Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6351

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
17/00087
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:6524, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfbelasting. Tijdigheid aanslag. Uitstel voor doen van aangifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-07-2018
V-N Vandaag 2018/1620
FutD 2018-2056
NTFR 2018/2206 met annotatie van mr. M.H. Hogendoorn
V-N 2018/57.18 met annotatie van Redactie
ERF-Updates.nl 2018-0140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00087

uitspraakdatum: 17 juli 2018

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 december 2016, nummer AWB 16/3285, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 25 november 2014 een aanslag erfbelasting opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2018. Het hoger beroep is met instemming van partijen tegelijkertijd behandeld met de hoger beroepen die onder de nummers 17/00088 tot en met 17/00092 bij het Hof zijn geregistreerd. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.

1.6.

De raadsheer-commissaris heeft op 22 maart 2018 getuigen gehoord alsmede de kinderen van belanghebbende als partij in de zaken met de nummers 17/00088 tot en met 17/00092. Van de verhoren zijn processen-verbaal opgemaakt, die aan partijen zijn verzonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting is hervat en gesloten op 20 juni 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

[in] 2011 is overleden [A] (hierna: erflater). De akte van overlijden van erflater is op 29 augustus 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Belanghebbende is een van de erfgenamen.

2.2.

Erflater heeft tot executeur benoemd zijn schoondochter [B] . De executeur heeft bij formulier, ontvangen door de Inspecteur op 22 september 2011, aan de Inspecteur medegedeeld dat zij de contactpersoon is voor de belastingzaken rond het overlijden van erflater.

2.3.

Het aangiftebiljet erfbelasting is gezonden naar het adres van de executeur. Op de voorzijde van het biljet is vermeld dat de aangifte vóór 1 mei 2012 moet worden ingediend. Als kenmerk is op de voorzijde vermeld 11.15394. Belanghebbende, de echtgenote van erflater, heeft het biljet, nadat zij het van de executeur had ontvangen, doen toekomen aan [C] Belastingadviseurs B.V. te [D] (hierna: [C] ), de vaste adviseur van erflater.

2.4.

Op 21 april 2012 heeft een vergadering plaatsgevonden waar de erfgenamen, onder wie belanghebbende, de executeur en [E] , belastingadviseur bij [C] , hebben gesproken over de verdeling van de nalatenschap. Een verslag van de vergadering behoort tot de gedingstukken.

2.5.

Op 24 april 2012 heeft [F] , destijds medewerkster van [C] , per e-mail verzocht om uitstel voor de indiening van de aangifte. De tekst luidt voor zover van belang als volgt:

“Met betrekking tot het doen van de aangifte erfbelasting 2011 van wijlen heer [A] (overleden op [in] 2011), met kenmerk [00000] verzoeken wij u ons uitstel te verlenen tot 1 oktober 2012.”

2.6.

Bij brief van 25 april 2012 heeft de Inspecteur aan [C] , ter attentie van de onder 2.5. bedoelde medewerkster, het uitstel verleend tot 1 oktober 2012.

2.7.

Op 5 november 2012 heeft de Inspecteur een aanmaning gestuurd aan [C] aangezien de aangifte nog niet was ontvangen.

2.8.

Op 15 november 2012 heeft de Inspecteur de aangifte erfbelasting ontvangen. De aangifte is verzorgd door [C] en ondertekend door de executeur op 5 november 2012.

2.9.

De aanslag is op 25 november 2014 conform de aangifte opgelegd.

2.10.

De raadsheer-commissaris heeft als getuigen gehoord de executeur alsmede [G] , directeur bij [C] en eindverantwoordelijk voor het dossier, [H] , gepensioneerd partner bij [C] en met ingang van omstreeks het jaar 2000 tot zijn pensionering relatiebeheerder van erflater, [E] en [F] . [E] heeft desgevraagd onder andere het volgende verklaard:

“Welke werkzaamheden verricht u / welke contacten onderhoudt u met de familie [A] ?

“Ik was indirect bij de opdracht betrokken. Ik had samen met [H] contact met erflater en zijn schoondochter. Dat ging over de vennootschapsbelasting en een eventuele aanpassing van het testament. Erflater was toen al ziek. Na het overlijden heb ik het verzoek gekregen om de aangifte erfbelasting op te stellen.”

Van wie kreeg u de opdracht en hoe kwam uw kantoor aan de benodigde gegevens?

“Ik kan mij dat niet herinneren. Het ligt voor de hand dat ik de opdracht kreeg van [H] of van de relatiemanager, [I] . Ik heb contact gehad met de executeur tot 21 april 2012. Op 21 april 2012 heb ik een bespreking gehad met de hele familie. Dat was op een zaterdagmiddag. Toen heb ik voor het eerst gesproken met de erfgenamen. De aangifte is daar besproken. De bespreking ging ook over de waardering van een aantal panden. Tijdens het gesprek kwam er een aantal vragen naar voren. We hebben afgesproken dat een aantal bezwaarschriften tegen WOZ-waarden zou worden ingediend. De uitkomst daarvan zouden we afwachten voordat de aangifte erfbelasting definitief zou worden gemaakt. De aangifte erfbelasting moest destijds op papier worden ingediend. De erfgenamen moesten die ondertekenen. De aangifte moest voor 1 mei 2012 worden gedaan. De maandag na de bespreking van 21 april 2012 heb ik de executeur een concept tekst voor de bezwaarschriften tegen de WOZ-waarden toegestuurd en heb ik verzocht een bij de bespreking achtergelaten Excel spreadsheet terug te sturen. Daarnaast heb ik [F] gevraagd om uitstel voor de aangifte erfbelasting aan te vragen. Ik heb met de executeur niet expliciet overlegd over het uitstel maar ik ben ervan overtuigd dat dat tot de opdracht behoort omdat de aangifte niet op tijd kon worden gedaan. De executeur heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarden. In juli heb ik gevraagd naar de stand van zaken. Omstreeks augustus/september heb ik de aangepaste WOZ-waarden gekregen. Die heb ik in de aangifte verwerkt. Uitstel voor het doen van aangifte erfbelasting was verleend tot 1 oktober 2012. Ik heb de aangifte eind september naar de executeur gestuurd met het verzoek deze te ondertekenen en door te sturen naar de Belastingdienst. In oktober kwam er een herinnering van de Belastingdienst. Ik heb per e-mail gevraagd om de aangifte te ondertekenen en door te sturen. Tijdens de emailwisseling is geen melding gemaakt van de indieningstermijn van 1 mei 2012. De executeur heeft vervolgens voor de indiening van de aangifte gezorgd. In het dossier is geen schriftelijke vastlegging van de opdracht tot het doen van de aangifte erfbelasting aanwezig.”

Is de aangifte nog besproken (er zijn kleine verbeteringen aangebracht)? Met wie?

“Over de aangifte is nadien geen contact geweest.”

(…)”

3 Geschil

In geschil is of de aanslag tijdig is vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of de termijn voor het opleggen van de aanslag erfbelasting wordt verlengd met de duur van het uitstel dat is verleend voor het doen van de aangifte erfbelasting, zoals de Inspecteur stelt doch belanghebbende bestrijdt.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In artikel 11, derde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 66, eerste lid, ten eerste, Successiewet 1956 is bepaald dat de bevoegdheid van de inspecteur tot het vaststellen van een aanslag erfbelasting vervalt door verloop van drie jaren na de dag van inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd.

4.2.

Alleen uitstel dat op verzoek van de belastingplichtige of diens gemachtigde is verleend en dat voor hem duidelijk kenbaar was, leidt tot verlenging van de aanslagtermijn. Daarbij is niet de duur van het in feite genoten uitstel beslissend voor de termijn voor het opleggen van een aanslag, maar de duur van het uitstel zoals dat – op verzoek – is verleend (HR 5 december 1990, nr. 26 521, BNB 1991/25). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 januari 1997 (nr. 31 872, ECLI:NL:HR:1997:AA2092) beslist dat voor een belastingplichtige duidelijk kenbaar dient te zijn dat en voor welke periode het gevraagde uitstel is verleend. De enkele omstandigheid dat de belastingplichtige uit de gedragingen van de Belastingdienst heeft kunnen opmaken dat het gevraagde uitstel (stilzwijgend) is verleend, is daartoe onvoldoende.

4.3.

Op grond van de verklaringen die bij de raadsheer-commissaris en ter zitting van het Hof van 20 juni 2018 zijn afgelegd acht het Hof het aannemelijk dat de erfgenamen niet wisten dat de aangifte erfbelasting uiterlijk 1 mei 2012 moest zijn ingediend, dat [C] niet met de erfgenamen heeft gesproken over de indieningsdatum en dat de erfgenamen [C] niet expliciet de opdracht hebben gegeven uitstel te vragen voor het indienen van de aangifte erfbelasting. Uit de verklaringen leidt het Hof af dat de executeur – die door de erfgenamen was aangewezen als contactpersoon voor de belastingzaken rondom het overlijden van erflater (2.2) – de envelop met daarin het aangiftebiljet in kennelijk ongeopende staat aan haar schoonmoeder heeft gegeven en dat de envelop met het aangiftebiljet op de stapel is gelegd met stukken die waren bestemd voor [C] . Het Hof acht op grond van de afgelegde verklaringen verder aannemelijk dat de erfgenamen niet op de indieningsdatum hebben gelet en dat zij zich niet hebben bekommerd om het tijdig verzorgen van de aangifte erfbelasting. De executeur heeft ter zitting van het Hof van 20 juni 2018 verklaard dat zij alle praktische zaken rond de nalatenschap voor de familie wilde verzorgen, maar geen verstand had van belastingen en daarom het aangiftebiljet heeft afgegeven aan haar schoonmoeder met de kennelijke bedoeling dat deze het desbetreffende biljet aan [C] zou doen toekomen.

4.4.

Vaststaat dat de erfgenamen op 21 april 2012 de verdeling van de nalatenschap hebben besproken met belastingadviseur [E] van [C] . Uit de getuigenverklaring van [E] leidt het Hof af dat de aangifte pas zou worden verzorgd zodra de nog te starten bezwaarprocedures tegen de WOZ-waarde van enkele tot de nalatenschap behorende panden zouden zijn afgewikkeld. De erfgenamen betwisten niet dat aan [C] de opdracht is gegeven de aangifte te verzorgen. [C] wist, gelet op de indieningsdatum van de aangifte en hetgeen tijdens de vergadering is afgesproken, dat het aanvaarden van de opdracht betekende dat een verzoek om uitstel zou moeten worden gedaan. Afgesproken is immers dat de afloop van de WOZ-procedures zou worden afgewacht. Het verzoek om uitstel tot 1 oktober 2012 was gelet op de gemiddelde duur van een dergelijke procedure redelijk en noodzakelijk om een aanmaning en een boete te voorkomen.

4.5.

Gelet op de onder 4.3. en 4.4. genoemde feiten en omstandigheden, waarbij de erfgenamen zich onder meer volledig afzijdig hebben gehouden van (informatie over) het tijdig vervullen van hun aangifteverplichtingen, omvatte de opdracht aan [C] om de aangiften erfbelasting te verzorgen, naar het oordeel van het Hof, impliciet, het behartigen van de belangen van de erfgenamen bij het nakomen van hun fiscale verplichtingen, en dus ook het verzoeken om uitstel voor het doen van aangifte indien dit voor een conform de op 21 april 2012 gemaakte afspraken op te stellen aangifte nodig was. Het Hof acht het daarbij aannemelijk dat, indien de erfgenamen op 21 april 2012 wél op de hoogte waren geweest van de uiterste indieningstermijn voor de aangifte erfbelasting van 1 mei 2012, zij zouden hebben ingestemd met het door [C] gevraagde uitstel. Het uitstel is dan ook verleend op verzoek van de gemachtigde van de erfgenamen en was voor de gemachtigde duidelijk kenbaar. Dat de erfgenamen, onder wie belanghebbende, niet op de hoogte waren van het uitstel is dan niet van belang.

4.6.

Het bovenstaande brengt mee dat de Inspecteur de aanslag tijdig heeft opgelegd.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 17 juli 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 juli 2018.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.