Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6342

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
200.238.874/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; geschil tussen ouders en basisschool over de plaatsing van dochter na diverse incidenten; uitleg vaststellingsovereenkomst; toetsing of school in redelijkheid tot plaatsing in hogere groep kon komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2019/925
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.238.874/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/160557 / KG ZA 18-70)

arrest in kort geding van 10 juli 2018

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante] ,

beiden wonende te [A] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. R.J.C. Bindels, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

Stichting voor openbaar onderwijs Odyssee,

gevestigd te Sneek,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Odyssee,

advocaat: mr. J.J. de Boer, kantoorhoudend te Hoorn.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 juni 2018 hier over.

1.2

Op grond van genoemd tussenarrest heeft op 28 juni 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat aan de gedingstukken is toegevoegd. Ter gelegenheid van de comparitie is Odyssee akte verleend van het nemen van de op 14 juni 2018 toegestuurde akte houdende overlegging van een tweetal producties.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het ten behoeve van de comparitie overgelegde dossier.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis van 23 april 2018, aangevuld met feiten die in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken zijn komen vast te staan.

2.2

Odyssee vormt het bevoegd gezag van een groot aantal scholen voor openbaar onderwijs, waaronder [de a-school] , een openbare basisschool te [A] .

2.3

[B] , de dochter van [appellanten] c.s., geboren [in] 2007, is leerling van [de a-school] . In het schooljaar 2017-2018 was [B] in groep 7b geplaatst.

2.4

Kort na het begin van het schooljaar zijn spanningen ontstaan tussen de groepsleerkracht [C] , die samen met een andere groepsleerkracht in deeltijd les geeft in groep 7b, en [appellanten] c.s. Na eerst te hebben geklaagd bij de directeur van [de a-school] , [D] , hebben [appellanten] c.s. op 3 oktober 2017 een klacht ingediend bij de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs (de LKO) tegen [C] en [D] . [appellanten] c.s. hebben geklaagd over de wijze van bejegening van [B] door [C] , waardoor [B] zich volgens hen gediscrimineerd en onveilig voelt. Daarnaast hebben [appellanten] c.s. geklaagd over de wijze waarop de directeur hun klacht over [C] heeft afgehandeld. De LKO heeft in haar advies van 14 december 2017 geoordeeld dat de klacht van [appellanten] c.s. ongegrond is.

2.5

Na ontvangst van het advies van de LKO hebben [appellanten] c.s. aangifte gedaan bij de politie van discriminatie van [B] door [C] . Deze zaak is door de Officier van Justitie geseponeerd.

2.6

Naar aanleiding van de spanningen die waren ontstaan tussen de school en [appellanten] c.s. heeft Odyssee op 22 februari 2018 een besluit tot verwijdering van [B] van [de a-school] genomen.

2.7

[appellanten] c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 februari

2018. Tevens hebben zij een voorlopige voorziening gevraagd bij de

voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling bestuursrecht. Partijen zijn naar aanleiding van de mondelinge behandeling van het geschil met elkaar in gesprek gegaan en zijn na enige tijd tot een minnelijke regeling gekomen. Deze regeling is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst die op 20 maart 2018 door partijen is ondertekend. In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

"2. Odyssee bepaalt in welke groep van [de a-school] [B] wordt geplaatst. De school zegt toe dat zij [B] een eerlijke kans op een goede voortzetting van haar schooltijd op [de a-school] zal geven en haar zullen behandelen als iedere andere leerling.

(…)

14. Door ondertekening van deze overeenkomst door partijen trekt Odyssee het verwijderingsbesluit in. Ouders trekken het bezwaar en het verzoek voorlopige voorzieningen in. [B] wordt vervolgens vanaf dinsdag 3 april 2018 weer toegelaten op [de a-school] .

(…)

16. Odyssee zal ouders over de terugkeer van [B] informeren. Aan ouders zal worden

aangegeven: Odyssee en de ouders van [B] hebben in goed onderling overleg besloten dat [B] vanaf dinsdag 3 april 2018 weer onderwijs zal volgen op obs [de a-school] . Over de terugkeer zijn met elkaar afspraken gemaakt en partijen zijn blij dat [B] haar schoolcarrière hier voort kan zetten. (…)"

2.8

Odyssee heeft in overleg met de directeur en het team van [de a-school] besloten [B] in groep 8b te plaatsen. [B] is op 3 april 2018 naar school gegaan en is daar geconfronteerd met de plaatsing in groep 8b. [B] is vervolgens binnen een uur van school weggelopen en naar huis gegaan. Naderhand heeft [B] van 21 mei 2018 tot en met 5 juni 2018 [de a-school] weer bezocht als leerling in groep 8b.

2.9

Odyssee heeft [appellanten] c.s. een schriftelijke toelichting gegeven op het besluit tot plaatsing in groep 8b, welke is toegestuurd aan de contactpersoon van [appellanten] c.s. De tekst daarvan luidt als volgt:

" Toelichting besluit plaatsing [B]

Naar aanleiding van de commotie over de groepsindeling voelen wij de noodzaak meer uitleg te geven over hoe het onderwijs op [de a-school] en ook de andere scholen van Stichting Odyssee wordt georganiseerd.

Sinds de invoering van de wet Passend Onderwijs is het zo dat iedere leerling onderwijs op zijn of haar niveau aangeboden hoort te krijgen. Op [de a-school] beschrijven we dat in onze schoolgids als volgt:

1 Wat maakt leren op [de a-school]

[de a-school] uitdagend en

uniek?

leder kind heeft zijn of haar eigen talenten en mogelijk

heden. [de a-school] sluit hierbij aan. We staan

voor avontuurlijk leren in een fijne school, waarin wij

leerlingen willen prikkelen en uitdagen. In de praktijk

betekent dit dat we het onderwijs aanpassen aan hun

behoeften. Voor een aantal vakken doen wij dit groeps-

overstijgend, waarbij de leerlingen les krijgen op eigen

instructieniveau. Dat kan in de eigen klas zijn of voor één

of meer vakken bij een andere leerkracht. Er is ruimte

voor kinderen die wat meer aandacht of juist uitdaging

nodig hebben. Zo bieden wij extra ondersteuning door

verlengde instructie, herhaling, levelwerk en is er een

Odyssee plusklas. Op deze manier haalt iedereen het

beste uit zichzelf.

4 Hoe ziet passend onderwijs er in de

praktijk uit?

Elke leerling krijgt in de eigen groep of binnen het groepsoverstijgend

werken (GOS) de aandacht en ondersteuning die hij of zij nodig

heeft. Professionele, coachende leerkrachten zorgen hiervoor met

nieuwe, passende onderwijsvormen. Samenwerking en open communicatie

tussen kinderen, ouders en leerkrachten zorgen ervoor dat we

tegemoet komen aan de verschillen tussen kinderen. Denk hierbij aan

verschillen in aanleg, ontwikkeling, behoefte aan uitleg, tempo, verdieping

en zelfstandigheid.

In de praktijk is het zo dat in een basisgroep leerlingen bij elkaar zitten die ongeveer even oud zijn. Op cognitief gebied zijn de verschillen in groep 7 en 8 al flink groter. In deze groep zitten leerlingen die op verschillende niveaus uitstromen. Zo stroomt een leerling die functioneert op VMBO-BB niveau uit op einde groep 6-niveau en werkt hij of zij ook aan opdrachten op dat niveau. Een leerling die naar het VWO gaat, krijgt andere leer- en verwerkingsstof aangeboden, dan een leerling die naar VMBO-GT zal uitstromen.

Bij [de a-school] hebben we deze differentiatie georganiseerd binnen het zogenaamde

Groepsoverstijgend werken (GOS). Hierbij clusteren we de verschillende niveaus per vakgebied binnen alle groepen 7 en 8 en bieden we de stof op maat aan.

In het geval van [B] is het zo dat zij op het vakgebied Rekenen al een aparte leerlijn volgt en de instructies in de klas niet hoeft te volgen.

Klassikale instructies zijn op [de a-school] niet gebruikelijk. De zaakvakken (Geschiedenis, Aardrijkskunde en Biologie) worden groepsgewijs aangeboden. Echter de verwerking vindt vervolgens weer gedifferentieerd plaats op eigen niveau. De thematiek in groep 7 en 8 is hetzelfde.

De plaatsing in groep 8 is geen bevordering. De situatie is zo uniek dat er geen standaard oplossing beschikbaar is.

De angst voor een eventuele doublure is ongegrond. Doublures komen incidenteel voor in de

onderbouwgroepen. In de bovenbouw wordt met eigen leerlijnen gewerkt en komen doublures niet meer voor. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat oudere leerlingen hier geen baat bij hebben.

In de stukken wordt gesproken over de cito-eindtoets. Op [de a-school] wordt geen Cito-eindtoets afgenomen, maar wordt Route 8 afgenomen. Route 8 is een adaptieve eindtoets die in groepjes wordt afgenomen. Deze toets moet nog afgenomen worden en zal geen invloed hebben op begeleiding die [B] aangeboden krijgt. De eindtoets wordt tegenwoordig in april afgenomen. Hierna gaat het reguliere aanbod gewoon door.

In de stukken wordt genoemd dat [B] niemand kent in groep 8. Doordat al langere tijd met het groepsoverstijgend werken wordt lesgegeven kennen de leerlingen in de bovenbouw elkaar. Daarnaast is ons bekend dat een vriendin van [B] in deze groep zit. Pauzes worden wel degelijk tegelijkertijd georganiseerd.

School heeft met het bovenbouw team gekeken naar de best passende plek voor [B] . Terugkeer in de eigen groep is niet haalbaar vanwege het hoog opgelopen conflict met de leerkracht van die groep. De andere groep 7 staat onder leiding van 2 startende leerkrachten die een zwangerschapsvervanging uitvoeren. In deze groep is veel extra ondersteuning bij leerlingen nodig, waardoor deze leerkrachten alle zeilen bij zetten om de kwaliteit te waarborgen. De begeleiding die [B] nodig heeft, kan daardoor niet gegarandeerd worden.

Belangrijk om te weten is dat leerlingen in de beide groepen 7 verontwaardigd hebben gereageerd op de situatie rondom de klachten die over juf [E] zijn geuit en de gedane strafaangifte tegen haar. Hierdoor kunnen wij op dit moment in die groepen de veiligheid voor [B] niet garanderen.

De leerkracht van groep 8b kan met open vizier [B] optimaal begeleiden bij het reduceren van haar opgelopen achterstand. Zij kan de laatste maanden van dit schooljaar [B] goed in beeld krijgen en op deze manier een optimale doorgaande leerlijn tot stand brengen, doordat zij ook volgend schooljaar haar leerkracht wordt. Deze leerkracht heeft optimale coachende vaardigheden en daar kan [B] van profiteren.

Alle factoren bij elkaar opgeteld hebben wij hierbij geconcludeerd dat het best passend aanbod voor [B] in groep 8b gekregen wordt."

2.10

[appellanten] c.s. hebben een klacht ingediend tegen de leerkracht van groep 8b wegens mishandeling van [B] op 5 juni 2018. Odyssee heeft de klacht ongegrond verklaard.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg samengevat gevorderd Odyssee te veroordelen om op straffe van verbeurte van een dwangsom [B] binnen 48 uur na betekening van het vonnis weer toe te laten tot de (reguliere) lessen en alle andere onderwijsactiviteiten van groep 7 van [de a-school] .

3.2

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 23 april 2018 de vordering afgewezen. Hij is op grond van de door Odyssee gegeven uiteenzetting van haar beweegredenen om [B] in groep 8b te plaatsen, met inachtneming van de Wet op het primair onderwijs en het bepaalde in de schoolgids, van oordeel dat Odyssee een weloverwogen en zorgvuldige afweging heeft gemaakt en te goeder trouw uitvoering heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid en daarmee aan de vaststellingsovereenkomst tussen partijen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

Het hof stelt voorop dat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, terugplaatsing van [B] in groep 7 van [de a-school] , in de aard van het geschil besloten ligt.

4.2

[appellanten] c.s. zijn met elf grieven opgekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 23 april 2018. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voor, zodat het hof ze gezamenlijk zal bespreken.

4.3

Kern van het geschil vormt het antwoord op de vraag hoe artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd en of Odyssee hier op een juiste wijze toepassing aan heeft gegeven.

4.4

[appellanten] c.s. hebben betoogd dat met artikel 2 is beoogd de school de mogelijkheid te geven te kiezen tussen groep 7a en groep 7b. Plaatsing in een andere groep dan groep 7 is volgens hen nooit aan de orde geweest en doet geen recht aan de belangen van [B] . In hun opvatting handelt de school niet alleen in strijd met de gemaakte afspraken, maar ook in strijd met wet- en regelgeving.

4.5

Odyssee heeft naar voren gebracht dat met artikel 2 is bedoeld de school de mogelijkheid te bieden [B] te plaatsen in een groep, waarbij zowel de belangen van [B] als die van der leerkrachten, de andere leerlingen en de school zijn gewaarborgd. Dat behoeft volgens Odyssee niet noodzakelijkerwijs groep 7 te zijn.

4.6

Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

Voorts volgt uit HR 20 februari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO1427) dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder komt bij de uitleg betekenis toe aan de aard van de overeenkomst, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan - waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden - en de overige bepalingen ervan (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4909 en HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178).

4.7

Naar het oordeel van het hof dient bij de uitleg van de hier in het geding zijnde vaststellingsovereenkomst in beginsel te worden aangesloten bij de taalkundige betekenis van de bewoordingen van artikel 2.

Ter comparitie van 28 juni 2018 is komen vast te staan dat het concept van de vaststellingsovereenkomst is opgesteld door de juridisch adviseur van Odyssee. Deze adviseur, die eveneens ter comparitie is verschenen, heeft medegedeeld dat ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst Odyssee nog geen besluit had genomen over de vraag in welke groep [B] zou kunnen worden geplaatst. Pas naderhand zou daar een beslissing over worden genomen. Hij heeft met de advocaat van [appellanten] c.s., mr. Bindels, ook niet gesproken over de groep waarin [B] mogelijk geplaatst zou kunnen worden. Mr. Bindels heeft bevestigd dat niet over de groepsindeling is gesproken. Het was volgens hem voor [appellanten] c.s. vanzelfsprekend dat [B] in groep 7 zou worden geplaatst.

Naar het oordeel van het hof mochten [appellanten] c.s. er echter niet zonder meer vanuit gaan dat [B] weer in groep 7 zou worden geplaatst. Terugplaatsing in groep 7b lag niet in de rede, omdat [C] daar als groepsleerkracht aan was verbonden. Dat zou, de opvatting van [appellanten] c.s. volgend, hebben betekend dat [B] alleen in groep 7a had kunnen worden geplaatst. Onder die omstandigheden zou het voor de hand hebben gelegen dat ook met zoveel woorden op te nemen in de vaststellingsovereenkomst. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat de overeenkomst is opgesteld in overleg tussen de juridisch adviseurs van partijen. Uit de tekst van artikel 16 van de vaststellingsovereenkomst kan anders dan [appellanten] c.s. hebben bepleit evenmin worden afgeleid dat enkel plaatsing in groep 7 was overeengekomen. Waar in artikel 16 over "ouders" wordt gesproken ziet dat op alle betrokken ouders en niet alleen op de ouders van de leerlingen van groep 7.

Dat uit het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in het bestuursrechtelijke geschil betreffende het verwijderingsbesluit zou kunnen worden afgeleid dat dat besluit zou worden geschorst, betekent niet dat [B] niet anders dan in groep 7 zou kunnen worden geplaatst. Aan de voorzieningenrechter lag uitsluitend voor de vraag of het verwijderingsbesluit diende te worden geschorst, niet de vraag in welke groep [B] dan zou terugkeren.

[appellanten] c.s. hebben ook anderszins onvoldoende onderbouwd waarom de tekst van artikel 2 alleen maar betrekking zou kunnen hebben op plaatsing in groep 7.

Daarom moet worden geoordeeld dat Odyssee op grond van de vaststellingsovereenkomst vrij was om [B] te plaatsen in een groep die zij bij afweging van de onderscheiden belangen het meest geschikt achtte voor [B] .

4.8

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of Odyssee bij gebruikmaking van de haar op grond van artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst toekomende beoordelingsruimte in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot plaatsing van [B] in groep 8b.

4.9

Odyssee heeft aangevoerd dat terugplaatsing van [B] in groep 7b niet mogelijk was, omdat [C] als leerkracht aan die groep is verbonden en na afwezigheid wegens ziekte als gevolg van de problematiek rond [B] weer bij die groep reïntegreerde. Zij was na de tegen haar ingediende klachten, de aangifte bij de politie wegens discriminatie en publicaties in de krant niet bestand tegen de spanning die terugkeer van [B] in groep 7b met zich zou brengen. Plaatsing in groep 7a was volgens Odyssee niet aan de orde, omdat de groepsleerkrachten van deze groep beginnende leerkrachten zijn en deze groep al een aantal kinderen met een specifieke zorgbehoefte telt. Door [B] in deze groep te plaatsen zouden de betrokken leerkrachten naar de inschatting van Odyssee worden overvraagd. Uiteindelijk heeft Odyssee voor groep 8b gekozen, zo heeft zij gesteld, omdat de leerkracht van deze groep een ervaren leerkracht is die zich bereid heeft getoond [B] in haar groep op te nemen en de noodzakelijke extra begeleiding te bieden. Die extra begeleiding is nodig omdat [B] in de loop van het schooljaar veel uren heeft verzuimd. Een ander voordeel is volgens Odyssee dat de leerkracht van groep 8b ook in het schooljaar 2018-2019 de groepsleerkracht van [B] en haar groepsgenoten uit 7b zal worden, zodat er sprake is van een doorlopend leertraject. De aan plaatsing in groep 8b klevende nadelen heeft Odyssee niet onoverkomelijk geacht.

4.10

[appellanten] c.s. hebben, met een beroep op de Wet op het primair onderwijs, het schoolplan, de schoolgids en een rapport van Pharos en het Trimbos-instituut aangevoerd dat [B] ter bevordering van haar sociaal-emotionele ontwikkeling recht heeft op klassikaal onderwijs met leeftijdsgenoten. Daarvan is bij plaatsing in groep 8b naar hun mening geen sprake. Zij hebben er op gewezen dat [B] uit haar vertrouwde omgeving is weggehaald, dat het leeftijdsverschil significant is en dat zij hoofdzakelijk individueel onderwijs krijgt.

4.11

Naar het oordeel van het hof heeft Odyssee op goede gronden geoordeeld dat een plaatsing van [B] in groep 7 onder de gegeven omstandigheden, gelet op de belangen van [B] , van de betrokken leerkrachten en van de overige leerlingen van groep 7 niet aan de orde is.

De Wet op het primair onderwijs, het schoolplan en de schoolgids staan niet in de weg aan plaatsing van [B] in groep 8b. Door [B] in groep 8b te plaatsen heeft Odyssee juist in lijn met artikel 8 lid 1 van de Wet op het primair onderwijs gewaarborgd dat het onderwijs voor [B] zodanig is ingericht dat zij na het nodige verzuim door de conflicten tussen de ouders en de school thans een ononderbroken ontwikkelingsproces kan doorlopen. Zij wordt door een ervaren leerkracht begeleid in het wegwerken van de opgelopen achterstanden, zodat zij komend schooljaar in groep 8b samen met haar klasgenoten uit groep 7b, onder begeleiding van dezelfde leerkracht de basisschool kan afmaken.

Het beroep van [appellanten] c.s. op een passage uit de Memorie van Toelichting op de Wet op het primair onderwijs (MvT, Tweede Kamer, zitting 1976-1977, 14428, nr. 3, p. 31) berust op een onjuiste lezing van deze passage. Bedoelde passage vraagt juist aandacht voor geïndividualiseerd onderwijs en geeft slechts aan dat strikt individueel onderwijs niet verantwoord is met het oog op de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. Daarvan is in het geval van [B] geen sprake. Zij functioneert binnen het kader van groep 8b, neemt deel aan bepaalde activiteiten van die groep en heeft voor bepaalde vakken les samen met andere leerlingen van groep 7.

Het schoolplan (hoofdstuk 4, Onderwijskundige vormgeving) gaat uit van het werken in stamgroepen waarbij leerlingen voor bepaalde vakken naar een andere leerkracht of specialist gaan om daar de les op eigen ontwikkelingsniveau te volgen. Ook in de schoolgids is vermeld dat ieder kind in een groep met leeftijdsgenoten komt en vanuit die groep het onderwijs volgt dat aansluit op zijn of haar behoeften. Dit systeem wordt door de plaatsing van [B] in groep 8 in zoverre doorbroken dat ze in feite in een andere stamgroep is geplaatst. Odyssee komt echter de bevoegdheid toe om in het geval van bijzondere omstandigheden van het vastgestelde beleid af te wijken. De bijzondere omstandigheden van dit geval, conflicten in de loop der jaren met meerdere leerkrachten, klachtprocedures, een aangifte bij de politie en het zoeken van media-aandacht, rechtvaardigen deze wijziging van (stam)groep. Het leeftijdsverschil tussen leerlingen uit groep 7 en groep 8 acht het hof niet van dien aard dat daarin een belemmering zou zijn gelegen voor plaatsing in groep 8b. Het gaat daarbij bovendien om een korte periode tot de schoolvakantie die begint op vrijdag 20 juli 2018. Weliswaar is het voor [B] ingrijpend om in de loop van het schooljaar van groep te moeten veranderen, maar dat zou ook bij plaatsing in groep 7a, zoals door [appellanten] c.s. is bepleit, het geval zijn geweest.

4.12

Het feit dat [B] niet kon worden voorbereid op plaatsing in groep 8b, omdat het contact tussen de contactpersoon van [appellanten] c.s., via wie het contact met school zou verlopen en de school niet tijdig voor 3 april 2018 tot stand kon worden gebracht, valt te betreuren. Het is het hof niet duidelijk geworden aan wie dat heeft gelegen, maar een feit is dat [B] op 3 april 2018 weer naar school is gegaan ondanks dat bedoeld, door de school nadrukkelijk gewenst contact nog niet tot stand was gekomen. Het risico van verrassingen is dan niet uitgesloten.

4.13

Het standpunt van [appellanten] c.s., ter comparitie nogmaals door hun advocaat herhaald, dat niet [B] het probleem is, maar [appellanten] c.s. zelf leidt het hof niet tot een ander oordeel. In dit verband kunnen kind en ouders, als wettelijk vertegenwoordigers van hun kind, bezwaarlijk los van elkaar worden gezien. Daarbij laat het hof in het midden dat de rol van [B] in het geheel van gebeurtenissen niet duidelijk is geworden. De ouders zeggen elke keer in actie te komen naar aanleiding van meldingen van [B] . Zij dienen telkens klachten in zonder daarover vooraf met de betrokken leerkracht in contact te treden.

4.14

[appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat de belangen van de leerkrachten, de andere leerlingen en de school worden gewaarborgd door de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst. Het standpunt dat een terugkeer van [B] naar haar eigen groep, dan wel naar groep 7a niet tot de mogelijkheden behoort is volgens [appellanten] c.s. dan ook achterhaald.

Naar het oordeel van het hof gaat dit betoog van [appellanten] c.s. voorbij aan de redenen die Odyssee heeft aangevoerd die zich verzetten tegen plaatsing van [B] in groep 7, namelijk het gebrek aan ervaring van de leerkrachten van groep 7a en de positie van [C] als groepsleerkracht in groep 7b. De ter comparitie door [appellanten] c.s. geponeerde stelling dat leerkrachten als professionals tegen een stootje moeten kunnen miskent ten enenmale de impact die een klacht en een aangifte bij de politie wegens discriminatie kunnen hebben. Juist professionals die hun vak serieus nemen zijn daar gevoelig voor.

Bovendien biedt de vaststellingsovereenkomst, anders dan [appellanten] c.s. hebben betoogd, niet de beweerde waarborgen in de omgang tussen ouders en school nu [appellanten] c.s. naar aanleiding van een melding van [B] van mishandeling door de leerkracht van groep 8 opnieuw een klacht hebben ingediend bij de schoolleiding.

4.15

Al met al moet worden geoordeeld dat Odyssee bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten [B] in groep 8b te plaatsen.

4.16

De grieven falen.

5 Slotsom

5.1

Nu de grieven falen moet het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

5.2

Het hof zal [appellanten] c.s. als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van Odyssee worden vastgesteld € 726,- aan verschotten (griffierecht) en op € 2.148,- (2 punten, tarief II,

€ 1.074,- per punt) aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met het nasalaris, zoals nader in het dictum bepaald.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 23 april 2018;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Odyssee vastgesteld op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 726,- voor verschotten, te vermeerderen met € 157,00 voor nasalaris van de advocaat en nogmaals € 82,00 voor nasalaris van de advocaat indien niet binnen veertien dagen na

aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. J. Smit en mr. H.M. Fahner en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.