Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6331

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
200.184.310/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Kosten grensreconstructie door kadaster op grond van artikel 6:96 BW verhalen op buur?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.184.310/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/384070 / HL ZA 15-12)

arrest van 10 juli 2018

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante],

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. I.J.J.M. Roorda, kantoorhoudend te Rosmalen,

tegen

Antonius Onroerendgoed B.V.,

gevestigd te Bussum,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: Antonius,

advocaat: mr. M.G. Hees, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 4 maart 2015 en 5 augustus 2015 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 augustus 2015, gericht tegen het eindvonnis;

- het rolbeschikking van 8 september 2015;

- het comparitiearrest van 23 februari 2016;

- het proces-verbaal van de comparitie van 6 april 2016;

- de memorie van grieven van 26 juli 2016 met producties;

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep, inhoudende een wijziging van eis (met producties);

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met productie);

- een akte intrekking vordering ter zake van scheidsmuur en intrekking incidenteel appel van 13 december 2016 zijdens Antonius;

- een antwoordakte tevens akte overlegging producties zijdens [appellanten] c.s. d.d. 24 januari 2017;

- een antwoordakte zijdens Antonius d.d. 21 februari 2017.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellanten] c.s. vorderen in het (principaal) hoger beroep - kort samengevat - dat het hof het vonnis van 5 augustus 2015 vernietigt, de vorderingen van Antonius in de oorspronkelijke conventie alsnog afwijst en de vorderingen van [appellanten] c.s. in de oorspronkelijke reconventie alsnog toewijst.

2.4

Het incidenteel appel is ingetrokken evenals de daarmee corresponderende wijziging van eis en de vordering tot het optrekken van een scheidsmuur.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep, met inachtneming van grief I die zich keert tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, uit van de navolgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

3.1

[appellanten] c.s. zijn sedert 1 augustus 2000 eigenaar van de onroerende zaak [a-straat] 209 te [A] . Dit perceel bestaat uit drie kadastrale percelen, respectievelijk [A] 1573 met de woning van [appellanten] c.s., [A] 1574 en - het later verworven - [A] 1418.

3.2

Antonius is sinds 10 augustus 2005 eigenares van de onroerende zaak [a-straat] 211 te [A] . De perceel bestaat uit twee kadastrale percelen, [A] 1577 met een horecabestemming en [A] 1571 met de bestemming erf/tuin. Op het kadastrale perceel 1577 wordt een Argentijns restaurant gedreven onder de naam “ [B] ”. Via hun holding zijn [C] en [D] bestuurders en aandeelhouders van zowel Antonius als de vennootschap waarin [B] is ondergebracht.

3.3

Op 27 juli 2012 heeft op verzoek van Antonius een reconstructie ter plaatse van de kadastrale grens plaatsgevonden door het kadaster. Uit die meting volgt dat de erfgrens tussen de percelen van beide procespartijen een kronkelig verloop heeft en dat de feitelijke erfgrens op die datum niet geheel samenviel met de toen door het kadaster vastgestelde grens.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Antonius heeft in eerste aanleg (in conventie) kort samengevat gevorderd een verklaring voor recht dat de kadastrale grens ook de juridische erfgrens vormt, dat [appellanten] c.s. worden veroordeeld om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, door hen geoccupeerde delen van het erf van Antonius te ontruimen, daarnaast worden veroordeeld de kosten van de kadastrale grensreconstructie ten bedrage van € 1.930,- betalen, en ten slotte worden veroordeeld tot medewerking aan de oprichting van een scheidsmuur van twee meter hoogte, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4.2

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg (in reconventie) kort samengevat gevorderd een verklaring voor recht dat de vordering tot revindicatie van een gedeelte van het kadastrale perceel [A] 1577 is verjaard.

4.3

De rechtbank heeft de vorderingen van Antonius grotendeels toegewezen, behoudens die betreffende de scheidsmuur waarvan de rechtbank de hoogte op 1,80 meter heeft bepaald. De vorderingen van [appellanten] c.s. zijn afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellanten] c.s. hebben tegen het vonnis zes grieven geformuleerd, waarin weliswaar staat tegen welke overwegingen van het vonnis zij bezwaar maken, maar waarbij niet per grief een toelichting is gegeven waarom het desbetreffende oordeel van de rechtbank onjuist is. Het hof zal bij de bespreking van de grieven ook de algemene toelichting op het appel in de memorie van grieven betrekken en de wijze waarop Antonius op de grieven heeft gereageerd.

5.2

De eerste genummerde grief richt zich tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. [appellanten] c.s. stellen dat de rechtbank ten onrechte geen descente heeft gelast en betwisten een aantal vaststellingen van de rechtbank betreffende het feitelijk verloop van de erfgrens, meer in concreto voor zover op of nabij de erfgrens en houten hek, drie (al dan niet illegaal geplaatste) zeecontainers en een aarden wal zijn geplaatst. Evenals Antonius is het het hof niet duidelijk wat de strekking van deze bezwaren is.

Alvorens het impliciete verzoek tot het in hoger beroep alsnog gelasten van een descente te bespreken, zal het hof eerst de verdere grieven beoordelen.

5.3

Met grief II vechten [appellanten] c.s. de juistheid van de kadastrale grensreconstructie van 27 juli 2012 aan. Daartoe voeren zij twee argumenten aan: [appellanten] c.s. waren niet aanwezig bij de grensreconstructie van 27 juli 2012 en deze grensreconstructie, die door de rechtbank tot uitgangspunt is genomen, stemt niet overeen met de meting van het kadaster van 15 januari 2013, waarvan [appellanten] c.s. als productie 7 bij de memorie van grieven een afschrift van het relaas van bevindingen hebben overgelegd.

5.4

Het hof overweegt dat de omstandigheid dat op het relaas van bevindingen van 15 januari 2013 andere perceelnummers zijn vermeld dat op de kaart van 27 juli 2012, het gevolg is, zoals Antonius gemotiveerd heeft aangegeven, van een kadastrale her nummering van de betrokken percelen. Die vernummering is evenmin, als de omstandigheid dat [appellanten] c.s. niet bij de grensreconstructie van 27 juli 2012 aanwezig zijn geweest, voor het hof reden om voorshands te twijfelen aan de juistheid van de grensreconstructie van 27 juli 2012.

5.5

Grief IV heeft betrekking op de kosten van de grensreconstructie van 27 juli 2012. De herstelfunctie van het appel brengt mee dat [appellanten] c.s. deze kosten voor het eerst in hoger beroep mogen aanvechten. Antonius stelt dat zij recht heeft op vergoeding van deze kosten op grond van artikel 6:96, tweede lid onder b, BW.

5.6

Het hof overweegt dat vaststaat dat Antonius opdrachtgever is voor de grensreconstructie van 27 juli 2012, waarbij tussen partijen in geding is of [appellanten] c.s. al dan niet mondeling met deze grensreconstructie hebben ingestemd. De kosten van de grensreconstructie komen in beginsel voor rekening van de opdrachtgever, derhalve van Antonius. Voor de impliciete stelling van Antonius dat [appellanten] c.s. mede-opdrachtgever zijn, ontbreekt bewijs. Of op voet van artikel 6:96 BW de kosten van de grensreconstructie voor rekening van de buur gebracht kunnen worden die naderhand blijkt grond buiten zijn kadastrale grenzen in bezit te hebben, is afhankelijk van de omstandigheden. Het hof acht daartoe geen redenen aanwezig in een geval als dit waarbij tussen buren een eerste grensreconstructie plaats vindt van een complex verlopende grens. Bij een opvolgende grensreconstructie kan overigens anders geoordeeld worden.

De grief slaagt.

5.7

Grief V ziet op de toewijzing door de rechtbank van de vordering om een stenen muur van 1,80 meter hoog op te richten. Antonius heeft inmiddels bij akte van 13 december 2016 deze vordering ingetrokken. Dit impliceert dat de grief terecht is voorgedragen en dat het hof het vonnis ook op dit onderdeel zal vernietigen.

5.8

De grieven III en VI hebben betrekking op het beroep op extinctieve verjaring dat [appellanten] c.s. in eerste aanleg hebben gedaan ten aanzien van de strook grond die zij buiten de kadastrale grenzen in bezit hadden. De rechtbank heeft dit verweer uitgebreid besproken, geconcludeerd dat geen situatie is geweest waarbij ten minste 20 jaar sprake is geweest van bezit door (rechtsvoorgangers van) [appellanten] c.s. en het beroep op verjaring verworpen. [appellanten] c.s. lichten, zoals Antonius ook heeft opgemerkt, in de memorie van grieven niet toe op welke onderdelen zij de beoordeling van de rechtbank en de daarvoor gegeven motivering van de rechtbank onjuist achten. [appellanten] c.s. hebben op dit onderdeel dan ook niet voldaan aan hun verplichting om hun bezwaren tegen het aangevochten vonnis voldoende duidelijk naar voren te brengen. Daarop stranden deze grieven voor zover die betrekking hebben op het onderdeel verjaring.

5.9

In de memorie van grieven wordt voorts een uitgebreide toelichting gegeven op het verzoek aan de rechtbank om het vonnis van 5 augustus 2015 op voet van artikel 31 Rv te verbeteren. De rechtbank heeft dit verzoek op 30 september 2015 afgewezen. Voor zover deze passage in de memorie van grieven aangemerkt moet worden als een grief tegen de beslissing van 30 september 2015, stuit dit af op het vierde lid van artikel 31 Rv, dat bepaalt dat tegen de weigering tot verbetering geen voorziening open staat.

Descente

5.10

Indien het hof - in verband met de verdere beoordeling van grief II - een gerechtelijke plaatsopneming gelast, is daarbij, gelet op het voorgaande, uitsluitend de vraag aan de orde waar de kadastrale grens in het terrein precies loopt en hoe diverse objecten op het terrein zoals hekken, wallen en containers zich verhouden tot die kadastrale grens. Het kadaster dient bij deze te gelasten descente aanwezig te zijn, waarbij de kosten van het kadaster voorgeschoten dienen te worden door [appellanten] c.s. Deze kosten blijven voor haar rekening indien de kadastrale grens niet blijkt af te wijken van de grensreconstructie die op 27 juli 2012 heeft plaatsgevonden. Het komt het hof daarbij geraden voor dat het kadaster onmiddellijk voorafgaand aan de descente de geconstrueerde grens ter plaatse zichtbaar heeft gemaakt door het plaatsen van de nodige piketpalen op de begin-, tussen-, knik- en eindpunten van de grens.

5.11

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen, opdat [appellanten] c.s. aangeven of zij het kadaster op deze voorwaarden willen inschakelen, dan wel dat zij alsnog afzien van hun verzoek om een descente te gelasten.

5.12

Antonius heeft aangegeven dat de zeecontainers inmiddels zijn verwijderd. Het hof stelt [appellanten] c.s. in de gelegenheid om bij akte aan te geven wat nog hun belang is bij het hoger beroep (de resterende onderdelen van de grieven I tot en met III) voor zover dat betreft de veroordeling verwoord onder 5.2 van het vonnis, strekkende tot ontruiming van de gedeelten van het perceel van Antonius dat [appellanten] c.s. ten onrechte in bezit hadden. Het is het hof niet duidelijk of Antonius aanspraak heeft gemaakt op dwangsommen op grond van deze veroordeling. Uiteraard mag Antonius in dat geval een antwoordakte nemen. Het komt het hof praktisch voor dat, ingeval een [appellanten] c.s. hun verzoek tot een descente handhaven, de verhinderdata van beide partijen pas bij het vragen van arrest worden doorgegeven.

De slotsom

5.13

Het hof de zaak naar de rol verwijzen voor een akte aan de zijde van [appellanten] c.s. waarbij zij aangeven of een descente met aanwezigheid van het kadaster plaats moet vinden en zij nader ingaan op het punt hiervoor onder 5.12 omschreven. Indien [appellanten] c.s. vasthouden aan hun verzoek tot descente, dienen zij verhinderdagen van beide partijen op te geven.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 7 augustus 2018 voor akte aan de zijde van [appellanten] c.s. als aangeduid onder rov. 5.13;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. K.M. Makkinga en mr. W.F. Boele en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.