Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:5971

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
200.208.251
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Waiver zaak. Verklaring voor recht afgewezen. Mogelijk vordering vanwege buitengerechtelijke vernietiging. Bekendheid echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.208.251

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 3916148)

arrest van 26 juni 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
11 november 2016, dat de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 20 januari 2017,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, met producties,

- een akte uitlating van [appellant] , met producties,
- een antwoordakte van Dexia.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen Dexia (rechtsopvolgster van (onder meer) Legio-Lease B.V.) en [appellant] is een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen. De effectenleaseovereenkomst genaamd “Spaarleasen” met contractnummer [contractnummer] is op 22 september 1998 gesloten voor een periode van 240 maanden met een totaal overeengekomen leasesom van NLG 47.938,56, omgerekend € 21.753,57 (hierna: de overeenkomst). Blijkens de eindafrekening van
3 november 2006 heeft de overeenkomst in een batig saldo van € 1.839,30 geresulteerd.

3.2

Bij brief van 31 maart 2006 aan Dexia heeft de echtgenote van [appellant] , [echtgenote] , bericht dat zij de door haar echtgenoot gesloten overeenkomst met contractnummer [contractnummer] vernietigt op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d en 1:89 BW wegens het ontbreken van haar toestemming.

3.3

Eveneens bij brief van 31 maart 2006 heeft Leaseproces B.V. (hierna: Leaseproces) namens [appellant] aan Dexia bericht dat zij de overeenkomst met contractnummer [contractnummer] vernietigt, althans ontbindt, dan wel opzegt en is Dexia gesommeerd binnen twee weken alle door [appellant] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen, alsmede BKR te Tiel op de hoogte te stellen van de vernietiging van de overeenkomst.

3.4

Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam de zogeheten “Duisenberg-regeling” voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033). [appellant] heeft door middel van een “opt-out” verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan de voornoemde regeling gebonden te willen zijn.

3.5

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige. Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983) de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel”. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.

3.6

Bij brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces namens [appellant] aan Dexia bericht dat [appellant] zich zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

3.7

De gemachtigde van Dexia heeft bij brieven van 14 augustus 2014 en 6 november 2014 [appellant] de mogelijkheid geboden aan te tonen dat hij nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [appellant] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon hij de bijgevoegde “waiver” ondertekenen en retourneren. [appellant] heeft de waiver niet ondertekend en geretourneerd.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Dexia heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [appellant] gesloten overeenkomst met contractnummer [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellant] verschuldigd is, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

4.2

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep


inhoud grieven

5.1

[appellant] komt met twee grieven op tegen het vonnis van de kantonrechter. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat het beroep van Dexia op verjaring van de vordering tot vernietiging van de overeenkomst door zijn echtgenote slaagt en vervolgens de vordering van Dexia toegewezen. [appellant] voert aan dat de kantonrechter ten onrechte een verzwaarde stelplicht op hem heeft gelegd, omdat de stelplicht en bewijslast van de verjaring op Dexia rusten en omdat hij – als al een bewijsvermoeden is aangenomen – in de gelegenheid had moeten worden gesteld om dit vermoeden te ontzenuwen. Het hof overweegt als volgt.

uitgangspunten
5.2 De onderhavige procedure betreft een zogenoemde waiverprocedure, dat wil zeggen een procedure waarin Dexia in rechte vastgesteld wil zien dat haar wederpartij – eventueel na betaling van een restantbedrag – in rechte niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van één of meerdere tussen partijen gesloten financiële effectenleaseovereenkomsten. Daarbij staat voorop dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast ter zake op Dexia rusten. Op de wederpartij ( [appellant] ) rust vervolgens de verplichting om, wil hij niet dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten, zodanig dat daaruit de onjuistheid van de stellingen van Dexia kan worden afgeleid. De wederpartij kan ermee volstaan, als verweer tegen de gevorderde verklaring voor recht, duidelijk te maken op welk punt zij nog een vordering pretendeert te hebben. Niet kan worden gevergd dat de wederpartij die vordering in reconventie daadwerkelijk instelt, op straffe van ontzegging van de mogelijkheid om op een later moment zelf een procedure aanhangig te maken. Waar enkel stilzitten in het algemeen geen rechtsverwerking meebrengt, zal aan een schuldeiser die draalt met het instellen van zijn vordering, alleen op die grond niet snel zijn vordering kunnen worden ontnomen. Het is immers in beginsel aan de schuldeiser om te bepalen of en wanneer hij zijn vordering in rechte geldend maakt. Thans dient tegen deze achtergrond, op individueel niveau, te worden bezien op welke punten [appellant] meent nog een vordering op Dexia te hebben. Het hof zal de zaak opnieuw beoordelen en de grieven gezamenlijk behandelen.

onverschuldigde betaling na vernietiging overeenkomst door echtgenoot
5.3 [appellant] stelt dat zijn echtgenote de tussen hem en Dexia op 22 september 1998 gesloten overeenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd op 31 maart 2006 op de grond dat zij voor het aangaan van die overeenkomst geen toestemming had verleend in de zin van artikel 1:88 BW. Volgens [appellant] heeft hij uit dien hoofde een vordering wegens onverschuldigde betaling op Dexia.

5.4

Aan de orde is de vraag of het beroep van Dexia op verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging slaagt of niet. Het hof hanteert bij de beoordeling van die vraag de volgende maatstaven. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten, nu deze worden aangemerkt als huurkoop, de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen als geen toestemming voor het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten is verleend. Uit artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming vereist was, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.

5.5

Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk – subjectief –bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen (ECLI:NL:HR:2015:1866). Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht rust en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke, subjectieve, bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij, zoals in dit geval [appellant] en diens echtgenote, hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen van Dexia niet te zware eisen mogen worden gesteld (ECLI:NL:HR:2011: BO6106). Uit de rechtspraak volgt bovendien dat aan het verrichten van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of rekening een bewijsvermoeden wordt ontleend met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn, in die zin dat wordt vermoed dat de echtgenoot van de wederpartij van Dexia, behoudens tegenbewijs, bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld. Het is aan de wederpartij van Dexia om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen (ECLI:NL:HR:2012:BU6506 en BU6508, alsmede ECLI:NL:HR:2015:1866).

5.6

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de Stichting Eegalease de bevoegdheid van de echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Omdat voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de bevoegdheid tot vernietiging van de echtgenoten is gestuit voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in situaties waarin de overeenkomst weliswaar eerder is gesloten, maar de echtgenoot pas ná
13 maart 2000 bekend raakte met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan nadat het de echtgenoot ter kennis is gekomen dat de overeenkomst werd gesloten en wordt binnen drie jaren gestuit als gevolg van de collectieve actie.

5.7

Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) blijkt voorts dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot 6 maanden na het einde van de collectieve procedure. Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering (zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Derhalve diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.

5.8

In de onderhavige zaak is de overeenkomst, waarvan bij brief van 31 maart 2006 de vernietiging is ingeroepen, gesloten vóór 13 maart 2000. Dat brengt mee dat – anders dan [appellant] heeft gesteld – de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid niet zonder meer als gevolg van de collectieve actie is gestuit. Het beroep op verjaring kan daarom slagen. Dexia dient daartoe te stellen, en zo nodig, te bewijzen dat de echtgenote van [appellant] vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de overeenkomst bekend raakte.

5.9

Dexia heeft met betrekking tot de vraag wanneer de echtgenote van [appellant] daadwerkelijk op de hoogte raakte van het bestaan van de effectenleaseovereenkomst niet meer gesteld dan dat zij reeds ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst rond
22 september 1998 daadwerkelijk bekend moet zijn geraakt met de overeenkomst, zodat de rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst al omstreeks 22 september 2001 zou zijn verjaard. Dexia heeft voorts – ten onrechte zoals hiervoor is overwogen – tot uitgangspunt genomen dat het primair aan [appellant] is om concreet met stukken onderbouwd aan te geven waarom in zijn specifieke geval zijn echtgenote pas later dan drie jaar na het sluiten van de overeenkomst bekend raakte met het bestaan daarvan.

5.10

[appellant] heeft betwist dat zijn echtgenote van meet af aan bekend was met het bestaan van de overeenkomst. In hoger beroep heeft hij daartoe aangevoerd dat de betalingen vanaf het begin van de overeenkomst van een op zijn naam staande rekening werden verricht, hij het beheer voerde over deze rekening en zijn echtgenote nimmer de bankafschriften van deze rekening bekeek. Daarnaast heeft [appellant] betoogd dat zijn echtgenote nooit aan hem gerichte post opende en dat de belastingaangifte werd gedaan door een derde, waarbij zijn echtgenote de ingevulde aangifte niet doornam. Volgens [appellant] heeft hij omstreeks september 2003 van Dexia te horen gekregen dat hij (tegen zijn verwachting in) na vijf jaar nog moest blijven doorbetalen aan de overeenkomst. [appellant] heeft betoogd dat hij vanaf dat moment de betalingen vanaf de gezamenlijke en/of rekening van hem en zijn echtgenote heeft laten incasseren en zijn echtgenote op dat moment achter het bestaan van de overeenkomst is gekomen. Dexia heeft naar aanleiding van dit betoog – terecht – opgemerkt dat [appellant] in eerste aanleg betoogde dat zijn echtgenote sinds 2002 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst.

5.11

Het hof overweegt dat kennelijk als gevolg van het feit dat partijen hebben gestreden over de vraag op wie de stelplicht en bewijslast rust ter zake het punt van de daadwerkelijke bekendheid van de echtgenote met het bestaan van de overeenkomst, het inhoudelijk debat daarover onvoldoende is gevoerd. Zo heeft geen van beide partijen zijn of haar stellingen concreet met stukken onderbouwd en ontbreekt een toelichting op het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] waarop blijkens de stukken (zie productie 1 bij dagvaarding) gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst dividenduitkeringen zijn gedaan. Ook is door geen van partijen (met stukken onderbouwd) toegelicht of deze bankrekening enkel op naam van [appellant] stond, of dat deze mede op naam van de echtgenote stond. Dat laat onverlet dat de stellingen van partijen voldoende aanleiding geven voor nader onderzoek, waarbij het naar het oordeel van het hof thans aan Dexia is om haar stellingen nader (concreet met stukken) te onderbouwen, zo nodig met getuigenverklaringen, zoals door haar ook is aangeboden. Het bovenstaande voert echter ook tot de slotsom dat op dit moment niet zonder meer kan worden geoordeeld dat de echtgenote van [appellant] vóór 13 maart 2000 bekend raakte met de overeenkomst en dat op dit moment dus niet kan worden geoordeeld dat de rechtsvordering tot vernietiging ten tijde van het inroepen daarvan reeds was verjaard. Nu niet, althans niet zonder nadere bewijslevering, kan worden vastgesteld dat [appellant] geen vordering heeft op Dexia, kan de door Dexia gevorderde verklaring voor recht thans niet worden toegewezen. Vanwege de aard van de onderhavige procedure en om proceseconomische redenen volstaat het hof met deze vaststelling en zal het Dexia niet toelaten tot (nadere) bewijslevering. Naar het oordeel van het hof dient dit bewijs – voor zover nodig – te worden geleverd wanneer [appellant] zijn vordering daadwerkelijk in rechte instelt. Uit het voorgaande volgt dat de grieven slagen.

5.12

Dexia heeft bij memorie van antwoord ook het verweer gevoerd dat de vernietiging door de echtgenote van [appellant] niet opgaat, omdat deze niet aansluit bij de door Stichting Eegalease in 2003 ingestelde collectieve actie, dan wel omdat Stichting Eegalease bij de collectieve schikking in 2005 afstand van recht, waaronder afstand van de stuiting van de verjaring, heeft gedaan. [appellant] heeft zich in zijn akte na memorie uitgelaten over deze door Dexia in hoger beroep voor het eerst opgeworpen verweren. Anders dan Dexia bij antwoordakte heeft betoogd, acht het hof de akte van [appellant] niet in strijd met de twee-conclusieregel. Het hof vat de inhoud van de akte van [appellant] niet op als nieuwe gronden, die in de zin van de in artikel 347 lid 1 Rv besloten liggende twee-conclusieleer tardief zouden zijn, maar als een reactie op de door Dexia opgeworpen nieuwe verweren. Het hof ziet dan ook geen aanleiding aan de akte van [appellant] voorbij te gaan.

5.13

Het hof komt nu toe aan de bespreking van de door Dexia opgeworpen verweren. Dexia heeft aangevoerd dat de vernietiging door de echtgenote van [appellant] niet aansluit bij voormelde door Stichting Eegalease ingestelde collectieve actie, omdat in die collectieve actie twee vorderingen (A en B) zijn ingesteld en de overeenkomst met [appellant] niet valt onder vordering A of vordering B. Vordering A was gericht op een verklaring voor recht dat artikel 1:88 BW van toepassing was op de door Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten. Vordering B zag op een overeenkomst die is gesloten met een rechtsvoorganger van Dexia in de periode tussen 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2001. De overeenkomst met contractnummer [contractnummer] van [appellant] valt niet onder vordering B, aangezien deze overeenkomst niet binnen de aangegeven periode, maar daarvóór is gesloten, namelijk op 22 september 1998. Het hof ziet echter niet in waarom de overeenkomst niet onder vordering A kan vallen. Deze vordering dient redelijkerwijs aldus te worden begrepen dat zij ook ziet op rechtsvoorgangers van Dexia aangeboden (identieke) effectenleaseovereenkomsten, te meer daar Dexia zowel was gedagvaard als aanbieder van aandelenleaseproducten, als in hoedanigheid van rechtsopvolger van aanbieders van aandelenleaseproducten (hetgeen ook blijkt uit vordering B). De noodzakelijke "aansluiting" is dus aanwezig, ongeacht of de collectieve actie er rechtstreeks op betrekking had.

5.14

Dexia heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de collectieve schikking mede inhield dat de Stichting Eegalease afstand deed van alle in de collectieve dagvaarding gepretendeerde rechten en vorderingen, waardoor ook afstand is gedaan van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van de dagvaarding van Stichting Eegalease procedure meebracht, en dat zulks meebrengt dat ook de bevoegdheid van de echtgenote van [appellant] om de overeenkomst te vernietigen, is vervallen.

5.15

Uit het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 blijkt dat die opvatting van Dexia niet juist is. In rechtsoverweging 3.4.3 daarvan is overwogen:
“In een geval als dit, waarin de collectieve actie heeft geleid tot een WCAM-overeenkomst, heeft het uitbrengen van een ‘opt-out’-verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW niet tot gevolg dat de belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van die actie kan beroepen. De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen.”
Dat brengt mee dat ook de getroffen schikking zelf, ook al hebben de belangenverenigingen daarin afstand gedaan van rechten, niet tot gevolg kan hebben dat een belanghebbende zich niet meer kan beroepen op de stuitende werking van de collectieve actie. Juist de omstandigheid dat de belanghebbende de onderhandelingen mag afwachten, brengt mee dat hij de mogelijkheid moet hebben om ook nog nadien zijn belangen veilig te stellen. Zou de opvatting van Dexia juist zijn, dan zou dat immers betekenen dat iedere belanghebbende toch tijdig zelf de verjaring zou moeten stuiten, omdat hij niet van te voren kan weten of hij gebonden wenst te zijn aan het uiteindelijk te behalen onderhandelingsresultaat en de in dat kader door de belangenverenigingen aanvaarde compromissen en prijsgegeven rechten. Dit is het tegenovergestelde van hetgeen de Hoge Raad heeft beslist, en kan daarom niet voor juist worden gehouden (ECLI:NL:GHARL:2016:3085 en 5730).

6 De slotsom

6.1

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven slagen. [appellant] heeft mogelijk nog een vordering op Dexia uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens vernietiging van de overeenkomst door zijn echtgenote met contractnummer [contractnummer] . Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De door Dexia gevraagde verklaring voor recht zal worden afgewezen.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Dexia in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht nihil

- salaris advocaat € 300,-

en voor het hoger beroep
- explootkosten € 97,31

- griffierecht € 313,-

- salaris advocaat € 1.611,- (1,5 punt x tarief II)

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, van 11 november 2016 en doet opnieuw recht;

wijst de vorderingen van Dexia af;

veroordeelt Dexia in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 300,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 410,31 voor verschotten en op € 1.611,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;


veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval Dexia niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, I. Brand en W.C. Haasnoot, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2018.