Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6296

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
21-000684-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:195, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Het hof beslist bij tussenarrest van 13 juli 2018 over een twintigtal door de verdediging gedane verzoeken (om onderzoek). Het hof wijst verzoek om nader onderzoek (DNA/RNA-onderzoek) van een vetachtige substantie op een mes dat is aangetroffen nabij het lichaam van het slachtoffer toe en wijst de overige verzoeken af, wegens het ontbreken van noodzaak (dan wel relevantie) voor enige te nemen beslissing in de strafzaak. Voorts acht het hof de benoeming van een deskundige door het openbaar ministerie naar de gezondheids-App op de telefoon van de verdachte – in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is gesteld – niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000684-18

Uitspraak d.d.: 13 juli 2018

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden‑Nederland, locatie Utrecht, van 23 januari 2018 met parketnummer 16-700054-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1987] ,

thans verblijvende in [p.i. verblijfplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 juni 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen namens de verdachte en zijn raadslieden – mr. P.J. Hoogendam en mr. D.J.G.J. Cornelissen – naar voren is gebracht. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de standpunten van de advocaat-generaal.

Inleidende overweging

Door de verdediging zijn bij appelschriftuur van 15 februari 2018 veertien onderzoekswensen ingediend. Ter zitting heeft mr. P.J. Hoogendam de onderzoekswensen nader toegelicht en een tweetal aanvullende (onderzoeks)wensen ingediend. Het overgrote deel van de door de verdediging ingediende onderzoekswensen dient te worden geplaatst in de sleutel van het door de verdachte bij de politie en in eerste aanleg geschetste alternatieve scenario.

Het hof is van oordeel dat – tenzij anders is vermeld – gelet op de aard van de onderzoekswensen het noodzaakcriterium van toepassing is op de door de verdediging ingediende (en hieronder uitgewerkte) onderzoekswensen. Voor de invulling van het noodzaakcriterium verwijst het hof naar de jurisprudentie van de Hoge Raad hieromtrent (in het bijzonder het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, rov. 2.8). De toepassing van het noodzaakcriterium houdt volgens de Hoge Raad verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Verzoeken komen, als getoetst moet worden aan dat criterium, enkel voor toewijzing in aanmerking wanneer de strafrechter dit onderzoek noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Die noodzaak ontbreekt wanneer de strafrechter zich door de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting voldoende ingelicht acht.

Het hof stelt vast dat er in eerste aanleg – ook na sluiting van het politiedossier – met name op verzoek van de verdediging (nader) forensisch onderzoek is verricht. Voor zover van belang bij de beoordeling van specifieke onderzoekswensen zal het hof hieronder verwijzen naar al uitgebrachte forensische rapportages.

Onderzoekswensen van de verdediging

A. RNA-onderzoek naar de aard van de vetachtige substantie op het mes (AAJL3499NL)

De verdediging heeft verzocht RNA-onderzoek te verrichten naar de vetachtige substantie die is aangetroffen op het mes dat naast het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen (AAJL3499NL). Daartoe is aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat dit mes is gebruikt om het slachtoffer verwondingen toe te brengen, terwijl op basis van het thans verrichte onderzoek niet kan worden vastgesteld of dit mes als “aanvalsmes” dan wel als “verdedigingsmes” is gebruikt. Het onderzoek is noodzakelijk in verband met de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verzoek dient te worden afgewezen, nu de noodzaak van het gevraagde onderzoek niet is gebleken. De gedachte van de verdediging dat de vetachtige substantie op het mes afkomstig zou moeten zijn van een ander omdat het mes door het slachtoffer is gebruikt als “verdedigingsmes”, vindt geen steun in het procesdossier. De advocaat-generaal heeft verwezen naar een korte toelichting die door dr. J. Warnaar in een bijgevoegd e-mailbericht is gegeven over de aard van RNA-onderzoek.

Blijkens de hiervoor genoemde door Warnaar gegeven toelichting en de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) van 17 augustus en 31 oktober 2016 zijn de bemonsteringen van de vetachtige substantie op het mes vooralsnog niet onderworpen aan een DNA/RNA-onderzoek, maar is dit onderzoek (nog) wel mogelijk. Een dergelijk onderzoek neemt doorgaans twee tot drie maanden in beslag.

Het hof is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv dat wordt onderzocht wat de aard is van de op het mes (AAJL3499NL) aangetroffen vechtachtige substantie (RNA-onderzoek) en wie de donor kan zijn van dat materiaal (DNA-onderzoek). Het hof wijst het verzoek derhalve toe. Dit onderzoek dient naar het oordeel van het hof te worden uitgevoerd door het NFI.

Aanvullend onderzoek naar de aard van het celmateriaal op de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte (AAJJ2748NL#02)

De verdediging heeft verzocht om aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de aard van het celmateriaal dat is aangetroffen op de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte (AAJJ2748Nl#02), ter beantwoording van de vraag in hoeverre het aangetroffen DNA-profiel dat matcht met dat van het slachtoffer afkomstig is uit bloed. Daartoe is aangevoerd dat de rechtbank op basis van het thans verrichte onderzoek ten onrechte heeft vastgesteld dat het celmateriaal waaruit het DNA‑materiaal van het slachtoffer is afgeleid bloed betreft. Dit klemt te meer nu de rechtbank het IFS heeft benoemd als deskundige om nader onderzoek te laten verrichten op dit punt, terwijl dit onderzoek uiteindelijk nooit heeft plaatsgevonden. Voorts is betoogd dat deskundige Warnaar weliswaar op 8 mei 2017 door de rechtbank is gehoord en hij aldaar zou hebben verklaard dat het waarschijnlijk voor 95% kans gaat om bloed, maar dat deze waarschijnlijkheid niet nader door de deskundige is onderbouwd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak voor het verrichten van dit onderzoek onvoldoende is onderbouwd, nu de verdediging in volle omvang alle op dit punt relevante vragen in eerste aanleg op de zitting van 8 mei 2017 aan de deskundigen heeft kunnen stellen.

In eerst aanleg is op 8 mei 2017 een viertal deskundigen hieromtrent gehoord, te weten: Warnaar, Herbergs, Kokshoorn en De Koeijer. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om de deskundigen op dit punt te bevragen en dat de verdediging van deze mogelijkheid ook gebruik heeft gemaakt.

Het hof acht het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd en in aanmerking genomen dat de deskundigen op dit punt in eerste aanleg op zitting zijn gehoord – niet noodzakelijk dat het onderzoek zoals dit is verzocht wordt verricht. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af. Overigens staat in het proces-verbaal van de zitting van 8 mei 2017 als de verklaring van Warnaar: “Wij kunnen geen 100% zekerheid geven dat het hier bloed van [slachtoffer] betreft. Omdat er geen bloed van iemand anders is aangetroffen, is de kans dat [slachtoffer] de donor is van dit bloed in de orde van 95% of hoger”.

Aanvullend onderzoek door IFS van de veiliggestelde, maar nog niet onderzochte bemonsteringen met behulp van de MiniFiler kit (autosomaal) en PowerPlex_Y23 (Y-chromosomaal)

en

Aanvullend onderzoek door IFS van de eerder door IFS onderzochte bemonsteringen en de DNA-extracten van het NFI met een Y-chromosomale kit

De verdediging heeft verzocht om Independent Forensic Services (hierna: IFS) als deskundige te benoemen, opdat de wel veiliggestelde maar nog niet eerder door IFS onderzochte bemonsteringen alsnog met behulp van de MiniFiler kit (autosomaal) en de PowerPlex_Y23 kit (Y-chromosomaal) kunnen worden onderzocht en de reeds door IFS onderzochte bemonsteringen met behulp van de PowerPlex_Y23 kit en de DNA-extracten van het NFI met behulp van de PowerPlex_Y23 kit kunnen worden onderzocht. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat uit het thans verrichte DNA-onderzoek blijkt dat er ‘vreemde’ DNA-kenmerken zijn aangetroffen die niet te herleiden zijn tot de referenten. Aanvullend onderzoek zou een nieuw licht op de zaak kunnen werpen, nu het mogelijk is dat naar aanleiding van aanvullend autosomaal DNA-onderzoek een (partieel) DNA-profiel kan worden herleid. Y-chromosomaal onderzoek dient ertoe de vrouwen uit de complexe DNA‑mengprofielen te filteren, waarna onderzocht kan worden of het mannelijke DNA op dadergerelateerde sporendragers en op sporen die zijn veiliggesteld in de auto van de verdachte met elkaar overeenkomen. Langs deze weg kan het door de verdachte geschetste alternatieve scenario mogelijk worden ondersteund, hetgeen tevens noodzakelijk is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak voor het verrichten van dit onderzoek ontbreekt, nu de aan het verzoek ten grondslag liggende stelling van de verdediging – dat de tijdens het onderzoek aangetroffen DNA-kenmerken, niet zijnde van één van de referenten, dus wel van de daders moeten zijn – dwingend logisch onjuist is. Voorts heeft de advocaat-generaal er op gewezen dat het niet mogelijk is om via Y-chromosomaal DNA (via autosomaal DNA) uit te komen bij een persoon, aangezien op Y-chromosomale DNA‑kenmerken niet kan worden gezocht in de DNA-databank.

Benoemen van (medewerkers van) IFS als deskundige

Het hof zal alvorens inhoudelijk in te gaan op deze verzoeken ingaan op de vraag of IFS dan wel medewerkers van IFS kunnen worden benoemd als deskundige in de onderhavige zaak. Het hof stelt vast dat ook in hoger beroep – evenals in eerste aanleg – discussie bestaat tussen de verdediging en het openbaar ministerie over de vraag of IFS dan wel medewerkers die verbonden zijn aan IFS kunnen worden benoemd als onafhankelijk deskundige zoals bedoeld in de wet. Gelet op de overwegingen van de rechtbank hierover in het vonnis van 23 januari 2018 (pag. 3‑5) en de thans in hoger beroep voortdurende discussie, laat het hof het aan de raadsheer-commissaris over om te bezien welke deskundige(n) dien(t)(en) te worden benoemd in het geval het hof de opdracht geeft om nader onderzoek te verrichten. Echter, voor de benoeming tot deskundige van medewerkers die verbonden zijn aan IFS ziet het hof, alles overziend, geen ruimte meer in deze zaak, gelet op de door de wet gestelde eis van onafhankelijkheid/onpartijdigheid. Dit oordeel heeft betrekking op alle door de verdediging gevraagde (en hierna nog te bespreken) verzoeken met als strekking de benoeming van (medewerkers van) IFS als deskundige.

Inhoudelijke beoordeling van de verzoeken

Het hof acht het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van deze verzoeken is aangevoerd – niet noodzakelijk dat deze onderzoeken worden verricht. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst deze verzoeken derhalve af.

Aanvullend DNA-onderzoek door IFS naar de messen, de trui, de broek, de slippers, de sokken, de handdoek, de theedoek en de auto van de verdachte

De verdediging heeft verzocht om de stukken van overtuiging (zijnde de messen, de trui, de broek, de slippers, de sokken, de handdoek en de theedoek) alsmede de auto van de verdachte door IFS nader te laten onderzoeken op de mogelijke aanwezigheid van DNA-materiaal van onbekende personen. De verdediging heeft verwezen naar de brief van IFS van 19 mei 2017 waarin wordt aangegeven dat de kans groot is dat er minder complexe mengprofielen worden verkregen indien minder grote onderzoeksoppervlaktes worden bemonsterd. Door de verdediging is aangevoerd dat dit onderzoek noodzakelijk is voor de verdachte om zijn verklaring nader te kunnen onderbouwen en daarmee voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak voor dit onderzoek onvoldoende is onderbouwd, niet in de laatste plaats omdat het verzoek onvoldoende gespecificeerd is.

Het hof acht het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd en het feit dat er onderzoek is verricht naar verschillende op de sporendragers aangetroffen sporen door verschillende instanties – niet noodzakelijk dat het gevraagde onderzoek wordt verricht. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af.

Overzicht van door het NFI en TMFI aangetroffen ‘vreemde’ DNA-kenmerken dan wel verstrekken van de piekenprofielen

De verdediging heeft verzocht dat door het NFI respectievelijk The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI) – bij voorkeur in de vorm van een tabel – inzichtelijk wordt gemaakt welke ‘vreemde’ DNA-kenmerken in welke bemonsteringen zijn aangetroffen, teneinde na te kunnen gaan of de door IFS in haar rapportage genoemde acht vreemde DNA-kenmerken ook terugkomen in de onderzoeken van het NFI respectievelijk TMFI. In ieder geval wenst de verdediging de beschikking te krijgen over de piekenprofielen, zodat zij deze – zo nodig met bijstand van een deskundige – kan interpreteren. Ter zitting heeft de verdediging – na kennisneming van de schriftelijke reactie van de advocaat-generaal op de door de verdediging ingediende onderzoekswensen – verzocht om [naam 1] (werkzaam bij [bedrijf] BV) als deskundige te benoemen, zodat hij in opdracht van de verdediging de piekenprofielen kan analyseren.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie bereid is de piekenprofielen te (laten) verstrekken aan in deze zaak benoemde deskundigen, voor zover die deskundigen aangeven de piekenprofielen nodig te hebben voor de uitvoering van de aan hen gegeven opdracht. Verspreiding in bredere kring dient geen enkel redelijk doel. Voeging in het dossier is niet aan de orde, te minder nu piekenprofielen geen processtuk zijn zoals bedoeld in de wet. Voorts is de noodzaak van nader onderzoek op dit punt niet voldoende onderbouwd, aldus de advocaat-generaal.

In eerst aanleg is op 8 mei 2017 een viertal deskundigen hieromtrent gehoord, te weten: Warnaar, Herbergs, Kokshoorn en De Koeijer. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om de deskundigen op dit punt te bevragen en dat de verdediging van deze mogelijkheid ook gebruik heeft gemaakt.

Het hof overweegt dat piekenprofielen doorgaans geen onderdeel uitmaken van het procesdossier. Het hof acht het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd en in aanmerking genomen dat de deskundigen op dit punt in eerste aanleg op zitting zijn gehoord – niet noodzakelijk dat een dergelijk overzicht wordt gemaakt en evenmin dat de piekenprofielen worden verstrekt aan de verdediging of dat een deskundige wordt benoemd ter interpretatie van die piekenprofielen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af.

Onderzoek naar de (bloed)sporen op de sokken van het slachtoffer (AAJL3492NL en AAJL3493NL)

De verdediging heeft verzocht om aanvullend onderzoek te laten verrichten naar door het NFI veiliggestelde maar tot op heden nog niet onderzochte (bloed)sporen op de sokken van het slachtoffer (AAJL3492NL en AAJL3493NL). Daartoe is aangevoerd dat het voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv en ter onderbouwing van het door de verdachte geschetste alternatieve scenario noodzakelijk is dat alle bloedsporen op de sokken worden onderzocht, nu het mogelijk is dat het slachtoffer de dader(s) heeft verwond en bloedsporen zijn ontstaan tijdens de weerstand die het slachtoffer heeft geboden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak voor het verrichten van dit onderzoek onvoldoende is onderbouwd en voorts onvoldoende gespecificeerd is.

Op de sokken zijn bloedsporen aangetroffen en die bloedsporen zijn bemonsterd. Een aantal van die bemonsteringen is onderworpen aan DNA-onderzoek. In wat de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof zonder meer niet de noodzaak ook ten aanzien van de nog niet onderzochte bemonsteringen DNA-onderzoek te verrichten. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af.

Onderzoek naar de nog niet-onderzochte maar wel veiliggestelde (humane) haren

De verdediging heeft verzocht de nog niet-onderzochte haren die gedurende het onderzoek zijn veiliggesteld alsnog te onderzoeken. Juist nu het slachtoffer geen hoofdhaar had en het huis op 3 maart 2016 is schoongemaakt zou dit een aanknopingspunt kunnen opleveren voor één van de daders, hetgeen past binnen het door de verdachte geschetste alternatieve scenario. In ieder geval dient de op de theedoek aangetroffen en als humaan geclassificeerde haar, die voorts geschikt is bevonden voor autosomaal DNA-onderzoek, aan een dergelijk onderzoek te worden onderworpen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak voor het verrichten van dit onderzoek onvoldoende is onderbouwd – in het licht van de door de verdachte afgelegde verklaring dat de daders bivakmutsen droegen – nu enkel is aangevoerd dat een aangetroffen haar van een dader zou kunnen zijn. Voorts heeft de advocaat-generaal zich – met verwijzing naar het NFI‑rapport van 28 april 2017 opgemaakt door Warnaar – op het standpunt gesteld dat het thans door de verdediging gevraagde onderzoek al is uitgevoerd en zonder resultaat is afgesloten.

Het hof stelt vast dat door de verdediging niet is aangegeven welke specifieke veiliggestelde maar nog niet-onderzochte haren (nader) dienen te worden onderzocht, met uitzondering van de op de theedoek aangetroffen humane haar. Voor zover het de op de theedoek aangetroffen haar betreft merkt het hof op dat blijkens het NFI-rapport van 28 april 2017 opgemaakt door Warnaar de DNA‑concentratie van de bemonstering van die haar lager is dan 0,001 nanogram/microliter en dat dergelijke lage concentraties – ook na aanvullend DNA-onderzoek – geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA‑profielen opleveren, zodat het DNA‑onderzoek aan die bemonstering om die reden is gestopt.

Blijkens het NFI-rapport van 23 mei 2016 opgemaakt door Warnaar (pagina 498 en 499 van het forensisch dossier) zijn er op de sokken (AAJL3492NL en AAJL3493NL) van het slachtoffer enkele mogelijke haarsporen aangetroffen, die vooralsnog niet zijn veiliggesteld en nog op de sokken aanwezig zijn.

Het hof acht het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd en in aanmerking genomen wat hiervoor is opgemerkt over de op de theedoek aangetroffen haar – niet noodzakelijk dat nader onderzoek wordt verricht naar veiliggesteld(e) maar nog niet onderzocht(e) mogelijke haar/haren. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af.

Nader onderzoek door prof.dr. P. de Knijff naar de complexe mengprofielen (door middel van de Massive Parallel Sequencing (MPS) methode.

en

Nader onderzoek door prof.dr. P. de Knijff naar de biologische sporen op het mes (in het bijzonder naar spoor AAJL3499NL#03)

en

Onderzoek door prof.dr. P. de Knijff naar het mengprofiel op de trui (nabij de schouder AAHD2627NL#01)

De verdediging heeft verzocht om prof. De Knijff te benoemen als deskundige opdat hij de complexe mengprofielen nader kan onderzoeken met de zogeheten MPS‑methode. Deze methode zou het mogelijk maken meer informatie te halen uit een geringe hoeveelheid DNA-materiaal dan wel uit complexe mengprofielen. In het verlengde daarvan is verzocht om prof. De Knijff te benoemen als deskundige opdat hij de van de bemonsteringen AAJL3499NL#03 (het mes) en AAHD2627NL#01 (trui nabij de schouder) door middel van verschillende DNA‑kits vervaardigde DNA-piekenprofielen herbeoordeelt dan wel zelfstandig interpreteert.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak voor het verrichten van deze onderzoeken onvoldoende is onderbouwd en dat deze verzoeken derhalve dienen te worden afgewezen, te meer nu de onderzoekers van het ter discussie gestelde onderzoek zijn gehoord ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof stelt vast dat de hiervoor genoemde sporen reeds door deskundigen van een drietal instanties (te weten: NFI, TMFI en IFS) zijn onderzocht en dat in eerste aanleg op 8 mei 2017 een viertal deskundigen over deze profielen is gehoord: Warnaar, Herbergs, Kokshoorn en De Koeijer. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om de deskundigen op dit punt te bevragen en dat de verdediging van deze mogelijkheid ook gebruik heeft gemaakt.

Naar het oordeel van het hof is – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van deze verzoeken is aangevoerd – onvoldoende toegelicht wat concreet de toegevoegde waarde in deze zaak zou kunnen zijn van toepassing van de door prof. De Knijff gebruikte MPS-methode en waartoe eventuele onderzoeksresultaten zouden kunnen leiden. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst de verzoeken derhalve af.

Onderzoek door prof.dr. P.J. van Koppen naar de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de door de verdachte afgelegde verklaringen

De verdediging heeft verzocht om prof. Van Koppen te benoemen als deskundige, opdat hij een onderzoek instelt naar de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de door de verdachte afgelegde verklaringen. De verdediging heeft daarbij verwezen naar hetgeen door de rechtbank is opgenomen in het vonnis omtrent de geloofwaardigheid van de door de verdachte afgelegde verklaringen.


De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak voor het (laten) verrichten van dit onderzoek niet is gebleken en dat het verzoek zodoende dient te worden afgewezen. Het is bij uitstek een taak van het hof om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de door verschillende personen afgelegde verklaringen te beoordelen.

Het hof is van oordeel dat de vraag naar de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van verklaringen juist ter beoordeling ligt aan de rechter. Mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd, ontbreekt de noodzaak een deskundigenonderzoek te laten verrichten. Het hof wijst het verzoek derhalve af.

Nader onderzoek door dr. F.R.W. van de Goot dan wel een andere forensisch patholoog naar het bij het slachtoffer toegebrachte letsel

De verdediging heeft verzocht nader onderzoek te laten verrichten door Van de Goot dan wel een (gelijkwaardige) andere forensisch patholoog. Dit nader onderzoek dient te zien op de vraag of het bij het slachtoffer toegebrachte letsel en de steekverwondingen enkel kunnen zijn veroorzaakt door de op de plaats delict aangetroffen messen (AAJL3474NL en AAJL3499NL), ofwel dat er meer, althans andere messen, bij betrokken zijn, en zo ja, hoeveel. In het verlengende daarvan dient de vraag te worden beantwoord of het waarschijnlijker is dat het slachtoffer door één of juist meerdere daders om het leven is gebracht. Laatstgenoemde vraag kan – zo nodig – ook aan een forensisch arts worden voorgelegd. Het verzoek is niet alleen noodzakelijk in het kader van de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, maar ook voor de onderbouwing van het door de verdachte geschetste alternatieve scenario.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verzoek dient te worden afgewezen, nu de noodzaak niet is gebleken. De stelling van de verdediging dat dit onderzoek noodzakelijk is om vast te kunnen stellen of er één of meer daders zijn geweest is onjuist. Daarnaast zijn ter terechtzitting in eerste aanleg deskundigen gehoord op dit punt.

In het dossier zijn opgenomen de bevindingen van Soerdjbalie-Maikoe en S. Eikelenboom. In eerste aanleg zijn zij ook gehoord door de rechtbank. De verdediging is in de gelegenheid gesteld deze deskundigen te bevragen en heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt.

Overigens merkt het hof op dat de advocaat‑generaal ter zitting heeft verklaard dat Van de Goot per januari 2018 is gestopt met zijn forensische werkzaamheden.

Het hof acht het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd – niet noodzakelijk dat nader onderzoek wordt verricht op dit punt. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af.

Verstrekking van de veiliggestelde gegevens uit de desktop (AAGR7347NL) en de MacBook (AAIZ5931NL) van de verdachte

De verdediging heeft verzocht de beschikking te krijgen over de veiliggestelde gegevens uit de desktop (AAGR7347NL) en de MacBook (AAIZ5931NL) van de verdachte.

De advocaat-generaal heeft toegezegd dat indien de verdediging binnen afzienbare tijd harde schijven met een opslagcapaciteit van 1 terabyte (TB) aanlevert, de gevraagde kopieën worden gemaakt voor de verdediging.

Het hof behoeft derhalve geen beslissing meer te nemen op dit verzoek.

Verstrekking van correspondentie tussen de rechter-commissaris en het NFI

De verdediging heeft verzocht om alle correspondentie te verkrijgen van de rechter‑commissaris met het NFI (onder meer in het kader van het samenstellen van het IDFO-rapport), teneinde na te kunnen gaan hoe de opdracht van de rechtbank van 19 januari 2017 door het IDFO-team en de rechter-commissaris is geïnterpreteerd en uitgelegd, welke informatie door het IDFO-team is meegenomen en in hoeverre het rapport aanvulling behoeft.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet gaat over de vraag of door een rechter gevoerde correspondentie moet worden verstrekt of niet.

Op dit verzoek is naar het oordeel van het hof het relevantiecriterium van toepassing.

Het hof heeft in het dossier geen correspondentie aangetroffen tussen de rechter‑commissaris en het NFI, met uitzondering van de schriftelijke benoemingen van deskundigen. Voorts heeft het hof geen reden om aan te nemen dat er meer correspondentie zou moeten zijn. Het staat de verdediging vrij ter controle het dossier in te zien.

Daarnaast is het hof van oordeel dat – mede op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd – deze stukken niet redelijkerwijs van belang zijn voor enige door het hof in de strafzaak te nemen beslissing.

Verstrekking van de zogeheten FIT-verslagen

De verdediging heeft verzocht om alle verslagen van zogeheten Forensische Intakegesprekken (hierna: FIT-verslagen) te verkrijgen, teneinde een antwoord te krijgen op de vraag of aan het onderzoek op enigerlei wijze sturing is gegeven. Ter terechtzitting heeft de verdediging ook verzocht om verstrekking van de verslagen van de Forensische Updategesprekken (hierna: FUD-gesprekken).

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat FIT-verslagen voor intern gebruik bestemd zijn en geen processtuk vormen. Dergelijke FIT-gesprekken zijn in deze zaak voorts niet gevoerd, aldus de advocaat-generaal, zodat er ook geen verslagen van zijn. Tot dusver hebben er enkel drie FUD-gesprekken plaatsgevonden, waarbij de rechter-commissaris niet aanwezig is geweest. Van één van deze gesprekken is volgens de advocaat-generaal een verslag gemaakt, van de andere twee gesprekken niet.

Op dit verzoek is naar het oordeel van het hof het relevantiecriterium van toepassing.

Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan hetgeen door de advocaat-generaal is opgemerkt met betrekking tot de FIT-gesprekken. Nu ervan moet worden uitgegaan dat deze gesprekken niet zijn gevoerd in deze zaak, is verstrekking van verslagen niet mogelijk.

Ten aanzien van het FUD-verslag is het hof van oordeel dat dit stuk – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd – redelijkerwijs niet van belang is voor de door het hof te nemen beslissingen in deze zaak. Het hof overweegt daartoe dat blijkens hetgeen door de advocaat-generaal is geschetst het verslag een intern karkater heeft en dat een dergelijk verslag conform vast beleid niet wordt verstrekt. Nu van de relevantie niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af.

Verstrekking van de correspondentie tussen de rechter-commissaris en IFS

De verdediging heeft verzocht om alle correspondentie te verkrijgen van de rechter‑commissaris met IFS aangaande het uitvoeren van de onderzoeksopdracht van de rechtbank van 19 januari 2017, teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de vraag in welke mate het IFS in de uitvoering van het onderzoek is beperkt en door wie.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet gaat over de vraag of door een rechter gevoerde correspondentie moet worden verstrekt of niet.

Op dit verzoek is naar het oordeel van het hof het relevantiecriterium van toepassing.

Het hof heeft in het dossier geen correspondentie aangetroffen tussen de rechter‑commissaris en IFS en heeft daarnaast geen reden om aan te nemen dat er nog correspondentie zou moeten zijn. Het staat de verdediging vrij ter controle het dossier in te zien.

Daarnaast is het hof van oordeel dat – gelet hierop en in aanmerking genomen wat door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd – deze stukken niet redelijkerwijs van belang zijn voor enig door het hof in de strafzaak te nemen beslissing.

Inzage in de stukken die niet door de officier van justitie als processtukken zijn aangemerkt

De verdediging heeft verzocht inzage te krijgen in de stukken die niet door de officier van justitie als processtuk (zoals bedoeld in artikel 149a Sv) zijn aangemerkt.

De advocaat-generaal heeft aangegeven dat het openbaar ministerie geen bezwaar heeft tegen het gevraagde. De verdediging kan zich melden bij de politie, teneinde een afspraak te maken om deze stukken in te zien.

Het hof behoeft derhalve op dit verzoek geen beslissing meer te nemen.

Onderzoek naar de tip van onbekende afzender over de telefoon van het slachtoffer

De verdediging heeft bij appelschriftuur verzocht om alsnog onderzoek te laten verrichten naar de in de anonieme brieven genoemde plaats waar onder meer de telefoon van het slachtoffer zou kunnen worden aangetroffen. Het onderzoek dient er in ieder geval uit te bestaan dat al het oppervlaktewater in de nabijheid van de door de anonieme briefschrijver aangemerkte locatie wordt uitgebaggerd en de omgeving daarvan wordt afgezocht met een metaaldetector. De verdediging heeft dit verzoek ter zitting niet nader toegelicht en heeft niet gereageerd op hetgeen door de advocaat-generaal hieromtrent naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft aangegeven dat de politie in de afgelopen maanden in dit verband nader onderzoek heeft verricht en verwijst naar het door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen betreffende de [locatie] van 22 mei 2018 en het proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek naar de iPhone van het slachtoffer van 17 mei 2018. Gelet op het feit dat gebleken is dat de informatie in de anonieme brieven feitelijk niet juist kan zijn, is de noodzaak om twee jaar na dato ter plaatse te gaan zoeken niet gebleken.

Het hof stelt vast dat door de politie nader onderzoek is verricht op dit punt en verwijst daarvoor naar de hiervoor genoemde processen-verbaal. Gezien de uitkomsten van het daarin gerelateerde onderzoek is het hof van oordeel dat – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd – de noodzaak niet is gebleken. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af.

Onderzoek naar de zendmastgegevens rondom de plaats delict

Ter zitting heeft de verdediging – in aanvulling op de appelschriftuur van 15 februari 2018 – verzocht om door de politie een aanvullend proces-verbaal van bevindingen op te laten maken waarin de vraag wordt beantwoord welke telefoonnummers masten in de buurt van de plaats delict hebben aangestraald op maandagavond 29 februari 2016 (tussen 18.00 uur en 24.00 uur) en op donderdagavond 3 maart 2016 (tussen 23.00 en 24.00 uur), waarbij er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen prepaid-telefoonnummers en overige telefoonnummers. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat dit onderzoek noodzakelijk is om de door de verdachte afgelegde verklaringen met objectieve feiten nader te kunnen onderbouwen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek onvoldoende feitelijk is onderbouwd, zodat het behoort te worden afgewezen. Naar de mening van de advocaat-generaal is hier sprake van een fishing expedition door de verdediging.

Het hof is – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd – van oordeel dat de noodzaak niet gebleken is. Het hof overweegt dat niet is onderbouwd waartoe dit onderzoek zou kunnen leiden en wat de toegevoegde waarde daarvan zou zijn, mede gelet op de hoeveelheid data die dit onderzoek hoogstwaarschijnlijk zal opleveren en de omstandigheid dat de plaats delict in de bebouwde kom van Bilthoven is gelegen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af.

Digitaliseren van het procesdossier

Door de verdediging is ter zitting – in aanvulling op de appelschriftuur van 15 februari 2018 – verzocht om het procesdossier te (laten) digitaliseren, opdat de verdachte via een gegevensdrager kennis kan nemen van het dossier. Aangevoerd is dat het papieren dossier te omvangrijk is om op cel te kunnen bewaren.

De advocaat-generaal heeft ter zitting naar voren gebracht dat het openbaar ministerie niet beschikt over een digitale versie van het procesdossier en er geen redenen zijn om het dossier alsnog te digitaliseren.

Het hof stelt vast dat het dossier niet digitaal beschikbaar is, zodat ook geen digitaal afschrift kan worden verstrekt. Voorts ziet het hof geen redenen om het (omvangrijke) dossier alsnog te (laten) digitaliseren, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Onderzoek naar de gezondheids-App op de telefoon van de verdachte

Op 28 juni 2018 heeft het hof namens de advocaat-generaal een e-mailbericht met bijlagen ontvangen inhoudende dat de officier van justitie op verzoek van de advocaat‑generaal op grond van artikel 150, eerste lid, Sv [naam 2] (werkzaam bij het NFI) heeft benoemd als deskundige, teneinde aanvullend onderzoek te verrichten naar SIN AAIZ5932NL (iPhone 6 van de verdachte), in het bijzonder naar de gezondheids-App. De aanleiding van deze benoeming is gelegen in het FUD-gesprek dat op 25 juni 2018 heeft plaatsgevonden.

De verdediging heeft zich ter zitting met verwijzing naar de wetsgeschiedenis op het standpunt gesteld dat er sprake is van een onrechtmatige benoeming van een deskundige, nu het openbaar ministerie in deze fase van het strafproces niet de wettelijke bevoegdheid meer heeft om zelfstandig – zonder tussenkomst van het hof of de raadsheer- of rechter‑commissaris – een deskundige te benoemen om het gewenste onderzoek uit te laten voeren. De verdediging heeft bezwaar gemaakt tegen de benoeming van voornoemde deskundige om nadere vragen te stellen aangaande de betrouwbaarheid van de stappensteller. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat indien het openbaar ministerie ter zitting het verzoek doet dit onderzoek alsnog te laten verrichten, dit verzoek dient te worden afgewezen. Daartoe is betoogd dat de noodzaak voor nader onderzoek naar de stappenteller onvoldoende is onderbouwd. Indien het hof een eventueel verzoek tot het verrichten van nader onderzoek naar de stappenteller toewijst, heeft de verdediging verzocht haar in de gelegenheid te stellen om hypothesen, informatie en/of vragen voor de deskundige aan te leveren.

De advocaat-generaal heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat geenszins sprake is van een onrechtmatige benoeming, gelet op artikel 148c Sv in verbinding met artikel 150 Sv. Indien het hof van oordeel is dat de benoeming onrechtmatig is, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof [naam 2] als deskundige zal benoemen, teneinde voornoemd onderzoek te laten verrichten.

Het hof is van oordeel dat de benoeming van voornoemde deskundige door de officier van justitie op verzoek van de advocaat-generaal op de voet van artikel 150, eerste lid, Sv niet onrechtmatig is en verwijst daarvoor naar het bepaalde in de artikelen 148c Sv in verbinding met artikel 150 Sv.

Inhoudelijke behandeling

Het hof verzoekt de verdediging en de advocaat-generaal om uiterlijk 23 juli 2018 schriftelijk verhinderdata aan het hof te doen toekomen voor de maanden januari en februari 2019, teneinde een of meer data voor de inhoudelijke behandeling vast te kunnen stellen. Het zittingsrooster van het hof maakt een eerdere behandeling van de zaak niet mogelijk. Het hof is voornemens binnen afzienbare tijd (en in ieder geval uiterlijk eind augustus van dit jaar) een of meer data voor de inhoudelijke behandeling van de zaak te bepalen. Hierover zal het hof de verdediging, de advocaat-generaal, de benadeelde partijen en de nabestaanden zo spoedig mogelijk informeren.

Door de verdediging is verzocht eind augustus/begin september een tweede regiezitting te plannen, teneinde de stand van zaken tot dan toe te bespreken. Het hof ziet vooralsnog geen reden(en) die maken dat een tweede regiezitting is aangewezen.

BESLISSING

Het hof:

Stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof teneinde

­ een deskundige te benoemen op het gebied van RNA/DNA-onderzoek (bij voorkeur werkzaam bij het NFI), voor het verrichten van RNA/DNA-onderzoek naar de vetachtige substantie op het mes dat is aangetroffen naast het lichaam van het slachtoffer (AAJL3499NL).

Het hof bepaalt voorts dat indien de onderzoeksresultaten van voornoemd onderzoek aanleiding geven tot het verrichten van nadere onderzoekshandelingen de raadsheer-commissaris hierop zelf kan beslissen.

Wijst de overige verzoeken af.

Schorst het onderzoek voor langer dan een maand, maar niet langer dan drie maanden, om de klemmende redenen dat het zittingsrooster van het hof en het nog uit te voren onderzoek een eerdere behandeling van de zaak niet toelaten.

Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.

Beveelt de oproeping van de verdachte tegen een nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadslieden van de verdachte en aan de benadeelde partijen.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. W.A. Holland, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dr. N. Laan en mr. F.A.A.M. van der Veen, griffiers,

en op 13 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.