Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:5791

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2018
Datum publicatie
27-06-2018
Zaaknummer
200.230.769/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewindvoering. Aansprakelijkheid bewindvoerder. De bewindvoerder is en blijft eindverantwoordelijk, ook als het beheer van een persoonsgebonden budget wordt overgelaten aan de instelling waar de rechthebbende verblijft.

Artikel 1:444 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.230.769/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5603713 LT VERZ 16-6416)

beschikking van 21 juni 2018

inzake

[verzoekster] (voorheen h.o.d.n. [A] ),

wonende te [B] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. L.H. Rijpkema te Den Haag,

en

[verweerder] ,

wonende te [C] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerder] ,

advocaat: mr. J.T. Mudde te Zwolle,

en

de besloten vennootschap [verweerster] BV,

gevestigd te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerster] .

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de bewindvoerder] ,

gevestigd te [D] ,

verder te noemen: de bewindvoerder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 14 september 2017 (verder te noemen: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, tevens houdende incidenteel verzoek ex art. 843a Rv, met productie(s), ingekomen op 14 december 2017;

- het verweerschrift van [verweerder] met productie(s);

- het verweerschrift van [verweerster] met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Rijpkema van 1 februari 2018 met productie(s);

- een brief van [verweerster] van 1 februari 2018 met productie(s);

- een brief van mr. Rijpkema van 26 april 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2018 plaatsgevonden. [verzoekster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens [verweerster] zijn verschenen de heer [E] en de heer [F] . [verweerder] is niet verschenen. Wel zijn verschenen zijn advocaat, zijn bewindvoerder en zijn mentor, de heer [G] . Mr. Rijpkema heeft pleitaantekeningen overgelegd die zij gedeeltelijk heeft voorgedragen.

3 De feiten

3.1

[verweerder] , geboren [in] 1993, is als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Bij beschikking van de kantonrechter van 26 maart 2013 is een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verweerder] . [verzoekster] is bij die beschikking tot bewindvoerder benoemd.

Bij beschikking van de kantonrechter van 30 januari 2015 is met ingang van de dag na de uitspraak [verzoekster] op haar verzoek ontslagen als bewindvoerder en [verweerster] als bewindvoerder benoemd. Op 1 februari 2015 is [verzoekster] in loondienst getreden bij [verweerster] .

Bij beschikking van de kantonrechter van 14 september 2017 is [verweerster] op verzoek van de mentor van [verweerder] ontslagen als bewindvoerder en is [de bewindvoerder] tot bewindvoerder benoemd.

3.2

[verweerder] heeft in de jaren 2013 en 2014 persoonsgebonden budget (pgb) -gelden ontvangen, die na afloop van de betreffende (halfjaars)periode aan het betreffende zorgkantoor dienden te worden verantwoord. [verweerder] heeft van het zorgkantoor over deze jaren beschikkingen subsidievaststelling ontvangen waarin staat dat niet alle toegekende en uitbetaalde pgb-gelden zijn verantwoord en dat de bedragen die niet zijn verantwoord, € 5.204,76 over 2013 en € 25.654,35 over 2014, dienen te worden terugbetaald.

De verantwoording over de pgb-gelden voor de eerste helft 2014 is door [verzoekster] correct gedaan.

3.3

Bij brief aan de rechtbank van 16 december 2016 heeft [verweerster] verzocht om aansprakelijkstelling van [verzoekster] wegens door [verweerder] geleden schade in verband met het niet of onjuist verantwoorden van pgb-bedragen over de jaren 2013 en 2014.

3.4

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de kantonrechter vastgesteld dat [verweerder] , als gevolg van het niet naar behoren verrichten van de werkzaamheden door de voormalige bewindvoerder [verzoekster] , schade heeft geleden voor een totaalbedrag van € 30.859,11 en [verzoekster] mitsdien veroordeeld om voormeld bedrag aan [verweerder] te betalen.

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoekster] is met negen grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. [verzoekster] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de oorspronkelijke klachten alsnog ongegrond worden verklaard en [verzoekster] niet aansprakelijk is ex artikel 1:444 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) over zowel de terugvordering pgb-verantwoording 2013 als 2014, en te bepalen dat [verweerder] wordt veroordeeld tot terugbetaling van alles dat [verzoekster] ter uitvoering van de bestreden beschikking aan hem heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling, kosten rechtens. Daarnaast verzoekt [verzoekster] om [verweerder] te veroordelen om binnen vier weken een aantal nader genoemde bescheiden te verstrekken op straffe van een dwangsom (incidenteel verzoek).

4.2

[verweerder] en [verweerster] hebben verweer gevoerd. Zij verzoeken beiden aan het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van beide instanties.

5 De motivering van de beslissing

Incidenteel verzoek ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

5.1

Bij brief van 26 april 2018 heeft [verzoekster] haar verzoek tot veroordeling van [verweerder] tot het verstrekken van (een aantal) bescheiden ingetrokken. Het hof zal daarom [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

Hoofdzaak

5.2

In artikel 1:444 BW is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Op grond van artikel 1:362 BW, volgens artikel 1:445 lid 5 BW van overeenkomstige toepassing bij bewind, kan de rechter (ambtshalve) de schade vaststellen die de rechthebbende door slecht bewind van de bewindvoerder heeft geleden en de bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen.
Aan het hof ligt voor de vraag of [verzoekster] in de zorg van een goed bewindvoerder (toerekenbaar) tekort is geschoten en of zij de als gevolg daarvan ontstane schade aan [verweerder] dient te vergoeden.

5.3

Het aan een rechthebbende verleende pgb is een aan hem toebehorend vermogensbestanddeel dat onder het ingestelde bewind valt. In deze zaak staat niet ter discussie dat het beheren van het pgb behoorde tot de taak van de bewindvoerder. De bewindvoerder moet er voor zorgdragen dat tijdig en volledig verantwoording over de besteding van het pgb wordt afgelegd aan het zorgkantoor.

* Pgb 2013

5.4

[verzoekster] heeft met betrekking tot de terugvordering over 2013 het navolgende aangevoerd. Hoewel [verzoekster] bij beschikking van de kantonrechter van 26 maart 2013 tot bewindvoerder is benoemd, is zij niet degene geweest die de pgb-verantwoording over het jaar 2013 aan het zorgkantoor heeft gestuurd. Dat is gebeurd door een medewerker van [H] , de instelling waar [verweerder] toen verbleef.

[verzoekster] was naar eigen zeggen niet in staat om dergelijke handelingen te verrichten omdat zij, ondanks herhaalde verzoeken aan de instelling, geen inzage kreeg in de financiën van

[verweerder] . Om die reden, en omdat zij had geconstateerd dat er geen vermogen aanwezig was, heeft [verzoekster] in februari 2014 aan de kantonrechter een (later ingetrokken) verzoek gedaan haar ontslag te verlenen. [verzoekster] stelt dat zij pas in februari 2014 heeft gehoord dat [verweerder] een pgb ontving. Omdat de instelling waar [verweerder] verbleef al de verantwoording aan het zorgkantoor had gedaan, zag [verzoekster] daarin geen taak meer voor haarzelf weggelegd. [verzoekster] stelt dat zij er op mocht vertrouwen dat dit op accurate wijze was gebeurd.

5.5

Het hof stelt voorop dat [verzoekster] vanaf het moment van haar benoeming als verantwoordelijke voor de besteding en verantwoording van de pgb-gelden dient te worden beschouwd. Dat de betrokken instelling aanvankelijk niet overging tot het verstrekken van de benodigde informatie, en dat nadien is gebleken dat de instelling zelf al verantwoording aan het zorgkantoor had afgelegd, ontslaat [verzoekster] niet van die verantwoordelijkheid. Zij heeft niet aangetoond dat zij alles in het werk heeft gesteld om de benodigde informatie boven tafel te krijgen, anders dan volgens haar eigen mededeling diverse mondelinge verzoeken bij de ongeveer tien persoonlijke bezoeken van [verzoekster] aan de instelling. Het had op de weg van [verzoekster] gelegen om de benodigde vervolgstappen te nemen om de verzochte informatie wél te ontvangen, temeer nu het gaat om een periode van bijna een jaar waarin [verzoekster] (volgens eigen zeggen) tevergeefs heeft aangeklopt, en onduidelijk was waar het levensonderhoud en verblijf van [verweerder] van werd gefinancierd. Zij heeft in elk geval onvoldoende onderbouwd dat zij daarin alles heeft gedaan wat van haar mocht worden verwacht. Daarnaast had [verzoekster] vanaf het moment waarop zij naar eigen zeggen wist dat [verweerder] een pgb ontving, februari 2014, actie kunnen en moeten ondernemen om daarover bij het zorgkantoor alsnog de benodigde informatie te verkrijgen en er op toe te zien dat de verantwoording over de uitbetaalde gelden over de daarvoor liggende periode (alsnog) op juiste wijze zou geschieden. De enkele stelling dat zij niet wist om welk zorgkantoor het ging, maakt geen einde aan deze inspanningsverplichting.

Een bewindvoerder kan er weliswaar voor kiezen om het beheer van het pgb over te laten aan een derde, en dus ook aan de instelling waar de rechthebbende verblijft, maar dient zich er dan wel van te vergewissen dat het beheer op een goede wijze wordt uitgevoerd en dat tijdig en volledig verantwoording wordt afgelegd over het pgb aan het zorgkantoor. Met andere woorden, de bewindvoerder is en blijft eindverantwoordelijk. [verzoekster] heeft zich er onvoldoende van vergewist of de verantwoording op juiste wijze was geschied, terwijl de door haar geschetste chaotische toestanden binnen de instelling daar extra aanleiding toe gaven. Een bewind wordt ingesteld om kwetsbare mensen binnen de samenleving op vermogensrechtelijk gebied te beschermen. Een rechthebbende moet er op kunnen vertrouwen dat de bewindvoerder voor de vermogensrechtelijke belangen van deze rechthebbende opkomt. Gelet daarop wordt van de bewindvoerder een kritische en actieve opstelling verwacht en kan de bewindvoerder zich niet zonder meer verschonen met een beroep op een (langdurig) gebrek aan informatie of onjuist verrichte werkzaamheden betreffende onder bewind staande goederen door anderen dan de bewindvoerder.

5.6

Het hof is van oordeel dat [verzoekster] met betrekking tot de verantwoording van de ontvangen pgb-gelden over het jaar 2013 in de zorg van een goed bewindvoerder tekort is geschoten. [verzoekster] is daarom aansprakelijk voor de door [verweerder] te lijden dan wel geleden schade over 2013, te weten € 5.204,76.

5.7

De beschikking subsidievaststelling pgb over 2013 dateert van 21 maart 2015. Op dat moment fungeerde [verweerster] als bewindvoerder.

Het was daarom de taak en verantwoordelijkheid van [verweerster] om tijdig bezwaar tegen die beschikking aan te tekenen. Dat zij dit achterwege heeft gelaten althans te laat heeft gedaan, laat onverlet dat [verzoekster] op grond van dat wat in r.o. 5.5 is overwogen aansprakelijk kan worden gehouden voor de over 2013 ontstane schade van [verweerder] .

* Pgb 2014

5.8

Per 31 januari 2015 is het bewindvoerderschap van [verzoekster] geëindigd en dat van [verweerster] gestart. Dat [verweerster] vanaf dat moment verantwoordelijk was voor de nog lopende pgb-verantwoording heeft zij op de mondelinge behandeling uiteindelijk erkend. Vast staat dat [verzoekster] in maart 2015, tijdens haar dienstverband bij [verweerster] , de verantwoording van het pgb van [verweerder] over de tweede helft van 2014 aan het zorgkantoor heeft gestuurd, nadat het daartoe benodigde formulier half februari 2015 werd ontvangen. [verzoekster] heeft daarover gezegd dat zij op verzoek van de medewerker van [verweerster] die verantwoordelijk was voor de administratie van de pgb-gelden bij [verweerster] op de laatst mogelijke dag die verantwoording in orde heeft gemaakt. Zij wilde de onderliggende stukken meesturen, maar dat werd tegengehouden door die medewerker. Deze gang van zaken is door [verweerster] onvoldoende weersproken. Het zorgkantoor heeft bij brief van 3 april 2015 medegedeeld dat het verantwoordingsformulier wordt teruggezonden, wegens het ontbreken van aanvullende informatie. Tussen partijen is niet in geschil dat die brief [verzoekster] niet heeft bereikt. Vervolgens is de verantwoording van de pgb-gelden over de tweede helft van 2014 door het zorgkantoor afgekeurd bij beschikking van 6 juni 2015.

In elk geval staat vast dat de verantwoording van de pgb-gelden over de tweede helft van 2014 door [verzoekster] is afgelegd terwijl zij geen bewindvoerder meer was maar werknemer van [verweerster] . [verzoekster] kan daarom voor een eventuele daarbij door haar begane tekortkoming niet op de voet van artikel 1:444 BW worden aangesproken.

Voor zover [verweerder] en [verweerster] hebben gesteld dat [verzoekster] het dossier van [verweerder] niet zorgvuldig heeft overgedragen stelt het hof voorop dat uit bovenbeschreven gang van zaken kan worden opgemaakt dat de vordering van het zorgkantoor op [verweerder] met betrekking tot het pgb van 2014 niet is veroorzaakt door een gestelde laakbare overdracht van het dossier van [verweerder] , maar een andere oorzaak heeft, te weten het niet meesturen van de onderliggende stukken. Overigens acht het hof de stelling dat de overdracht onzorgvuldig is gegaan, in het licht van het verweer van [verzoekster] dat zij alle stukken heeft overgedragen die [verweerster] wenste te ontvangen, onvoldoende nader onderbouwd.

[verweerster] (en in navolging daarvan [verweerder] ) heeft verder nog gesteld dat [verweerster] en [verzoekster] hadden afgesproken dat [verzoekster] de verantwoording van het pgb over (de tweede helft van) 2014 nog zou verzorgen na haar ontslag als bewindvoerder, in haar eigen tijd, buiten haar loondienstverband om, welke afspraak door [verzoekster] is weersproken. Daargelaten de omstandigheid dat [verzoekster] na haar ontslag als bewindvoerder niet meer de bevoegdheid had om die verantwoording af te leggen, zodat een dergelijke afspraak het hof weinig aannemelijk voorkomt, ontslaat een dergelijke afspraak [verweerster] niet van haar verantwoordelijkheden als bewindvoerder, in het bijzonder het beheer en de (controle op de) verantwoording van de pgb-gelden, en kan die evenmin tot aansprakelijkheid van [verzoekster] leiden op basis van artikel 1:444 BW. De beantwoording van de vraag welke afspraken er tussen [verweerster] en [verzoekster] bestonden, kan in het midden blijven. Dit betreffen immers interne afspraken die in de verhouding werkgever-werknemer of [verzoekster] - [verweerster] wellicht relevant zijn, maar niet naar buiten toe. Vanaf het moment dat [verweerster] de functie van bewindvoerder vervulde, was [verweerster] jegens [verweerder] degene die verantwoordelijk was voor het beheer en de verantwoording van zijn pgb.

Het hof gaat ten slotte niet mee in de stelling van [verweerder] en [verweerster] dat [verzoekster] al voor haar ontslag de verantwoording over de tweede helft van 2014 in orde had moeten maken.

Als onweersproken staat immers vast dat het verantwoordingsformulier, zoals altijd, medio februari door het zorgkantoor werd toegezonden en pas in de loop van maart ingediend hoefde te zijn. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien op basis waarvan [verzoekster] de verantwoording eerder zou hebben moeten afleggen.

5.9

Het hof is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat [verzoekster] met betrekking tot de pgb-gelden over het jaar 2014 in de zorg van een goed bewindvoerder tekort is geschoten. Zij kan dan ook niet aansprakelijk worden gehouden voor de over dat jaar ontstane schade als gevolg van de terugvordering van uitbetaalde pgb-gelden. Het hof laat de beoordeling van de vraag of [verzoekster] de aansprakelijkheidstelling stilzwijgend heeft erkend, doordat zij in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd, in het midden, omdat men in een verdere instantie aan een stilzwijgende erkentenis niet is gebonden.

5.10

Het verzoek van [verzoekster] te bepalen dat [verweerder] wordt veroordeeld tot terugbetaling van alles dat [verzoekster] ter uitvoering van de bestreden beschikking aan hem heeft betaald, wordt afgewezen, reeds nu [verzoekster] geen inzicht heeft geboden in betalingen aan [verweerder] . Om dezelfde reden, en omdat van verzuim niet is gebleken, wordt de door [verzoekster] verzochte wettelijke rente afgewezen.

5.11

Het hof zal het bewijsaanbod van [verzoekster] en [verweerder] passeren. Voor 2013 heeft [verzoekster] haar verweer onvoldoende onderbouwd; voor 2014 heeft [verweerder] onvoldoende onderbouwd gesteld op grond waarvan [verzoekster] aansprakelijk te achten zou zijn. Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe.

5.12

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu de diverse partijen ieder gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven voor zover die betrekking hebben op de vergoeding van de schade over 2013 en slagen de grieven voor zover deze betrekking hebben op vergoeding van de schade over 2014. Omdat het dictum van de bestreden beschikking ziet op de bedragen van beide jaren tezamen zal het hof de bestreden beschikking uit doelmatigheidsoverwegingen geheel vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

In het incident:

verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek;

In de hoofdzaak:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 14 september 2017, en opnieuw beschikkende:

stelt vast dat [verzoekster] als gevolg van het tekortschieten in de zorg van een goed bewindvoerder jegens [verweerder] aansprakelijk is voor de door hem geleden schade over het jaar 2013 voor een bedrag van € 5.204,76;

veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een bedrag te voldoen van € 5.204,76;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J. Voerman, E.B.E.M. Rikaart en C. Koopman, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 21 juni 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.