Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6279

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
200.198.968
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Geen misbruik van bevoegdheid tot verplaatsing van hekwerk naar erfgrens, mits appellant de helft van de kosten van verplaatsing aanbiedt te vergoeden.

Geïntimeerden hebben in 2008 op basis van een meting van het kadaster in 2004, die was uitgevoerd in opdracht van appellant, een hekwerk geplaatst. Na een nieuwe meting van het kadaster blijkt de grens enkele centimeters in de richting van het erf van appellant. Appellant vordert verwijdering of verplaatsing van het hekwerk. Het hof overweegt dat handhaving van het eigendomsrecht een in rechte een in rechte te respecteren belang is en dat verplaatsing van hekwerk niet zo bezwaarlijk is dat dat niet van geïntimeerden kan worden gevergd. Wel dient appellant, gezien eerder gemaakt afspraken, de helft van de kosten voor zijn rekening te nemen. De veroordeling tot verplaatsing is afhankelijk gemaakt van zijn schriftelijke toezegging de helft van de kosten voor zijn rekening te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.198.968

(zaaknummer rechtbank Gelderland C/05/283843)

arrest van 10 juli 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. K. Horstman,

tegen:

1 [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. M.C. Molenaar.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 22 juli 2015 en 8 juni 2016 die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 september 2016,

■ de memorie van grieven met producties,

■ de memorie van antwoord met productie,

■ de pleidooien van 27 juni 2018 overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die mr. Horstman bij bericht van 6 juni 2018 namens [appellant] heeft ingebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep na wijziging van eis dat het hof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

primair

A. voor recht verklaart dat het hekwerk, zoals weergegeven met een zwart/grijze lijn naast de rode streeplijn op het relaas van bevindingen van het kadaster d.d. 18 december 2014, op het perceel [nummers] staat, welk perceel in eigendom aan [appellant] toebehoort;

B. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt om binnen een termijn van veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis alle, door hen geplaatste goederen, waaronder het gaashekwerk, de rieten decoratiematten, de stalen en betonnen bevestigingsconstructie en de inspectieput(ten) gelegen op:

- het perceel van [appellant] , kadastraal bekend onder het nummer [woonplaats] [nummers] ,

- de erfgrens tussen de woningen aan de [straatnaam] en [straatnaam] ,

te verwijderen, althans te verplaatsen naar het eigen perceel, althans een voorziening treft die het hof juist acht;

C. aan het onder B. gevorderde een dwangsom verbindt van € 5.000,00 ineens plus daarna € 500,00 per dag dat [geïntimeerden] in gebreke blijven aan de veroordeling gehoor te geven;

D. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 500,00, althans een zodanig bedrag als het hof redelijk acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2015 tot en met de dag der algehele voldoening;

subsidiair

E. voor recht verklaart dat de door [geïntimeerden] geplaatste goederen, waaronder het gaashekwerk, de rieten decoratiematten en de stalen en betonnen bevestigingsconstructie, zoals weergegeven met de zwart/grijze lijn naast een rode streeplijn op het relaas van bevindingen van het kadaster d.d. 18 december 2014, op het perceel [nummers] staan, welk perceel in eigendom aan [appellant] toebehoort, welke goederen hierdoor eigendom van [appellant] zijn geworden;

meer subsidiair

F. voor recht verklaart dat de door [geïntimeerden] geplaatste goederen, waaronder het gaashekwerk, de rieten decoratiematten en de stalen en betonnen bevestigingsconstructie, zoals weergegeven met de zwart/grijze lijn naast een rode streeplijn op het relaas van bevindingen van het kadaster d.d. 18 december 2014, gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn;

primair, subsidiair en meer subsidiair

G. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien voldoening van deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de nakosten, waaronder de eventuele te maken ontruimingskosten op vertoon van de daartoe nodige, in dit arrest te vermelden, bescheiden op de voet van artikel 3:299 lid 3 BW.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het vonnis van 8 juni 2016, die hierna voor de overzichtelijkheid worden weergegeven, hier en daar aangevuld met feiten die het hof van belang acht.

3.2

Partijen zijn buren. [appellant] is eigenaar van en al meer dan 50 jaar woonachtig op het erf aan de [straatnaam] te [woonplaats] , kadastraal bekend als [woonplaats] [nummers] (hierna: “perceel- [appellant] ”). [geïntimeerden] zijn sinds 1986 eigenaar van en woonachtig op het erf aan de [straatnaam] te [woonplaats] , kadastraal bekend als [woonplaats] [nummers] en [nummers] (hierna: “perceel- [geïntimeerden] ”).

3.3

In ieder geval vanaf 1976 stond er een ligusterhaag op de erfgrens van beide percelen. Deze haag is in 2004 door [appellant] verwijderd.

3.4

Het Kadaster heeft zowel op 3 juni 2004 als op 18 december 2014 in opdracht van [appellant] de erfgrens tussen de beide percelen gereconstrueerd. De erfgrens wordt aan de achterzijde van beide percelen gemarkeerd door piketpaal 17 die daar vóór 2004 is geplaatst. In 2004 heeft het Kadaster aan de straatzijde de erfgrens van beide percelen gemarkeerd met piketpaal 36. In 2014 heeft het Kadaster de erfgrens ook gemarkeerd met een tussenpunt (piketpaal 37) en een nieuwe piketpaal 36 enkele centimeters richting het erf van [geïntimeerden] geplaatst.

3.5

De erfafscheiding wordt thans gevormd door een in 2008 door [geïntimeerden] geplaatst hekwerk van harmonicagaas, aan de zijde van perceel- [geïntimeerden] bedekt met rieten decoratiematten. [geïntimeerden] hebben een draad gespannen van piketpaal 36 naar piketpaal 17 en aan hun zijde van de draad het hekwerk opgetrokken.

3.6

In het Relaas van bevindingen van het Kadaster naar aanleiding van de erfgrensreconstructie van 18 december 2014 staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Omschrijving van de aangewezen kadastrale grenzen

Grens is rechte lijn aangegeven middels ijzeren buizen ( 3 stuks ). De ijzeren buis bij het tussenpunt ( dit is in het verlengde van de voorgevel van [straatnaam] ) is 10 cm uit de grens richting [straatnaam] .”

3.7

In opdracht van [geïntimeerden] heeft een landmeter op 26 augustus 2014 de positie van het hekwerk ten opzichte van de kadastrale erfgrens (digitaal) bepaald.

3.8

Partijen hebben elkaar in de periode van 4 augustus 2014 tot en met 29 april 2015 in totaal twaalf brieven geschreven. De inhoud van een aantal van die brieven luidt, voor zover relevant, als volgt:

Brief van [geïntimeerden] aan [appellant] d.d. 3 september 2014:

“In opdracht van ons heeft op 26 augustus j.l. een landmeter de positie van het hekwerk t.o.v. de kadastrale erfgrens digitaal bepaald. (…)

De uitkomst van deze meting zijn verrassend. De kadastrale erfgrens ligt gemiddeld 50 cm ten zuiden van het geplaatste hekwerk. Bij navraag naar de verschillen tussen de door uw cliënt genoemde waardes en de vermelde waardes op de tekening zijn de verschillen waarschijnlijk te wijten aan niet bij het Kadaster gedocumenteerde verbouwingen aan de woning van perceel [straatnaam] . (…)”

Brief van [appellant] aan [geïntimeerden] d.d. 23 februari 2015:

“Zoals bekend, is op 18 december 2014 door de heer [medewerker kadaster] van het kadaster een grensreconstructie uitgevoerd. U heeft gezien dat hij een aantal ijzeren palen heeft geplaatst op het midden van de kadastrale erfafscheiding. De grenspaal in het midden (tussenpunt) kon niet op de grens worden geplaatst doordat op deze plaats het hekwerk staat.”

Brief van [geïntimeerden] aan [appellant] d.d. 11 maart 2015:

“Uit de grensreconstructie uitgevoerd op 18 december 2014 door het kadaster is gebleken dat de voorste piket niet op de juiste plaats heeft gestaan. Het achterste piket is ongewijzigd gebleven en de middelste piket is voor het eerst tijdens de grensreconstructie van 2014 geplaatst. Met deze nieuwe informatie blijkt dat het in 2008 geplaatste hekwerk deels op eigen perceel, deels op de erfgrens en deels op het perceel van uw cliënt staat.

Op grond van deze uitkomst zullen wij op redelijke termijn het hekwerk verplaatsen voor zover deze op het perceel van uw cliënt, dan wel op de erfgrens staat.

Om deze werkzaamheden te kunnen uitvoeren is het noodzakelijk dat uw cliënt zijn medewerking verleent en ons toestaat om tijdens de werkzaamheden zijn erf te betreden.”

Brief van [geïntimeerden] aan [appellant] d.d. 2 april 2015:

“In uw brief [d.d. 25 maart 2015, rb] stelt u aanvullende en voor ons nieuwe eisen, waaronder het verwijderen van de inspectieput.

Omdat deze put geplaatst is door de gemeente [woonplaats] , hebben wij contact opgenomen met de gemeente. Wij hebben de gemeente verzocht ons van informatie te voorzien over de in 2003 geplaatste put. Deze informatie kan nieuwe inzichten geven inzake de erfgrens.

U zult begrijpen dat wij de behandeling van uw verzoeken opschorten totdat wij alle informatie van de gemeente [woonplaats] hebben mogen ontvangen.”

Brief van [geïntimeerden] aan [appellant] d.d. 29 april 2015:

“De gemeente [woonplaats] heeft ons medegedeeld dat zij de in 2003 geplaatste inspectieputten op de afzonderlijke erven van de bewoners geplaatst heeft. De erfafscheiding in 2003 werd bepaald door een heg.

Middels navraag bij de vorige bewoner van perceel [straatnaam] , dhr. [de vorige eigenaar] , is gebleken dat deze heg al voor 1976 als erfafscheiding aanwezig was.

In 2004 heeft uw cliënt deze heg eenzijdig verwijderd als voorbereiding op het plaatsen van de nieuwe erfafscheiding op dezelfde positie als de heg. Aansluitend heeft uw cliënt de positie van de heg als erfgrens ter discussie gesteld.

Door deze onrechtmatige daad is uw cliënt voorbij gegaan aan feit dat de verjaringstermijn van de positie van de heg als erfgrens ruimschoots verstreken is.

Concreet betekent dit dat de nieuwe lijn die het kadaster heeft uitgezet niet de juiste is, maar door verjaring de oorspronkelijke erfgrens gevormd door de heg van toepassing is. De lijn van de heg is door middel van foto’s en de door de gemeente geplaatste inspectie putten te herleiden.

U zult begrijpen dat wij met de door uw cliënt en [de vorige eigenaar] aangedragen nieuwe informatie geen reden meer zien om de huidige erfafscheiding te verplaatsen omdat deze ruimschoots binnen de oorspronkelijke erfgrens ligt.”

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis:

primair

A. voor recht verklaart dat het hekwerk, zoals weergegeven met een zwart/grijze lijn naast de rode streeplijn op het relaas van bevindingen van het kadaster d.d. 18 december 2014, op het perceel [nummers] staat, welk perceel in eigendom aan [appellant] toebehoort;

B. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt om binnen een termijn van veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis alle, door hen geplaatste goederen, waaronder het gaashekwerk, de rieten decoratiematten, de stalen en betonnen bevestigingsconstructie en de inspectieput(ten) gelegen op:

- het perceel van [appellant] , kadastraal bekend onder het nummer [woonplaats] [nummers] ,

- de erfgrens tussen de woningen aan de [straatnaam] en [straatnaam] ,

te verwijderen, althans een voorziening treft die de rechtbank juist acht;

C. aan het onder B. gevorderde een dwangsom verbindt van € 5.000,00 ineens plus daarna € 500,00 per dag dat [geïntimeerden] in gebreke blijft aan de veroordeling gehoor te geven;

D. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 500,00, althans een zodanig bedrag dat de rechtbank redelijk acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2015 tot en met de dag der algehele voldoening;

subsidiair

E. voor recht verklaart dat de door [geïntimeerden] geplaatste goederen, waaronder het gaashekwerk, de rieten decoratiematten en de stalen en betonnen bevestigingsconstructie, zoals weergegeven met de zwart/grijze lijn naast een rode streeplijn op het relaas van bevindingen van het kadaster d.d. 18 december 2014, op het perceel [nummers] staan, welk perceel in eigendom aan [appellant] toebehoort, welke goederen hierdoor eigendom van [appellant] zijn geworden;

meer subsidiair

F. voor recht verklaart dat de door [geïntimeerden] geplaatst goederen, waaronder het gaashekwerk, de rieten decoratiematten en de stalen en betonnen bevestigingsconstructie, zoals weergegeven met de zwart/grijze lijn naast een rode streeplijn op het relaas van bevindingen van het kadaster d.d. 18 december 2014, gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn;

primair, subsidiair en meer subsidiair

G. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien voldoening van deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de nakosten, waaronder de eventuele te maken ontruimingskosten op vertoon van de daartoe nodige, in dit vonnis te vermelden, bescheiden op de voet van artikel 3:299 lid 3 BW.

4.2

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat de rechtbank:

1. primair voor recht verklaart dat de juridische erfgrens tussen de beide erven wordt gevormd door de (lijn van de voormalige) haag, die loopt rechts van de op het erf van Grolleman gelegen boom aan de weg, rechts langs de inspectieput naar het Kadastrale ijkpunt achter op het erf;

2. subsidiair voor recht verklaart dat de juridische erfgrens tussen de beide erven wordt gevormd door de Kadastrale grens zoals deze in 2004 is vastgesteld, althans sedertdien is aangehouden, en die wordt gemarkeerd door het huidige hekwerk;

3. [appellant] veroordeelt in de proceskosten.

4.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 8 juni 2016 zowel in conventie als in reconventie de vorderingen afgewezen en [appellant] in de kosten van de procedure in conventie en [geïntimeerden] in de kosten van de procedure in reconventie veroordeeld.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] is op grond van artikel 131 Rv niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 22 juli 2015.

5.2

Het verzet van [geïntimeerden] tegen de wijziging van eis, die [appellant] bij tijdens pleidooi genomen akte heeft gedaan, wordt verworpen. [appellant] heeft aan zijn vordering onder B (veroordeling tot verwijdering van het hekwerk) toegevoegd “althans te verplaatsen naar het eigen perceel”. Ook zonder deze verduidelijking zou het hof [geïntimeerden] kunnen veroordelen tot verplaatsing van het hekwerk, omdat het mindere in het meerdere besloten ligt. Bovendien heeft [appellant] al in nr. 86 van de memorie van grieven uiteengezet dat hij met verwijdering in feite verplaatsing van het hekwerk heeft bedoeld. Van een vermeerdering of wijziging van eis is daarom geen sprake.

5.3

Dit geschil gaat in essentie over de vraag of het hekwerk dat de percelen van partijen scheidt, geheel op het perceel van [appellant] staat, zoals [appellant] stelt, of voor een deel op het perceel van [appellant] en voor een deel op het perceel van [geïntimeerden] , zoals [geïntimeerden] aanvoeren en of toewijzing van de vordering tot verwijdering en, inmiddels, verplaatsing leidt tot misbruik van bevoegdheid. De rechtbank heeft onder meer beslist dat het hekwerk gedeeltelijk op het perceel van [appellant] , gedeeltelijk op het perceel van [geïntimeerden] staat en dat [appellant] , gezien onder meer de geringe overschrijding van de erfgrens, misbruik maakt van zijn bevoegdheid verwijdering te vorderen. Tegen deze beslissingen in het vonnis, voor zover in conventie gewezen, is [appellant] in hoger beroep gekomen onder aanvoering van 10 grieven. De grieven 1 tot en met 8 en 10 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

5.4

In aanvulling op de in § 3 van dit arrest weergegeven feiten kan op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd is weersproken ook het volgende worden vastgesteld. Tot 2004 heeft op de erfgrens een ligusterhaag gestaan. Omdat de haag in slechte staat verkeerde, hebben partijen besloten op gezamenlijke kosten de haag te vervangen door een hekwerk. [appellant] heeft in 2004 de haag verwijderd. Op 3 juni 2004 heeft het Kadaster in opdracht van [appellant] een grensreconstructie uitgevoerd en daarbij aan de straatzijde piketpaal 36 geplaatst als markering van de erfgrens. Omdat overleg tussen partijen niet tot een gezamenlijke aanpak leidde, hebben [geïntimeerden] in oktober 2008 een draad gespannen van piketpaal 36 naar de reeds eerder geplaatste piketpaal 17 en vervolgens het hekwerk aangelegd langs de draad en aan hun zijde van die draad. Tussen partijen is niet in geschil dat de erfgrens in een rechte lijn loopt. Op 18 december 2014 heeft het Kadaster een nieuwe meting verricht. Uitkomst van de meting was dat piketpaal 36 enkele centimeters opschoof in de richting van het erf van [appellant] , hetgeen het hof met partijen aan de hand van een door [geïntimeerden] tijdens pleidooi getoonde foto van piketpaal 36 (oud) en 36 (nieuw) heeft vastgesteld, en dat volgens die meting het hekwerk in ieder geval tot aan piketpaal 37 (het tussenpunt) op het perceel van [appellant] lag. Het hof zal er verder met partijen vanuit gaan dat deze meting uit 2014 de erfgrens tussen partijen correct weergeeft.

5.5

Het hof is van oordeel dat [appellant] geen misbruik van bevoegdheid maakt met zijn vordering tot verplaatsing van het hekwerk, voor zover dat op zijn perceel staat. Handhaving van het eigendomsrecht, in dit geval door precieze verplaatsing van de erfafscheiding naar de erfgrens, is een in rechte te respecteren belang. Verplaatsing van een hekwerk is niet zo bezwaarlijk dat dit niet van [geïntimeerden] zou kunnen worden gevergd. In zoverre zijn de grieven gegrond. Gezien de al in 2004 gemaakte afspraak dat partijen gezamenlijk een nieuw hekwerk zouden plaatsen op de erfgrens tussen beide percelen (nr. 53 van de memorie van antwoord) en gezien het feit dat [geïntimeerden] buiten hun schuld het hekwerk gedeeltelijk op het perceel van [appellant] hebben aangelegd, nu het Kadaster in 2004 kennelijk een meetfout heeft gemaakt (nr. 61 van de memorie van antwoord), is [appellant] echter wel gehouden de helft van de verplaatsingskosten te dragen. Hij zou wel misbruik van zijn bevoegdheid tot verplaatsing van het hekwerk maken, als hij niet de helft van de kosten voor zijn rekening zou nemen. De vordering onder B zal daarom aldus worden toegewezen dat [geïntimeerden] zullen worden veroordeeld tot verplaatsing van het hekwerk inclusief stalen en betonnen bevestigingsconstructie tot precies op de erfgrens, zoals die blijkt door een rechte lijn te trekken van piketpaal 36 (nieuw) en piketpaal 17, onder de opschortende voorwaarde dat [appellant] van tevoren schriftelijk aan [geïntimeerden] heeft verklaard dat hij de helft van de verplaatsingskosten zal vergoeden.

5.6

Omdat partijen in 2004 hebben afgesproken dat het hekwerk op de erfgrens zou worden aangelegd, is er geen reden om [geïntimeerden] te veroordelen het hekwerk geheel naar het eigen perceel te verplaatsen. Het hekwerk zal daarom moeten worden geplaatst op de erfgrens. Omdat de aanleg van een gemeenschappelijk hekwerk in 2004 was afgesproken en omdat [appellant] vooruitlopend daarop de bestaande ligusterhaag zonder overleg met [geïntimeerden] al had verwijderd, kan [appellant] er zich nu niet op beroepen dat hij medewerking als bedoeld in artikel 5:49 BW nog moet verlenen voor de aanleg van het hekwerk op de erfgrens. Die medewerking is al verleend in 2004. Grief 6 is ongegrond.

5.7

Het hof gaat ervan uit dat piketpaal 37 op de rechte lijn tussen piketpalen 36 (nieuw) en 17 ligt. Mocht dat niet zo zijn, dan moet het Kadaster daarover uitkomst bieden, waarbij de kosten tussen partijen zullen worden gedeeld.

5.8

Het hof gaat er ook van uit dat [geïntimeerden] de rieten decoratiematten na herplaatsing van het hekwerk aan hun zijde van het hekwerk bevestigen. Voor een veroordeling tot verplaatsing van deze matten ziet het hof geen aanleiding. De vordering tot verplaatsing van de inspectieput zal ook worden afgewezen, omdat deze aan de gemeente [woonplaats] toebehoort en bovendien niet is gebleken dat deze op het perceel van [appellant] ligt.

5.9

De verklaringen voor recht onder A en E, respectievelijk F zullen worden afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat het hekwerk over de gehele lengte gelegen is op het perceel van [appellant] , respectievelijk gemeenschappelijk is.

5.10

[appellant] heeft in deze procedure naar het oordeel van het hof meer gevraagd dan waar hij recht op heeft, wat meebrengt dat de vordering slechts ten dele zal worden toegewezen is. [geïntimeerden] , zo blijkt uit het dossier, zijn voor en gedurende deze procedure niet onwelwillend geweest om nadere afspraken te maken met [appellant] . Het hof gaat er daarom vanuit dat [geïntimeerden] na ontvangst van de schriftelijke verklaring van [appellant] , zoals bedoeld in 5.5, de verplaatsing van het hekwerk zullen uitvoeren. Een versterking van de veroordeling met dwangsommen zal daarom, mede ter vermijding van executiegeschillen, niet worden toegewezen. Het hof zal de termijn, waarbinnen [geïntimeerden] tot verplaatsing moeten overgaan bepalen op een maand na ontvangst van een schriftelijke verklaring van [appellant] dat deze de helft van de verplaatsingskosten van het hekwerk zal vergoeden.

5.11

Omdat [geïntimeerden] niet kunnen worden verweten dat zij het hekwerk in 2008 hebben geplaatst langs een rechte lijn tussen piketpalen 36 (oud) en 17 en daarmee ten dele op het perceel van [appellant] , is er geen basis hen te veroordelen tot vergoeding van de kosten van € 500 die [appellant] heeft moeten betalen aan het Kadaster voor de grensreconstructie. Dit deel van de vordering zal daarom ook worden afgewezen.

5.12

[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat het hekwerk precies samenvalt met het hart van voormalige ligusterhaag en dat langs deze lijn een nieuwe erfgrens is ontstaan, nu hun rechtsvoorgangers en zij zo lang bezit hebben gehad van de strook die eigendom was van [appellant] , dat zij de eigendom als bezitters te goeder trouw hebben verworden, althans de rechtsvordering tot beëindiging van deze stoornis is verjaard. Het hof verwerpt dit verweer, omdat in het licht van de betwisting door [appellant] niet kan worden vastgesteld of het hekwerk langs precies dezelfde lijn is geplaatst als het hart van de voormalige ligusterhaag. Nu het debat over centimeters gaat is dat ook niet meer vast te stellen. Het is ook niet aannemelijk dat het hekwerk precies over het hart van de voormalige ligusterhaag loopt, omdat [geïntimeerden] het hekwerk hebben aangelegd langs de draad van piketpaal 36 (oud) naar piketpaal 17 en kennelijk niet over het hart van de voormalige ligusterhaag.

5.13

Grief 9 behoeft, gelet op hetgeen is overwogen in 5.4 tot en met 5.7, geen behandeling.

5.14

[appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerden] in 2008 een piketpaal hebben verplaatst “door de erfafscheiding” (nr. 12 van de memorie van grieven). Hij heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat [geïntimeerden] “piketpalen” hebben verplaatst (nr. 105 van de memorie van grieven). Het hof passeert deze stelling van [appellant] , omdat zij tegenover de betwisting door [geïntimeerden] onvoldoende is uitgewerkt. Het is niet duidelijk geworden om welke piketpaal of piketpalen het gaat en waarop [appellant] zijn stelling baseert dat [geïntimeerden] deze zou hebben verplaatst. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

6 Slotsom

6.1

Het hoger beroep slaagt ten dele, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

6.2

Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie en in hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 22 juli 2015;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 8 juni 2016, voor zover in conventie gewezen, en opnieuw rechtdoende,

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk om binnen een termijn van een maand nadat zij van [appellant] een schriftelijke verklaring hebben ontvangen dat deze de helft van de verplaatsingskosten van het hekwerk zal vergoeden, het hekwerk dat hun percelen scheidt en voor zover dat op het perceel van [appellant] staat, inclusief stalen en betonnen bevestigingsconstructie te verplaatsen naar de positie precies op de erfgrens, zoals die is bepaald door het Kadaster op 18 december 2014 op basis van een rechte lijn tussen de piketpalen 36 (nieuw) en 17;

wijst het anders of meer gevorderde af;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie en in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, A.A. van Rossum en S.C.P. Giesen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.