Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6254

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
21-004787-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wederspannigheid. Rechtmatige uitoefening van de bediening. Grenzen proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004787-17

Uitspraak d.d.: 6 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 4 september 2017 met parketnummer 16-084620-17 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H. de Kroon, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij bovengenoemd vonnis ter zake van wederspannigheid veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 mei 2017 te [plaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2], werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten het aanhouden van verdachte op verdenking van mishandeling, door opzettelijk gewelddadig zijn arm(en) één of meerdere malen met kracht langs/naast/voor zijn lichaam te houden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat
- zakelijk weergegeven - bij het optreden van de politie de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn overschreden. Om die reden kan niet worden bewezen dat zij “werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening”.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier blijkt dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] op 7 mei 2017 omstreeks 22:23 uur de melding kregen te gaan naar [adres] te [plaats]. In die woning zou zich een conflict hebben afgespeeld, waarbij de melder door zijn zoon zou zijn geslagen. De melder zou bloed aan het hoofd hebben en daarnaast zou de zoon onder invloed zijn van alcohol en/of drugs. Ter plaatse aangekomen zagen verbalisanten in de deuropening van de woning een man met bloed in zijn gezicht. Verbalisanten konden niet precies zien waar het bloed vandaan kwam. Naast deze man was er een andere, volgens de politie, dikke man, ter plaatse. Deze man - naar later bleek verdachte - zei direct tegen de politie “Neem me maar mee, sla me maar in de boeien”. Verdachte bleef dit een aantal keren zeggen, maar de politie maakte hem duidelijk dat zij hem niet mee konden nemen zonder te weten wat er was gebeurd. Op een gegeven moment zei verdachte tegen de politie: “Neem me nou maar mee, anders gaan er dingen gebeuren. Dat weet hij wel.”, waarbij verdachte naar zijn vader wees. Verdachtes vader is vervolgens terug de woning in gegaan. Korte tijd daarna maakte verdachte eveneens aanstalten om de woning binnen te gaan. Om te voorkomen dat hij de woning in zou gaan en de deur achter zich dicht zou trekken, heeft verbalisant [verbalisant 3] verdachte daarom bij zijn arm gepakt. Naar zijn zeggen was dit mede omdat verdachte eerder had gezegd: “Neem me nou maar mee, anders gaan er dingen gebeuren. Dat weet hij wel.”. Toen verbalisant [verbalisant 3] verdachte vastpakte, merkte hij dat verdachte zijn arm direct in tegengestelde richting trok en dat hij zich aan de deurstijl vasthield. Vervolgens is verdachte aangehouden en hebben de verbalisanten geprobeerd hem te boeien. Aangezien verdachte zijn armen met kracht tegen zijn lichaam hield, is er - na een waarschuwing - geweld jegens hem gebruikt. Na enige tijd is het gelukt verdachte de handboeien om te doen. In het proces-verbaal van bevindingen is beschreven dat later bleek dat één van de handboeien in verdachtes linkerpols was gesneden, doordat verdachte zich zo wederspannig gedroeg en niet meewerkte aan zijn aanhouding. Toen dit door de verbalisant werd opgemerkt, zijn de handboeien direct losser gedaan.

Het hof leidt uit de beschreven gang van zaken af dat verbalisanten ter bescherming van verdachtes vader hebben willen voorkomen dat verdachte de woning binnenging, aangezien inmiddels was gebleken dat verdachte kort daarvoor kennelijk geweld jegens zijn vader had uitgeoefend en hij bovendien opnieuw dreigende taal richting zijn vader had geuit. Verbalisanten handelden hierbij in het kader van hun taak om voor handhaving van de rechtsorde te zorgen en hulp te verlenen aan hen die deze behoeven, zoals volgt uit artikel 3 van de Politiewet. Aldus waren zij werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

Met betrekking tot het verweer dat het handelen van de verbalisanten de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden, stelt het hof voorop dat uit de melding bleek dat verdachte onder invloed zou zijn van alcohol en/of drugs. Daarnaast is van belang dat voor de politie niet kenbaar was dat verdachte op dat moment te kampen had met een gebroken hand, zoals verdachte heeft verklaard. Verdachte droeg immers geen gips en heeft naar eigen zeggen enkel geroepen: “Mijn hand, mijn hand”, toen hij door de politie werd vastgepakt. Ten slotte is voor de vraag of verbalisanten op een juiste, proportionele wijze hebben opgetreden, van belang hoe verdachte zich daarvoor jegens hen opstelde. Verdachte probeerde de situatie naar zijn hand te zetten, wilde de huissleutels niet afgeven aan de verbalisant en heeft verdachte op een gegeven moment vóór de aanhouding zelfs tegen verbalisant [verbalisant 1] gezegd: “Neem me nou maar mee, anders sla ik jou in je gezicht. Moet ik dan een agent aanvallen?”, waarbij hij met gebalde vuisten voor [verbalisant 1] stond.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de wijze van optreden door de politie gerechtigd was en dat de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit daarbij niet zijn overschreden. Zij handelden aldus in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 mei 2017 te [plaats], zich met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten het aanhouden van verdachte op verdenking van mishandeling, door opzettelijk gewelddadig zijn armen meerdere malen met kracht langs/naast/voor zijn lichaam te houden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 7 mei 2017 verzet ten opzichte van politieambtenaren die hun taak aan het uitoefenen waren en daarmee een gebrek aan respect getoond jegens hen.

Het hof neemt bij de strafoplegging in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 28 mei 2018 weliswaar eerder is veroordeeld, maar niet ter zake van soortgelijke feiten als de onderhavige.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Verdachte is sinds april 2016 op vrijwillige basis in behandeling bij Jellinek en Inforsa in verband met alcohol- en tabaksgebruik en agressieregulatie problematiek. Uit een schrijven van beide instellingen blijkt dat verdachte actief deelneemt aan de behandelingen en zijn behandelafspraken nakomt. Ter terechtzitting van het hof is verdachte open geweest over zijn alcoholprobleem en het feit dat hij in de zomer 2017 een terugval heeft gehad, vermoedelijk mede als gevolg van veranderde medicatie voor verdachtes bipolaire stoornis. In deze periode is hij ook (opnieuw) met politie en justitie in aanraking gekomen. Na die tijd is de behandeling hervat en zijn er geen nieuwe incidenten meer geweest. Volgens verdachte heeft hij zijn alcoholprobleem nu onder controle. Verdachte heeft een eigen bedrijf dat naar eigen zeggen erg goed loopt.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof met de politierechter en de advocaat-generaal een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, een passende bestraffing. Deze straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan een (soortgelijk) strafbaar feit. Evenals de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof het niet nodig om aan deze straf bijzondere voorwaarden te koppelen. Het hof gaat er vanuit dat verdachte zijn behandelingen op vrijwillige basis zal voortzetten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 180 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 6 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Veen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.