Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6246

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
21-003231-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring medeplegen poging woninginbraak. Belastende bewijsmiddelen en uitblijven van een verklaring van verdachten. De situatie in onderhavige zaak kenmerkt zich door de omstandigheid dat kort na de poging diefstal de verdachte met anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de poging diefstal duiden, terwijl er geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door de verdachte bestaan. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 maanden. (Vgl. HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003231-17

Uitspraak d.d.: 4 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 2 juni 2017 met parketnummer 18-720251-16 in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

wonende [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte conform de straf zoals opgelegd door de politierechter. De schriftelijke vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. E. Albayrak, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het beroep is gericht, ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

3 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 mei 2016 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen geld en/of een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (meermalen) met een breekijzer, althans een soortgelijk voorwerp, op/tegen een (voor)deur van die woning geslagen en/of met een breekijzer, althans een soortgelijk voorwerp, forcerende handelingen op/aan de (voor)deur van die woning verricht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De raadsman heeft ter verdediging aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat volgens de verdediging niet is gebleken van een voldoende intellectuele bijdrage van voldoende gewicht van verdachte bij het ten laste gelegde, waardoor ten aanzien van verdachte onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het medeplegen van de poging tot woninginbraak.

Het hof overweegt op basis van de bewijsmiddelen daarover het volgende.

Op 24 mei 2016 omstreeks 23.00 uur heeft volgens aangever [slachtoffer] een manspersoon getracht in te breken in zijn woning aan de [adres] te [plaats] .

Kort daarvoor, op 24 mei 2016 tussen omstreeks 22.35 uur en 22.46 uur, heeft een buurtgenoot, getuige [getuige] , bij 112 melding gemaakt van een verdachte situatie met betrekking tot de drie later aangehouden verdachten en een zwarte bestelauto met draaiende motor in de omgeving van zijn woning.

Omstreeks 22.35 uur werd meermalen aangebeld bij [getuige] , waarop de hond van [getuige] aansloeg. [getuige] zag vervolgens niemand bij de voordeur staan. Wel zag hij een zwarte bestelauto voor zijn oprit staan, die langzaam wegreed. Hij zag twee getinte mannen naast de auto lopen.

Vervolgens begaven de twee mannen zich richting een andere woning in de buurt (aan de [straat 1] ), terwijl de motor van de bestelauto bleef draaien. De twee mannen liepen weer terug naar de zwarte bestelauto, nadat de honden van de hoekwoning aansloegen. Daarop stapte de bestuurder uit de auto en praatten de mannen met elkaar in taal die [getuige] niet verstond. [getuige] zag vervolgens dat de bestuurder de auto parkeerde en dat de drie mannen in de richting van de [straat 2] liepen. Op dat moment maakte [getuige] via het alarmnummer 112 melding van een verdachte situatie. Vervolgens zag hij dat de drie mannen de [straat 2] helemaal uitliepen.

Naar aanleiding van de 112-melding ging de politie direct ter plaatse. De verbalisanten zagen aldaar drie getinte mannen uit de richting van de [straat 2] rennen. Ook [getuige] zag dat de drie manspersonen vanuit de [straat 2] rennend naar hun voertuig gingen.

Tijdens de staandehouding van deze mannen kregen de verbalisanten een melding binnen inhoudende dat er net een poging inbraak aan de [straat 2] , een naastgelegen straat, had plaatsgevonden. Hierop werden de verdachten aangehouden. De aanhouding vond plaats omstreeks 22.55 uur.

Aangever [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van voornoemde poging tot woninginbraak. [slachtoffer] verklaarde dat hij bij de poging tot inbraak breekgeluiden hoorde. Hij hoorde harde stoten tegen de voordeur. Vervolgens zag hij een manspersoon bij de voordeur van zijn woning die met een voorwerp probeerde de voordeur open te breken. Nadat aangever de verlichting in de hal had aangedaan en de trap afliep, schrok de man en rende de man weg. Aangever zag vervolgens schade aan zijn voordeur. Uit onderzoek is gebleken dat twee braaksporen zijn aangetroffen: een tegendrukspoor onder het slot van de voordeur gezet met een breekijzer en een indrukspoor in het kozijn onder het slot tevens gezet met een breekijzer.

Uit de omstandigheden dat de manspersoon probeerde de voordeur open te breken en wegrende vlak nadat de verlichting in de hal was aangegaan, leidt het hof af dat de manspersoon kennelijk bezig was in te breken bij [adres] en dat hij bij deze poging werd gestoord.

Het hof overweegt dat de signalementen die getuige [getuige] en aangever [slachtoffer] hebben opgegeven van de drie personen behorende bij de zwarte bestelauto respectievelijk de persoon aan de deur bij aangever, overeenkomen met de signalementen van de aangehouden verdachten.

De aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat de manspersoon bij zijn voordeur een lichtkleurig jack droeg. Gezien de bevindingen van verbalisant [verbalisant] , gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 33 van het politiedossier, begrijpt het hof dat dit een lichtblauwe jas betrof. Dit signalement komt overeen met de jas die medeverdachte [medeverdachte 1] droeg. Voorts heeft getuige [getuige] onder meer het signalement opgegeven van een persoon met een donkere jas met lichte capuchon en een lichte broek. Dit signalement komt overeen met de kleding die verdachte droeg ten tijde van zijn aanhouding (een lichtgrijs vest met capuchon en een donkere jas).

Voorts kan ook de omstandigheid dat de mannen in een vreemde taal met elkaar spraken passen bij de drie aangehouden verdachten met een Iraakse dan wel Marokkaanse achtergrond.

Het hof overweegt dat in onderhavige zaak een aantal nauw op elkaar aansluitende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in een woonwijk, binnen een zeer kort tijdsbestek in de late avonduren. De aangehouden verdachten liepen omstreeks het moment van de ten laste gelegde inbraakpoging gezamenlijk de [straat 2] – alwaar de woning van aangever staat – uit en kort daarop kwamen zij ook gezamenlijk vanuit de [straat 2] terug rennen. Het hof overweegt dat het signalement van medeverdachte [medeverdachte 1] aansluit bij het door aangever opgegeven signalement van de man die de voordeur trachtte open te breken. Het hof is van oordeel dat gezien voornoemde omstandigheden het niet anders kan dan dat medeverdachte [medeverdachte 1] heeft getracht de voordeur van de woning van aangever open te breken en dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] eveneens betrokkenheid hebben gehad bij de poging tot woninginbraak.

Aan verdachte is ten laste gelegd het medeplegen van de poging tot woninginbraak.

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Het hof verstaat het handelen van de verdachten ten aanzien van de woning van getuige [getuige] en de woning aan de [straat 1] , alvorens zij de [straat 2] inlopen, als verkenningshandelingen ten behoeve van het plegen van een woninginbraak. Hierbij bestond een duidelijke rolverdeling tussen de verdachten: twee personen begaven zich naar de woningen (gezien de opgegeven signalementen en aanwezige kleding in de fouilleringen betroffen dit verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] ) en de bestuurder (medeverdachte [medeverdachte 2] ) bleef achter in de auto met draaiende motor. Na het bezoek aan de woning aan de [straat 1] werd de uitvoering gewijzigd. De mannen overlegden met elkaar, waarop de bestuurder ook uitstapte, zij de auto achterlieten en zij gedrieën de [straat 2] zijn uitgelopen. Even later kwamen zij ook met zijn drieën terug gerend vanuit de [straat 2] . Het voorgaande bezien in het licht van de omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte 1] is gezien terwijl hij de voordeur van de woning van aangever forceerde, leidt tot het oordeel van het hof dat de drie verdachten gezamenlijk aanwezig zijn geweest bij of in de omgeving van de woning van aangever ten tijde van de poging inbraak in deze woning.

De verdachten hebben ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het ten laste gelegde en maken verder gebruik van hun recht om te zwijgen. Hierdoor geven zij geen verklaring voor hun aanwezigheid in de nabije omgeving van de plaats delict op het moment van de poging tot woninginbraak noch voor hun gedrag aldaar. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.1

Het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte kan van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen in een geval waarin weliswaar met betrekking tot de toedracht van de diefstal niet is vastgesteld dat deze door medeplegers is begaan, maar dat zich wel kenmerkt door de omstandigheid dat kort na de diefstal de verdachte met een ander of anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden, terwijl er geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door de verdachte bestaan.2

Het hof is van oordeel dat zich in onderhavige zaak een vergelijkbare situatie voordoet. Naar ’s hofs oordeel volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte en zijn medeverdachten een gezamenlijke poging hebben ondernomen om bij de woning aan de [adres] in te breken. De precieze toedracht van de poging tot inbraak, waaronder de exacte rolverdeling tussen de medeplegers bij deze poging, is niet vast te stellen omdat de verdachten daarover niet wensen te verklaren.

Echter, wel is vast te stellen dat de medeplegers gezamenlijk verkennend zich door de buurt van de woning hebben begeven, dat zij overleg hebben gepleegd met elkaar, dat zij zich gezamenlijk richting de woning van aangever hebben begeven, dat medeverdachte [medeverdachte 1] bij de voordeur van de woning van aangever is gezien terwijl hij die voordeur probeerde open te breken en dat zij ook weer gezamenlijk uit de richting van de woning van aangever kwamen rennen.

Tegelijkertijd bestaan er naar het oordeel van het hof geen contra-indicaties die er op duiden dat verdachte geen rol als medepleger heeft gehad bij voornoemde poging tot woninginbraak, terwijl verdachte daaromtrent ook geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden blijk geven van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten met betrekking tot de poging tot woninginbraak.3

Het hof is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de ten laste gelegde poging tot diefstal met braak en/of verbreking uit de woning aan de [adres] te [plaats] heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 mei 2016 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen geld en/of goederen toebehorende aan [slachtoffer] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en/of verbreking, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders meermalen met een breekijzer forcerende handelingen op de voordeur van die woning verricht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting het volgende in het bijzonder in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

De verdachte heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak. Dit is een ernstig en zeer hinderlijk feit, dat niet alleen overlast veroorzaakt voor de gedupeerde, maar ook voor gevoelens van onrust in de samenleving zorgt. Uit de handelswijze van de verdachten blijkt bovendien van een georganiseerde manier van werken.

Het hof heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van

22 mei 2018, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, waarvoor verdachte taakstraffen opgelegd heeft gekregen. Het hof heeft bij de strafoplegging eveneens rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman van verdachte heeft het hof subsidiair verzocht om een taakstraf voor de duur van 120 uren aan verdachte op te leggen.

Het hof overweegt hierover dat het gezien de ernst van het feit en de documentatie van verdachte geen aanleiding ziet om aan verdachte een taakstraf op te leggen.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest, aan verdachte passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. M.C. Fuhler, voorzitter,

mr. L.J. Hofstra en mr. M.C.J. Groothuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Haak, griffier,

en op 4 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.C.J. Groothuizen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad, 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022. En vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584.

2 Hoge Raad, 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022.

3 Vergelijk ook: Hoge Raad, 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:662.