Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:5577

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
21/005088-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenhang met zaak (21/005090-17, ECLI:NL:GHARL:2018:5578). Vrijspraak feit 1 primair en feit 2 primair. Telkens medeplegen van poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging tegen beveiligers bij een uitgaansgelegenheid. Meerdaadse en eendaadse samenloop. Het gerechtshof komt, in afwijking van de rechtbank en advocaat-generaal, tot een andere wettelijke kwalificatie en strafoplegging. Straf van 12 maanden gevangenisstraf waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005088-17

Uitspraak d.d.: 26 april 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 8 september 2017 met parketnummer 16-652655-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1991,

thans verblijvende in [detentie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.F. van Hulst, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Daarnaast komt het hof tot een andere strafoplegging. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 primair:
hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer 1] ,

- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) op/tegen zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet (en met kracht) op/tegen zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geschopt en/of getrapt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas ('orbitawandfractuur'), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer 1] opzettelijk

- meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) op/tegen het hoofd en/of tegen/in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of

- meermalen, althans eenmaal, met geschoeide voet (en met kracht) op/tegen het hoofd en/of tegen/in het gezicht te schoppen en/of te trappen;

feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om, opzettelijk aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, die [slachtoffer 1] ,

- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) op/tegen zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet (en met kracht) op/tegen zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair:
hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer 2] ,

- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) op/tegen (en/of in de richting van) zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet (en met kracht) op/tegen (en/of in de richting van) zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geschopt en/of getrapt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om, opzettelijk aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, die [slachtoffer 2] ,

- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) op/tegen (en/of in de richting van) zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet (en met kracht) op/tegen (en/of in de richting van) zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer 2] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit

- het meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) slaan en/of stompen op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de (onder)rug en/of de arm(en) en/of de hand(en) en/of (de rest van) het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- het meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet (en met kracht) schoppen en/of trappen op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de (onder)rug en/of de arm(en) en/of de hand(en) en/of (de rest van) het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] , waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 3:
hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amersfoort, met een ander of anderen, op/aan de openbare weg, de [locatie] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit

- het (met kracht) duwen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] , ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of

- het meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) slaan en/of stompen en/of met geschoeide voet (en met kracht) schoppen en/of trappen op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de (onder)rug en/of (de rest van) het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) slaan en/of stompen en/of met geschoeide voet (en met kracht) schoppen en/of trappen op/tegen (en/of in de richting van) het hoofd en/of het gezicht en/of de (onder)rug en/of de arm(en) en/of de hand(en) en/of (de rest van) het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- het meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) slaan en/of stompen op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3] , terwijl dit (door hem (verdachte)) gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel en/of enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten

- een gebroken rechter oogkas ('orbitawandfractuur') en/of een scheurwond op het hoofd en/of een zwelling bij het rechter oog en/of een scheurwond onder het rechter oog en/of een schouder uit de kom bij voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- ( een) zwelling(en) en/of (een) kneuzing(en) en/of (een) blauwe plekken en/of (een) bloeduitstorting(en) in het gezicht en/of op het hoofd bij voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- ( een) verwonding(en) bij de linker slaap en/of (een) blauwe plek(ken) op de neusrug en/of boven de ogen en/of op de wang(en) en/of (een) verwonding(en) aan de binnenzijde van de onderlip bij voornoemde [slachtoffer 3] ;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat er geen opzet bestond (ook niet in voorwaardelijke zin) op de poging tot doodslag. Het dossier biedt aanknopingspunten dat verdachte niet richting het hoofd van [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] heeft geschopt. Bovendien heeft verdachte de medeverdachte [medeverdachte] tot bedaren gebracht. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat het afhankelijk is van de omstandigheden van het geval of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept. Hierbij spelen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder het handelen heeft plaatsgevonden een rol. Bepaalde gedragingen kunnen verder naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een zeker gevolg dat het, behoudens contra indicaties, niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] worden geschopt en geslagen, op allerlei plaatsen op hun lijf en tegen en in de richting van hun hoofden. Bij het schoppen tegen en in de richting van het hoofd van een op de grond gelegen persoon is niet per definitie sprake van een aanmerkelijke kans op de dood, laat staan van aanvaarding van die kans door degene die het geweld toepast. Of sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood zal onder meer afhangen van de frequentie van schoppen, de gerichtheid en de intensiteit van het uitgeoefende geweld. Het hof acht niet boven redelijke twijfel bewezen dat bij de gedragingen ten opzichte van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] sprake is van een zodanige gewelduitoefening in duur, omvang en intensiteit in het bijzonder in de richting van hun hoofden dat een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Het hof zal verdachte om die reden vrijspreken van het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat een gebroken oogkas niet zonder meer als zwaar lichamelijk letsel kan worden beschouwd. Indien iemand zonder operatie is hersteld van een oogkasbreuk, zoals in het onderhavige geval, is dit gelet op de jurisprudentie onvoldoende om van zwaar lichamelijk letsel te spreken. Er is verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde.

Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: een ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.
Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Uit de geneeskundige verklaring en medische rapportage van aangever [slachtoffer 1] volgt dat er een forse zwelling en hematoom bij de oogkas is ontstaan. Er is sprake van een orbitawandfractuur en visusdaling van het rechteroog. Er is geen sprake van inwendig bloedverlies. Bovendien bestaan er geen aanwijzingen voor (psychische) storingen in het bewustzijn. De geschatte genezingsduur bedraagt een aantal weken.

Het hof merkt op grond van de beschikbare gegevens voornoemd letsel niet aan als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte zal daarom van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde voor het overige wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende gang van zaken vast.

Nadat verdachte [verdachte] , diens oudere broer [medeverdachte] en [betrokkene] de [uitgaansgelegenheid] uit zijn gezet, staan zij samen met de beveiligers [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] buiten bij elkaar. [slachtoffer 2] geeft op een gegeven ogenblik een duw tegen de borst van [medeverdachte] . Op dat moment is [betrokkene] ertussen gestapt en heeft hij met de vlakke hand [slachtoffer 2] een klap in het gezicht gegeven. [slachtoffer 3] heeft [betrokkene] weggeduwd. [betrokkene] heeft [slachtoffer 3] vervolgens een aantal vuistslagen gegeven. [slachtoffer 3] is hierdoor vijf tot zes keer hard in zijn gezicht geraakt. [slachtoffer 3] heeft [betrokkene] daarop bij zijn nek gepakt en hem naar de grond gewerkt. Hij is bovenop hem blijven liggen met zijn arm rond de nek. [betrokkene] heeft vergeefs geprobeerd om los te komen en daarbij gegild. Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geschopt en geslagen. Als [slachtoffer 3] zijn collega’s te hulp schiet krijgt ook hij een klap.

Voor de bewezenverklaring van de feiten 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 is niet van belang dat niet exact is komen vast te staan wie van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] welke gedraging heeft verricht, en in het bijzonder wie telkens de slachtoffers tegen of in de richting van het hoofd heeft geschopt. Het gaat er om dat de verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [medeverdachte] beiden en ook tegelijkertijd op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben ingetrapt en -geslagen. Daarbij moeten zij hebben gezien wat de ander deed. In het bijzonder hebben beiden gezien, althans moeten zien, dat de beide slachtoffers meermalen tegen of in de richting van het hoofd zijn geschopt. Zij zijn daarna voortgegaan met de uitoefening van het geweld.

Onder meer uit de aard en de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte en zijn broer leidt het hof af dat er een aanmerkelijke kans bestond op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Psychische overmacht waardoor een noodweersituatie ontstond

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat op grond van psychische overmacht zich een noodweersituatie voordeed bij verdachte. Dit komt voort uit een jeugdtrauma waarbij in Somalië verschillende familieleden van verdachte zijn gegijzeld of vermoord door beveiligers, die in werkelijkheid gewelddadige privémilities van criminele bendes waren. Derhalve is sprake geweest van psychische overmacht waardoor verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij in levensgevaar was en deed zich dus een noodweer-situatie voor.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waartegen een verdediging noodzakelijk en geboden was.


Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang, waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Evenmin is derhalve aannemelijk geworden dat op grond hiervan verdachte in onmiddellijk (dreigend) levensgevaar terecht is gekomen of zich anderszins een noodweersituatie voordeed. De feiten die aan het verweer ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk geworden.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om, opzettelijk aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, die [slachtoffer 1] ,

- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) op/tegen zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet (en met kracht) op/tegen zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om, opzettelijk aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, die [slachtoffer 2] ,

- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) op/tegen (en/of in de richting van) zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet (en met kracht) op/tegen (en/of in de richting van) zijn hoofd en/of zijn gezicht en/of zijn (onder)rug en/of (de rest van) zijn lichaam heeft geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

feit 3:
hij op of omstreeks 21 mei 2017 te Amersfoort, met een ander of anderen, op/aan de openbare weg, de [locatie] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit

- het (met kracht) duwen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] , ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of

- het meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) slaan en/of stompen en/of met geschoeide voet (en met kracht) schoppen en/of trappen op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de (onder)rug en/of (de rest van) het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of - het meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) slaan en/of stompen en/of met geschoeide voet (en met kracht) schoppen en/of trappen op/tegen (en/of in de richting van) het hoofd en/of het gezicht en/of de (onder)rug en/of de arm(en) en/of de hand(en) en/of (de rest van) het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- het meermalen, althans eenmaal met gebalde vuist (en met kracht) slaan en/of stompen op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3] , terwijl dit (door hem (verdachte)) gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel en/of enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten

- een gebroken rechter oogkas ('orbitawandfractuur') en/of een scheurwond op het hoofd en/of een zwelling bij het rechter oog en/of een scheurwond onder het rechter oog en/of een schouder uit de kom bij voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- (een) zwelling(en) en/of (een) kneuzing(en) en/of (een) blauwe plekken en/of (een) bloeduitstorting(en) in het gezicht en/of op het hoofd bij voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- (een) verwonding(en) bij de linker slaap en/of (een) blauwe plek(ken) op de neusrug en/of boven de ogen en/of op de wang(en) en/of (een) verwonding(en) aan de binnenzijde van de onderlip bij voornoemde [slachtoffer 3].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder feit 1 meer subsidiair en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

telkens medeplegen van poging tot zware mishandeling

voor zover het betreft [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in eendaadse samenloop begaan met

Het onder feit 3 bewezenverklaarde:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte terzake van feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd indien verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit gedurende de proeftijd van twee jaar. Voorts zijn de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen zoals in voornoemd vonnis vermeld.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat verdachte wegens tweemaal poging tot doodslag en openlijke geweldpleging wordt veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, onder de algemene voorwaarden en bijzondere voorwaarde van reclasseringsbegeleiding

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Daarbij is verzocht om rekening te houden met de richtlijnen van het openbaar ministerie en de straf te matigen tot de duur van ongeveer tien maanden gevangenisstraf.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof is tot een minder verstrekkende bewezenverklaring gekomen dan de rechtbank en de advocaat-generaal. Dit heeft zijn weerslag op de hoogte van de straf.

De verdachte heeft met een mededader gepoogd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar te mishandelen. Daarnaast heeft verdachte in vereniging openlijk geweld gepleegd tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Twee van de drie beveiligers hebben behoorlijk letsel opgelopen. Geweld in het openbaar uitgaansleven leidt tot gevoelens van onveiligheid bij het uitgaand publiek.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor een mishandeling waarbij zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. In geval van poging tot zware mishandeling wordt de straf in beginsel met een derde deel verlaagd. Voor een openlijke geweldpleging zoals in het onderhavige geval is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke taakstraf van 150 uur.

Het hof neemt als strafverzwarend element in overweging dat sprake is van uitgaansgeweld en dat er mede door de gedragingen van verdachte drie slachtoffers letsel hebben opgelopen, voor wie de gevolgen ingrijpend zijn geweest. Bovendien gaat hierbij om beveiligers, wier taak het is toezicht uit te oefenen, de orde te handhaven en de veiligheid te waarborgen. Weliswaar blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 maart 2018 dat verdachte eerder voor openlijk geweld onherroepelijk is veroordeeld, maar het hof zal deze veroordeling in verband met het lange tijdsverloop niet ten nadele van verdachte in aanmerking nemen. Wel heeft het hof in het nadeel van verdachte meegewogen dat verdachte heeft er op geen enkele wijze blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien.

In het voordeel van verdachte betrekt het hof bij de bepaling van de op te leggen straf dat hij in de aanloop naar het incident geprobeerd heeft de gemoederen te bedaren.

In strafmatigende zin neemt het hof verder in overweging de inhoud van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport. Hieruit blijkt dat verdachte positief staat ten opzichte van hulp of begeleiding. Hij is bereid om in voorkomend geval hieraan zijn medewerking te verlenen.

Het hof is van oordeel dat bij afweging van de voorgaande feiten en omstandigheden een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Voor een taakstraf naast een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf, zoals die in de oriëntatiepunten is opgenomen bij openlijk geweld, ziet het hof in deze zaak geen ruimte omdat het hof de feiten in hun totaliteit en samenhang bezien, daarvoor te ernstig acht. Het hof zal een gevangenisstraf opleggen van 12 maanden waarvan 2 maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, indien verdachte zich gedurende de proeftijd van twee jaar zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.725,52. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.544,02. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor wat betreft het onderdeel ‘facturen boekhouder’ is het hof van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.557,83. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.535,43. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die immateriële schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor wat betreft de vergoeding van materiële schade is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De vordering tot vergoeding van materiële schade is gebaseerd op het enkelletsel van de benadeelde partij. Het is evenwel niet duidelijk of het enkelletsel wel redelijkerwijs kan worden toegerekend aan het onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte. In zoverre levert de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan daarom voor wat betreft de vergoeding van materiële schade niet in haar vordering worden ontvangen.

De verdachte is voorts tot vergoeding gehouden van de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 327,72. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Voor zover verzocht is om bij de vordering tot schadevergoeding rekening te houden met eigen schuld van de benadeelde partij (artikel 6:101 BW), op grond waarvan de vergoedingsplicht dient te worden verminderd, overweegt het hof als volgt.

Op grond van het procesdossier en het onderzoek ter zitting is het hof niet gebleken van een zodanig eigen bijdrage of eigen schuld van de benadeelde partij dat de vordering tot schadevergoeding niet of in mindere mate dient te worden toegewezen.

De verdachte is voorts tot vergoeding gehouden van de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder feit 1 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.544,02 (drieduizend vijfhonderdvierenveertig euro en twee cent) bestaande uit € 2.044,02 (tweeduizend vierenveertig euro en twee cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 21 mei 2017.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.544,02 (drieduizend vijfhonderdvierenveertig euro en twee cent) bestaande uit € 2.044,02 (tweeduizend vierenveertig euro en twee cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 21 mei 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 38,87 (achtendertig euro en zevenentachtig cent).

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 mei 2017.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 mei 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder feit 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 327,72 (driehonderdzevenentwintig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 27,72 (zevenentwintig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 10,64 (tien euro en vierenzestig cent).

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 21 mei 2017.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder feit 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 327,72 (driehonderdzevenentwintig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 27,72 (zevenentwintig euro en tweeënzeventig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 21 mei 2017.

Aldus gewezen door

mr. A. van Waarden, voorzitter,

mr. J.A.W. Lensing en mr. M.B.T.G. Steeghs, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier,

en op 26 april 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A. van Waarden en mr. M.B.T.G. Steeghs zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 26 april 2018.

Tegenwoordig:

mr. G. Mintjes, voorzitter,

mr. J.J.T.M. Pieters, advocaat-generaal,

mr. P.A.C. Admiraal, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.