Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:6073

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
WAHV 200.201.544
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde termijn voor zekerheidstelling. Is sprake van een tijdig draagkrachtverweer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.201.544

2 juli 2018

CJIB 192289701

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 22 september 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] B.V.,

[C] , kantoorhoudende te [D]

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig zekerheid is gesteld.

2. De gemachtigde voert aan dat door de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het beroep op het ontbreken van de financiƫle draagkracht. Er is namens de betrokkene tijdig een draagkrachtverweer gevoerd. De gemachtigde betoogt verder dat de tweede zekerheidstellingsbrief die gedateerd is op donderdag 28 april 2016, niet op die dag ter post bezorgd is waardoor de feitelijke termijn korter was. Volgens de gemachtigde wordt door de CVOM de zogenaamde 72-uursverzending van de post gehanteerd en had hij de brief dan ook uiterlijk op dinsdag 3 mei 2016 moeten ontvangen. De brief heeft hij echter pas na een week ontvangen.

3. In het dossier bevinden zich afschriften van twee brieven van de officier van justitie van 11 april 2016 en 28 april 2016 aan de gemachtigde van de betrokkene. Hierin wordt de betrokkene gewezen op de wettelijke verplichting om op grond van artikel 11 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) zekerheid te stellen voor het bedrag van de onderhavige sanctie en de administratiekosten binnen twee weken na verzending van die zekerheidsbrieven. In deze brieven staat vermeld hoe zekerheid kan worden gesteld. Tevens wordt de betrokkene gewezen op de mogelijke gevolgen wanneer niet tijdig zekerheid wordt gesteld.

4. Ingevolge artikel 11, derde lid (thans vierde lid) van de Wahv dient zekerheid te worden gesteld binnen twee weken na de dag van de verzending van de mededeling daarover. Voor zover de gemachtigde heeft aangevoerd dat de termijn voor het stellen van zekerheid later is verstreken omdat de brieven later zijn ontvangen, gaat dit verweer niet op omdat de datum van verzending en niet de datum van ontvangst bepalend is voor de aanvang van de termijn. Met betrekking tot het verweer dat de tweede zekerheidsbrief later moet zijn verzonden, overweegt het hof dat zekerheidsbrieven namens de officier van justitie worden verzonden door de CVOM. Het hof heeft in het arrest van 28 januari 2013 (WAHV 200.113.192, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1110) overwogen dat, gelet op de in dat arrest beschreven vaste werkwijze van de CVOM bij de verzending van de zekerheidsbrieven, de kans op fouten daarbij nagenoeg is uitgesloten. Daarom mag worden aangenomen dat de hiervoor genoemde brieven van de officier van justitie daadwerkelijk zijn verzonden en tevens dat dit is gebeurd op de dag van dagtekening. Gelet hierop is aannemelijk dat de tweede zekerheidsbrief op 28 april 2016 is verzonden.

5. Gelet op het voorgaande betrof de uiterste datum om zekerheid te stellen

14 mei 2016.

6. De gemachtigde heeft in een brief, gedateerd 12 mei 2016, aangevoerd dat niet de draagkracht aanwezig is om de zekerheidstelling volledig en tijdig te voldoen. De brief is blijkens het daarop geplaatste stempel op 17 mei 2016 door de CVOM ontvangen, derhalve na verstrijken van de termijn om zekerheid te stellen. Artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in dit geval niet van toepassing, ook niet naar analogie, aangezien het bedrag van de zekerheidstelling uiterlijk op 14 mei 2016 moest zijn bijgeschreven op de rekening van het CJIB. Dat de brief voor het einde van de termijn voor het stellen van zekerheid ter post zou zijn bezorgd en binnen een week na afloop daarvan is ontvangen maakt derhalve, anders dan de gemachtigde heeft aangevoerd, niet dat het draagkrachtverweer tijdig is gevoerd.

7. Voor zover de gemachtigde heeft betoogd dat termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat de ontvangst van de zekerheidsbrief is vertraagd en daardoor de termijn korter is geworden, overweegt het hof dat gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen aannemelijk is dat de brief op 28 april 2016 is verzonden. De omstandigheid dat de gemachtigde deze brief pas na een week zou hebben ontvangen, brengt niet mee dat de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht, nu de late ontvangst op zichzelf niet meebrengt dat niet tijdig kon worden gereageerd.

8. De kantonrechter heeft - gelet op het voorgaande - het beroep dan ook terecht

niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de bestreden beslissing daarom bevestigen. Dit brengt mee dat het hof niet kan toekomen aan de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie.

9. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.