Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:570

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
200.171.507
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplevering goede staat. Proportionele aansprakelijkheid, schade voor de helft voor rekening van pachter.

Het gaat er om of de pachter het door hem op het perceel gebrachte grof puin en boomstronken en wortels bij de oplevering tot een diepte van 40 cm heeft verwijderd. Omdat verpachter de grond heeft laten onderzoeken en bewerken tot dieper dan 40 cm en pachter de grond heeft opgeleverd terwijl die geschoond, althans gecrushd was tot maximaal 30 cm, is enerzijds vanwege de aangetroffen stronken en stenen voldoende komen vast te staan dat er nog puin zat in het perceel, maar niet dat al het aangetroffen puin zich ten tijde van de oplevering bevond in de laag tot 40 cm. Dit resultaat na bewijslevering brengt mee dat de door verpachter gestelde schade deels voor zijn rekening dient te blijven. Het is niet meer vast te stellen welk deel van het aangetroffen grof puin en wortels tot 40 cm in de bodemlaag zat en welk deel dieper. Bij deze stand van zaken zal het hof de schade voor de helft voor rekening van pachter brengen en voor de helft voor rekening van verpachter laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2018/460
B. Nijman annotatie in TvAR 2019/5961, UDH:TvAR/15339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.171.507

(zaaknummer rechtbank Gelderland 3284704)

arrest van de pachtkamer van 16 januari 2018

inzake

[appellant]

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [pachter] ,

advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [verpachter] ,
advocaat: mr. C.F. van Helvoirt.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 juni 2016 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 januari 2017;

- het proces-verbaal van tegengetuigenverhoor van 27 juni 2017;

- de memorie na enquête van [verpachter] ;
- de antwoordmemorie na enquête van [pachter] .

1.2

Vervolgens hebben partijen (aanvullend) de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1

Het hof heeft [verpachter] opgedragen de tekortkomingen van [pachter] en de door [verpachter] geleden schade (nader) te bewijzen. In het bijzonder is [verpachter] opgedragen te bewijzen dat [pachter] het perceel niet schoon heeft opgeleverd maar grof puin (groter dan 40 mm) en stobben en wortels tot een diepte van 40 cm heeft achtergelaten.

2.2

[verpachter] heeft als getuigen voorgebracht [getuige 1] en
[getuige 2] . [pachter] heeft als getuigen [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en zichzelf doen horen. Bij zijn memorie na enquête heeft [verpachter] aanvullende bewijsstukken overgelegd, waaronder schriftelijke verklaringen van [A] en
[B] (producties 32 en 33) en filmopnames van werkzaamheden op het perceel.

2.3

Alvorens tot bewijswaardering over te gaan, bespreekt het hof eerst de stelling van [verpachter] dat [pachter] ook aansprakelijk is voor grof puin dat zich dieper dan 40 cm in de grond bevindt. Nog daargelaten dat deze stelling te laat is ingenomen, wijst het hof erop dat [verpachter] een verklaring voor recht heeft gevorderd dat [pachter] aansprakelijk is voor alle kosten die gepaard gaan met het verwijderen, transporteren en afvoeren van grof puin (groter dan 40 mm) uit de bodem van het gepachte tot een diepte van 40 cm. Een eiswijziging heeft niet plaatsgevonden zodat het hof er slechts toe is gehouden de toewijsbaarheid van die vordering in conventie te beoordelen. Daarnaast heeft het hof in het tussenarrest van 7 juni 2016 overwogen dat partijen beiden er van uitgaan dat voor de vraag of het gepachte in goede staat is ontvangen en bij het eind van de pacht weer in goede staat ter beschikking van de verpachter is gesteld, de diepere lagen (40 centimeter en lager) niet relevant zijn, omdat zij voor een normale agrarische exploitatie niet nodig zijn.

2.4

Op basis van de stellingen van partijen, het door partijen ingebrachte beeldmateriaal en de getuigenverklaringen oordeelt het hof dat voldoende vast staat dat [pachter] tijdens de pachtperiode grof puin, groter dan 40 mm, op het perceel, althans de strook bij de bosrand, heeft gebracht. Dat volgt uit de wijze waarop hij de brede strook aan de bosrand heeft gebruikt voor opslag van allerlei materialen (vgl. nr. 6 conclusie van antwoord, productie 16 conclusie van antwoord in reconventie), de vondsten in diezelfde strook van grove stukken puin na 1 maart 2014 alsmede het rapport van RBM Makelaardij (productie 17 conclusie van antwoord in reconventie). Daarin is de verontreinigde grond ingetekend op de brede strook aan de bosrand. De verklaring van [B] (productie 33 bij memorie na enquête) bevestigt dat er grof puin is opgebracht. Anders dan [pachter] aanvoert, is er geen (voldoende) reden deze schriftelijke verklaring uit te sluiten van bewijs. Bewijslevering kan door alle middelen en de keuze daaruit staat degene die bewijs moet leveren vrij. In het tussenarrest is geen beperking in aard van de bewijslevering en in het tijdstip aangebracht. Daarin is slechts opgenomen dat, indien [verpachter] het bewijs uitsluitend door stukken had willen leveren - waar hij niet voor heeft gekozen - die stukken op een bepaalde roldatum in het geding hadden moeten worden gebracht. [pachter] wijst er verder op dat de inhoud van de verklaring van [B] afwijkt van de verklaring die hij op 24 juli 2001 bij de politie heeft afgelegd. Die context, de kennelijk toen nog betere verhouding tussen [pachter] en [B] , het tijdsverloop en de omstandigheid dat volgens [B] het grove puin eerst later is aangebracht, bieden een verklaring voor de mogelijke discrepanties tussen de twee verklaringen en brengen in elk geval niet mee dat deze schriftelijke verklaring buiten beschouwing moet blijven. Verder overweegt het hof in dit kader dat [pachter] onvoldoende tegenbewijs heeft aangevoerd in de zin dat er reeds bij de ingebruikname (puin)verharding aanwezig was. Verkleuringen op luchtfoto’s zijn onvoldoende specifiek en incidentele opslag van oogst (aardappelen/bieten) gebeurt niet noodzakelijk op (puin)verharding maar ook wel aan de rand van een onverhard perceel.

2.5

Het gaat er dus om of [pachter] het door hem (of [B] ) op het perceel gebrachte grof puin bij de oplevering tot een diepte van 40 cm heeft verwijderd. Daarnaast heeft [verpachter] aangevoerd dat er na de oplevering op 1 maart 2014 nog grote hoeveelheden stronken en wortels in de grond zaten.

2.6

[pachter] heeft het puin handmatig van de bodem laten verwijderen en in containers laten afvoeren. Grote stobben zijn verwijderd door een kraan en de resterende stronken en wortels door een Meri crusher. De Meri crusher werkt tot een diepte van 25-30 cm en niet tot 40 cm, waartoe [pachter] was gehouden. Niet alleen kunnen daardoor wortels zijn achter gebleven tot 40 cm maar kan ook incidenteel grof puin onopgemerkt zijn gebleven. [verpachter] heeft bovendien foto’s overgelegd van enkele stenen die sporen tonen van de Meri crusher. Als onvoldoende gemotiveerd betwist houdt het hof het ervoor dat de Meri crusher dit grof puin heeft geraakt in de laag tot 30 cm en dat dit puin niet is verwijderd.

2.7

[verpachter] heeft na de oplevering het perceel laten bewerken door een tractor met vaste tand. Gelet op de (geschatte) afmetingen en de filmopname van de vaste tand in werking (productie 40 bij memorie na enquête/onderdeel van productie 37), is voldoende aannemelijk geworden dat de vaste tand dieper dan 40 cm de grond heeft omgewoeld, tot 60-70 cm. Hetgeen bij de bewerking door de vaste tand bovengronds is gekomen, kan dus grof puin betreffen dat dieper lag dan 40 cm. Het rapport van RBM Makelaardij heeft daarnaast de grond onderzocht tot dieper dan 40 cm, namelijk 50 cm.

2.8

Omdat [verpachter] de grond heeft laten onderzoeken en bewerken tot dieper dan 40 cm en [pachter] de grond heeft opgeleverd terwijl die geschoond, althans gecrushd was tot maximaal 30 cm, is enerzijds vanwege de aangetroffen stronken en stenen voldoende komen vast te staan dat er nog puin zat in het perceel, maar niet dat al het aangetroffen puin zich ten tijde van de oplevering bevond in de laag tot 40 cm. Dit resultaat na bewijslevering brengt mee dat de door [verpachter] gestelde schade deels voor zijn rekening dient te blijven. Het is niet meer vast te stellen welk deel van het aangetroffen grof puin en wortels tot 40 cm in de bodemlaag zat en welk deel dieper. Bij deze stand van zaken zal het hof de schade voor de helft voor rekening van [pachter] brengen en voor de helft voor rekening van [verpachter] laten.

2.9

[verpachter] heeft zijn schade bij memorie na enquête nader toegelicht. Het hof begrijpt dat de in die memorie gestelde posten thans de schadevordering uitmaken. Het zal de posten bespreken tezamen met het daartegen gevoerde verweer.

a. kosten tot heden: € 3.495,91 (productie 41)

2.10

Als niet (nader) weersproken neemt het hof de facturen van [D] van 10 maart 2014 en 22 april 2014 met een totaal beloop van € 1.760,55 mee in de berekening. De factuur van 20 oktober 2014 is onvoldoende gespecificeerd om deze te kunnen toerekenen aan het verwijderen van puin of wortels. Hetzelfde geldt voor de factuur van 4 mei 2015 waarop tuinwerkzaamheden zijn vermeld. De factuur van 25 november 2015 staat in voldoende verband met puinverwijdering zodat het hof het bedrag van € 456,47 meeneemt. Het hof gaat daarbij ervan uit dat de bij productie 42 gevoegde meetstaten van puin op 4 november 2015 in verband staan met deze factuur. De factuur van 29 maart 2017 is onvoldoende toegelicht en gelet op de datum ook niet zonder meer te betrekken op het perceel. Hetzelfde geldt voor de bij productie 42, laatste blad, gevoegde notitie van [C.] voor [D] . Deze post kan al met al voor een bedrag van € 2.217,02 worden meegenomen.

b. verwijdering en afvoer nog aanwezig puin

2.11

Bij productie 44 heeft [verpachter] een herziene offerte in het geding gebracht. Deze offerte sluit op een bedrag van € 6.500 exclusief btw, € 7.850 inclusief btw. Terecht voert [pachter] aan dat de geoffreerde werkzaamheden verder gaan dan waarvoor [pachter] aansprakelijk is. De offerte gaat namelijk ervan uit dat grond wordt gezeefd op de fracties
0–25, 35 – 40 en 40, met afvoer van materialen boven 25, terwijl [pachter] slechts aansprakelijk is voor de fractie 40 mm en hoger. Het hof zal deze post schatten en begroten op een bedrag van € 5.000 excl btw, is € 6.050 inclusief btw.

c. inkomstenderving

2.12

[verpachter] stelt dat hij in het teeltseizoen 2014 11% van het perceel niet kon aanwenden voor maisteelt waardoor hij € 250 heeft gederfd. In de teeltseizoenen 2015 – 2017 kon hij 7% van het perceel niet gebruiken en beliep de schade € 370, aldus [verpachter] . [pachter] heeft erop gewezen dat de strook bij het bosje niet geheel beteeld kan worden, onder meer wegens schaduwwerking, en dat [verpachter] uitgaat van te hoge opbrengsten.

2.13

[verpachter] heeft niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarop hij de inkomstenderving baseert. Volgens de door [pachter] geraadpleegde site bedraagt het resultaat bij snijmais op zandgrond na aftrek van kosten € 1.269 per hectare. Daarop dienden dus niet nog eens kosten in aftrek worden gebracht, zoals [verpachter] doet, aldus [pachter] . Dit verweer volgt het hof. Omdat een deel van de strook wegens de ingang en benodigde manoeuvreerruimte niet of minder gebruikt kan worden en er sprake is van schaduwwerking, zal het hof het niet beteelbare oppervlak voor 2014 op 8 are stellen en voor 2015 – 2017 op 5 are, uitgaande van een normale opbrengt van € 1.269 per hectare. Dit brengt inkomstenderving mee van € 101,52 voor 2014 en op € 190,35 (3 x € 63,45) voor 2015-2017. In totaal gaat het dus om € 291,87.

d. Kosten luchtfoto’s

2.14

Het hof acht de kosten die [verpachter] aan het kadaster is verschuldigd (€ 260,60) vanwege de luchtfoto’s redelijke kosten voor verzameling van bewijs als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW.

2.15

De hier voor genoemde schadeposten bedragen in totaal tot een bedrag van € 8.819,49. Hiervan dient [pachter] de helft aan [verpachter] te voldoen, te weten € 4.409,74. De door [verpachter] gevorderde wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2014 wijst het hof af nu hij niet tijdig incidenteel heeft geappelleerd.

2.16

In de beoordeling tot nu toe zijn de grieven 4 tot en met 6 begrepen. Grief 7 keert zich onder meer tegen de toewijzing van de kosten zaaiklaar maken (€ 629,20). Als het hof het goed ziet, wordt deze post niet (meer) gevorderd. Indien dat anders mocht zijn, is de grief terecht voorgesteld. [pachter] heeft de verschuldigdheid (ook) bestreden met het argument dat de kosten door elke grondgebruiker die wil gaan (mais)telen gemaakt moeten worden en dus niet voor zijn rekening komen. Op dit verweer heeft [verpachter] niet (voldoende) gereageerd.

2.17

Voor zover de pachtkamer in eerste aanleg wettelijke handelsrente heeft toegewezen over de buitengerechtelijke incassokosten en de beslag- een executiekosten, komt grief 7 daar terecht tegen op. Verschuldigd is wettelijke rente vanaf de in het vonnis vermelde data.

2.18

De tweede grief 7 richt zich tegen de afwijzing van de vorderingen in reconventie. Nu het hof oordeelt dat [pachter] aansprakelijk is omdat hij het perceel niet goed heeft opgeleverd, kan niet staande worden gehouden dat de executie van het kortgedingvonnis onrechtmatig was. Daarbij komt dat [pachter] op 1 juli 2014 € 2.186 aan [verpachter] heeft betaald wat, afgezien van de kosten waarin hij is veroordeeld, nog niet de helft is van waartoe hij door het hof zal worden veroordeeld.

Slotsom

2.19

Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk zodat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. In de afloop van het hoger beroep ziet het hof aanleiding om de kosten van het hoger beroep te compenseren. Er is onvoldoende aanleiding om de kostenveroordeling in eerste aanleg aan te tasten. Grief 8 faalt dus.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer te Zutphen (rechtbank Gelderland) van 11 maart 2015 voor zover onder 3.2, 3.3 en 3.4 van het dictum gewezen, bekrachtigt dat vonnis voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt [pachter] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verpachter] te betalen een bedrag van € 4.409,74 betreffende de herstelkosten van de bodem van het gepachte en gederfde inkomsten, te verminderen met de door [verpachter] reeds ontvangen betaling;

veroordeelt [pachter] om aan [verpachter] te betalen een bedrag van € 903,34 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2014;

veroordeelt [pachter] om aan [verpachter] te betalen een bedrag van € 1.732,73 aan beslag- en executiekosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2014;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, J.H. Lieber en H.L. Wattel en de deskundige leden mr. ir. H.J. Vinke en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2018.