Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6115

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
200.191.985/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bouwzaak betreffende de bouw van een woonhuis door een Duitse aannemer. Geschil over de inhoud van de aanneemovereenkomst, de datum van oplevering, gebreken, meerwerk, minderwerk en kosten van de deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2018/74 met annotatie van B.T. Tonino
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.191.985/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/166818 / HA ZA 15-49)

arrest van 3 juli 2018

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. R.J. Leijssen, kantoorhoudend te Enschede,

tegen

[geïntimeerde] Bau GmbH,

gevestigd te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.A.M. Janssen LLM., kantoorhoudend te Arnhem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 januari 2018 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 15 februari 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Daarna is de zaak verwezen naar de rolzitting van 27 februari 2018 voor beraad partijen. Ter rolle van 27 februari 2018 hebben partijen arrest gevraagd.

1.4

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

1.5

[appellanten] c.s. vorderen in het (principaal) hoger beroep:
"dat uw gerechtshof moge behagen het vonnis in eerste aanleg tussen partijen gewezen op 2 maart 2016 te vernietigen en opnieuw recht doende geïntimeerde te veroordelen om aan eisers te betalen de somma van € 71.480,67 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2013 over een bedrag van € 34.008,63 over het resterende bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met nader te begroten schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Geïntimeerde te veroordelen om ter zake van de buitengerechtelijke kosten de somma van € 4.450,- te betalen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.
Geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties."

1.6

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd:
"In principaal appel
Dat het uw Gerechtshof behage appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep, dan wel aan appellanten hun vorderingen te ontzeggen met veroordeling van appellanten in de kosten van het geding.
In incidenteel appel
Dat het uw gerechtshof behage, geïntimeerden in incidenteel appel, hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn gekweten, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan appellante in incidenteel appel van een bedrag ad € 13.626,03, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2014, tot aan de dag der algehele voldoening.
In principaal appel en in incidenteel appel
Dat het uw gerechtshof behage, [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de nakosten van € 131,00 in geval van betekening en € 68,- zonder betekening."

2 De feiten

2.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.19 van het vonnis van 2 maart 2016 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten luiden als volgt.

2.2

[geïntimeerde] is een in Duitsland gevestigde aannemer, die zich onder meer richt op de Nederlandse markt.

2.3

Via de heer [C] van EU Bouw B.V. bouwmanagement (hierna: [C] ) zijn [appellanten] c.s. in contact gekomen met [geïntimeerde] . Aan [C] hebben [appellanten] c.s. tekeningen van een architect en diverse andere technische gegevens ter beschikking gesteld. [C] heeft daarover in een e-mailbericht van 20 oktober 2011 meegedeeld aan [appellanten] c.s. dat hij "jullie gegevens bij de aannemer heeft neergelegd".

2.4

Nadat [geïntimeerde] op 9 maart 2012 daartoe twee (finale) offertes aan [appellanten] c.s. had uitgebracht, hebben partijen op 15 maart 2012 een overeenkomst ('Bauleistungsvertrag') gesloten voor de bouw van een woning met garage te [A] aan de [a-straat] 11 (hierna: de woning) voor een aanneemsom van € 250.000,-. In de offertes is achter de onderdelen 'Fenster- und Auβentüren' en 'Heizung/Sanitär/Klempner/Elektro' vermeld: 'Eigenleist', inhoudende dat die werkzaamheden door de opdrachtgever in eigen beheer zouden worden uitgevoerd. Bij het onderdeel 'Fliesenarbeiten' (ofwel tegelwerk) is vermeld: 'Material - Eigenleistung'.

2.5

In de in de Duitse taal gestelde overeenkomst wordt in artikel 1 verwezen naar de op 9 maart 2012 uitgebrachte offertes en is voorts onder meer vermeld:

" § 2 Bauzeit

(…)

Baubeginn von Seiten der Fa. [geïntimeerde] : Frühestens 1. April 2012 - Spätestens 02. Mai 2012
Fertigstellung: 30.11.2012 bei zügiger Ausführung der Eigenleistungsarbeiten.
Bei Überschreitung der Fertigstellungstermin wird Strafe van 200,- € je Woche vereinbart.
Bei Verzögerungen der Bauzeit, die auf die Eigenleistungsarbeiten (Arbeiten in eigener Regie) zurückzuführen sind, verschiebt sich der Fertigstellungstermin entsprechend nach hinten.
(…)

§ 4 Vergütung

(…)

Sofern eine Teilzahlung nicht binnen zwanzig Tagen nach Aufforderung geleistet wird, ist der rückständige Betrag mit 8% ab diesem Zeitpunkt zu verzinsen.
Nach Vertragsabschluβ eintretende Abweichungen vom Bauleistungsverzeichnis sind gesondert zu vergüten.
(…)"

2.6

Medio september 2012 is tussen [geïntimeerde] en [appellanten] c.s. een discussie ontstaan over de meerkosten van bredere dakgoten. [appellanten] c.s. hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] is afgeweken van de bouwtekeningen en daarbij [appellanten] c.s. niet heeft gewaarschuwd voor de gevolgen daarvan voor de breedte van de dakgoten. In een e-mailbericht van 21 september 2012 hebben [appellanten] c.s. medegedeeld vanwege de voortgang van de bouw de opdracht te geven tot plaatsing van de door [geïntimeerde] voorgestelde goot, onder voorbehoud van alle rechten en weren.

2.7

Op 25 september 2012 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] c.s. voor een bedrag van € 9.341,50 (incl. BTW) een opdrachtbevestiging gezonden, waarin is vermeld:
"Mehrkosten für die Lieferung der Polux Dachrinne als Extraanfertigung, um eine nahezu nahtlose Unterseite der Dachüberstandes zu erhalten."
[appellanten] c.s. hebben deze opdrachtbevestiging voor akkoord ondertekend. In het e‑mailbericht van 18 oktober 2012, waarmee [appellanten] c.s. die bevestiging hebben geretourneerd, is vermeld: "wij blijven het niet eens met wat hier gebeurd."

2.8

Per brief van 12 oktober 2012 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] c.s. meegedeeld:
"hiermit teilen wir Ihnen mit, dass sich aufgrund weiterer Verzögerung der Eigenleistungsarbeiten der Fertigstellungstermin des Wohnhauses weiter nach hinten verschieben wird.
Der Einbau der Fenster sollte ursprünglich Ende August abgeschlossen sein, was aber bis heute noch nicht der Fall ist.
Somit verschiebt sich unser Fertigstellungstermin aus jetziger Sicht zwangsläufig mindestens um 7 Wochen + Weihnachtsfeiertage auf den 25.01.2013.

2.9

Op 16 oktober 2012 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] c.s. een opdrachtbevestiging gezonden voor meerwerk bestaande uit 'Verkleidung der Fensterleibungen met Rigips auf die vorhandenen Holzrahmen' voor, rekening houdend met daardoor ontstaan minderwerk, per saldo een bedrag van € 927,10 inclusief BTW.

2.10

Op 15 november 2012 hebben [appellanten] c.s. een opdrachtbevestiging ondertekend voor het als meerwerk leveren van met name binnendeuren inclusief deurbeslag voor € 3.654,20 inclusief BTW.

2.11

Op 15 februari 2013 heeft een bouwkundige, verbonden aan Vereniging Eigen Huis (hierna: VEH), een bouwkundige keuring van de woning uitgevoerd waarvan een proces-verbaal is opgemaakt, dat door [appellanten] c.s., [geïntimeerde] en een vertegenwoordiger van de door [appellanten] c.s. ingeschakelde installateur is ondertekend. In dat proces-verbaal zijn 38 tekortkomingen vermeld, waarvan geen enkele tekortkoming als ernstig is aangemerkt. Onder het kopje 'Algemene beoordeling' zijn de beoordeelde onderdelen zonder uitzondering als 'voldoende' aangemerkt. In het proces-verbaal is aan het slot daarvan vermeld dat de aannemer zich verbindt de tekortkomingen "onverwijld, doch uiterlijk binnen 3 maanden na heden" te herstellen.

2.12

De woning is vanaf 16 februari 2013 bewoond door [appellanten] c.s.

2.13

Bij factuur d.d. 6 maart 2013 heeft [geïntimeerde] de laatste tranche van de overeengekomen aanneemsom, vermeerderd met een bedrag aan meer- en minderwerk van

€ 12.496,06, samen in totaal € 23.750,77, bij [appellanten] c.s. in rekening gebracht. [appellanten] c.s. hebben dit bedrag onbetaald gelaten.

2.14

[appellanten] c.s. hebben zich per e-mailbericht van 19 april 2013 bij [geïntimeerde] beklaagd over i) vijf te hoog berekende posten, ii) dertien schadeposten, iii) het uitblijven van verrekening van de kosten van de bouwkundige keuring door VEH, en iv) zes posten waarop ten onrechte geen minderkosten in rekening zijn gebracht. In dat e-mailbericht hebben [appellanten] c.s. zich voorts op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] vanwege de te late oplevering een boete is verschuldigd van € 2.200,-, dat [geïntimeerde] de extra huurkosten van € 1.950,- dient te vergoeden en drie kwart van een maandsalaris van [appellant] omdat hij vergeefs in december 2012 vrij heeft genomen. Vervolgens hebben [appellanten] c.s. in dat e-mailbericht zeven punten genoemd die niet volgens de bouwtekening en/of de richtlijnen zijn uitgevoerd en waarvoor zij een (financiële) regeling wensen. Voorts hebben [appellanten] c.s. [geïntimeerde] gewezen op de nog openstaande punten in het proces-verbaal van VEH. Tot slot hebben [appellanten] c.s. [geïntimeerde] aangemaand tot plaatsing van de goten met regenpijpen, onder mededeling dat zij de betaling van de slotfactuur opschorten zolang geen totaaloplossing is gevonden.

2.15

Per brief van 29 november 2013 heeft de door [appellanten] c.s. ingeschakelde gemachtigde [geïntimeerde] aangeschreven. In diens brief wordt onder meer vermeld dat [appellanten] c.s. nog steeds in een woning wonen die niet klaar is, dat [appellanten] c.s. in september 2012 onder dwang van een bouwstop een meerwerkovereenkomst hebben ondertekend aangaande de dakgoot en dat de vernietiging van die overeenkomst wordt ingeroepen wegens bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden, waarna [geïntimeerde] wordt gesommeerd de dakgoot met betimmering aan te brengen en de gebreken, zoals genoemd in het proces-verbaal te herstellen, en een bedrag te betalen van € 34.008,53 aan minderprijs en boete. De inhoud van die brief is - toen in de Duitse taal gesteld - op 5 december 2013 herhaald.

2.16

[geïntimeerde] heeft op 27 januari 2014 aan de woning rondom een dakgoot aangebracht. Tot het tevens aanbrengen/plaatsen van regenpijpen is het op dat moment niet gekomen. [appellanten] c.s. hebben [geïntimeerde] daarna meerdere keren om plaatsing van de regenpijpen gevraagd. [geïntimeerde] heeft op 20 maart 2014 aan [appellanten] c.s. voor de regenpijpen een meerwerkofferte voorgelegd, die [appellanten] c.s. onder protest hebben ondertekend. In verband met de aanleg en inrichting van de tuin bij de woning, aan te vangen per 11 april 2014, heeft de gemachtigde van [appellanten] c.s. [geïntimeerde] gesommeerd die regenpijpen uiterlijk 10 april 2014 te plaatsen.

2.17

[geïntimeerde] heeft de regenpijpen eind april, althans begin mei 2014 geplaatst. Per e‑mailbericht van 2 mei 2014 hebben [appellanten] c.s. zich bij [geïntimeerde] beklaagd over de gekozen uitvoering van de regenpijpen, de gebrekkige montage daarvan en het in dat verband toebrengen van schade aan de woning. De gemachtigde van [appellanten] c.s. heeft per brief van 9 mei 2014 die klacht herhaald en [geïntimeerde] gesommeerd binnen twee weken de gebreken te herstellen. [appellanten] c.s. hebben de regenpijpen op 21 mei 2014 door een andere aannemer opnieuw laten aanbrengen.

2.18

Op enig moment hebben [appellanten] c.s. de door [geïntimeerde] ten behoeve van de bouw van de woning geplaatste bouwstellages/bouwsteigers verwijderd.

2.19

In opdracht van [appellanten] c.s. heeft Ing. [D] , verbonden aan Lengkeek Expertises te Zwolle (hierna: Lengkeek), op 7 januari 2015 een expertiserapport uitgebracht over de door [appellanten] c.s. gestelde bouwkundige gebreken. In dat rapport is vermeld dat de woning op 20 maart 2014 door de deskundige is bezocht, in het bijzijn van de heer [E] van [geïntimeerde] (hierna: [E] ). In het rapport is een beoordeling op 37 geschilpunten gegeven, steeds na weergave van de door [appellanten] c.s. en [geïntimeerde] verstrekte informatie.

2.20

[geïntimeerde] heeft op 27 november 2014 en 27 februari 2015 in en aan de woning werkzaamheden verricht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg in conventie - samengevat - gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 76.380,67, vermeerderd met rente en kosten en te vermeerderen met een schadevergoeding nader op te maken bij staat, alsmede een verklaring voor recht dat de meerwerkovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd, althans de vernietiging van die meerwerkovereenkomst.

3.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

3.3

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in reconventie) - samengevat - veroordeling van [appellanten] c.s. gevorderd tot betaling van € 23.750,77, vermeerderd met rente en kosten.

3.4

[appellanten] c.s. hebben verweer gevoerd.

3.5

De rechtbank heeft bij vonnis van 2 maart 2016 in conventie voor recht verklaard dat de onder rechtsoverweging 2.6 van dat vonnis vermelde meerwerkovereenkomst door de buitengerechtelijke verklaring in de brief van 29 november 2013 is vernietigd. Voor het overige heeft de rechtbank de vordering van [appellanten] c.s. afgewezen.
In reconventie heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 1.949,52 (inclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2014 tot de dag der algehele betaling. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. Tot slot heeft de rechtbank in conventie en in reconventie de proceskosten gecompenseerd, aldus dat iedere partij belast blijft met de aan haar zijde gevallen kosten.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering
Internationaal karakter

4.1

Het hof constateert dat de zaak een internationaal karakter draagt, nu [appellanten] c.s. woonachtig zijn in Nederland, terwijl [geïntimeerde] is gevestigd in Duitsland. De rechtbank heeft in het vonnis van 2 maart 2016 onder rechtsoverweging 4.2 en 4.3 achtereenvolgens gemotiveerd geoordeeld dat de Nederlandse rechter in deze bevoegd is en dat het Nederlandse recht op het geschil van toepassing is. Tegen die oordelen en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen zijn geen grieven gericht. Het hof, dat zijn bevoegdheid ook ambtshalve toetst, sluit zich aan bij die oordelen en neemt die over.


De eisvermeerdering

4.2

Het hof constateert dat [appellanten] c.s. in hoger beroep hun eis hebben vermeerderd door schadevergoeding nader op te maken bij staat te vorderen wegens nieuwe gebreken (bestaande uit: nieuwe scheurvorming, een niet goed functionerend vlizoluik, een loslatende plint in de keuken en vlekken op de meranti voorpui). [geïntimeerde] heeft tegen de gedane eisvermeerdering geen bezwaar gemaakt. Nu de eisvermeerdering ook ambtshalve door het hof niet in strijd met de eisen van een goede procesorde wordt geoordeeld, zal het hof recht doen op de in principaal hoger beroep gewijzigde eis.
Inleiding

4.3

[appellanten] c.s. hebben in principaal hoger beroep 27 grieven opgeworpen. [geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep vier grieven opgeworpen.

Het hof constateert dat het in hoger beroep uitsluitend nog om het volgende gaat:

- De inhoud van de aanneemovereenkomst
- De datum van oplevering
- Gebreken:

▫ wanden niet sausklaar

▫ impregneren schoorstenen

▫ kopstenen raamdorpels

▫ plaatsing deur badkamer/slaapkamer

▫ draainaad slaapkamerdeur

▫ kitwerk sanitair

▫ vensterbanken

▫ sausklaar maken binnenhaard

▫ kieren elektraspots

▫ loslatende lijm trapleuning

▫ constructiefout boven legger schuifpui

▫ montage regenpijpen

▫ trap garage zolder

▫ pilaren zolder

▫ overstek entree

▫ hoogteverschil plafond entree

▫ ombouw rookkanalen

▫ wegwerken schuifdeur inloopkast

▫ kierende aftimmering binnenkozijn

▫ ventilatieroosters

▫ nieuwe scheurvorming schilder- en stucwerk

▫ vlizoluik

▫ plint keuken

▫ vlekken meranti voorpui

- Minderwerk

▫ stellatten en stelkozijnen

▫ ontbreken slaapkamerwand

▫ kwaliteit natuursteen vensterbanken

▫ tegelrand bad

▫ aftimmering en schuifdeuren bergruimte

- Meerwerk

▫ Polux dakgoot

▫ 'Verkleidung der Fensterleibungen'

- Kosten expertiserapport Lengkeek

- Duitse of Nederlandse bouwwijze.

4.3.1

Het hof zal deze punten achtereenvolgens bespreken.
De inhoud van de aanneemovereenkomst (grieven 1, 3 en 4 in principaal appel)

4.4

Partijen verschillen in eerste plaats van mening over de vraag of de aanneemovereenkomst mede wordt bepaald door de inhoud van door [appellanten] c.s. opgestelde "Toelichting op de woning" (hierna: de Toelichting).

4.4.1

[appellanten] c.s. betogen dat de Toelichting voorafgaand aan het sluiten van de aannemingsovereenkomst onderwerp van gesprek is geweest bij de besprekingen tussen hen en [C] , waarbij [C] als vertegenwoordiger van [geïntimeerde] had te gelden. [appellanten] c.s. hebben daarbij altijd aan [C] verklaard dat zij de woning gebouwd wilden hebben volgens deze Toelichting, die de basis heeft gevormd voor het opmaken van de aannemingsovereenkomst. [C] heeft telkenmale aan [appellanten] c.s. verklaard dat hij de wensen van [appellanten] c.s., weergegeven in de Toelichting, bespreekt en doorgeeft aan [geïntimeerde] en dat de wensen zouden worden verwerkt in de aannemingsovereenkomst. Daarbij hebben [appellanten] c.s., zo hebben zij ter comparitie in hoger beroep verklaard, de Toelichting bij het ondertekenen van de aannemingsovereenkomst aan zowel [C] als aan [E] , een werknemer van [geïntimeerde] , overhandigd. [C] heeft daarop per e‑mailbericht aan [appellanten] c.s. verklaard dat de Toelichting aan de aannemingsovereenkomst zou worden gehecht en dat deze bij twijfel leidend zou zijn. De omvang van de prestaties van [geïntimeerde] wordt volgens [appellanten] c.s. dan ook mede bepaald door hetgeen in de Toelichting is vermeld.

4.4.2

[geïntimeerde] betwist dat de Toelichting deel uitmaakt van de aannemingsovereenkomst, dan wel dat de inhoud van de overeenkomst zou moeten worden uitgelegd in het licht van deze Toelichting. [geïntimeerde] stelt daarbij voorop dat [C] een onafhankelijk tussenpersoon was die contacten had met een groot aantal Duitse aannemers en er zijn werk van maakte om de wensen van Nederlandse potentiële opdrachtgevers te inventariseren en vervolgens Duitse bouwbedrijven te zoeken die de bouw zouden kunnen realiseren. [C] had geen volmacht om [geïntimeerde] ter zake van het tot stand komen van de overeenkomst te vertegenwoordigen. Aan eventuele uitlatingen van [C] is [geïntimeerde] dan ook niet gebonden. De uiteindelijk tussen partijen tot stand gekomen en getekende aannemingsovereenkomst is tussen [appellanten] c.s. en [geïntimeerde] (in de persoon van [E] ) besproken en toegelicht. [geïntimeerde] verbond zich daarbij tot hetgeen in de door [appellanten] c.s. geaccepteerde slotoffertes was verwoord. [geïntimeerde] betwist de Toelichting ooit van [appellanten] c.s. te hebben ontvangen.

4.4.3

Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of de Toelichting onderdeel van de aannemingsovereenkomst uitmaakt. Voor de beantwoording van deze vraag acht het hof het volgende van belang. [appellanten] c.s. hebben ter comparitie in hoger beroep verklaard dat zij, toen zij de mogelijkheden voor het bouwen van een woning onderzochten, via internet in contact zijn gekomen met [C] . [C] heeft hen daarop in contact gebracht met een Duitse aannemer. Nadat deze aannemer failliet werd verklaard, heeft [C] [appellanten] c.s. in contact gebracht met [geïntimeerde] . [C] inventariseerde daarbij de wensen van [appellanten] c.s. en voerde daartoe diverse besprekingen met hen. Niet in geschil is dat (de inhoud van) de Toelichting daarbij onderwerp van gesprek is geweest. [geïntimeerde] heeft op 4 november 2010 offertes aan [appellanten] c.s. toegezonden. Naar aanleiding van deze offertes hebben diverse besprekingen plaatsgevonden tussen [appellanten] c.s., [C] en [E] , waarbij [appellanten] c.s. hun wensen aan [C] en [E] kenbaar maakten en onderhandelingen werden gevoerd over de overeen te komen prestatie en de prijs waartegen [geïntimeerde] bereid was deze prestatie te leveren. Een van deze besprekingen heeft op 20 januari 2012 plaatsgevonden op het kantoor van [geïntimeerde] in [B] . De besprekingen hebben geleid tot aanpassingen in de offertes. [geïntimeerde] heeft in dat verband op 18 november 2011, 19 januari 2012, 23 januari 2012, 24 februari 2012, 1 maart 2012 en 9 maart 2012 aangepaste offertes naar [appellanten] c.s. toegezonden. Met de (finale) offertes van 9 maart 2012 hebben [appellanten] c.s. ingestemd, waarna op 15 maart 2012 de aannemingsovereenkomst tussen partijen gesloten is.

4.4.4

Gelet op het feit dat na het uitbrengen van de diverse offertes door [geïntimeerde] , steeds besprekingen plaats hebben gevonden waarbij behalve [appellanten] c.s. en [C] ook [E] aanwezig was en waarbij de wensen van [appellanten] c.s. besproken werden en verwerkt werden in de opvolgende offerte, mocht [geïntimeerde] er naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd op vertrouwen, dat de inhoud van de finale offertes van 9 maart 2012, waarmee [appellanten] c.s. hebben ingestemd, volledig weergaf wat tussen partijen overeen is gekomen. [appellanten] c.s. - op wie in dit kader de bewijslast rust - hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van gedragingen of mededelingen van [geïntimeerde] , op basis waarvan zij redelijkerwijs mochten aannemen dat [geïntimeerde] er in haar (slot)offertes vanuit is gegaan dat deze zouden moeten worden aangevuld met hetgeen in de Toelichting is opgenomen.
Voor zover [appellanten] c.s. zich in dit kader op het standpunt hebben gesteld dat [C] aan hen heeft verklaard dat de Toelichting aan de aannemingsovereenkomst gehecht zou worden en dat deze bij twijfel leidend zou zijn, kan dit hen niet baten. [appellanten] c.s. hebben, mede in het licht van de betwisting van [geïntimeerde] op dit punt, onvoldoende onderbouwd dat [C] bevoegd was om [geïntimeerde] te vertegenwoordigen, dan wel dat [geïntimeerde] de schijn heeft gewekt dat [C] die bevoegdheid wel had. Op grond van de hiervoor weergegeven, door [appellanten] c.s. geschetste gang van zaken ten aanzien van de totstandkoming van de contacten tussen hen, [C] en vervolgens [geïntimeerde] , alsmede gelet op het feit dat [geïntimeerde] , in de persoon van [E] , steeds aanwezig is geweest bij de besprekingen die geleid hebben tot de aanpassingen in de offertes en uiteindelijk tot de totstandkoming van de aanneemovereenkomst, acht het hof aannemelijk dat, zoals ook door [geïntimeerde] is gesteld, [C] optrad als een onafhankelijk tussenpersoon. [geïntimeerde] kan dan ook niet gebonden worden geacht aan de uitlatingen van [C] .

4.4.5

Gelet op het vorenstaande concludeert het hof dat de aannemingsovereenkomst niet mede wordt bepaald door de inhoud van de Toelichting. Daarmee faalt grief 1 in principaal appel. Voor zover [appellanten] c.s. ook in hun derde en vierde grief hebben betoogd dat de aanneemovereenkomst mede wordt bepaald door de toelichting, falen deze grieven eveneens.
Oplevering (grief 2 in principaal appel)

4.5

[appellanten] c.s. richten zich met hun tweede grief tegen het oordeel van de rechtbank dat de woning op 15 februari 2013 is opgeleverd en dat daardoor de datum van 'Fertigstellung' als bedoeld in de aanneemovereenkomst op 15 februari 2013 moet worden gesteld. [appellanten] c.s. betogen dat zij er als consumenten vanuit mochten gaan dat met de term 'Fertigstellung' werd bedoeld het volledig gereedkomen van het gebouw. Daarvan was op 15 februari 2013 nog geen sprake; de dakgoten en de regenpijpen moesten nog worden geïnstalleerd en de betimmering onder de carport en het stucwerk rondom de schuifpuien was nog niet gereed. Daarbij stonden er nog bouwsteigers rondom het huis en bevonden zich nog een bouwtoilet en puincontainers op de oprit. Deze werkzaamheden werden eerst in januari 2014 uitgevoerd, zodat pas op dat moment sprake was van 'Fertigstellung', aldus [appellanten] c.s.

4.5.1

[geïntimeerde] betwist de stellingen van [appellanten] c.s. en stelt dat oplevering wel degelijk heeft plaatsgevonden op 15 februari 2013.

4.5.2

Het hof constateert dat hetgeen [appellanten] c.s. in de toelichting op hun tweede grief hebben gesteld in de kern een herhaling vormt van het op dit punt in eerste aanleg door hen ingenomen standpunt. De rechtbank heeft ten aanzien van dit standpunt in rechtsoverweging 4.5.3 en 4.5.4 het volgende overwogen:

"4.5.3 De rechtbank constateert dat in de overeenkomst van partijen de term 'Fertigstellung' voorkomt, zonder dat daarin deze termijn [het hof begrijpt: term] verder wordt geduid of uitgewerkt. Gelet op de letterlijke, taalkundige betekenis van 'voltooiing' of 'volbrenging', gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat partijen met gebruik van de term 'Fertigstellung' hebben beoogd aan te sluiten bij de in de artikelen 7:750 e.v. BW bedoelde term van oplevering. Als oplevering in de zin van de artikelen 7:750 jo 758 BW heeft te gelden aanvaarding van het gebouwde door de opdrachtgever. Daarbij heeft te gelden dat kleinere gebreken die op korte termijn kunnen worden hersteld en die niet aan eventuele ingebruikname in de weg staan, niet tot een onthouding van een aanvaarding mogen leiden.

4.5.4

In dit geval is de woning op 15 februari 2013, in het bijzijn van [appellant] , [geïntimeerde] en de installateur, door een bouwkundige van VEH gekeurd, van welke keuring, gezien de gebruikte bewoordingen, een zogeheten 'opleveringsrapport' ofwel 'proces-verbaal van oplevering' is opgemaakt. Op de eerste pagina van dat stuk is vermeld:

Procesverbaal van oplevering

Aan ondergetekende [ [appellant] ], verkrijger van de [woning], is op 15-02-2013 door ondernemer [ [geïntimeerde] ] de bovengemelde woning opgeleverd.

De verkrijger verklaart de sleutels van het pand in ontvangst te hebben genomen en heeft de op deze en volgende pagina('s) tekortkomingen geconstateerd.

Op de laatste pagina van dat stuk heeft [appellant] zijn handtekening geplaatst. Gelet daarop en gezien het vaststaande feit dat [appellant] met zijn gezin vanaf 16 februari 2013 de woning heeft betrokken, heeft als vaststaand te gelden dat de woning op 15 februari 2013 aan [appellant] is opgeleverd en dat daardoor de datum van 'Fertigstellung' als bedoeld in de overeenkomst van 15 maart 2012 op 15 februari 2013 moet worden gesteld. Dat op dat moment de woning op onderdelen, zoals met name de dakgoot met aftimmering, nog niet gereed was, legt onvoldoende gewicht in de schaal om van een andere datum uit te gaan."

4.5.3

Het hof onderschrijft deze door de rechtbank gegeven motivering, neemt deze overwegingen over en maakt die tot de zijne. Daarmee faalt de tweede grief in principaal appel.
Gebreken

4.6

[appellanten] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat het werk vele gebreken heeft. Zij hebben herstel, dan wel betaling voor het herstel van deze gebreken en waardeverminderingen gevorderd. Het hof zal de in hoger beroep nog in geschil zijnde gebreken hierna bespreken. Alvorens daartoe over te gaan, overweegt het hof over het standpunt van [appellanten] c.s. ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 7:758 lid 3 BW het volgende.
de toepasselijkheid van artikel 7:758 lid 3 BW (grief 3 in principaal appel)

4.6.1

[appellanten] c.s. hebben in de toelichting op hun derde grief gesteld dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toekomt op artikel 7:758 lid 3 BW, met name omdat [geïntimeerde] geen daadwerkelijk nadeel lijdt doordat [appellanten] c.s. ter zake van sommige gebreken enige tijd later hebben geklaagd. Het hof onderschrijft dit standpunt van [appellanten] c.s. niet en overweegt daartoe het volgende.
Ingevolge artikel 7:758 lid 3 BW is een aannemer niet aansprakelijk voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Anders dan [appellanten] c.s. betogen, houdt artikel 7:758 lid 3 BW een nadere concretisering in van artikel 6:89 BW (MvA, Kamerstukken I 2002/03, 23 095, nr. 38a, p. 11) en kan niet worden volgehouden dat artikel 7:758 lid 3 BW toepassing mist indien de aannemer geen nadeel ondervindt doordat later dan bij oplevering is geklaagd door de opdrachtgever. [geïntimeerde] is na de oplevering op 15 februari 2013 alleen nog maar aansprakelijk voor de gebreken die [appellanten] c.s. redelijkerwijs niet hadden kunnen ontdekken ten tijde van de oplevering, hetgeen [appellanten] c.s. moeten stellen en zo nodig bewijzen.

4.6.2

Het ter comparitie in hoger beroep door [appellanten] c.s. gedane beroep op wetsvoorstel 34 453 (Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen Kamerstukken II 2015/16, 34 453 nr. 2), waarin aan artikel 7:758 BW een vierde lid wordt toegevoegd op grond waarvan bij de aanneming van bouwwerken de aannemer aansprakelijk is voor gebreken die bij de oplevering van het werk niet zijn ontdekt, tenzij deze gebreken niet aan de aannemer zijn toe te rekenen, doet aan het bovenstaande niet af, aangezien dit geen geldend recht is.

4.6.3

Grief 3 in principaal appel faalt.

4.6.4

Het hof gaat nu over tot een puntsgewijze bespreking van de in hoger beroep nog in geschil zijnde gebreken.
wanden niet sausklaar (grief 4 in principaal appel)

4.6.5

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg aangevoerd dat de gestucte muur rondom de haard in de woonkamer, de lange muur in de keuken, de gehele bijkeuken, inloopkast en slaapkamer, alsook de achterzijde van de slaapkamers op de bovenverdieping niet sausklaar door [geïntimeerde] zijn opgeleverd. In verband hiermee hebben zij een bedrag van € 300,- gevorderd ter zake van extra kosten die de schilder heeft moeten maken, alsmede een bedrag van € 750,- ter zake van kosten die [geïntimeerde] zichzelf bespaard heeft.

4.6.5.1 De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van [appellanten] c.s. gelet op het bepaalde in artikel 7:758 lid 3 BW strandt, nu [appellanten] c.s. ten tijde of omstreeks de oplevering niet hebben geklaagd over het niet sausklaar zijn van de wanden, terwijl gesteld noch gebleken is dat zij op dat moment niet hadden kunnen onderkennen dat de wanden niet sausklaar waren.

4.6.5.1 Grief 4 richt zich tegen dit oordeel van de rechtbank. In de toelichting op hun grief laten [appellanten] c.s. echter na te onderbouwen waarom het oordeel van de rechtbank onjuist is. Voor zover [appellanten] c.s. hebben betoogd dat artikel 7:758 lid 3 BW toepassing mist, strandt dit betoog gelet op hetgeen het hof hiervoor onder rechtsoverweging 4.6.1 en 4.6.2 heeft overwogen.

4.6.5.1 Grief 4 in principaal appel faalt.
impregneren schoorstenen (grief 6 in principaal appel)

4.6.6

[appellanten] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] heeft nagelaten twee schoorstenen te impregneren en vorderen in verband hiermee een bedrag van € 150,- aan herstelkosten.

4.6.6.1 De rechtbank heeft ter zake van dit gestelde gebrek geoordeeld dat [appellanten] c.s., gelet op het verweer van [geïntimeerde] dat zij de schoorstenen wel degelijk heeft geïmpregneerd, hun vordering op dit punt onvoldoende hebben onderbouwd.

4.6.6.1 Tegen dit oordeel richt zich de zesde grief, waarin [appellanten] c.s. betogen dat uit de omstandigheid dat de schoorstenen vies worden, blijkt dat deze niet door [geïntimeerde] zijn geïmpregneerd. Uit het feit dat [geïntimeerde] ter zake van dit gebrek een bedrag van € 500,- aan [appellanten] c.s. heeft aangeboden kan eveneens worden afgeleid dat [geïntimeerde] heeft nagelaten de schoorstenen te impregneren.

4.6.6.1 [geïntimeerde] betwist dat de schoorstenen vies worden en volhardt in haar standpunt dat zij het impregneren heeft uitgevoerd.

4.6.6.1 Gelet op de betwisting aan de zijde van [geïntimeerde] , had het op de weg van [appellanten] c.s. gelegen hun standpunt dat de schoorstenen niet geïmpregneerd zijn nader te onderbouwen. Ook het betoog dat [geïntimeerde] ter zake van het impregneren van de schoorstenen een bedrag voor herstel aan [appellanten] c.s. zou hebben aangeboden - hetgeen door [geïntimeerde] wordt betwist - mist feitelijke onderbouwing. Gelet hierop is niet vast komen te staan dat sprake is van een gebrek en moet de vordering op dit punt worden afgewezen.

4.6.6.1 Grief 6 in principaal appel faalt.
kopstenen raamdorpels (grief 7 in principaal appel)

4.6.7

[appellanten] c.s. hebben betoogd dat [geïntimeerde] de kopstenen bij de raamdorpelstenen niet heeft aangebracht zoals is overeengekomen, waardoor waardevermindering van de woning is opgetreden en waarmee [geïntimeerde] zich een bedrag van € 750,- bespaard heeft.

4.6.7.1 Ter zake van dit punt heeft de rechtbank geoordeeld dat, daargelaten of deze wijze van uitvoering van de raamdorpels tussen partijen was overeengekomen, het gestelde gebrek zichtbaar was tijdens de oplevering, waardoor het beroep van [geïntimeerde] op artikel 7:758 lid 3 BW slaagt.

4.6.7.1 Tegen dit oordeel richt zich de zevende grief. In de toelichting op hun grief betogen [appellanten] c.s. dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toekomt op artikel 7:758 lid 3 BW, nu [appellanten] c.s. reeds voor de oplevering, bij e‑mailbericht van 24 oktober 2012, geklaagd hebben over het achterwege blijven van de kopstenen. Dit betoog kan [appellanten] c.s. niet baten. [geïntimeerde] is niet aansprakelijk voor gebreken die [appellanten] c.s. tijdens de bouw hebben geconstateerd maar die niet in het proces-verbaal van oplevering zijn opgenomen. Nu het gestelde gebrek niet in het proces-verbaal van oplevering is opgenomen, moeten [appellanten] c.s. geacht worden de kopstenen van de raamdorpels in die uitvoering te hebben geaccepteerd.

4.6.7.1 Grief 7 in principaal appel faalt.
plaatsing deur badkamer/slaapkamer (grief 8 in principaal appel)

4.6.8

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg gesteld dat [geïntimeerde] de slaapkamer-/badkamerdeur ondanks concrete aanwijzingen niet op de juiste positie heeft aangebracht, waardoor sprake is van een waardevermindering van de woning van € 300,-.

4.6.8.1 De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] op dit punt afgewezen, onder de overweging dat de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet inziet dat de verkeerde positionering van de deur tot een waardevermindering van de woning heeft geleid.

4.6.8.1 [appellanten] c.s. bestrijden dit oordeel met hun achtste grief. Zij betogen dat als gevolg van de verkeerde positionering van de desbetreffende deur, het bed niet meer tussen de muur en de opening van de deur past, zodat zij een nieuw bed hebben moeten aanschaffen waardoor sprake is van "een verliespost van zeker € 500,-".

4.6.8.1 Het hof overweegt als volgt. Daargelaten de vraag of het - volgens de stellingen van [appellant] op 2 millimeter na - verkeerd geplaatste deurkozijn een aan [geïntimeerde] toe te rekenen gebrek oplevert, hebben [appellanten] c.s. de (door [geïntimeerde] betwistte) schadepost van € 500,- niet aannemelijk gemaakt. De vordering van [appellanten] c.s. op dit punt wordt daarom afgewezen.

4.6.8.1 Grief 8 in principaal appel faalt.
draainaad slaapkamerdeur (grief 10(ii) in principaal appel)

4.6.9

[appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat de draainaad onder de deur naar de slaapkamer op de benedenverdieping te krap is, waardoor de vloerbedekking ter plaatse sneller slijt. Dit is op 27 februari 2015 met [geïntimeerde] besproken.

4.6.9.1 Ten aanzien van dit gestelde gebrek heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij heeft aangeboden de deur verder in te korten, welke mogelijkheid uitdrukkelijk op 27 februari 2015 is bezien en besproken, maar dat [appellanten] c.s. van dat aanbod geen gebruik hebben willen maken. Wat er ook zij van de door [appellanten] c.s. ingenomen stelling dat [geïntimeerde] de deur niet goed heeft opgehangen, naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] in gebreke is gebleven met herstel ter zake.

4.6.9.1 Tegen dit oordeel van de rechtbank richt zich grief 10 (ii) van [appellanten] c.s. In de toelichting op hun grief volstaan zij met de stelling dat de deur ondanks herstel nog steeds over de vloerbedekking gaat zodat deze sneller slijt. Enige nadere onderbouwing van deze stelling ontbreekt evenwel. Bij deze stand van zaken acht het hof de vordering van [appellanten] c.s. op dit punt niet toewijsbaar.

4.6.9.1 Grief 10 (ii) in principaal appel faalt.
kitwerk sanitair (grief 11 in principaal appel)

4.6.10

[appellanten] c.s. stellen dat het kitwerk rondom de badrandcombinatie en het toilet in de badkamer op de benedenverdieping ontbreekt. Dit punt is opgenomen in het proces-verbaal van oplevering. Ook Lengkeek heeft geconstateerd dat het toilet en het ligbad niet zijn afgekit.

4.6.10.1 [geïntimeerde] heeft zich verweerd door te stellen dat het kitwerk bij de installatiewerkzaamheden hoort, terwijl het installatiewerk niet tot haar werkzaamheden behoorde.

4.6.10.1 De rechtbank heeft ter zake overwogen dat vaststaat dat [appellanten] c.s. het installatiewerk, daaronder begrepen het aanbrengen van het sanitair, in eigen beheer zouden uitvoeren, zodat dit niet behoorde tot de door [geïntimeerde] te leveren prestatie.

4.6.10.1 [appellanten] c.s. komen met hun elfde grief op tegen dit oordeel. Zij stellen dat [geïntimeerde] al het overige kitwerk wel heeft gerealiseerd, zodat [geïntimeerde] zelf kennelijk van oordeel was dat het kitwerk wel tot de door haar te leveren prestatie behoorde.

4.6.10.1 Het hof overweegt als volgt. Het standpunt van [appellanten] c.s. is erop gebaseerd dat [geïntimeerde] gehouden is het ontbrekende kitwerk te verrichten, omdat het overige kitwerk in de woning ook door [geïntimeerde] is uitgevoerd. Dit standpunt is echter niet houdbaar. [geïntimeerde] heeft immers, onder verwijzing naar de nummers 8.2, 8.3 en 8.6 van het "Angebot eines Einfamilienhauses in [A] ", onderbouwd dat het overige kitwerk, in tegenstelling tot het kitwerk waarop de onderhavige vordering van [appellanten] c.s. ziet, behoorde bij het tegelwerk dat door haar was aangenomen. Het hof is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het kitwerk van het sanitair behoorde tot de door [geïntimeerde] te leveren prestatie, zodat de vordering van [appellanten] c.s. op dit punt moet worden afgewezen.

4.6.10.1 Grief 11 in principaal appel faalt.
vensterbanken (grief 12 in principaal appel en grief 4 in incidenteel appel)

4.6.11

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat bij de natuurstenen vensterbanken in de slaapkamer linksachter, de slaapkamer rechtsachter, de keukenruimte en de woonkamer sprake is van verkleuring c.q. kleurverschil, hetgeen zij onacceptabel achten. Zij hebben, onder verwijzing naar het rapport van Lengkeek, gesteld dat de vensterbanken vervangen moeten worden en dat, naar het hof begrijpt wegens verzuim van [geïntimeerde] , hen een bedrag aan vervangende schadevergoeding toekomt ter grootte van € 2.500,-.

4.6.11.1 De rechtbank heeft geconstateerd dat zowel de deskundige van VEH als de deskundige van Lengkeek bij de diverse vensterbanken kleurverschil hebben waargenomen en dat zij beiden van mening zijn dat dat moet worden hersteld. Het gaat dan ook om een gebrek dat ten tijde van de oplevering bestond, terwijl [geïntimeerde] zich blijkens het proces-verbaal van oplevering akkoord heeft verklaard met herstel van de vlekken op de vensterbanken. Op grond van de rapportage van Lengkeek gaat de rechtbank ervan uit dat herstel van de vensterbanken alleen kan bestaan uit vervanging daarvan. In het door de deskundige van Lengkeek geraamde bedrag van € 2.500,- is tevens de levering van twee niet aangebrachte vensterbanken begrepen, zodat de rechtbank de kosten van het herstel van de vier in geschil zijnde vensterbanken bijstelt tot € 1.600,-. [geïntimeerde] is veroordeeld dit bedrag aan [appellanten] c.s. te vergoeden.

4.6.11.1 Met grief 12 in principaal appel bestrijden [appellanten] c.s. dat de deskundige van Lengkeek in het geraamde bedrag van € 2.500,- ook de levering van twee niet aangebrachte vensterbanken heeft begrepen. Zij stellen dat hun vordering betrekking heeft op kleurverschillen in zes wel aangebrachte vensterbanken, zodat het bedrag van € 2.500,- geheel moet worden vergoed.

4.6.11.1 Het hof volgt [appellanten] c.s. niet in hun stellingname en overweegt daartoe als volgt. Uit het proces-verbaal van oplevering blijkt dat als gebrek is genoteerd de vlekken c.q. het kleurverschil in de vier vensterbanken in de slaapkamer linksachter, de slaapkamer rechtsachter, de keukenruimte en de woonkamer. De kleurverschillen in deze vensterbanken zijn eveneens geconstateerd door de deskundige van Lengkeek. De deskundige van Lengkeek heeft in het rapport opgemerkt dat daarnaast sprake is van het vervallen van twee vensterbanken in de badkamer, hetgeen nog verrekend dient te worden. De kosten voor het herstel en vervangen van de vier genoemde vensterbanken, alsmede voor het aanbrengen van de vensterbanken in de badkamer wordt door de deskundige van Lengkeek in totaal geraamd op een bedrag van € 2,500,- inclusief BTW. Nu ter zake van dit gebrek enkel in geschil is het herstel en vervangen van de vier genoemde vensterbanken terwijl het verrekenen van de vervallen vensterbanken in de badkamer geen deel uit maakt van de vordering, heeft de rechtbank terecht niet het volledige door Lengkeek begrote bedrag toegekend. Aan de stelling van [appellanten] c.s. dat hun vordering desalniettemin betrekking heeft op kleurverschillen in zes door [geïntimeerde] aangebrachte vensterbanken, gaat het hof, bij gebrek aan nadere onderbouwing, voorbij.

4.6.11.1 Grief 12 in principaal appel faalt.

4.6.11.1 Met grief 4 in incidenteel appel komt ook [geïntimeerde] op tegen het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank. Zij is van mening dat het door de deskundige van Lengkeek begrootte bedrag te hoog is. De beschadigde vensterbanken hebben in totaal een lengte van 9,19 strekkende meter terwijl in de offerte ter zake van de vensterbanken een bedrag van € 33,37 per strekkende meter is opgenomen. De schade van [appellanten] c.s. bedraagt volgens [geïntimeerde] daarom slechts € 364,94 inclusief BTW, te vermeerderen met € 20,- voor klein materiaal. [geïntimeerde] erkent de vordering van [appellanten] c.s. daarom tot een bedrag van € 384,94.

4.6.11.1 Het hof stelt voorop dat ter zake van de vier genoemde vensterbanken sprake is van een door [geïntimeerde] erkend gebrek en dat [geïntimeerde] gehouden was dit gebrek te herstellen. Niet in geschil is dat [geïntimeerde] dit heeft nagelaten, zodat zij op dit punt toerekenbaar tekort is geschoten. [appellanten] c.s. hebben daarop vervangende schadevergoeding gevorderd, kennelijk stellende dat [geïntimeerde] in verzuim is. [geïntimeerde] heeft haar verweer daarop beperkt tot een betwisting van de hoogte van de aan [appellanten] c.s. toekomende schadevergoeding. Bij deze stand van zaken moet er vanuit gegaan worden dat [appellanten] c.s. de kosten van herstel door een derde op [geïntimeerde] kunnen verhalen. Deze herstelkosten omvatten meer dan enkel de door [geïntimeerde] begrote kosten van het materiaal. [appellanten] c.s. hebben in dit kader onweersproken gesteld dat de vensterbanken die vervangen moeten worden in de muur doorlopen, zodat hak- en breekwerk noodzakelijk zal zijn. Mede gelet hierop acht het hof het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 1.600,- redelijk.

4.6.11.1 Grief 4 in incidenteel appel faalt.
sausklaar maken binnenhaard (grief 13 in principaal appel)

4.6.12

[appellanten] c.s. stellen dat [geïntimeerde] heeft nagelaten de wand van de binnenhaard sausklaar te maken, in verband waarmee zij kosten hebben moeten maken ter hoogte van € 410,-.

4.6.12.1 De rechtbank heeft deze vordering van [appellanten] c.s. afgewezen, nu [appellanten] c.s. niet hebben toegelicht waarin deze post zich onderscheidt van de reeds afgewezen vorderingen betreffende de binnenhaard en het niet sausklaar opleveren van de wanden.

4.6.12.1 In de toelichting op grief 13 stellen [appellanten] c.s. dat hun vordering ziet op het sausen van de wand van de binnenhaard terwijl deze wand in het geheel niet door [geïntimeerde] is geplaatst. De door de rechtbank genoemde vordering betreffende het niet sausklaar opleveren van de wanden betrof wanden die wel door [geïntimeerde] waren geplaatst.

4.6.12.1 Het hof kan [appellanten] c.s. niet volgen in hun stellingname. De vordering van [appellanten] c.s. betreffende het niet sausklaar opleveren van enkele wanden in de woning betrof uitdrukkelijk ook de wand rondom de binnenhaard. Het hof verwijst in dit verband naar punt ix. op bladzijde 19 van de dagvaarding in eerste aanleg. Ten aanzien van dit punt heeft het hof bij de bespreking van grief 4 in principaal appel reeds een oordeel gegeven. Het hof volstaat daarom met een verwijzing naar rechtsoverweging 4.6.5 t/m 4.6.5.3.

4.6.12.1 Grief 13 in principaal appel faalt.
kieren elektraspots (grief 14 in principaal appel)

4.6.13

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat er sprake is van kieren rondom de elektraspots. Dit punt is opgenomen in het proces-verbaal van oplevering. Nu [geïntimeerde] niet, zoals overeengekomen, binnen drie maanden na oplevering is overgegaan tot herstel van dit gebrek hebben [appellanten] c.s. deze herstelwerkzaamheden in eigen beheer verricht. In verband hiermee vorderen zij een bedrag van € 100,- voor het herstel van de kieren, alsmede € 954,- in verband met het opnieuw sausen van het plafond.

4.6.13.1 [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat het aanbrengen van de elektraspots niet tot de overeengekomen prestatie behoort, zodat zij evenmin verantwoordelijk is voor eventueel herstelwerk.

4.6.13.1 De rechtbank heeft overwogen dat [appellanten] c.s. niet inhoudelijk op het verweer van [geïntimeerde] zijn ingegaan en heeft de vordering van [appellanten] c.s. op dit punt om die reden afgewezen.

4.6.13.1 [appellanten] c.s. stellen zich met hun veertiende grief op het standpunt dat de onderaannemer van [geïntimeerde] de spleten en oneffenheden in het plafond heeft afgedicht en sausklaar heeft gemaakt, maar dat dit werk rondom de spots niet goed is gerealiseerd. Daarbij had [geïntimeerde] volgens [appellanten] c.s. eerder samengewerkt met de installateur die de elektraspots heeft geplaatst en nam [geïntimeerde] bij die gelegenheid wel altijd de afwerking voor zijn rekening, zodat [appellanten] c.s. ervan uit mochten gaan dat de afwerking ook nu door [geïntimeerde] zou worden gerealiseerd.

4.6.13.1 [geïntimeerde] voert aan dat de elektraspots pas in het plafond zijn gebouwd nadat haar onderaannemer de spleten en oneffenheden in het plafond had afgedicht, zoals in de aanneemovereenkomst overeengekomen. Voor de afwerking van de elektraspots dienen [appellanten] c.s. zich dan ook te wenden tot de firma die in opdracht van [appellanten] c.s. het installatiewerk heeft verricht.

4.6.13.1 Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het aanbrengen van de elektraspots niet tot de overeengekomen prestatie behoorde, maar door een in eigen beheer door [appellanten] c.s. ingeschakelde installateur is verricht. [geïntimeerde] was op grond van de aanneemovereenkomst verantwoordelijk voor het afdichten van spleten en oneffenheden in het plafond. Nu [geïntimeerde] de stelling van [appellanten] c.s. dat zij het afdichten van het plafond rondom de elektraspots niet goed heeft verricht heeft betwist door te stellen dat de elektraspots pas zijn aangebracht nadat zij deze werkzaamheden had voltooid, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een aan [geïntimeerde] toe te rekenen gebrek aangaande de kieren rondom de elektraspots. Het hof merkt daarbij op dat dit punt weliswaar in het proces-verbaal van oplevering is opgenomen, maar dat ter zake hiervan een voorbehoud is gemaakt ("Elektra spot(s) kiert; bouwer en installateur wijzen naar elkaar"). Bij deze stand van zaken komt de vordering van [appellanten] c.s. niet voor toewijzing in aanmerking. Dat [geïntimeerde] in een eerdere samenwerking met de door [appellanten] c.s. ingeschakelde installateur de afwerking wel voor zijn rekening heeft genomen doet hier niet aan af.

4.6.13.1 Grief 14 in principaal appel faalt.
loslatende lijm trapleuning (grief 15 in principaal appel)

4.6.14

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat de gebogen houten latten waarvan de trapleuning is gemaakt aan de onderkant loslaten waardoor kieren zijn ontstaan. Dit gebrek is opgenomen in het proces-verbaal van oplevering.

4.6.14.1 [geïntimeerde] heeft het bestaan van dit gebrek erkend, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat zij op 27 februari 2015 ter zake hiervan herstelwerkzaamheden heeft verricht die vervolgens door [appellanten] c.s. zijn geaccepteerd.

4.6.14.1 De vordering van [appellanten] c.s. op dit punt is door de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft daartoe (kort gezegd) overwogen dat [appellanten] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat de door [geïntimeerde] verrichte herstelwerkzaamheden niet deugdelijk geweest zouden zijn.

4.6.14.1 Tegen dit oordeel richt zich grief 15. [appellanten] c.s. betogen, onder verwijzing naar een foto van de trapleuning, in de toelichting op deze grief dat de lijmlaag van de trapleuning ondanks herstel weer loslaat.

4.6.14.1 Uit de door [appellanten] c.s. overgelegde foto kan het hof niet afleiden dat sprake is van niet deugdelijk uitgevoerd herstel van de trapleuning. Bij gebreke van een verdere onderbouwing dienaangaande dient de vijftiende grief in principaal appel te falen.
constructiefout boven-legger schuifpui (grief 16 in principaal appel)

4.6.15

[appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat [geïntimeerde] een constructiefout heeft gemaakt ten aanzien van de legger boven de schuifpui. Volgens [appellanten] c.s. rust de legger boven het kozijn van de schuifpui op dat kozijn, met als gevolg het hoorbaar zijn van een krakend geluid nabij de schuifpui.

4.6.15.1 De rechtbank heeft met betrekking tot dit gestelde gebrek als volgt geoordeeld. Uit het door [appellanten] c.s. overgelegde e-mailbericht van 10 juni 2015 van hun kozijnenleverancier blijkt dat deze tijdens de montage van de kozijnen heeft ervaren dat deze erg strak tussen de buitenmuren geplaatst moesten worden en weinig ruimte hadden voor uitzetten. Over de schuifpuien wordt gesteld dat de cementdekvloer 12 mm hoger bleek dan was verwacht, dat de schuifpuien daardoor ook 12 mm hoger zijn gemonteerd en dat er aan de bovenzijde geen ruimte meer was voor een stelkozijn zodat er voor gekozen is dat stelkozijn aan de bovenzijde te laten vervallen, "dit i.v.m. door hangen van de stalen balk". Wat daar verder van zij, duidelijk is dat de door [appellanten] c.s. ingeschakelde kozijnenleverancier in de gegeven situatie de kozijnen heeft gemonteerd terwijl daar ook kennelijk in de visie van de kozijnenleverancier - te weinig ruimte voor was. Met [geïntimeerde] is de rechtbank van oordeel dat het onder die omstandigheid aan [appellanten] c.s., althans aan de door hen ingeschakelde kozijnenleverancier, was om mitigerende maatregelen te nemen, al dan niet in overleg met [geïntimeerde] . Gesteld noch gebleken is echter dat [geïntimeerde] bij het door de kozijnenleverancier al bij de montage van de kozijnen ervaren probleem is betrokken. De gevolgen daarvan kunnen [appellanten] c.s. naar het oordeel van de rechtbank niet op [geïntimeerde] afwentelen. Daarbij is in aanmerking genomen dat, anders dan [appellanten] c.s. stellen, uit het rapport van de deskundige niet volgt dat de legger/draagbalk meer doorbuigt dan de toelaatbare tolerantie. Uit het door [appellanten] c.s. overgelegde rapport van de deskundige blijkt dat het hoorbaar zijn van een krakend geluid zich voordoet bij harde wind/stormachtige omstandigheden. De deskundige acht het waarschijnlijk dat onder die omstandigheid er contact is tussen de legger en de schuifpui en dat dat contact het krakend geluid veroorzaakt. De deskundige vermoedt als oorzaak daarvan het doorbuigen van de balk, maar is daar niet zeker van, gezien het vervolg van wat hij stelt: "Indien sprake is van doorbuiging van de draagbalk is met betrekking tot dit punt door [ [geïntimeerde] ] niet gepresteerd conform de eisen van goed en deugdelijk werk." Het is daardoor onvoldoende aannemelijk geworden dat [geïntimeerde] op dit aspect in haar werkzaamheden tekort is geschoten.

4.6.15.1 Met grief 16 bestrijden [appellanten] c.s. de overweging van de rechtbank dat de kozijnenleverancier heeft nagelaten [geïntimeerde] te betrekken bij het tijdens de montage van de kozijnen ervaren probleem. [appellanten] c.s. verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar e-mailberichten van 24 september 2012, 24 oktober 2012 en 25 oktober 2012. Dit betoog kan [appellanten] c.s. niet baten nu, zoals [geïntimeerde] terecht heeft opgemerkt, de e‑mailberichten van 24 september 2012 en 24 oktober 2012 (het e-mailbericht van 25 oktober 2012 heeft het hof niet bij de stukken aangetroffen) voornamelijk betrekking hebben op de voorpui en niet op de schuifpui in de keuken, terwijl ook voor het overige niet uit deze berichten kan worden opgemaakt dat de kozijnenleverancier, dan wel [appellanten] c.s., [geïntimeerde] bij het door de door de kozijnenleverancier bij de montage van de kozijnen ervaren probleem heeft betrokken.

4.6.15.3 Voor zover [appellanten] c.s. voorts nog hebben betoogd dat [geïntimeerde] op dit aspect tekort is geschoten in haar werkzaamheden, verenigt het hof zich met het hiervoor onder rechtsoverweging 4.6.15.1 weergegeven oordeel van de rechtbank en de daarvoor gegeven motivering en maakt die tot de zijne.

4.6.15.3 Grief 16 in principaal appel faalt.
schoonmaak metselwerk (grief 17 in principaal appel)

4.6.16

[appellanten] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de bakstenen gele en groene verkleuringen vertonen, veroorzaakt door het feit dat [geïntimeerde] tijdens de schoonmaak zoutzuur heeft gebruikt. Volgens [appellanten] c.s. heeft het zoutzuur de bakstenen hydrofiel gemaakt, waardoor ze vocht opnemen hetgeen uiteindelijk tot verkleuringen leidt. [appellanten] c.s. stellen dat zij zich reeds bij e-mailbericht van 26 oktober 2012 over dit gebrek beklaagd hebben.

4.6.16.1 [geïntimeerde] heeft betwist dat zij bij de schoonmaak van de bakstenen zoutzuur heeft gebruikt.

4.6.16.1 De rechtbank heeft ter zake van dit gebrek overwogen dat [appellanten] c.s. in hun e-mailbericht van 26 oktober 2012 melding maken van groene aanslag op de stenen, hetgeen door hen in verband is gebracht met alg-vorming. De leverancier van de stenen heeft [appellanten] c.s. geadviseerd de alg te verwijderen met water en een borstel. Uit de stellingen van [geïntimeerde] leidt de rechtbank af dat zij de stenen daarop ook heeft schoongemaakt, maar dat zij bestrijdt daarbij zoutzuur te hebben gebruikt. [geïntimeerde] bestrijdt voorts dat dit gebrek ten tijde van de oplevering aanwezig was.
Uit het proces-verbaal van oplevering kan niet worden afgeleid dat er op dat moment (nog) sprake was van algen op de stenen dan wel van verkleuring van de stenen. In de rapportage van Lengkeek wordt evenmin aandacht aan dit aspect besteed. Dat er ten tijde van de oplevering sprake was van verkleuring van het metselwerk is daardoor naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk. Dat het metselwerk nadien verkleurd is ten gevolge van schoonmaak met zoutzuur door [geïntimeerde] , is onvoldoende onderbouwd.

4.6.16.1 Grief 17 richt zich tegen dit oordeel van de rechtbank. Ter toelichting op hun grief volstaan [appellanten] c.s. met een verwijzing naar een e-mailbericht van 23 september 2014 van de heer [F] van 'Het Steenhuys'. Anders dan [appellanten] c.s. kennelijk voorstaan, kan naar het oordeel van het hof uit dit e-mailbericht niet worden afgeleid dat het metselwerk na de oplevering verkleurd is ten gevolge van de schoonmaak daarvan met zoutzuur door [geïntimeerde] . Bij gebreke aan verdere stellingen hieromtrent, dient grief 17 in principaal appel te falen.
montage regenpijpen (grief 18 in principaal appel)

4.6.17

[appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat [geïntimeerde] de regenpijpen onjuist heeft gemonteerd en verkeerd heeft aangesloten op de riolering. Nu [geïntimeerde] niet overging tot herstel, hebben [appellanten] c.s. deze werkzaamheden overgedragen aan een externe aannemer. De daarvoor gemaakte kosten ad € 844,68 wensen [appellanten] c.s. te verhalen op [geïntimeerde] .

4.6.17.1 De rechtbank heeft ter zake van dit gestelde gebrek overwogen dat in onderdeel 1.3 van de offerte is vermeld dat [appellanten] c.s. de aansluiting van de regenpijpen op de riolering in eigen beheer zouden uitvoeren, terwijl in de offerte niet valt te ontdekken dat de levering van de regenpijpen zelf was inbegrepen. [geïntimeerde] heeft voor de montage en de levering van de regenpijpen geen bedrag bij [appellanten] c.s. in rekening gebracht. Gelet daarop kan niet tot het oordeel worden gekomen dat [appellanten] c.s. met de betaling van € 844,68 aan een externe aannemer meer hebben betaald dat dat ze aan [geïntimeerde] verschuldigd zouden zijn geweest en aldus schade hebben geleden.

4.6.17.1 [appellanten] c.s. komen met grief 18 op tegen dit oordeel van de rechtbank. [appellanten] c.s. stellen dat hun klacht betrekking heeft op de manier waarop [geïntimeerde] de regenpijpen aan de woning heeft bevestigd. [geïntimeerde] had naar de mening van [appellanten] c.s. zorg moeten dragen voor de juiste aansluiting van de regenpijpen op de riolering.

4.6.17.1 Het hof overweegt als volgt. Wat er ook zij van de al dan niet ondeugdelijke montage van de regenpijpen door [geïntimeerde] , vast staat dat in de offerte onder onderdeel 1.3 is vermeld dat [appellanten] c.s. de aansluiting van de regenpijpen op de riolering in eigen beheer zouden uitvoeren en dat ook de levering van de regenpijpen niet in de offerte was inbegrepen. [geïntimeerde] heeft voor de levering en montage van de regenpijpen (uiteindelijk) geen kosten bij [appellanten] c.s. in rekening gebracht. Onder die omstandigheden ziet het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in waarom het door [appellanten] c.s. aan de externe aannemer betaalde bedrag van € 844,68 schade betreft. Indien de regenpijpen wel deugdelijk door [geïntimeerde] waren aangebracht, hadden [appellanten] c.s. daarvoor immers in het kader van meerwerk een bedrag aan [geïntimeerde] dienen te betalen, terwijl gesteld noch gebleken is dat dit bedrag lager zou zijn dan € 844,68.

4.6.17.1 Grief 18 in principaal appel faalt.
trap garage zolder (grief 19 in principaal appel)

4.6.18

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat de bovenste traptrede van de trap in de garage een andere optrede heeft dan de overige traptreden en bovendien drie centimeter boven de vloer van de zolder uitsteekt. Dit levert volgens [appellanten] c.s. een gevaarlijke situatie op, zodat de trap moet worden vervangen. In verband hiermee hebben [appellanten] c.s. een bedrag van € 2.500,- gevorderd.

4.6.18.1 De vordering van [appellanten] c.s. op dit punt is door de rechtbank afgewezen, nu het hierbij naar het oordeel van de rechtbank gaat om zodanig zichtbare eigenschappen van de trap dat [appellanten] c.s. het gestelde gebrek redelijkerwijs ten tijde van de oplevering had kunnen ontdekken. De aanspraken van [appellanten] c.s. stuiten daarom af op het bepaalde in artikel 7:758 lid 3 BW.

4.6.18.1 Met grief 19 komen [appellanten] c.s. op tegen dit oordeel van de rechtbank. Voor zover [appellanten] c.s. zich daarbij op het standpunt stellen dat een beroep artikel 7:758 lid 3 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is nu [geïntimeerde] niet wordt benadeeld door de latere melding van dit gebrek, stuit deze stelling af op hetgeen het hof hiervoor onder rechtsoverweging 4.6.1 en 4.6.2 heeft overwogen. Het hof gaat voorts voorbij aan de niet nader door [appellanten] c.s. onderbouwde stelling dat "de vraag of het zichtbaar was ook moet worden betwijfeld".

4.6.18.1 Grief 19 in principaal appel faalt.
pilaren zolder (grief 20 in principaal appel)

4.6.19

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat zich op de zolder van de berging twee pilaren bevinden die niet op de bouwtekening staan aangegeven. Hierdoor is de functionaliteit van de zolder afgenomen. Datzelfde geldt voor de dwarsbalken op de vloer van de zolder van de berging. [appellanten] c.s. stellen dat deze pilaren en dwarsbalken moeten worden verwijderd en vorderen in verband hiermee schadevergoeding van € 1.000,-, subsidiair, voor het geval verwijdering niet mogelijk zou zijn, schadevergoeding nader op te maken bij staat.

4.6.19.1 De rechtbank heeft ter zake van dit gebrek geoordeeld dat het gaat om een vermeend gebrek dat al tijdens de oplevering op 15 februari 2013 zichtbaar was. In het proces-verbaal van oplevering is hierover echter niets opgenomen, terwijl uit een e‑mailbericht van 27 augustus 2012 blijkt dat [appellanten] c.s. de aanwezigheid van die pilaren wel al bij [geïntimeerde] ter discussie hadden gesteld. Door daarover tijdens de oplevering te zwijgen, moeten [appellanten] c.s. worden geacht de aanwezigheid van die pilaren (alsnog) te hebben aanvaard, zodat [geïntimeerde] van iedere aansprakelijkheid ter zake is ontslagen.

4.6.19.1 [appellanten] c.s. bestrijden dit oordeel van de rechtbank met grief 20. Zij stellen dat de bouwkundige van Vereniging Eigen Huis (VEH) zich bij de oplevering heeft beperkt tot de beoordeling of het gebouw bouwkundig in orde was. Of het bouwwerk was uitgevoerd conform het bestek of tekeningen hoorde niet tot de taak van VEH. Onder die omstandigheden is een beroep van [geïntimeerde] op het bepaalde in artikel 7:758 lid 3 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Bovendien is [geïntimeerde] op geen enkele wijze benadeeld, aldus [appellanten] c.s.

4.6.19.1 Het hof onderschrijft dit standpunt van [appellanten] c.s. niet. [appellanten] c.s. hebben ten tijde van de oplevering niet geklaagd over de aanwezigheid van de pilaren. Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat het feit dat VEH hierover tijdens de oplevering geen opmerking heeft gemaakt, niet afdoet aan de verplichting van [appellanten] c.s. om eventuele niet onder de opdracht van VEH vallende gebreken aan de woning ten tijde van de oplevering te melden en ter zake (zo nodig) een voorbehoud te maken. Nu [appellanten] c.s. zulks hebben nagelaten moeten zij geacht worden de aanwezigheid van de pilaren te hebben aanvaard. Ten aanzien van de stelling van [appellanten] c.s. dat [geïntimeerde] niet benadeeld zou zijn door deze gang van zaken verwijst het hof (wederom) naar rechtsoverwegingen 4.6.1 en 4.6.2.

4.6.19.1 Grief 20 in principaal appel faalt.
overstek entree (grief 21 in principaal appel)

4.6.20

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat de overstek boven de entree is uitgevoerd in 20 cm in plaats van 30 cm. Naar de mening van [appellanten] c.s. is hiermee sprake van een zogenaamd 'esthetisch gebrek' in verband waarmee zij een bedrag voor waardevermindering van de woning vorderen.

4.6.20.1 De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] c.s. op dit punt afgewezen, nu [appellanten] c.s. niet weersproken hebben dat (onder andere) dit gestelde esthetische gebrek als zodanig zichtbaar was ten tijde van de oplevering. Daarmee stuit de gestelde waardevermindering - wat daar verder ook van zij - af op het bepaalde in artikel 7:578 lid 3 BW.

4.6.20.1 [appellanten] c.s. bestrijden dit oordeel van de rechtbank met grief 21. Ter onderbouwing van hun grief stellen zij dat zij bij e-mailbericht van 6 juni 2012 reeds bij [geïntimeerde] geklaagd hebben over de schuine draagbalken in de nok van de entree, hetgeen betrekking heeft op de overstek boven de entree van 20 cm in plaats van 30 cm.

4.6.20.1 Het hof overweegt als volgt. Voor zover al uit het e-mailbericht van 6 juni 2012 kan worden afgeleid dat [appellanten] c.s. klagen over verkeerde afmetingen van de overstek boven de entree, kan dit hen niet baten nu [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor gebreken die [appellanten] c.s. tijdens de bouw hebben geconstateerd maar die niet in het proces-verbaal van oplevering zijn opgenomen. Nu het gestelde gebrek niet in het proces-verbaal van oplevering is opgenomen, moeten [appellanten] c.s. geacht worden de overstek boven de entree in die uitvoering te hebben geaccepteerd.
hoogteverschil plafond entree (grief 21 in principaal appel)

4.6.21

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat er een hoogteverschil is ontstaan in het plafond van de hal bij de entree. Naar de mening van [appellanten] c.s. is hiermee sprake van een zogenaamd 'esthetisch gebrek' in verband waarmee zij een bedrag voor waardevermindering van de woning vorderen.

4.6.21.1 De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] c.s. op dit punt afgewezen, nu [appellanten] c.s. niet weersproken hebben dat (onder andere) dit gestelde esthetische gebrek als zodanig zichtbaar was ten tijde van de oplevering. Daarmee stuit de gestelde waardevermindering - wat daar verder ook van zij - af op het bepaalde in artikel 7:578 lid 3 BW.

4.6.21.1 [appellanten] c.s. bestrijden dit oordeel van de rechtbank met grief 21. Ter onderbouwing van hun grief stellen zij dat zij zich bij e-mailbericht van 6 november 2012 reeds bij [geïntimeerde] beklaagd hebben over het hoogteverschil in het plafond.

4.6.21.1 Het hof overweegt dat ook ter zake van dit gebrek heeft te gelden dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor gebreken die [appellanten] c.s. tijdens de bouw hebben geconstateerd maar die niet in het proces-verbaal van oplevering zijn opgenomen. Het hof volstaat met een verwijzing naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.6.20.3 is overwogen.
ombouw rookkanalen (grief 21 in principaal appel)

4.6.22

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat de ombouw van de rookkanalen breder is uitgevallen, waardoor de afstand tussen beide pilaren klein is geworden en doorgang tussen de rookkanalen niet meer mogelijk is. Naar de mening van [appellanten] c.s. is hiermee sprake van een zogenaamd 'esthetisch gebrek' in verband waarmee zij een bedrag voor waardevermindering van de woning vorderen.

4.6.22.1 De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] c.s. op dit punt afgewezen, nu [appellanten] c.s. niet weersproken hebben dat (onder andere) dit gestelde esthetische gebrek als zodanig zichtbaar was ten tijde van de oplevering. Daarmee stuit de gestelde waardevermindering - wat daar verder ook van zij - af op het bepaalde in artikel 7:578 lid 3 BW.

4.6.22.1 [appellanten] c.s. bestrijden dit oordeel van de rechtbank met grief 21. Ter onderbouwing van hun grief stellen zij dat zij zich bij e-mailberichten van 22 augustus 2012 en 25 november 2012 reeds bij [geïntimeerde] beklaagd hebben over de breedte van de ombouw van de rookkanalen.

4.6.22.1 Het hof overweegt dat ook ter zake van dit gebrek heeft te gelden dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor gebreken die [appellanten] c.s. tijdens de bouw hebben geconstateerd maar die niet in het proces-verbaal van oplevering zijn opgenomen. Het hof volstaat met een verwijzing naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.6.20.3 is overwogen.
wegwerken schuifdeur inloopkast (grief 22 in principaal appel)

4.6.23

[appellanten] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de schuifdeur van de inloopkast niet overeenkomstig de bouwtekening is uitgevoerd. In plaats van deze in de muur weg te werken is de schuifdeur in de kast zelf geplaatst, waardoor er een dikkere muur is ontstaan en ruimteverlies is opgetreden. In verband hiermee vorderen zij een bedrag ter zake van waardevermindering van de woning.

4.6.23.1 De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] c.s. op dit punt afgewezen, kort gezegd omdat [appellanten] c.s. niet met concrete feiten en omstandigheden uiteen hebben gezet dat en tot welk beloop de woning door het aanwezig zijn van een bredere scheidingswand tussen slaapkamer en inloopkast in waarde is verminderd.

4.6.23.1 Tegen dit oordeel richt zich grief 22. [appellanten] c.s. stellen dat de dikte van de muur van de huidige inloopkast 38 cm is in plaats van 20 cm, waardoor een ruimte verlies is opgetreden van 1,2 m³. Gelet op de gemiddelde kostprijs per kubieke meter woning van een vrijstaande villa, kan het ruimteverlies gewaardeerd worden op een bedrag van € 600,-.

4.6.23.1 [geïntimeerde] betwist dat sprake is van een ruimteverlies van 18 cm; zij stelt dat de muur hooguit enkele centimeters dikker is uitgevoerd. Daarbij betwist [geïntimeerde] dat ten gevolge daarvan sprake is van waardevermindering van de woning en, subsidiair, de hoogte van het door [appellanten] c.s. gestelde bedrag aan waardevermindering.

4.6.23.1 Het hof is van oordeel dat [appellanten] c.s., tegenover de betwisting door [geïntimeerde] , hun stelling dat sprake is van een 18 cm dikkere wand van de inloopkast waardoor sprake is van een ruimteverlies van 1,2 m³ en waardoor waardevermindering in de woning is opgetreden ter hoogte van € 600,-, onvoldoende hebben onderbouwd.

4.6.23.1 Gelet op hetgeen het hof heeft overwogen onder rechtsoverweging 4.6.20 tot en met 4.6.23.4 dienen de grieven 21 en 22 in principaal appel te falen.
kierende aftimmering binnenkozijnen (grief 27 in principaal appel)

4.6.24

Ter zake van de kierende aftimmering van de binnenkozijnen in de badkamer en slaapkamer stellen [appellanten] c.s. dat [geïntimeerde] heeft nagelaten dit gebrek binnen drie maanden na oplevering te herstellen, zodat zij aanspraak maken op herstelkosten.

4.6.24.1 [geïntimeerde] heeft zich verweerd door te stellen dat zij de gebreken ter zake van de kierende aftimmering van de binnenkozijnen op 27 november 2014 heeft hersteld en dat [appellanten] c.s. het werk op diezelfde datum hebben aanvaard.

4.6.24.1 Daarop hebben [appellanten] c.s. erkend dat [geïntimeerde] ter zake van dit gebrek herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, maar stellen zij dat dit herstel slordig is uitgevoerd en dat zij het werk niet aanvaard hebben.

4.6.24.1 De rechtbank heeft overwogen dat [appellanten] c.s. hun stelling dat de herstelwerkzaamheden slordig zijn uitgevoerd niet nader onderbouwd hebben, zodat de rechtbank aan het gebrek voorbij gaat.

4.6.24.1 Met grief 27 betogen [appellanten] c.s. dat [geïntimeerde] de betreffende kozijnen volgespoten heeft met pur, hetgeen zij een onacceptabele wijze van herstel achten. De kozijnen zijn hierdoor niet schoon te houden, aldus [appellanten] c.s.

4.6.24.1 Het hof overweegt dat het in beginsel aan [geïntimeerde] is om te beoordelen op welke wijze het herstel van gebreken dient te geschieden. [geïntimeerde] heeft betwist dat het vullen van de opening achter een deurkozijn met pur geen acceptabele wijze van herstel zou zijn. Bij die stand van zaken ligt het op de weg van [appellanten] c.s. om hun stellingen dienaangaande nader te onderbouwen. Zij hebben ter zake echter geen bewijs aangeboden zodat het hof aan de stellingname van [appellanten] c.s. voorbij gaat.

4.6.24.1 Grief 27 in principaal appel faalt.
ventilatieroosters (grief 2 in incidenteel appel)

4.6.25

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat [geïntimeerde] ten onrechte in strijd met het Bouwbesluit 2012 geen ventilatieroosters in de muren heeft aangebracht. In verband hiermee hebben [appellanten] c.s. herstelkosten ter hoogte van € 719,95 gevorderd.

4.6.25.1 [geïntimeerde] heeft zich verweerd met de stelling dat in de Duitse bouwstijl de ventilatieroosters bestanddeel zijn van de kozijnen en dat bij verwijdering van de kozijnen uit de door haar te leveren prestatie het ook aan [appellanten] c.s. was om de ventilatieroosters te verzorgen.

4.6.25.1 De rechtbank heeft overwogen dat [geïntimeerde] eraan voorbij ziet dat [appellanten] c.s. ervan mochten uitgaan dat [geïntimeerde] de Nederlandse bouwwijze zou volgen, terwijl [geïntimeerde] niet heeft weersproken dat door het achterwege laten van de ventilatieroosters niet voldaan wordt aan het Bouwbesluit, waaraan [geïntimeerde] zegt zich steeds te confirmeren. De rechtbank heeft [geïntimeerde] dan ook veroordeeld tot betaling aan [appellanten] c.s. van het bedrag van € 719,95.

4.6.25.1 [geïntimeerde] komt met grief 2 in incidenteel appel op tegen dit oordeel van de rechtbank. Zij stelt dat zij zich aan het Bouwbesluit geconfirmeerd heeft in die zin, dat zij aan de normen daarvan heeft voldaan, dan wel een gelijkwaardig en geaccepteerd alternatief heeft gebruikt. Ventilatieroosters in de kozijnen zijn volgens [geïntimeerde] immers gelijkwaardig aan ventilatieroosters in de muur. Daarbij waren in de offerte van de kozijnenleverancier ook ventilatieroosters meegenomen.

4.6.25.1 Het hof overweegt als volgt. Ter comparitie in hoger beroep heeft [geïntimeerde] zich beroepen op een e‑mailbericht van 24 mei 2012, waarin [appellanten] c.s. schrijven dat zij hebben besloten dat de ventilatieroosters het beste in het glas kunnen worden ingebouwd, zodat [geïntimeerde] daarmee in de bouw geen rekening hoeft te houden. [appellanten] c.s. hebben daarop verklaard dat de achtergrond van dit e-mailbericht erin gelegen is dat zij er op dat moment van uitgingen dat inbouw van de ventilatieroosters in het glas de enige optie was, terwijl hun kort nadien bleek dat de ventilatieroosters wel degelijk uit het zicht, en dus niet in het glas maar in de muren gemaakt konden worden. Zij hebben [geïntimeerde] daarop, twee dagen na het genoemde e‑mailbericht, te kennen gegeven dat zij de ventilatieroosters toch buiten het glas geplaatst wensten te zien. [geïntimeerde] heeft deze stelling van [appellanten] c.s. onweersproken gelaten, zodat het hof er vanuit gaat dat het plaatsen van de ventilatieroosters tot de door [geïntimeerde] te leveren prestatie behoorde. Niet in geschil is dat [geïntimeerde] heeft nagelaten de ventilatieroosters te plaatsen, terwijl vaststaat dat door het achterwege laten van die roosters niet voldaan wordt aan het Bouwbesluit 2012, waaraan [geïntimeerde] steeds zegt zich te confirmeren. Dat in het glas ingebouwde ventilatieroosters qua ventilatie/luchtcirculatie gelijkwaardig kunnen worden geacht aan in de muur ingebouwde ventilatieroosters doet hier niet aan af, nu [geïntimeerde] kort na het genoemde e-mailbericht 24 mei 2012 wist dat [appellanten] c.s. de ventilatieroosters niet in het glas ingebouwd wensten te zien.

4.6.25.1 Grief 2 in incidenteel appel faalt.
scheurvorming in schilder- en stucwerk (vermeerdering van eis)

4.6.26

[appellanten] c.s. hebben bij wege van vermeerdering van eis herstel c.q. schadevergoeding gevorderd in verband met de omstandigheid dat [geïntimeerde] na herstel van de scheurvorming in de woning op 27 november 2014 een andere kleur verf heeft gebruikt, terwijl bovendien op diverse plaatsen de scheurvorming terugkomt.

4.6.26.1 Het hof stelt vast dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.11.2 van het bestreden vonnis heeft overwogen dat op het onderdeel van de scheurvorming nog adequaat herstel noodzakelijk is, en dat de kosten daarvan, in overeenstemming met de schatting van de deskundige van Lengkeek, € 3.500,- inclusief BTW zullen bedragen. [geïntimeerde] is veroordeeld dit bedrag aan [appellanten] c.s. te vergoeden. Het hof vermag zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien op grond waarvan [appellanten] c.s. nu, bij vermeerdering van eis, aanspraak kunnen maken op nadere schadevergoeding op dit punt.

De vordering van [appellanten] c.s. zal dan ook worden afgewezen.

vlizoluik (vermeerdering van eis)

4.6.27

[appellanten] c.s. hebben bij wege van vermeerdering van eis primair herstel en subsidiair aanvullende schadevergoeding gevorderd in verband met een gebrek ter zake van het vlizoluik. [appellanten] c.s. stellen dat dit luik, ook na herstel door [geïntimeerde] , niet goed functioneert doordat het moeilijk te sluiten is en regelmatig open valt.

4.6.27.1 [geïntimeerde] betwist dat sprake is van een gebrek aan het vlizoluik. In het proces-verbaal van oplevering is dit gebrek ook niet als zodanig benoemd, daarin is immers enkel opgenomen dat de vlizotrap nog moest worden ingekort en het traphek rond de vlizotrap ontbrak. Deze werkzaamheden heeft [geïntimeerde] op 27 november 2014 verricht.

4.6.27.1 Het hof overweegt als volgt. Gesteld noch gebleken is dat [appellanten] c.s. zich op enig moment bij [geïntimeerde] over het niet goed functioneren van het vlizoluik hebben beklaagd. Dit aspect komt ook niet aan de orde in het rapport van de deskundige van Lengkeek. Dat hier een gebrek aan de orde is waarvoor [geïntimeerde] aansprakelijk is, is daardoor naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd.
plint keuken (vermeerdering van eis)

4.6.28

[appellanten] c.s. hebben bij wege van vermeerdering van eis primair herstel en subsidiair aanvullende schadevergoeding gevorderd in verband met een gebrek ter zake van de plint in de keuken. [appellanten] c.s. stellen, onder verwijzing naar een foto, dat deze plint los komt van de muur.

4.6.28.1 [geïntimeerde] betwist dat, als er drie jaar na oplevering sprake is van een losgeraakte plint, dit zou kunnen worden gekwalificeerd als een verborgen gebrek waarvoor [geïntimeerde] thans nog aansprakelijk zou zijn.

4.6.28.1 Het hof is van oordeel dat [appellanten] c.s. niet, althans onvoldoende, hebben onderbouwd dat ter zake van een ruim drie jaar na oplevering loslatende plint in de keuken sprake is van een aan [geïntimeerde] toe te rekenen gebrek of dat niet is voldaan aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Het hof gaat dan ook aan deze stelling van [appellanten] c.s. voorbij.
vlekken meranti voorpui (vermeerdering van eis)

4.6.29

[appellanten] c.s. vorderen bij wege van vermeerdering van eis primair herstel en subsidiair aanvullende schadevergoeding in verband met een gebrek ter zake van vlekken op de meranti voorpui. Volgens [appellanten] c.s. vertoont de voorpui lelijke vlekken en komt dit gebrek van binnenuit het hout, zodat [geïntimeerde] , nu zij het hout heeft aangebracht, hiervoor aansprakelijk is.

4.6.29.1 [geïntimeerde] betwist dat sprake is van een gebrek 'van binnenuit' en stelt dat kleurverandering in het hout het gevolg is van weersomstandigheden. De vraag of dat 'lelijk' gevonden wordt is volgens [geïntimeerde] persoonsgebonden.

4.6.29.1 In het licht van de betwisting van [geïntimeerde] hebben [appellanten] c.s. naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de meranti voorpui zodanige vlekken vertoont dat sprake is van een gebrek aan het werk en dat het geen kwestie van smaak betreft. De in dit kader door [appellanten] c.s. overgelegde foto maakt dit niet anders, nu het hof daarop niet de door hen genoemde vlekken kan constateren.


Minderwerk

4.7

[appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat [geïntimeerde] op een aantal onderdelen het werk niet, althans niet zoals overeengekomen, heeft uitgevoerd, zodat er sprake is van minderwerk.
stellatten/stelkozijnen (grief 5 in principaal appel)

4.7.1

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat [geïntimeerde] ten onrechte geen stellatten en stelkozijnen heeft geplaatst, zodat zij dit werk in eigen beheer hebben moeten laten uitvoeren. Volgens [appellanten] c.s. is hiermee sprake van minderwerk ten bedrage van € 4.581,50, zodat dit in mindering moet worden gebracht op de factuur van [geïntimeerde] .

4.7.1.1 De rechtbank heeft ter zake van de stellatten en stelkozijnen overwogen dat zij uit de stellingname van partijen begrijpt dat bij de plaatsing van kozijnen conform de Nederlandse bouwstijl stellatten en stelkozijnen nodig zijn. Vast staat echter dat partijen op 15 maart 2012 zijn overeengekomen dat [appellanten] c.s. de levering en plaatsing van de buitenkozijnen en de buitendeuren in eigen beheer zouden uitvoeren. [geïntimeerde] heeft in de offerte bij het onderdeel dat ziet op de levering en plaatsing van "Fenster- und Aussentüren" ook geen bedrag opgevoerd, zodat het [appellanten] c.s. duidelijk was dat [geïntimeerde] geen materialen zou leveren of werkzaamheden zou verrichten, onverschillig welke bouwwijze.

4.7.1.1 Tegen dit oordeel van de rechtbank richt zich grief 5. [appellanten] c.s. betogen in de toelichting op hun grief dat het op de weg van [geïntimeerde] had gelegen expliciet aan [appellanten] c.s. kenbaar te maken dat zij met haar bouwwijze zou afwijken van de Nederlandse. Tot de taak van de aannemer behoort het plaatsen van stellatten en stelkozijnen bij het in acht nemen van de Nederlandse bouwwijze, ook indien de kozijnen door een derde geplaatst worden, aldus [appellanten] c.s.

4.7.1.1 Het hof overweegt als volgt. Nadat [appellanten] c.s. was gebleken dat [geïntimeerde] in haar offerte rekening had gehouden met de plaatsing van de kozijnen op de Duitse bouwwijze, hetgeen erop neerkomt dat de kozijnen achter de stenen worden geplaatst, hebben zij besloten het plaatsen van de kozijnen in eigen beheer, conform de Nederlandse bouwwijze, uit te laten voeren. Daarop is de levering en plaatsing van "Fenster- und Aussentüren" door [geïntimeerde] uit de offerte gehaald. Vervolgens zijn [appellanten] c.s. (onaangenaam) verrast door het feit dat bij de plaatsing van de kozijnen conform de Nederlandse bouwwijze het plaatsen van stellatten en stelkozijnen noodzakelijk is en zij in verband hiermee kosten hebben moeten maken ter hoogte van € 4.581,50. Anders dan [appellanten] c.s. betogen, betreft dit echter geen kosten die [geïntimeerde] zich heeft bespaard en die dientengevolge in het kader van minderwerk in mindering kunnen worden gebracht op de factuur van [geïntimeerde] . Immers, [geïntimeerde] heeft ter zake van de levering en plaatsing van de kozijnen geen bedrag opgevoerd. Had het leveren en plaatsen van de kozijnen conform de door [appellanten] c.s. gewenste Nederlandse bouwwijze wel onderdeel uitgemaakt van de offerte, dan was de offerte van [geïntimeerde] verhoogd met de kosten ter zake van de stellatten en stelkozijnen.

4.7.1.1 Voor zover [appellanten] c.s. betogen dat het op de weg van [geïntimeerde] had gelegen om hen te waarschuwen voor het feit dat zij bij het plaatsen van de kozijnen conform de Nederlandse bouwwijze geconfronteerd zouden worden met de kosten voor stellatten en stelkozijnen, kan het hof hen in dit betoog niet volgen. Op grond van artikel 7:754 BW is de aannemer bij uitvoering van de overeenkomst immers alleen verplicht de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht, gebreken en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, en fouten of gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen bestekken of uitvoeringsvoorschriften. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

4.7.1.1 Grief 5 in principaal appel faalt.
ontbreken slaapkamerwand(grief 9 in principaal appel)

4.7.2

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat [geïntimeerde] een overeengekomen slaapkamerwand niet heeft opgetrokken, zodat sprake is van minderwerk. Hiermee is volgens [appellanten] c.s. een bedrag van € 895,40 gemoeid.

4.7.2.1 [geïntimeerde] heeft erkend dat zij de desbetreffende slaapkamerwand niet heeft opgetrokken, maar betwist dat daarmee sprake is van een minderwerkpost ter hoogte van € 895,40. Volgens [geïntimeerde] heeft zij zich aan materiaalkosten € 60,- bespaard, zodat dat bedrag in mindering op de aanneemsom kan komen.

4.7.2.1 De rechtbank is, nu [appellanten] c.s. geen berekening hebben overgelegd van het door hen becijferde bedrag van € 895,40, uitgegaan van hetgeen [geïntimeerde] becijferd heeft, met dien verstande dat [geïntimeerde] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met bespaarde arbeidsuren, die de rechtbank ex aequo et bono vaststelt op twee uren. Uitgaande van de overeengekomen uurvergoeding van € 24,25 heeft de rechtbank deze post op een bedrag van € 108,50 gesteld.

4.7.2.1 [appellanten] c.s. kunnen zich niet vinden in dit oordeel van de rechtbank en stellen met grief 9 dat een uurvergoeding van € 24,25 niet marktconform is, terwijl door de rechtbank tevens geen rekening is gehouden met bespaard materiaal. Het door [appellanten] c.s. gevorderde bedrag van € 895,40 is gebaseerd op een meerwerkofferte d.d. 5 oktober 2012 voor het verplaatsen van de oorspronkelijke wand, waartoe uiteindelijk niet is overgegaan.

4.7.2.1 Het hof volgt [appellanten] c.s. niet in hun stellingname. Deze ziet er immers aan voorbij dat het bedrag dat wegens minderwerk in rekening dient te worden gebracht, moet worden berekend op basis van de door [geïntimeerde] bespaarde kosten, en niet op basis van kosten die [geïntimeerde] in het kader van meerwerk in rekening zou hebben gebracht bij het (ver)plaatsen van een wand, zo dit al dezelfde wand betreft. Nu partijen een uurvergoeding van € 24,25 zijn overeengekomen en [appellanten] c.s. voorts niet betwisten dat met het materiaal van de desbetreffende wand een bedrag van € 60,- gemoeid is, acht het hof het door de rechtbank berekende bedrag aan minderwerk van € 108,50 redelijk.

4.7.2.1 Grief 9 in principaal appel faalt.
kwaliteit natuursteen vensterbanken(grief 10(i) in principaal appel)

4.7.3

[appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat [geïntimeerde] een mindere kwaliteit natuursteen vensterbanken heeft geleverd dan is overeengekomen en daardoor € 965,58 heeft bespaard.

4.7.3.1 De rechtbank heeft overwogen dat [appellanten] c.s. deze door [geïntimeerde] betwiste stellingname niet nader hebben onderbouwd, terwijl het opleveringsrapport noch het expertiserapport iets inhoudt over andere, althans onjuiste vensterbanken. De rechtbank is daarom aan deze gestelde minderwerkpost voorbij gegaan.

4.7.3.2 [appellanten] c.s. bestrijden dit oordeel van de rechtbank met grief 10(i). Zij stellen dat zij nog voor het sluiten van de aanneemovereenkomst met [geïntimeerde] zijn overeengekomen dat de vensterbanken zouden worden uitgevoerd in natuursteentype 'Sahara Crème' van Michel Oprey. Tijdens de bouw heeft [geïntimeerde] [appellanten] c.s. echter een vijftal monsters natuursteen voorgelegd, waaruit zij moesten kiezen. Toen [appellanten] c.s. daarop verklaarden dat zij de vensterbanken in het type natuursteen 'Sahara Crème' uitgevoerd wensten te zien, ontvingen zij een meerwerkofferte ter hoogte van € 965,58. Toen vervolgens bleek dat dit type steen niet op tijd kon worden geleverd, hebben [appellanten] c.s. noodgedwongen ingestemd met het door [geïntimeerde] aangedragen alternatief. Daarmee heeft [geïntimeerde] zich volgens [appellanten] c.s. een bedrag van € 965,58 bespaard.

4.7.3.2 Het hof overweegt als volgt. De stelling van [appellanten] c.s. is er op gestoeld dat in de aanneemovereenkomst tussen partijen is overeengekomen dat de natuurstenen vensterbanken zouden worden uitgevoerd in het type 'Sahara Crème' van Michel Oprey. Dit wordt echter door [geïntimeerde] betwist. [geïntimeerde] heeft in dat kader verklaard dat voorafgaand aan het sluiten van de aanneemovereenkomst is gesproken over dit door [appellanten] c.s. gewenste type natuursteen, maar dat nog voor het sluiten van de aanneemovereenkomst bleek dat [geïntimeerde] dit type niet kon leveren, waarna de gesloten overeenkomst is gebaseerd op het type natuursteen dat uiteindelijk ook door [geïntimeerde] is geleverd. Nu de aanneemovereenkomst en de offerte voorts geen aanknopingspunten bieden voor het standpunt van [appellanten] c.s. dat partijen natuursteen van het type 'Sahara Crème' zijn overeengekomen, is het hof van oordeel dat [appellanten] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat zij een goedkoper type natuursteen geleverd hebben gekregen dan zij overeen waren gekomen en dat daarmee sprake is van een minderwerkpost ter hoogte van € 965,58. Voor zover [appellanten] c.s. in dit kader naar de Toelichting hebben verwezen, waarin het type 'Sahara Crème' genoemd staat, kan dit hen niet baten. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 4.4.4 en 4.4.5.

4.7.3.2 Grief 10(i) in principaal appel faalt.
tegelrand bad(grief 25 in principaal appel)

4.7.4

[appellanten] c.s. hebben gesteld dat de tegelrand langs het bad sterk is vereenvoudigd doordat slechts een smalle tegelrand is geplaatst in plaats van een brede rand met nis. Volgens [appellanten] c.s. heeft dit een kostenbesparing voor [geïntimeerde] opgeleverd ter hoogte van € 250,-.

4.7.4.1 De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] c.s. op dit punt afgewezen, overwegende dat [appellanten] c.s. hebben nagelaten het bedrag van € 250,- te onderbouwen terwijl [geïntimeerde] daarenboven onweersproken heeft aangevoerd dat het de installateur is geweest die het bad heeft geplaatst en dat [geïntimeerde] slechts het zetten van de tegels heeft verzorgd.

4.7.4.1 [appellanten] c.s. komen tegen dit oordeel van de rechtbank op met grief 25. Zij stellen dat de tekening van de indeling van de badkamer met daarbij de nis in de badrand in de offerteaanvraag is opgenomen, en daarmee deel uitmaakt van de in de offerte opgenomen werkzaamheden.

4.7.4.1 Het hof overweegt als volgt. Nog daargelaten dat [appellanten] c.s. ook in hoger beroep het gestelde bedrag van € 250,- aan minderwerk niet hebben onderbouwd, terwijl zij evenmin hebben betwist dat het de installateur is geweest die het bad heeft geplaatst en dat [geïntimeerde] slechts verantwoordelijk was voor het zetten van de tegels, kan de verwijzing van [appellanten] c.s. naar bijlage 8 bij de Toelichting hen niet baten, nu de toelichting geen deel uitmaakt van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. Het hof verwijst naar rechtsoverwegingen 4.4.4 en 4.4.5.

4.7.4.1 Grief 25 in principaal appel faalt.
aftimmering en schuifdeuren bergruimte(grief 26 in principaal appel)

4.7.5

[appellanten] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat partijen waren overeengekomen dat de gehele bovenverdieping van het huis zou worden voorzien van bergruimte met schuifdeuren. [appellanten] c.s. hebben hier tijdens de bouw vanaf gezien en stellen dat er derhalve sprake is van minderwerk ter hoogte van € 4.000,-.

4.7.5.1 [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat partijen blijkens de offerte aanvankelijk bergruimte op de bovenverdieping zonder schuifdeuren overeen waren gekomen. [appellanten] c.s. hebben dit punt op enig moment laten vallen, waarna [geïntimeerde] ter zake hiervan op 29 november 2011 een creditnota ter hoogte van - € 653,24 aan [appellanten] c.s. heeft verzonden. Dit bedrag is (exclusief btw) in mindering gebracht op de slotfactuur van 6 maart 2013.

4.7.5.1 De rechtbank heeft overwogen dat in de offerte van 9 maart 2012 is opgenomen het aftimmeren van de schuine zijden onder het dakbeschot tot een hoogte van 1 meter, zonder het aanbrengen van een luik, klep of schuif. Daaruit volgt dat [geïntimeerde] het aanbrengen van schuifdeuren niet heeft aangeboden en dat zulks ook niet op 15 maart 2012 is overeengekomen. Er is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan te nemen dat daarvoor in de aanneemsom een bedrag is begrepen. [geïntimeerde] heeft de besparing van het niet aanbrengen van de aftimmering berekend op per saldo € 653,24 inclusief btw, onder verwijzing naar de creditnota van 29 november 2012, hetgeen [appellanten] c.s. onweersproken hebben gelaten. Nu deze post reeds in de factuur van 6 maart 2013 ten gunste van [appellanten] c.s. is verwerkt, bestaat geen reden het bedrag nogmaals in aftrek te nemen.

4.7.5.1 Tegen dit oordeel van de rechtbank richt zich grief 26. [appellant] stellen dat zij erop mochten vertrouwen dat de bergruimte werd voorzien van schuifdeuren nu dit in de Toelichting is vermeld. Bovendien mochten [appellanten] c.s. uit de tekst van de offerte "Verkleiden der Abseiten im DG aus Rigips bis 1,00 m Höhe (Ohne Klappen)" opmaken dat aftimmering zonder naden zou worden aangebracht; [appellanten] c.s. zijn er nimmer vanuit gegaan dat er geen schuifdeuren geplaatst zouden worden.

4.7.5.1 Voor zover [appellanten] c.s. zich ter onderbouwing van hun standpunt hebben beroepen op de inhoud van de Toelichting, volstaat het hof met een verwijzing naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.4.4 en 4.4.5. Voor het overige verenigt het hof zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 4.7.17 van het bestreden vonnis, waarvan de inhoud hiervoor verkort is weergegeven onder rechtsoverweging 4.7.5.2. Het hof neemt dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overweging over en maakt die tot de zijne.

4.7.5.1 Grief 26 in principaal appel faalt.
Meerwerk

4.7.6

Met betrekking tot de afrekening inzake meerwerk bestaan in hoger beroep nog twee geschilpunten tussen partijen, die het hof hierna zal bespreken.
dakgoot Polux (grief 3 in incidenteel appel)

4.7.7

Tussen partijen is in geschil of [appellanten] c.s. gebonden zijn aan de meerwerkovereenkomst van 25 september 2012, leidende tot een meerprijs voor de Polux dakgoot van € 9.341,50.

4.7.7.1 [appellanten] c.s. hebben zich in dat kader op het standpunt gesteld dat zij de meerwerkovereenkomst uitsluitend onder de druk van een aangekondigde bouwstop hebben getekend, zodat de overeenkomst volgens hen als gevolg van bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Volgens [appellanten] c.s. was het leveren en plaatsen van de Polux dakgoot inbegrepen in de aannemingsovereenkomst en werd een gewijzigd formaat dakgoot noodzakelijk doordat [geïntimeerde] op eigen initiatief afweek van het overeengekomen bouwplan.

4.7.7.1 De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de meerwerkovereenkomst door de buitengerechtelijke verklaring van 29 november 2013 door [appellanten] c.s. is vernietigd, hetgeen tot gevolg heeft dat er geen grond bestaat voor het door [geïntimeerde] aan [appellanten] c.s. in rekening brengen van meerkosten voor het leveren en plaatsen van de Polux dakgoot ad € 9.341,50.

4.7.7.1 Tegen dit oordeel van de rechtbank richt zich grief 3 in incidenteel appel. Het standpunt van [geïntimeerde] komt erop neer dat [appellanten] c.s. een dakgoot wilden van het merk Polux. Over een naadloze dakgoot is in de offertefase nimmer gesproken. Ook de exacte breedtemaat van de dakgoot en daarmee de exacte dakoverstand was niet overeengekomen. Deze maten zijn afhankelijk van de dakhoek, de hoogte van de dakoverstand boven de kozijnen en de maat van de pannenlatten van de dakpannen. De dakgoten van Polux zouden worden uitgevoerd met een dakgoot van 60 cm met een kleine variabele verbreding. [appellanten] c.s. waren akkoord met de verbreding van het dakoverstek, maar zij wilden geen naad in de dakgoot zien. Daarop heeft [geïntimeerde] aangegeven dat een speciaal product verhoudingsgewijs tot erg hoge kosten zou leiden. Die extra kosten hebben [appellanten] c.s. volgens [geïntimeerde] geaccepteerd.

4.7.7.1 Het hof stelt, met de rechtbank, voorop dat in de aannemingsovereenkomst van 15 maart 2012 wordt verwezen naar de op 9 maart 2012 uitgebrachte offertes. In die offertes wordt de levering en plaatsing aangeboden van een "Polux Polyester goot Type SPB-Variabel "Luxor", RAL 9010", zowel voor de woning als de garage. De maatvoering van deze dakgoten is in de offertes niet vermeld. Uit de tekeningen van de architect blijkt echter een dakoverstek van 70 cm, een dakhoek van 45 graden en een hoogte van dakoverstand boven de kozijnen van 25 cm. Gelijk de rechtbank heeft overwogen is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] daarmee al in de offertefase beschikte over alle noodzakelijke informatie om een passende goot van het merk Polux aan te bieden. Daarbij toont de detaillering van de architect een dakgoot uit één stuk, hetgeen een kenmerkende eigenschap is van Polux dakgoten, en blijkt uit de overgelegde e-mailcorrespondentie van begin maart 2012 dat partijen toen onder ogen hebben gezien dat het ging om een dure dakgoot, dat [geïntimeerde] daarvoor op de valreep geen meerprijs wilde rekenen en dat de offertebedragen vaststonden. Gelet hierop is het hof met de rechtbank van oordeel dat [appellanten] c.s. er gerechtvaardigd van mochten uitgaan dat de op de tekening van de architect voorkomende dakgoot uit één stuk met de daarbij vermelde maten werd aangeboden en tussen partijen is overeengekomen.

4.7.7.1 In juni 2012 heeft [geïntimeerde] vervolgens [appellanten] c.s. verzocht de dakoverstek 10 centimeter breder te mogen maken. [appellanten] c.s. hebben onweersproken gesteld dat zij hiermee hebben ingestemd onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat dit geen nadelige gevolgen mocht hebben voor de overeengekomen dakgoot, terwijl zij reeds in juli 2012 [geïntimeerde] erop hebben gewezen dat Polux geen standaard mal heeft voor een bredere dakgoot. Dat [geïntimeerde] , nadat zij de bredere dakoverstek gerealiseerd had, werd geconfronteerd met de meerprijs die de firma Polux in rekening bracht in verband met het feit dat er een speciale mal gemaakt moest worden teneinde een passende dakgoot uit één stuk te kunnen leveren, kan naar het oordeel van het hof onder deze omstandigheden niet voor rekening van [appellanten] c.s. worden gebracht.

4.7.7.1 Het feit dat [appellanten] c.s. de meerwerkovereenkomst van 25 september 2012 ondertekend hebben, doet aan het vorenstaande niet af. Het hof overweegt daartoe als volgt. Vast staat dat [geïntimeerde] [appellanten] c.s. op 18 september 2015 heeft voorgehouden dat zij de meerkosten voor de bredere Polux dakgoot niet voor haar rekening wilde nemen. [geïntimeerde] heeft [appellanten] c.s. daarbij te kennen gegeven dat zij van de zijde van [appellanten] c.s. een beslissing verwacht aan het einde van die week, onder de toevoeging: "anders moet de totale bouwtijd om deze wachttijd verlengt worden". [appellanten] c.s. hebben daarop op 21 september 2012 geantwoord: "Zuiver en alleen met het oog op de continuïteit van de bouw, dus zonder daarbij afbreuk te doen aan het standpunt dat wij ter zake hebben ingenomen, geven wij jullie de opdracht om de goot te plaatsen zoals overeengekomen: in een geheel. Dit dus onder uitdrukkelijk protest met voorbehoud van alle rechten en weren." Vervolgens hebben [appellanten] c.s. bij brief van hun gemachtigde van 29 november 2013 de buitengerechtelijke vernietiging van de meerwerkovereenkomst ingeroepen, op grond van bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden.
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kan de handelswijze van [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof niet worden gekwalificeerd als bedreiging in de zin van artikel 3:44 lid 2 BW. Immers, de enkele mededeling dat de bouwtijd moet worden verlengd indien [appellanten] c.s. niet (tijdig) de meerwerkovereenkomst ondertekenen, is niet een zodanige bedreiging dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.
De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden duiden wel op misbruik van omstandigheden. Op grond van artikel 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Hiervan is sprake, nu het voor [geïntimeerde] duidelijk was dat [appellanten] c.s. de meerwerkovereenkomst onder protest getekend hebben met geen andere reden dan om te voorkomen dat de bouw van hun woning (aanzienlijke) vertraging zou oplopen. De verklaring voor recht dat de meerwerkovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd is daarom terecht toegewezen.

4.7.7.1 Grief 3 in incidenteel appel faalt.
'Verkleiding der Fensterleibungen' (grief 23 in principaal appel)

4.7.8

[appellanten] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] ten onrechte meerwerkkosten van € 911,78 in rekening heeft gebracht voor de extra gipsbeplating die zij moest aanbrengen langs de raamkozijnen omdat de stelkozijnen hier dieper zijn geworden.

4.7.8.1 De rechtbank heeft ter zake van deze meerwerkpost geoordeeld dat de (hiervoor onder rechtsoverweging 2.9 genoemde) opdrachtbevestiging van 16 oktober 2012 een bedrag van € 927,10 inclusief BTW vermeldt, terwijl datzelfde bedrag in de factuur van 6 maart 2013 is opgenomen. Nu [appellanten] c.s. hun stelling dienaangaande niet nader onderbouwd hebben, is de rechtbank hieraan voorbij gegaan.

4.7.8.1 Met grief 23 betogen [appellanten] c.s. dat zij op factuur "Abslagsrechnung 5 nummer 1/13" een bedrag van € 911,78 in mindering hebben gebracht en dat hierop geen commentaar van de zijde van [geïntimeerde] is gekomen, waaruit blijkt dat tussen partijen is afgesproken dat [appellanten] c.s. het bedrag van € 911,78 niet hoefden te betalen.

4.7.8.1 Het hof overweegt dat [appellanten] c.s. niet betwisten dat zij het betreffende meerwerk in opdracht hebben gegeven voor een bedrag van € 927,10, terwijl uit de factuur van 6 maart 2013 blijkt dat dit bedrag ook bij hen in rekening is gebracht. Dat [appellanten] c.s. met [geïntimeerde] zijn overeengekomen dat zij een bedrag van € 911,78 niet hoefden te voldoen, wordt door [geïntimeerde] betwist. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing van deze stelling, gaat het hof hieraan voorbij.

4.7.8.1 Grief 23 faalt.
Kosten expertiserapport Lengkeek (grief 24 in principaal appel)

4.8

[appellanten] c.s. hebben vergoeding gevorderd voor de door hen gemaakte kosten voor inschakeling van een deskundige van Lengkeek, door hen gesteld op een bedrag van € 3.000,-.

4.8.1

De rechtbank heeft deze (door [geïntimeerde] betwiste) vordering van [appellanten] c.s. als zijnde onvoldoende onderbouwd afgewezen, onder meer omdat [appellanten] c.s. hebben nagelaten een factuur en bewijs van betaling van de desbetreffende kosten over te leggen.

4.8.2

Tegen dit oordeel keert zich grief 24, waarmee [appellanten] c.s. betogen dat de kosten van de deskundige van Lengkeek gelden als kosten voor de vaststelling van de schade op grond van artikel 6:96 BW, waardoor zij voor vergoeding in aanmerking komen. Ter onderbouwing verwijzen [appellanten] c.s. naar een e-mailbericht van hun rechtsbijstandsverzekeraar ARAG d.d. 4 maart 2014, waaruit blijkt dat ARAG ter zake van de kosten de deskundige van Lengkeek een bedrag van € 1.700,- exclusief BTW vergoedt.

4.8.3

Het hof stelt voorop dat op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding als vermogensschade in aanmerking komen. Uit het hiervoor genoemde e-mailbericht van ARAG blijkt dat [appellanten] c.s. kennelijk voor rechtsbijstand zijn verzekerd. Ter comparitie in hoger beroep is in dat verband aan de orde gekomen of en in hoeverre [appellanten] c.s. de deskundigenkosten zelf hebben gemaakt. [appellanten] c.s. hebben daarop verklaard dat ARAG de deskundigenkosten slechts bij wege van voorschot vergoedt. Nu [geïntimeerde] dit betoog onweersproken hebben gelaten, neemt het hof tot uitgangspunt dat de kosten ter hoogte van € 1.700,- exclusief BTW (€ 2.057,- inclusief BTW) uiteindelijk door [appellanten] c.s. worden gedragen.

4.8.4

Het hof constateert dat het deskundigenrapport van Lengkeek, zoals [geïntimeerde] ook heeft gesteld, voor een groot deel betrekking heeft op gebreken waarvoor [geïntimeerde] niet aansprakelijk is. Op grond daarvan ziet het hof aanleiding een deel van de kosten van de rapportage van Lengkeek voor rekening van [appellanten] c.s. te laten. Het hof zal het door [geïntimeerde] te vergoeden bedrag ex aequo et bono vaststellen op een bedrag van € 500,- inclusief BTW. In zoverre slaagt grief 24 in principaal appel.
Duitse of Nederlandse bouwwijze?

4.9

Met grief 1 in incidenteel appel richt [geïntimeerde] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] c.s. er gerechtvaardigd vanuit mochten gaan dat [geïntimeerde] de Nederlandse bouwstijl zou volgen.

4.9.1

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen in rechtsoverwegingen 4.6.25.4 en 4.7.1.3 behoeft deze grief geen aparte bespreking meer, zodat het hof hieraan voorbij gaat.
De slotsom

4.10

De slotsom luidt dat grief 24 in principaal appel gedeeltelijk slaagt, dat grief 1 in incidenteel appel geen verdere bespreking behoeft, dat de vorderingen ingesteld bij wege van vermeerdering van eis worden afgewezen en dat de overige grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd voor zover de rechtbank daarin de vordering van [appellanten] c.s. tot de vergoeding van de deskundigenkosten geheel heeft afgewezen, en voor het overige worden bekrachtigd.

4.10.1.1 Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij, zullen [appellanten] c.s. worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep (2 punten, tarief 4). Ook de wettelijke rente en de nakosten zullen als niet weersproken worden toegewezen.


De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 2 maart 2016 voor zover daarin de vordering van [appellanten] c.s. ter zake van vergoeding van de deskundigenkosten is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellanten] c.s. van een bedrag van € 500,- (inclusief BTW) ter zake van deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2014 tot de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld als volgt:
€ 1.957,- aan verschotten en € 3.918,- aan geliquideerd salaris van de advocaat, te vermeerderen met nakosten ten belope van € 157,- zonder betekening dan wel € 239,- in geval van betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarbij uitgesproken veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, voorzitter, mr. W.P.M. ter Berg en mr. M.A.L.M. Willems, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 juli 2018.