Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6159

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
200.233.683
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, WWZ

Opzegging arbeidsovereenkomst uitzendkracht fase C? In hoger beroep alsnog transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Billijke vergoeding schattenderwijs begroot op EUR 1.500,-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0819
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.233.683

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, 5959149)

beschikking van 4 juli 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoeker in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoeker,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. M.G. Oud-Elfferich,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

Het Chauffeurscentrum Nederland B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

verweerster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster,

hierna: Het Chauffeurscentrum,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikkingen van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn) van 12 juli 2017 en 22 november 2017.

2
2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift (met producties) van 19 februari 2018, ter griffie ontvangen op 20 februari 2018;

- de op 23 mei 2018 gehouden mondelinge behandeling.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op 4 juli 2018 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoeker] heeft in zijn hoger beroepschrift verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. Het Chauffeurscentrum te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 6.937,73 bruto;

b. Het Chauffeurscentrum te veroordelen tot toekenning aan [verzoeker] van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 11.207,09 bruto;

c. Het Chauffeurscentrum te veroordelen betaling van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW van € 10.000,- bruto;

d. (het hof begrijpt:) Het Chauffeurscentrum te veroordelen tot betaling van € 1.978,73 bruto wegens leegloopuren;

e. (het hof begrijpt:) Het Chauffeurscentrum te veroordelen tot betaling van € 144,67 bruto wegens overuren;

f. Het Chauffeurscentrum te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

3 De feiten

3.1

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.2

[verzoeker] is op 20 augustus 2010 voor de duur van 26 weken op basis van een uitzendovereenkomst in fase A als chauffeur in dienst getreden van Chauffeurscentrum Nederland v.o.f. te Apeldoorn. Op deze arbeidsovereenkomst is de ABU-cao van toepassing verklaard. Deze uitzendovereenkomst is na het verstrijken van de termijn van 26 weken voortgezet in fase B.

3.3.

Tussen [verzoeker] en Het Chauffeurscentrum is op 6 juni 2014 een nieuwe uitzendovereenkomst gesloten in fase A. Deze uitzendovereenkomst is vanaf 28 juli 2014 tot en met 28 oktober 2014 voortgezet in fase B, met bepaling van de arbeidsomvang op 32 uren per week. Vervolgens is de arbeidsovereenkomst tussen partijen voor onbepaalde tijd voortgezet in fase C.

3.4

[verzoeker] is door Het Chauffeurscentrum uitgezonden naar Sluyter Logistics Assen B.V. (hierna: Sluyter). Deze opdrachtgever heeft aan Het Chauffeurscentrum laten weten vanaf week 49 van 2016 geen gebruik meer te willen maken van [verzoeker] als inleenkracht.

3.5

Het Chauffeurscentrum heeft aan [verzoeker] vanaf week 49 van 2016 loon doorbetaald op basis van 32 uur per week. Vanaf week 4 van 2017 heeft Het Chauffeurscentrum geen loon meer betaald.

3.6

[verzoeker] heeft zich in januari 2017 ingeschreven bij een ander uitzendbureau en hij heeft via dat uitzendbureau vanaf 22 januari 2017 elders werk gevonden.

3.7

De gemachtigde van [verzoeker] heeft Het Chauffeurscentrum bij brief van 31 januari 2017 onder meer gesommeerd om € 4.174,18 bruto en € 314,14 netto wegens te weinig betaald loon te betalen. In de berekening van deze bedragen is mede tot uitgangspunt genomen dat [verzoeker] vanaf week 49 van 2016 aanspraak zou kunnen maken op doorbetaling van het loon over 40 uren per week en 11,5 overuren.

3.8

De gemachtigde van [verzoeker] heeft op 15 februari 2017 een herinneringsbrief aan Het Chauffeurscentrum gestuurd en daarin opgemerkt dat geen loon is betaald over de weken 4 en 5 van 2017.

3.9

Per e-mail van 10 maart 2017 gericht aan de gemachtigde van [verzoeker] , heeft Het Chauffeurscentrum uitgebreid gereageerd op de loonvordering van [verzoeker] . In deze reactie staat onder meer:

Wij hebben van een collega uitzendbureau begrepen dat [verzoeker] bij hun werkzaam is. Wij hebben dus het contract met hem beëindigd.

3.10

Per e-mail van eveneens 10 maart 2017 aan [verzoeker] heeft Het Chauffeurscentrum geschreven:

Wij hebben vernomen dat u sinds enige tijd staat ingeschreven en werkzaam bent bij een ander uitzendbureau.

Daarom willen wij u feliciteren met het feit dat u op een zo korte termijn een fulltime baan hebt terug gevonden.

Wat wij betreuren dat u dat niet zelf aan ons hebt doorgegeven en hebben daarom per

22-01-2017 uw arbeidsovereenkomst beëindigd.

Wij wensen u veel succes in uw verdere loopbaan.

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I een dag vast te stellen waarop de zaak ter terechtzitting wordt behandeld;

II Het Chauffeurscentrum bij beschikking te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 6.937,73 bruto;

III Het Chauffeurscentrum te veroordelen tot toekenning aan [verzoeker] van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging zoals vermeld onder punt 6 van het inleidende verzoekschrift van € 11.207,09 bruto;

IV Het Chauffeurscentrum te veroordelen tot betaling van de opgebouwde, maar niet genoten vakantie uren van € 809,13 bruto en het opgebouwde vakantiegeld van

€ 301,96 bruto, te vermeerderen met € 555,55 aan wettelijke verhoging overeenkomstig artikel 7:625 BW en wettelijke rente overeenkomstig artikel 6:119 BW over de eindafrekening en de wettelijke verhoging, te berekenen van het moment van opeisbaarheid van de vordering tot het moment van algehele voldoening;

V Het Chauffeurscentrum te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon van € 3.249,93 bruto en € 314,14 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging overeenkomstig artikel 7:625 BW van € 1.697,87 en de wettelijke rente overeenkomstig artikel 6:119 BW over het loon en de wettelijke verhoging, te berekenen van het moment van opeisbaarheid van de vordering tot het moment van algehele voldoening;

VI Het Chauffeurscentrum te veroordelen om [verzoeker] binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking met terugwerkende kracht tot 20 augustus 2010 aan te melden bij het pensioenfonds vervoer en de relevante loongegevens van [verzoeker] aan het pensioenfonds vervoer te verstrekken in de zin van artikel 4.1 van het uitvoeringsreglement van het pensioenfonds vervoer, één en ander op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag voor iedere dag dat Het Chauffeurscentrum nalaat om aan de beschikking te voldoen;

VII Het Chauffeurscentrum te veroordelen om binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking een jaaropgave over het jaar 2016 te verstrekken aan [verzoeker] , één en ander op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag voor iedere dag dat werkgever nalaat om aan de beschikking te voldoen;

VIII Het Chauffeurscentrum te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding overeenkomstig artikel 7:681 BW van € 10.000,- bruto;

IX Het Chauffeurscentrum te veroordelen in de kosten van de procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

4.2

Het Chauffeurscentrum heeft erkend dat [verzoeker] per 22 januari 2017 53,86 vakantie uren tegoed had en een bedrag van € 305,42 aan vakantiegeld. Het Chauffeurscentrum heeft geen verweer gevoerd tegen toewijzing van het onder VI verzochte. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Het Chauffeurscentrum erkend dat aan [verzoeker] een vergoeding toekomt voor de reiskosten die hij heeft moeten maken in verband met het volgen van een cursus. Voor het overige heeft Het Chauffeurscentrum afwijzing van de verzoeken bepleit.

4.3

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking (die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard) allereerst geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door Het Chauffeurscentrum. Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vorderingen onder II, III en VIII afgewezen.

De vordering onder IV (niet genoten vakantie uren en vakantietoeslag) heeft de kantonrechter toegewezen omdat daar geen verweer tegen is gevoerd.

De vordering onder V is volgens de beschikking opgebouwd uit de volgende posten:

a. loonsverhoging per 1 januari 2016 € 1.015,25 bruto

b. verkeersboete € 149,- netto

c. leegloopuren € 1.978,73 bruto

d. week 36, 8 gewerkte uren € 111,28 bruto

e. week 40, 2,5 gewerkte overuren € 45,21 bruto

f. week 42, 5,5 gewerkte overuren € 99,46 bruto

g. reiskosten ten behoeve van een cursus € 165,14 netto.
Van deze posten heeft de kantonrechter sub a., sub d. en sub g. toegewezen. De overige posten heeft de kantonrechter afgewezen.

De vordering onder VI heeft de kantonrechter toegewezen, met maximering van de dwangsommen.

[verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 24 oktober 2017 zijn vordering onder VII ingetrokken.

Ten slotte heeft de kantonrechter Het Chauffeurscentrum als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[verzoeker] heeft vier beroepsgronden, door hem aangeduid als grieven, tegen de bestreden beschikking gericht. De eerste beroepsgrond richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een opzegging door Het Chauffeurscentrum. De tweede beroepsgrond richt zich tegen de afwijzing van de vorderingen die samenhangen met die opzegging, te weten de vordering tot betaling van de transitievergoeding, de vordering wegens onregelmatige opzegging en de vordering tot betaling van een billijke vergoeding. De derde beroepsgrond richt zich tegen de afwijzing van de vordering wegens de leegloopuren en de vierde beroepsgrond richt zich tegen de afwijzing van de vordering wegens overuren.

Het hof zal de beroepsgronden hierna afzonderlijk bespreken.

5.2

Anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door Het Chauffeurscentrum. Zowel in de e-mail van 10 maart 2017 aan [verzoeker] als in de e-mail van gelijke datum aan zijn gemachtigde schrijft Het Chauffeurscentrum dat zij de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] heeft beëindigd. In het verweerschrift dat Het Chauffeurscentrum in eerste aanleg heeft ingediend, schrijft zij: “Van een collega vernamen wij dat [verzoeker] reeds vanaf 22 januari opdrachten uitvoerde elders. [verzoeker] heeft zich bij ons niet afgemeld. Dat is de reden dat wij hem wegens werkweigering en feitelijk valse opgave per die datum hebben ontslagen. Wij hebben het uitzendcontract per die datum met hem beëindigd.” Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 juli 2017 hebben de aanwezige gemachtigden namens Het Chauffeurscentrum volgens de overgelegde zittingsaantekeningen nog verklaard dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] is opgezegd toen zij hadden gehoord dat hij bij een ander uitzendbureau aan het werk was gegaan. Het voorgaande kan niet anders worden begrepen dan dat Het Chauffeurscentrum de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] heeft opgezegd, nadat zij hadden gehoord dat hij via een ander uitzendbureau te werk was gesteld. De eerste beroepsgrond slaagt.

5.2

Nu sprake is van een opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft [verzoeker] in beginsel recht op betaling van de transitievergoeding. Dat kan anders zijn, indien de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . [verzoeker] heeft toegelicht dat hij zich heeft ingeschreven bij een ander uitzendbureau, omdat Het Chauffeurscentrum niet zijn (volledige) loon betaalde. Hij kwam daardoor in een financiële noodsituatie terecht en heeft zich tijdelijk bij een ander uitzendbureau ingeschreven om zo voldoende inkomen te genereren en te voorkomen dat zijn schulden zouden oplopen. Al die tijd heeft hij zich beschikbaar gehouden voor werk bij Het Chauffeurscentrum en heeft hij Het Chauffeurscentrum herhaaldelijk aangeschreven zijn volledig loon te betalen, aldus [verzoeker] . [verzoeker] heeft in hoger beroep vele tekstberichten overgelegd waaruit blijkt dat hij Het Chauffeurscentrum aanspreekt tot betaling van loon. Deze berichten zijn niet weersproken. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de inschrijving bij een ander uitzendbureau moet worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW. Het Chauffeurscentrum is daarom de transitievergoeding verschuldigd. Tegen de berekening daarvan heeft Het Chauffeurscentrum geen verweer gevoerd. De tweede beroepsgrond slaagt in zoverre en de vordering van [verzoeker] in hoger beroep onder a. zal worden toegewezen.

5.3

Niet weersproken is dat [verzoeker] niet met de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst heeft ingestemd. Evenmin is weersproken dat Het Chauffeurscentrum voor deze opzegging geen toestemming van het UWV heeft verkregen. [verzoeker] heeft verder onweersproken gesteld dat voor de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst een termijn van één maand gold en dat de eerste datum waartegen kon worden opgezegd 1 mei 2017 was. Omdat die niet in acht is genomen, vordert hij vergoeding van een bedrag gelijk aan zijn loon over de periode van 22 januari 2017 tot 1 mei 2017. In de e-mail van 10 maart 2017 aan [verzoeker] , waarin Het Chauffeurscentrum de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht per 22 januari 2017 heeft beëindigd, is niet vermeld dat volgens Het Chauffeurscentrum sprake is van een dringende reden. Meer in het bijzonder zijn de in het verweerschrift vermelde redenen, te weten werkweigering en ‘feitelijk valse opgave’, daarin niet vermeld. Nu geen sprake is van een opzegging wegens een dringende reden, is Het Chauffeurscentrum gehouden aan [verzoeker] een bedrag te vergoeden, gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de opzegtermijn. [verzoeker] vordert in hoger beroep uitsluitend een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. [verzoeker] heeft die echter berekend over de periode van 22 januari 2017 tot aan 1 mei 2017. Het aldus berekende bedrag kan niet geheel worden toegewezen als vergoeding wegens onregelmatige opzegging, omdat het deels achterstallig loon betreft. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is Het Chauffeurscentrum een vergoeding verschuldigd, gelijk aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Dat betekent dat de vergoeding gelijk is aan het loon over de periode van 10 maart 2017 tot 1 mei 2017. Het hof zal de vordering van [verzoeker] in hoger beroep onder b. daarom toewijzen tot een bedrag van € 5.603,57, zijnde het bedrag gelijk aan het loon over zeven weken, vermeerderd met de vakantietoeslag.

5.4

[verzoeker] maakt ook terecht aanspraak op toekenning van een billijke vergoeding overeenkomstig artikel 7:681 lid 1 sub a BW, omdat Het Chauffeurscentrum heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Beoordeeld moet worden welk bedrag aan vergoeding billijk is. Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187) komt het bij de begroting van de billijke vergoeding aan op alle omstandigheden van het geval. Hierbij kan ook rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan de werkgever op grond van het hem te maken verwijt. Ook van belang is hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Bij dit laatste speelt een rol of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, op welke termijn dit zou kunnen gebeuren en of dit vermoedelijk zou zijn gebeurd. Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding moet verder rekening worden gehouden met de omstandigheid of een werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden en met de eventuele inkomsten die daaruit worden gegenereerd en de inkomsten die de werknemer in redelijkheid kan verwerven. Ook eventuele betaling van andere vergoedingen, zoals de transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, moet bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding worden betrokken.

5.5

Toepast op dit specifieke geval acht het hof het volgende van belang. Het Chauffeurscentrum heeft [verzoeker] niet meer bij Sluyter te werk kunnen stellen, omdat Sluyter [verzoeker] niet meer wilde inlenen. Vervolgens heeft Het Chauffeurscentrum een andere functie aan [verzoeker] aangeboden bij Post Harderwijk B.V. [verzoeker] heeft deze functie niet aanvaard, omdat hij dan ook op zaterdag moest werken en hij daardoor te veel uren per week zou werken. Vervolgens heeft Het Chauffeurscentrum geen andere functie voor [verzoeker] gevonden. Omdat Het Chauffeurscentrum niet betaalde waarop [verzoeker] recht had, heeft [verzoeker] zich ingeschreven bij een ander uitzendbureau. Daarbij heeft hij nagelaten Het Chauffeurscentrum hierover te informeren, hetgeen hem aangerekend mag worden. Vervolgens heeft hij op zeer korte termijn ander werk gevonden. Onweersproken is dat hij daarbij minder zekerheid heeft omdat hij is teruggevallen in fase A. Hoewel de gevolgen van het ontslag geheel zijn ontstaan doordat Het Chauffeurscentrum de arbeidsovereenkomst op onjuiste wijze heeft opgezegd, houdt het hof ook rekening met het gegeven dat de inlener van [verzoeker] hem niet meer te werk wilde stellen en dat [verzoeker] een hem aangeboden nieuwe functie niet heeft aanvaard. Dit, gevoegd bij het gegeven dat [verzoeker] Het Chauffeurscentrum niet op de hoogte heeft gesteld van zijn inschrijving bij een ander uitzendbureau, alsmede het gegeven dat [verzoeker] vrijwel direct een andere baan heeft gevonden, maakt dat de billijke vergoeding beperkt van omvang dient te blijven. Hier komt nog bij, dat aan [verzoeker] ook een vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt toegekend en de transitievergoeding.

Naar het oordeel van het hof dient de billijke vergoeding in dit specifieke geval alleen ter compensatie van de teruggang in rechtspositie die door de opzegging van de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW voor [verzoeker] is ontstaan. Het hof begroot het daardoor ontstane nadeel schattenderwijs op € 1.500,-. De tweede beroepsgrond slaagt op dit onderdeel deels en de vordering van [verzoeker] in hoger beroep onder c. zal tot het bedrag van € 1.500,- worden toegewezen.

5.6

Ten aanzien van de vordering met betrekking tot de zogeheten leegloopuren stelt [verzoeker] dat hij op grond van de ABU-cao recht heeft op 90% van het loon dat hij ontving tijdens de laatste inleenopdracht. [verzoeker] heeft met stukken onderbouwd dat hij in de 26 weken voorafgaand aan de dag waarop zijn uitzendwerk bij Sluyter eindigde, gemiddeld 50,22 uur per week heeft gewerkt. Terecht heeft [verzoeker] gesteld dat op grond van artikel 7:610b BW de bedongen arbeid daarmee wordt vermoed een omvang van 50,22 uur per week te hebben. Naar het oordeel van het hof heeft Het Chauffeurscentrum onvoldoende gesteld om dit wettelijk vermoeden te kunnen weerleggen. Het Chauffeurscentrum heeft de hoogte van de vordering wegens leegloopuren die met inachtneming van deze gemiddelde arbeidsomvang is berekend, niet weersproken. De vordering in hoger beroep onder d. ligt om die reden voor toewijzing gereed.

5.7

De vordering in hoger beroep wegens niet betaalde overuren heeft blijkens de toelichting daarop betrekking op het volgende.

5.8

In week 40 van 2016 is [verzoeker] om 22.00 uur begonnen, in plaats van om 22.30 uur. De vordering heeft betrekking op vijf keer een half uur dat niet door het Chauffeurscentrum is uitbetaald. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoeker] hierover verklaard dat hij met Het Chauffeurscentrum heeft gesproken over het begintijdstip. Volgens [verzoeker] heeft Het Chauffeurscentrum tegen hem gezegd dat als de opdrachtgever zegt dat hij om 22.30 uur moet beginnen, dat hij dan op dat tijdstip moet beginnen en niet om 22.00 uur. [verzoeker] heeft vervolgens verklaard dat hij tegen Het Chauffeurscentrum heeft gezegd dat hij dit met de opdrachtgever zou opnemen. Het Chauffeurscentrum heeft hem dit – volgens zijn eigen verklaring – uitdrukkelijk verboden. Desondanks is [verzoeker] toch om 22.00 uur begonnen en heeft hij dit eerdere tijdstip op zijn urenstaten geschreven. Daarmee heeft hij tegen de uitdrukkelijke instructie van zijn werkgever in gehandeld, terwijl gesteld noch gebleken is dat die instructie tot volstrekt onredelijke gevolgen zou leiden. De omstandigheid dat de eindtijd van de desbetreffende ritten zou verschuiven naar later de volgende ochtend is daartoe in ieder geval onvoldoende. Dat is namelijk het logisch gevolg van de instructie van de opdrachtgever en de werkgever en zou [verzoeker] niet kunnen worden aangerekend. Dit onderdeel van de vordering van [verzoeker] in hoger beroep onder e. zal daarom worden afgewezen.

5.9

In week 42 van 2016 heeft de opdrachtgever de urenstaat van [verzoeker] niet goedgekeurd. [verzoeker] had daarop 63 uur vermeld, in verband met pech die hij had met zijn vrachtwagen. Sluyter wilde de daardoor gemaakte extra uren niet betalen en heeft slechts 57,5 uur goedgekeurd. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoeker] gesteld dat hij bij eerdere pechgevallen de daarmee gemoeide (extra) uren steeds doorbetaald kreeg. Het Chauffeurscentrum heeft dit niet weersproken en heeft onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat dit in dit specifieke pechgeval anders zou moeten zijn. Dit onderdeel van de vordering van [verzoeker] in hoger beroep onder e. (€ 99,46 bruto) zal worden toegewezen.

5.10

De slotsom is dat het hoger beroep grotendeels slaagt. Het hof zal Het Chauffeurscentrum als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten worden aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 318,- voor griffierecht en op € 2.148,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief II in hoger beroep).

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn) van 22 november 2017 en doet opnieuw recht:

veroordeelt Het Chauffeurscentrum tot betaling van de transitievergoeding van € 6.937,73 bruto;

veroordeelt Het Chauffeurscentrum tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 5.603,57 bruto;

veroordeelt Het Chauffeurscentrum tot betaling van een billijke vergoeding overeenkomstig artikel 7:681 BW van € 1.500,- bruto;

veroordeelt Het Chauffeurscentrum tot betaling van een bedrag van € 1.978,73 bruto ter zake van leegloopuren;

veroordeelt Het Chauffeurscentrum tot betaling van een bedrag van € 99,46 bruto ter zake van achterstallig loon over week 42 van 2016;

veroordeelt Het Chauffeurscentrum in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 318,- voor griffierecht en op € 2.148,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin vermelde veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.C. Haasnoot, I.A. Katz-Soeterboek en

H.M.J. van den Hurk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2018.