Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6180

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
21-003742-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen hennepteelt. Verdachte heeft een door hem gehuurde garagebox aan een vriend ter beschikking gesteld voor het telen van 47 hennepplanten. Verdachte is zelf betrokken geweest bij de hennepkwekerij. Hij heeft - met een financiële vergoeding voor zijn diensten in het vooruitzicht - de verzorging van de aanwezige planten voor zijn rekening genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003742-17

Uitspraak d.d.: 5 juli 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 7 juli 2017 met parketnummer 16-065434-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-035523-15, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van hetgeen aan verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-035523-15 wordt toegewezen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. L.J.H. Kortz, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het gehele vonnis van de politierechter, dus ook tegen de door de politierechter uitgesproken vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. Tegen een vrijspraak staat voor de verdachte ingevolge artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep open en het is om die reden dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep voor zover het betrekking heeft op het onder 2 ten laste gelegde.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en heeft verdachte ter zake van het onder 1 – thans onder 1 primair – ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van

een aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, parketnummer 16-035523-15.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, om proceseconomische redenen vernietigen. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover in hoger beroep aan de orde – tenlastegelegd dat:

1. primair:

hij in of omstreeks de periode van 06 december 2016 tot en met 24 januari 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 47 hennepplanten, althans een aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

1. subsidiair:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 6 december 2016 tot en met 24 januari 2017 te [plaats] met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 47 hennepplanten, althans een hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 6 december 2016 tot en met 24 januari 2017 te [plaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemde garagebox voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem onder 1 primair ten laste gelegde. Verdachte heeft de garage enkel aan een vriend verhuurd en heeft verder geen handelingen ten behoeve van de hennepteelt verricht. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op de samenwerking, hetgeen in de weg staat aan een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. Volgens de advocaat-generaal heeft verdachte de garage gehuurd en deze ter beschikking gesteld aan een derde ten behoeve van het opzetten en exploiteren van een hennepkwekerij. Daarbij heeft verdachte geprofiteerd van de hennepkwekerij en is er actief bij betrokken geweest, onder meer door de hennep te knippen. Er is daarbij sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, aldus de advocaat-generaal.

Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij per 1 oktober 2015 een garagebox aan de [adres] heeft gehuurd. In deze garagebox is op 24 januari 2017 door de politie een hennepkwekerij met 47 hennepplanten aangetroffen. Uit de aangifte van Liander N.V. blijkt dat deze hennepkwekerij in ieder geval in de periode van 6 december 2016 tot en met 24 januari 2017 in bedrijf is geweest.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de garagebox heeft onderverhuurd aan een vriend. Deze vriend heeft volgens verdachte een hennepkwekerij in de garagebox opgezet en geëxploiteerd. Verdachte was hiervan op de hoogte en wist dat er ongeveer 47 hennepplanten in de garagebox stonden. Verdachte heeft de planten verzorgd door ze water te geven. De vriend heeft verdachte geleerd hoe hij de planten moest verzorgen. Verdachte kon wat bijverdienen als hij de planten zou knippen. De identiteit van deze vriend wil verdachte om hem moverende redenen niet prijsgeven.

Telen

Het hof is van oordeel dat het bevloeien (water geven) van de in de kwekerij aanwezige hennepplanten niet kan worden aangemerkt als een handeling die het telen van die planten enkel ondersteunt of faciliteert, maar dat een dergelijke handeling een onontbeerlijke schakel is in het geheel van noodzakelijke handelingen voor de teelt van hennepplanten. Het verweer van de raadsman wordt op dit onderdeel verworpen.

Medeplegen

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan het telen van hennepplanten heeft geleverd en derhalve nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander. Immers, verdachte heeft een garagebox gehuurd en deze vervolgens onderverhuurd aan een ander zodat die ander een hennepkwekerij in de garagebox kon opzetten en exploiteren. Verdachte heeft met die ander afgesproken de taak op zich te nemen om de in de hennepkwekerij aanwezige hennepplanten te verzorgen door ze water te geven. Verdachte heeft van die ander instructies gekregen over hoe hij de planten moest verzorgen. Verdachte zou wat bij kunnen verdienen als hij de in de hennepkwekerij aanwezige planten zou moeten knippen. Uit voornoemde feiten en omstandigheden blijkt dat er bij de verdachte sprake was van opzet op het gezamenlijk telen van hennep in de garagebox, namelijk samen met de bewuste vriend. Hiermee is voldaan aan de in het recht gestelde eisen van medeplegen en kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het telen van hennep. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:
hij in de periode van 06 december 2016 tot en met 24 januari 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een anderen opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van in totaal 47 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een door hem gehuurde garagebox aan een vriend ter beschikking gesteld voor het telen van 47 hennepplanten. Gezien de hoeveelheid aangetroffen planten kan het niet anders dan dat de hennep voor verdere verspreiding bedoeld was. Blijkens het dossier is verdachte zelf betrokken geweest bij de hennepkwekerij. Verdachte heeft de aanwezige planten verzorgd door ze water te geven. Door zijn handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het telen van hennep. Verdachte heeft zo bijgedragen aan het in stand houden van een crimineel circuit waarin hennep in illegale kwekerijen wordt geproduceerd en waarin winst wordt gemaakt met de handel in die hennep. Dit klemt temeer nu het gebruik van deze hennep schadelijke gevolgen kan meebrengen voor de gezondheid van de gebruikers.

Uit het verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 mei 2018 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder eenmaal ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met het artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Uit het uittreksel blijkt verder dat verdachte op 23 februari 2011 door het Amtsgericht Geldern (Duitsland) is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden wegens illegale handel in verdovende middelen. De voornoemde veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen, hetgeen hem in strafverzwarende zin wordt aangerekend.

Het hof stelt vast dat artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verdachte is namelijk bij onherroepelijk vonnis van 16 april 2015 ter zake van (onder andere) een soortgelijk feit veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Verdachte heeft deze werkstraf in de periode van 4 november 2015 tot en met 30 juni 2016 verricht.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden. Gelet op de ernst van het feit en de justitiële documentatie van verdachte kan niet worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is bepleit.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Midden-Nederland van 16 april 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, parketnummer 16-035523-15. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 16 april 2015, parketnummer 16-035523-15, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. A. van Holten en mr. W.L.J.M. Duijst-Heesters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W.D. de Boer, griffier,

en op 5 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. W.L.J.M. Duijst-Heesters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.