherming te Polen. Tevens heeft de ISSN op schrift vermeld dat de Poolse kinderbescherming de informatie enkel zou hebben verkregen van de moeder en [de minderjarige] . Nu de raad [de minderjarige] en de moeder persoonlijk heeft kunnen spreken en ook informatie heeft verkregen van de school van [de minderjarige] , lijkt een onderzoek door de kinderbescherming te Polen, mede gelet op hun werkwijze, geen meerwaarde te hebben ten opzichte van het door de raad uitgevoerde onderzoek. De raad heeft op grond van dit onderzoek geen zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] bij de moeder in Polen en acht het in het belang van alle betrokkenen dat er einde komt aan de voortdurende onduidelijkheid over het hoofdverblijf en de eventuele terugverhuizing van [de minderjarige] naar Nederland. [de minderjarige] woont thans tweeënhalf jaar in Polen en gaat daar naar school, heeft zich de taal eigen gemaakt en sociale contacten opgebouwd en ze heeft een goede band met de moeder. [de minderjarige] heeft de wens in Polen te blijven wonen.

De raad constateert verder dat de vader momenteel onvoldoende in staat is aan te sluiten bij de levensfase en belevingswereld van [de minderjarige] en niet in staat is het verstoorde contact met de moeder, en haar eenzijdig genomen besluit om met [de minderjarige] naar Polen te verhuizen, los te zien van zijn contact met [de minderjarige] en haar belangen hierin.

Ook aan de raad heeft de vader na het bezoek van [de minderjarige] tijdens de Paasdagen te kennen gegeven dat hij niet langer contact wenst met [de minderjarige] zolang zij in Polen woont, terwijl hij ook blijft volharden in zijn beslissing. Er is volgens de raad sprake van wederzijdse verwachtingen tussen de vader en [de minderjarige] , die niet zijn uitgekomen en waarbij over en weer teleurstellingen zijn blijven bestaan, ook na de gesprekken die de raadsonderzoeker naar aanleiding hiervan met hen heeft gehad. De vader blijkt niets te kunnen met de opmerkingen van de raadsonderzoeker dat [de minderjarige] mogelijk moet wennen en dat zij wellicht ook normaal pubergedrag vertoont, waarbij ze in haar huidige leeftijdsfase meer afstand neemt van haar ouders. De vader is, aldus de raad, erg gefrustreerd over het handelen van de moeder tweeënhalf jaar geleden. Hij is zodanig teleurgesteld over het verloop van het contact en de houding van [de minderjarige] dat hij niets meer met haar te maken wil hebben, tenzij het hof van moeder eist dat ze terugverhuist naar Nederland. Ook heeft hij - zo blijkt uit het raadsrapport - alle foto’s van [de minderjarige] verwijderd uit huis en hij zal niet meer reageren op WhatsApps van [de minderjarige] , wanneer zij een berichtje zou sturen.

2.9

De voorwaarde die de vader stelt aan het contact met [de minderjarige] wordt door de raad echter niet in het belang geacht van [de minderjarige] . Hoewel volgens de raad de overbrenging van [de minderjarige] onrechtmatig lijkt te zijn geweest, en de handelwijze van de moeder niet in het belang van [de minderjarige] is te achten, is de raad op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden van mening dat wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in [de minderjarige] ’s belang is. De raad adviseert het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de moeder ongewijzigd te laten. Gelet op het feit dat zij thans tweeënhalf jaar in Polen woont en aldaar geworteld lijkt te zijn, in combinatie met haar wens om in Polen te blijven wonen, acht de raad een terugverhuizing van [de minderjarige] naar Nederland niet in haar belang. De raad adviseert dan ook het hof het verzoek van de vader met betrekking tot terugverhuizing af te wijzen.

2.10

Na voormeld raadsrapport is ter griffie van het hof een journaalbericht van de zijde van de vader binnengekomen, waarin de vader het hof bericht dat de Poolse rechter inmiddels een uitspraak heeft gedaan (zoals het hof begrijpt: op zijn verzoek van 26 november 2015 tot teruggeleiding van [de minderjarige] naar Nederland, ingediend via de Centrale Autoriteit), inhoudende dat [de minderjarige] in Polen mag blijven wonen. Dit omdat [de minderjarige] er al een aantal jaren woont, goed Pools spreekt, goed contact heeft met haar grootouders, goed meekomt op school en zelf niet terug wil naar Nederland. In verband hiermee heeft het voor de vader -zoals hij stelt in zijn brief van 30 mei 2018- nu geen zin meer zich nog langer te verweren tegen het hoger beroep van de moeder. De vader conformeert zich aan de uitspraak van het hof, maar merkt daarbij op dat hij het betreurt dat eigenrichting wordt beloond.

2.11

Het hof acht zich thans op grond van de stukken voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Het hof zal gelet op de stand van de zaken conform het advies van de raad het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij hem te bepalen afwijzen en de moeder alsnog vervangende toestemming verlenen om zich samen met [de minderjarige] in Polen te vestigen en haar aldaar in te schrijven op de Modern Academy. Het hof oordeelt dit het meest in het belang van [de minderjarige] . Gelet op het feit dat de vader onder deze omstandigheden (nu [de minderjarige] met haar moeder in Polen blijft wonen) afziet van een omgangsregeling en daarin een onbuigzame houding aanneemt, is nakoming van de door de rechtbank Groningen op 9 juni 2009 vastgestelde omgangsregeling feitelijk onmogelijk (geworden). Het (voorwaardelijk) verzoek van de vader in het incidenteel appel op dit punt zal dan ook worden afgewezen. Een werkbare omgangsregeling, zoals de moeder eerder verzocht, is op dit moment, gelet op de houding van de vader, niet haalbaar.

2.12

Evenals de raad hoopt het hof dat nu de juridische strijd tussen de ouders is beslecht en duidelijk is dat [de minderjarige] met haar moeder in Polen blijft wonen, er op termijn ruimte zal ontstaan bij vader om het verleden te laten rusten en om zich weer te richten op mogelijk toekomstig contact met zijn dochter, gelijk het hof hoopt dat hierdoor ook bij [de minderjarige] weer ruimte zal ontstaan om haar vader positief tegemoet te treden.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen is afgewezen, en vernietigen voor zover het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om zich samen met [de minderjarige] in Polen te vestigen en haar aldaar in te schrijven op de Modern Academy is afgewezen. Opnieuw rechtdoende zal het hof die vervangende toestemming alsnog verlenen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 15 juli 2015, voor zover de rechtbank het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen heeft afgewezen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 15 juli 2015, voor zover de rechtbank het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om zich samen met [de minderjarige] in Polen te vestigen en haar aldaar in te schrijven op de Modern Academy heeft afgewezen en (in zoverre) opnieuw beschikkende:

verleent de moeder alsnog vervangende toestemming om zich samen met [de minderjarige] in Polen te vestigen en haar aldaar in te schrijven op de Modern Academy;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. C. Koopman en
mr. B.J. Voerman, bijgestaan door als griffier, en is op 3 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.