Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6334

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
200.198.251/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over afgifte ras-kat. Rechtsvermoeden van bezit. Beter recht van ander in kort geding niet komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.198.251/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5147072 / MV EXPL 16-89)

arrest in kort geding van 10 juli 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. R. Zwiers, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.R.M. Schravemade, kantoorhoudend te Maarssen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 5 augustus 2016 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Almere, (hierna: de kantonrechter) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 augustus 2016,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, met producties,

- een akte uitlating producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd (waarbij [geïntimeerde] alleen de stukken van de eerste aanleg heeft gefourneerd) en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.2 van het vonnis van 5 augustus 2016, nu daartegen geen grieven zijn gericht en ook overigens niet van bezwaren daartegen is gebleken. Daarmee, en met wat verder is komen vast te staan, gaat het, voor zover nog van belang, om het volgende.

3.1

[appellante] heeft op 10 maart 2015 een advertentie geplaatst op de website

www.marktplaats.nl (hierna: Marktplaats) met betrekking tot een (in ieder geval) op dat

moment aan haar in eigendom toebehorende kater, genaamd ' [C] ' (hierna 'de kater'

genoemd). In die advertentie is onder meer het volgende opgenomen:

"Titel advertentie: Siamees zoekt vrouwtje

Beschrijving: zeer aanhankelijke maar veeleisende Siamese kater (gecastreerd)

zoekt nieuwe baasje bij wie hij in het middelpunt van de belangstelling kan staan. (…)

Kleine kanttekening:

Andere dieren in zijn omgeving worden nauwelijks getolereerd (net als sommige mensen, veelal van het mannelijk geslacht en kinderen). (…)

Wie geeft deze knuffelkoning van vijf jaar de aandacht die hij verdient? Bij

interesse mailen of bellen. Geef dan ook wat informatie over jezelf. Vragen over de

prijs worden niet beantwoord.

(…)

Prijs: N.o.t.k. "

3.2

[geïntimeerde] heeft op enig moment op de onder 3.1 genoemde advertentie gereageerd.

[appellante] heeft de kater op 25 maart 2015 bij [geïntimeerde] gebracht, waarna de kater tot 21 maart 2016 bij [geïntimeerde] heeft verbleven.

3.3

Na 25 maart 2015 hebben [appellante] en [geïntimeerde] meermalen contact gehad over de kater, in welk verband [geïntimeerde] [appellante] enkele malen de kater heeft laten bezoeken.

3.4

[appellante] heeft de kater op 21 maart 2016 - met instemming van [geïntimeerde] om met de kater naar de dierenarts te kunnen gaan - meegenomen. [appellante] heeft de kater vervolgens niet naar [geïntimeerde] teruggebracht maar bij zich gehouden.

3.5

Per e-mailbericht van 5 april 2016 heeft [appellante] [geïntimeerde] bericht - samengevat - dat naar haar oordeel de kater voor zijn gezondheid beter af is bij haar en niet bij [geïntimeerde] .

3.6

[appellante] heeft aan het vonnis van de kantonrechter voldaan en de kater tijdig, zonder dat er dwangsommen zijn verbeurd, teruggegeven aan [geïntimeerde] .

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd de veroordeling van [appellante] tot teruggave van de kater op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag of dagdeel met maximum van € 3.100,--, onder veroordeling van [appellante] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 5 augustus 2016 de vordering van [geïntimeerde] tot teruggave van de kater toegewezen, op verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 1.000,--, onder veroordeling van [appellante] in de proceskosten en de nakosten. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat er een koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, doch dat voldoende aannemelijk is geworden dat het de bedoeling van partijen is geweest dat de eigendom van de kater van [appellante] op [geïntimeerde] zou overgaan, dat de eigendomsoverdracht op 25 maart 2015 heeft plaatsgevonden, dat uit niets is gebleken van enig voorbehoud bij die overdracht en dat [geïntimeerde] vanaf dat moment via schenking eigenaresse van de kater is geworden.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellante] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - de vernietiging van het vonnis van 5 augustus 2016 en de afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, waartoe zij 5 grieven heeft opgeworpen.

5.2

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter onder 4.1 overwogen dat het spoedeisend belang van de vordering van [geïntimeerde] voldoende is gebleken, waartoe hij heeft overwogen dat naarmate de kater langer bij [geïntimeerde] weg is, hij zich meer van haar onthecht.

5.3

Daartegen keert zich grief 1 met onder meer het betoog dat gesteld noch gebleken is dat de kater zich aan [geïntimeerde] had gehecht en dat de kater zich onmiddellijk thuis voelde toen hij bij [appellante] in de woning terug was. Uit de aard van de vordering van [geïntimeerde] , die strekt tot teruggave van een aan haar in eigendom toebehorend dier, volgt echter dat een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig was. De grief faalt. Nu de kater al is teruggegeven, ontbreekt nu in hoger beroep een spoedeisend belang, en is het belang beperkt tot de vraag of de voorzieningenrechter terecht tot zijn beslissing is gekomen en [appellante] in de kosten van de procedure heeft veroordeeld.

5.4

De grieven 2 tot en met 4 richten zich tegen het oordeel dat op 25 maart 2015 sprake is geweest van eigendomsoverdracht en dat van een voorbehoud dienaangaande nergens uit blijkt. Ter toelichting op deze grieven heeft [appellante] samengevat aangevoerd dat haar bedoeling steeds is geweest een goed tehuis voor de kater te vinden, maar dat zij bedongen heeft dat zij de kater zou kunnen terugnemen als die niet goed werd verzorgd, zodat er geen sprake is geweest van een onvoorwaardelijke afstand van de kater. Aangezien de kater niet goed door [geïntimeerde] werd verzorgd, is de ontbindende voorwaarde vervuld en heeft zij de kater kunnen terugnemen, aldus [appellante] .

5.5

Het hof stelt voorop dat dieren krachtens artikel 3:2a BW geen zaken zijn, maar dat de bepalingen met betrekking tot (de eigendomsverkrijging van) zaken in gevolge het tweede lid van dat artikel op dieren van toepassing zijn.

5.6

Het staat vast dat de kater, tot het moment dat [appellante] hem op 21 maart 2016 bij [geïntimeerde] weghaalde, al bijna één jaar door [geïntimeerde] werd gehouden. Uit het wettelijk systeem volgt dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit goed voor zichzelf te houden en bezitter daarvan te zijn (artikel 3:109 BW) en voorts dat die bezitter vermoed wordt rechthebbende te zijn (artikel 3:119 BW). Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is dan aan [appellante] om haar gestelde betere recht te bewijzen. Dat [geïntimeerde] voor de kater geen bedrag aan [appellante] heeft betaald, levert nog geen bewijs voor zo’n beter recht op. De tenaamstelling van [appellante] op een door Neocat, sociëteit van Kattenliefhebbers, voor de kater afgegeven eigendomscertificaat noch de onder [appellante] gebleven stamboekpapieren bewijzen dat [appellante] na 25 maart 2015 eigenaar van de kater is gebleven. Uit de onder 3.1 weergegeven tekst van de op de website ‘Marktplaats’ geplaatste advertentie blijkt dat [appellante] vanwege de onhandelbaarheid van de kater in haar gezin, een ‘nieuw baasje’ voor de kater zocht, wat veeleer wijst op het willen afstaan in eigendom van dat dier. Vanwege de reden daarvoor ligt het daarbij niet voor de hand dat dit tijdelijk was dan wel dat [appellante] de kater op enig moment zou kunnen of willen terugnemen. Overige feiten of omstandigheden die, indien bewezen, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat [appellante] een beter recht dan [geïntimeerde] op de kater heeft, zijn niet gesteld noch ten bewijze aangeboden. Bovendien leent een kort geding zich niet voor uitvoerige bewijslevering.

5.7

Nu in dit kort geding niet is komen vast te staan dat [appellante] een beter recht op de kater heeft dan [geïntimeerde] , falen de grieven 2 tot en met 4.

5.8

Gelet op het voorgaande heeft grief 5, die zich richt tegen de oplegging van een dwangsom alsmede tegen de proceskostenveroordeling, geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen afzonderlijke bespreking.

5.9

Het hoger beroep faalt en het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 314,- aan verschotten en € 1.074,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (1 punt in tarief II), te vermeerderen met de wettelijke rente en met de nakosten, een en ander zoals nader in het dictum bepaald.

6 Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding,

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Almere van 5 augustus 2016;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan dit arrest begroot op:

  • -

    € 314,- voor verschotten,

  • -

    € 1.074,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief,

  • -

    te vermeerderen met de wettelijke rente over voormelde bedragen,

  • -

    € 157,- voor nasalaris advocaat,

  • -

    € 82,- voor nasalaris advocaat indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. W.F. Boele, mr. L. Janse en mr. M.M.A. Wind en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 10 juli 2018 in bijzijn van de griffier.