Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6307

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
21-002473-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:1706, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:895
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omdat ze haar man in zijn slaap insuline toediende is een 49-jarige vrouw uit IJsselmuiden veroordeeld tot een celstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. De vrouw is schuldig aan een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade.

De vrouw diende de insuline toe om naar eigen zeggen “rust te krijgen”. Zij deed dit niet in een opwelling, maar heeft haar daad voorbereid door insulinepennen van haar werk bij een woonzorgcentrum mee te nemen.

Het hof spreekt – evenals de rechtbank - de vrouw vrij van een poging tot moord of doodslag. Het hof rekent het de vrouw aan dat zij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en beroepshalve wetenschap had van de werking en de gevolgen van insuline. Daarnaast had dit veel ernstiger kunnen aflopen. De man en vrouw zijn inmiddels gescheiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002473-17

Uitspraak d.d.: 6 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 20 april 2017 met parketnummer 08-710031-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. L.J.H. Kortz, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is op 20 april 2017 bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden wegens – kort gezegd – een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en verduistering in een persoonlijke dienstbetrekking.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- ten laste gelegd dat:

1. primair:
zij in de periode van 22 november 2014 tot en met 23 november 2014, althans op één of meer tijdstippen in de periode van 01 november 2014 tot en met 23 november 2014 te IJsselmuiden, gemeente Kampen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, één of meermalen, op een moment dat die [slachtoffer] in slaap was, een grote hoeveelheid, althans een hoeveelheid insuline in diens lichaam heeft gespoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair:
zij in de periode van 22 november 2014 tot en met 23 november 2014, althans op één of meer tijdstippen in de periode van 01 november 2014 tot en met 23 november 2014 te IJsselmuiden, gemeente Kampen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar echtgenoot [slachtoffer] , althans een persoon opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen één of meermalen, op een moment dat die [slachtoffer] in slaap was, een grote hoeveelheid, althans een hoeveelheid insuline in diens lichaam heeft gespoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. meer subsidiair:
zij in de periode van 22 november 2014 tot en met 23 november 2014, althans op één of meer tijdstippen in de periode van 01 november 2014 tot en met 23 november 2014 te IJsselmuiden, gemeente Kampen, met voorbedachten rade haar echtgenoot [slachtoffer] , althans een persoon heeft mishandeld door één of meermalen, op een moment dat die [slachtoffer] in slaap was, een grote hoeveelheid, althans een hoeveelheid insuline in diens lichaam te spuiten;

2:
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 11 juni 2015 in de gemeente Kampen meermalen, althans éénmaal opzettelijk verschillende soorten medicijnen, waaronder insuline, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het Woonzorgcentrum [naam] en/of [betrokkene] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke medicijnen verdachte telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als verzorgende bij dat woonzorgcentrum, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ter zake feit 1 primair (poging moord / doodslag)

Standpunt advocaat-generaal

De opzet op de dood moet – indien iemand het feit niet bekent – afgeleid worden uit de uiterlijke verschijningsvorm. Gelet op de verklaringen van verdachte en de overige bewijsmiddelen kan niet vastgesteld worden dat zij deze opzet gehad heeft, noch dat zij de aanmerkelijke kans op het overlijden van haar (ex)echtgenoot heeft aanvaard. Deze aanmerkelijke kans op het overlijden kan ook voor het overige niet vastgesteld worden. Verdachte dient vrijgesproken te worden van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde niet bewezen verklaard kan worden. Verdachte heeft verklaard dat zij aangever enkel wilde versuffen, de opzet op zijn dood is niet gebleken. Bovendien is niet eenduidig komen vast te staan of insuline op zich voldoende geschikt is om de dood te bewerkstelligen door inspuiting in het lichaam, noch bij welke hoeveelheid een dergelijk gevolg zal intreden. Ook voorwaardelijk opzet op de dood kan niet bewezen verklaard worden, hiervoor zijn voldoende contra-indicaties. Verdachte heeft immers zelf de ambulance gebeld en aangever te eten gegeven.

Oordeel hof

Met de rechtbank overweegt het hof dat niet bewezen kan worden dat verdachte met het inspuiten van de insuline opzet heeft gehad op de dood van haar echtgenoot, nu dit niet volgt uit de door verdachte afgelegde verklaringen en ook overigens niet is vast te stellen.

De laagste gemeten hoeveelheid glucose in het bloed van aangever is 1.6 mmol/l geweest. De medische literatuur geeft geen duidelijkheid over de al dan niet dodelijke gevolgen van het inspuiten van insuline bij mensen die niet aan diabetes lijden, gezien het verschil in de situaties waarin mensen kunnen overlijden na toediening van insuline. Nu ook op basis van de beschikbare gegevens niet is vast te stellen hoe groot de kans is dat iemand komt te overlijden bij genoemde glucosewaarde, kan niet gesteld worden dat er een aanmerkelijke kans was dat aangever zou komen te overlijden ten gevolge van het handelen van verdachte.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting derhalve niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overwegingen ter zake feit 1 subsidiair (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel)

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het aan haar onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ten gevolge van het handelen van verdachte aanwezig was. Dit blijkt uit de rapportages van deskundigen. Aangever had door het toedienen van de insuline blijvend hersenletsel kunnen oplopen.

Verdachte heeft de aanmerkelijk kans hierop ook willens en wetens aanvaard. Gelet op haar kennis en ervaring had zij namelijk wetenschap van de gevolgen van de toediening van insuline en heeft zij de kans op deze gevolgen geaccepteerd. Het is ongeloofwaardig dat zij slechts zes eenheden insuline zou hebben toegediend.

Er is sprake van handelen met voorbedachten rade. Verdachte was al langere tijd van plan om aangever insuline toe te dienen met de door haar op haar werk ontvreemde insulinepennen. Zij heeft – terwijl aangever lag te slapen en zij op dat moment dus geen ‘last’ van hem had – welbewust een insulinepen gepakt en een grote hoeveelheid insuline bij aangever ingespoten. Zij heeft dit in koelen bloede gedaan. Het was geen opwelling.

Van vrijwillige terugtred kan geen sprake meer zijn. Dit moet uit de gedragingen van de verdachte blijken. De enkele 112-melding is hiervoor onvoldoende.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat ook ter zake het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde een vrijspraak moet volgen. Verdachte heeft gehandeld in een opwelling. Door het toedienen van een kleine hoeveelheid insuline wist verdachte dat het effect niet groot zou zijn. Haar intentie was slechts het versuffen van aangever. Zij heeft niet de opzet gehad op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel noch de aanmerkelijke kans hierop aanvaard.

Er is bovendien geen sprake geweest van voorbedachte raad. Verdachte heeft inderdaad de insulinepennen in de maanden voor het ten laste gelegde verzameld en op internet gezocht naar de gevolgen van het toedienen van insuline. Dit moet echter bezien worden in het licht van de situatie waarin verdachte zich bevond. De vernederingen die veroorzaakt werden door aangever waren voor verdachte ondraaglijk. Dit is uiteindelijk tot een ontlading gekomen.

In tegenstelling tot wat de advocaat-generaal heeft betoogd kan er nog wel sprake zijn van vrijwillige terugtred. Verdachte heeft immers niet alleen 112 gebeld zodat er een ambulance zou komen, maar heeft verdachte ook eten en drinken zou geven opdat dit een positief effect zou hebben op zijn glucosewaarden.

Voorwaardelijk verzoek verdediging

De raadsman heeft ter zitting het voorwaardelijke verzoek gedaan om – naar

aanleiding van de stellige opvatting van deskundige Banga – nog een getuige-

deskundige te doen horen over de effecten van insuline. In de medische wereld bestaan meerdere opvattingen over de al dan niet schadelijke gevolgen van het inspuiten met een bepaalde hoeveelheid insuline. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake geweest zou kunnen zijn van enig risico op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel ten gevolge van het handelen van verdachte is het noodzakelijk om hierover nog een deskundige te laten rapporteren.

Oordeel hof

Aan verdachte is onder 1 subsidiair ten laste gelegd -kort gezegd- dat zij gepoogd heeft om haar echtgenoot zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door het toedienen van een hoeveelheid insuline. Voorts is ten laste gelegd dat daarbij sprake is geweest van voorbedachten raad.

Beoordeling voorwaardelijk verzoek verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het

horen van een getuige-deskundige over de mogelijke gevolgen van de toediening

van insuline. Het hof zal, toetsend aan het noodzaakcriterium en gelet op de

gegeven onderbouwing, het verzoek afwijzen, omdat het hof zich voldoende voorgelicht acht, en van oordeel is dat het onderzoek volledig is geweest. Het hof vindt daarom het horen van een getuige-deskundige niet noodzakelijk.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Zwaar lichamelijk letsel

Met de rechtbank oordeelt het hof dat de verklaring van verdachte dat zij slechts zes eenheden insuline heeft toegediend niet aannemelijk is. Verdachte heeft aangever in de nacht van 22 op 23 november 2014 ingespoten met insuline. Verdachte heeft verklaard dat zij dit op 23 november 2014 omstreeks 02.00u heeft gedaan, Op 24 november 2014 is aangever met spoed opgenomen in het ziekenhuis. De laagste glucosewaarde is door het ambulancepersoneel vastgesteld op 1.6 mmol/l. Uit de rapportage van deskundige Banga volgt dat bij een dergelijke waarde tussen 1-2 mmol/l verschijnselen als agressief gedrag, convulsies en coma kunnen optreden. De op 24 november 2014 omstreeks 07.00u gemeten glucosewaarde –na verloop van 29 uren na het tijdstip van toediening- kan enkel worden verklaard door toediening van een veel hogere dosis insuline dan enkel zes eenheden, aldus deskundige Banga. Forensisch arts Van Kuijk bevestigt dit en stelt dat het onaannemelijk is dat toediening van zes tot acht eenheden insuline bij een gezond persoon tot letsel zal leiden.

Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Het hof is van oordeel dat het mogelijke letsel dat kan ontstaan bij toediening van (grote) hoeveelheden insuline, te weten convulsies en het geraken in een comateuze toestand, zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 302 van het Wetboek van Strafrecht oplevert. Dit betekent dat de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.

(Voorwaardelijk) opzet

Beoordeeld moet worden of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Met de rechtbank overweegt het hof dat verdachte – gelet op haar werk als verzorgende Individuele Gezondheidszorg in de ouderenzorg – kennis had van de werking van insuline. Zij heeft ook meerdere malen ter zitting herhaald dat zij juist door haar kennis en ervaring kon handelen zoals zij gehandeld heeft. Bij de politie heeft zij verteld dat zij wist dat iemand bij een te lage bloedsuikerspiegel in coma kan raken. Verdachte heeft bovendien extra kennis opgedaan door op internet te zoeken naar de effecten van insuline en voorts navraag te doen bij een vriend die voor de verbetering van zijn sportprestaties insuline gebruikt. Verdachte was derhalve op de hoogte van de mogelijk ernstige gevolgen van de toediening van insuline bij een persoon die niet lijdt aan diabetes. Ondanks deze kennis heeft zij insulinepennen van haar werk meegenomen met als doel de insuline bij aangever in te spuiten om –zoals zij zelf heeft verklaard- een paar dagen rust te krijgen.

Verdachte heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij tijdens haar werkzaamheden als verzorgende altijd slechts in opdracht van een arts een door de betreffende arts aangegeven hoeveelheid insuline heeft toegediend bij een patiënt en daarin dus nooit zelfstandig heeft gehandeld.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door te handelen zoals zij heeft gedaan welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij aangever zwaar lichamelijk letsel zou optreden. Het hof acht het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen.

Voorbedachten raad

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Met de rechtbank stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Voordat verdachte overging tot het inspuiten van insuline bij haar echtgenoot is er een lange aanloop naar dat moment geweest. De relatie tussen verdachte en aangever verliep al gedurende lange tijd niet goed door ziekte en overspel. Verdachte heeft aangegeven daardoor wanhopig en ook boos te zijn geweest. Zij heeft verklaard dat zij op internet heeft gelezen dat een vader zijn kind met insuline had ingespoten en dat dat kind vervolgens een paar dagen de weg kwijt was. Zo is zij op het idee gekomen, aldus verdachte. Om dit idee uit te voeren heeft verdachte een maand voor het ten laste gelegde bewust insulinepennen van haar werk mee naar huis genomen, met als doel haar echtgenoot daarmee in te spuiten zodat zij een paar dagen, in elk geval enige tijd, rust zou krijgen. De insulinepennen heeft zij in huis verstopt. Vanaf het moment dat zij op het idee kwam, zijn er -zoals zij ook ter zitting in hoger beroep heeft verklaard- in die maand voorafgaande aan het incident meerdere momenten geweest waarop zij aangever met insuline wilde inspuiten. Echter, omdat hij telkens weer beterschap beloofde, zag zij telkens tijdelijk van de uitvoering van het plan af.

In de nacht van 22 op 23 november 2014 werd verdachte midden in de nacht wakker. Aangever lag op dat moment te slapen. Verdachte is uit bed gegaan en heeft de insulinepen uit de kast in de badkamer gepakt. Vervolgens is zij teruggegaan naar de slaapkamer alwaar zij de insuline bij aangever heeft geïnjecteerd.

Met de rechtbank concludeert het hof dat er een langere periode is geweest waarin verdachte meerdere wilsbesluiten heeft genomen om tot uitvoering van het strafbare feit te komen. Het hof is op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte voorafgaand aan haar handelen voldoende tijd – een tijdsbestek van ongeveer een maand – heeft gehad om zich te beraden op haar genomen of te nemen besluit, zodat zij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Aldus staat voor het hof vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit blijkt te meer nu aangever op dat moment lag te slapen en voor verdachte geen enkele bedreiging vormde. Verdachte is naar een andere ruimte gelopen om de insulinepen op te halen. Ook op dat moment heeft verdachte voldoende tijd gehad om na te denken over haar voorgenomen daad en eventueel op haar schreden terug te keren. Het hof acht voorts geen contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het aannemen van de voorbedachten raad in de weg staan.

Vrijwillige terugtred

Het hof stelt voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Sr sprake is, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten

Het hof stelt aan de hand van het onderzoek ter terechtzitting vast dat verdachte welbewust insuline bij aangever heeft geïnjecteerd en hierbij de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Pas toen verdachte op maandagochtend – ruim een dag na toediening van de insuline – zag dat het niet goed ging met aangever heeft zij de ambulance gebeld. Zij heeft geen nadere informatie over aangever aan de ambulancebroeders gegeven en verzwegen dat zij aangever heimelijk geïnjecteerd had met insuline. Dat men al snel kon constateren dat de glucosewaarden in het bloed erg laag waren en hiernaar gehandeld heeft, is niet te danken aan verdachte. Het optreden van verdachte in deze, namelijk het enkel bellen van 112, kan niet worden beschouwd als een naar aard en tijd geschikte gedraging om het intreden van het gevolg –het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel- te beletten. Juist het (tijdig) verstrekken van informatie over de insulinetoediening was essentieel om adequaat medisch handelen mogelijk te maken en te bevorderen. Van vrijwillige terugtred door de verdachte is derhalve geen sprake geweest. De door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheid dat verdachte aangever nog wat te eten heeft gegeven voordat hij meeging met de ambulance, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Nu evenmin andere gronden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit dan wel de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, betekent dit dat de verdachte strafbaar is.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 subsidiair:
zij in de periode van 22 november 2014 tot en met 23 november 2014, althans op één of meer tijdstippen in de periode van 01 november 2014 tot en met 23 november 2014 te IJsselmuiden, gemeente Kampen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar echtgenoot [slachtoffer] , althans een persoon opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen één of meermalen, op een moment dat die [slachtoffer] in slaap was, een grote hoeveelheid, althans een hoeveelheid insuline in diens lichaam heeft gespoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2:
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 11 juni 2015 in de gemeente Kampen meermalen, althans éénmaal opzettelijk verschillende soorten medicijnen, waaronder insuline, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het Woonzorgcentrum [naam] en/of [betrokkene] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke medicijnen verdachte telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als verzorgende bij dat woonzorgcentrum, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, begaan tegen haar echtgenoot, terwijl het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Voorwaardelijk verzoek

Door de raadsman is het eerder gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van

psychiater Hengeveld en psycholoog Breuker ter terechtzitting herhaald. Hij heeft

hiertoe aangevoerd dat hij wenst dat deze gedragsdeskundigen zich uitlaten over de aanwezigheid van psychische overmacht ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde. Zij kunnen iets zeggen over de van buiten komende drang, meer in het bijzonder over de externe factoren die van invloed geweest zijn op het handelen van verdachte in combinatie met haar psychische draagkracht.

Beoordeling voorwaardelijk verzoek

Het hof stelt vast dat psychiater Hengeveld geen forensisch rapport in het kader van de onderhavige strafzaak heeft opgesteld. Het betreft een psychiatrisch onderzoek van 30 maart 2016 dat is opgemaakt in verband met het ontslag van verdachte.

Het hof zal, toetsend aan het noodzaakcriterium en gelet op de

gegeven onderbouwing, het verzoek afwijzen, omdat het hof zich voldoende voorgelicht acht en van oordeel is dat het onderzoek volledig is geweest. Het hof merkt bovendien op dat gedragsdeskundigen geen feiten en omstandigheden kunnen vaststellen, doch dat zij enkel iets kunnen zeggen over de psychische gesteldheid van een verdachte ten tijde van het delict. Of al dan niet sprake is geweest van psychische overmacht is een juridisch oordeel dat voorbehouden is aan een rechter. Het hof vindt gelet op het vorenoverwogene het horen van de getuige-deskundigen niet noodzakelijk.

Door de verdediging is namens verdachte een beroep gedaan op psychische overmacht. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Verdachte zelf heeft nimmer – noch bij de politie, noch ter terechtzitting – aangegeven dat het gedrag van haar echtgenoot binnen hun huwelijk een zodanige kracht, drang of dwang teweeg heeft gebracht dat zij hieraan geen weerstand heeft kunnen bieden. Zij heeft enkel verklaard dat er sprake was van continue spanning omdat haar ex-man een verhouding had met een andere vrouw en daarover loog. Dit contact wilde zij stoppen. Zij wilde naar eigen zeggen even rust. Ook overigens zijn voor een dergelijke drang onvoldoende aanknopingspunten in het dossier te vinden, ook al bevat het dossier wel aanwijzingen dat verdachte onder de invloed van haar echtgenoot heeft geleden. Daargelaten dat de vraag of aannemelijk is dat er sprake was van psychische overmacht een juridische vraag is die als zodanig niet binnen de expertise van gedragsdeskundigen valt, bieden ook de in deze zaak uitgebrachte rapportages onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is geweest van een verontschuldigbare, extreme en acute vorm van een stresssituatie bij verdachte waaronder zij gebukt ging en waaraan zij uiteindelijk heeft toegegeven. Het hof merkt hierbij op dat op het moment dat verdachte overging tot het plegen van het delict haar man in diepe slaap was, waardoor er op dat moment in ieder geval geen sprake was van een zodanige, van buiten komende, drang.

Alles afwegende wordt het beroep op psychische overmacht verworpen, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Zij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen, verdachte omschrijft het ernstige feit als een kleinigheidje. Er is rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het advies van de reclassering niet te volgen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat een straf zoals gevorderd door de advocaat-generaal niet passend is.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade. Verdachte heeft in een langdurige huwelijkscrisis haar toenmalige echtgenoot in zijn eigen bed en terwijl hij sliep – en dus onwetend en weerloos was – insuline toegediend om ‘rust te krijgen’. Zij heeft haar daad voorbereid door insulinepennen van haar werk mee te nemen en zich hiermee ook schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. Zij heeft door deze verduistering misbruik gemaakt van haar positie. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat zij – ondanks haar speciale kennis en ervaring met betrekking tot de werking en risico’s van insuline – ertoe overgegaan is om haar toenmalige echtgenoot hiermee te injecteren, wetende dat dit zeer ernstige gevolgen kon hebben.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte bevindt zich in het dossier een advies van de reclassering en een Pro Justitia-rapportage. In de beide rapportages komt men tot verschillende conclusies. De reclassering heeft geadviseerd om een dubbele Pro Justitia-rapportage aan te vragen om de mogelijkheden voor tbs met voorwaarden te onderzoeken. De forensisch-psycholoog heeft geconcludeerd dat een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek nodig is. Verdachte dient beschouwd te worden als verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de feiten.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte blijkt dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met oplegging van bijzondere voorwaarden, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Gelet op het advies van de forensisch-psycholoog bepaalt het hof dat één van deze bijzondere voorwaarden zal zijn dat verdachte zich ambulant laat behandelen op de wijze zoals hierna is vermeld

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.210,00, bestaande uit € 20.000,- smartengeld en proceskosten ad € 1210,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de rechtbank toegewezen bedrag niet passend is en heeft het hof verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 8000,-.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij te complex is, gelet op de omvang van de schade en de hoogte van het schadebedrag. De vordering vormt een te zware belasting voor het strafproces. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk verklaard te worden in haar vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de omvang van de schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld kan worden op een bedrag van €5000,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Kosten van rechtsbijstand

De benadeelde partij heeft ter zake kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg een bedrag van € 1210,- gevorderd en verzocht om dit bedrag in hoger beroep te verdubbelen.

Het hof overweegt dat een redelijke uitleg van art. 592a Sv met zich meebrengt dat bij de begroting van de kosten voor rechtsbijstand van de benadeelde partij dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.

Het hof baseert zich bij de bepaling van de kosten van rechtsbijstand op het liquidatietarief voor rechtbanken en hoven waaruit blijkt dat voor tarief II ( zaken met een geldswaarde van € 10.000 tot € 20.000) in eerste aanleg een vergoeding van € 543 per punt geldt. Het hof zal voor het opstellen en indienen van de vordering 1 punt en voor het bijwonen van drie zittingen 0,5 punt per zitting rekenen. Voor de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg volgt derhalve een vergoeding van € 1357,50.

Naar oordeel van het hof dient ter zake de voeging van een benadeelde partij in hoger beroep – gelet op de aard van de procedure – het tarief voor incidenteel appel te gelden. De vergoeding per punt is in deze categorie vastgesteld op € 537,-. Voor het bijwonen van de inhoudelijke behandeling rekent het hof 0,5 punt, waarmee de vergoeding komt op een bedrag van € 268,50.

Het hof kent ter zake de kosten van rechtsbijstand in totaal een bedrag toe van € 1626,-.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 303, 304 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte:

  • -

    zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of;

  • -

    gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, of;

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte :

  • -

    zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

  • -

    zich ambulant laat behandelen bij een forensische polikliniek, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van die polikliniek zullen worden gegeven;

Draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 1.626,00 (duizend zeshonderdzesentwintig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. H. Heins, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. O. Anjewierden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.H. Diepeveen, griffier,

en op 6 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 juli 2018.

Tegenwoordig:

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. I.A.H.M. Schepers, advocaat-generaal,

mr. J.M. van Westerlaak, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.