Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:5537

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2018
Datum publicatie
21-06-2018
Zaaknummer
WAHV 200.233.563
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Meervoudig arrest. Handelen in strijd met geslotenverklaring. Milieuzone Rotterdam. Bevoegdheid verbalisant. Anders dan in de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar, wordt in de hier van toepassing zijnde Beleidsregels boa verwezen naar de brief van 12 april 2011 van het College van procureurs-generaal. Hieruit leidt het hof af dat de bevoegde instantie, de Minister van Veiligheid en Justitie, hetgeen in die brief staat richtinggevend heeft geacht ter zake van de nadere invulling van gemeentelijke handhaving van de regelgeving gesteld bij of krachtens de WVW 1994. Het hof zal daarom voor de nadere invulling van het begrip 'openbare orde' uitgaan van hetgeen in de brief van 12 april 2011 daarover staat vermeld. Het hof oordeelt dat de geslotenverklaring is ingesteld in relatie tot de openbare orde.

De verbalisant was dan ook bevoegd tot handhaving en sanctieoplegging.

Het hof stelt vast dat niet is voldaan aan bijlage L van de Beleidsregels boa, omdat het C-bord niet zichtbaar op de foto staat. In die bijlage L staat het toepasselijk kader voor de gemeente indien zij digitaal wil handhaven op categorie C borden. Bij de vraag welk gevolg hieraan dient te worden

verbonden, is ook van belang of het niet voldoen aan die voorwaarde op andere wijze wordt ondervangen. In dit geval kan niet worden vastgesteld dat het bord C6 deugdelijk was geplaatst.

Het hof zal de beslissing van de kantonrechter - inhoudende dat de sanctiebeschikking dient te worden vernietigd - bevestigen met verbetering van gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/124
JWR 2018/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.233.563

14 juni 2018

CJIB 199865959

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 24 januari 2018

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigd.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990”, welke gedraging zou zijn verricht op 15 juli 2016 om 14.31 uur op de Erasmusbrug te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

2. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking vernietigd omdat het bord C6 niet op de foto van de gedraging staat, terwijl dit wel is voorgeschreven in bijlage L bij de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (hierna: de Beleidsregels boa).

3. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep van de betrokkene ten onrechte gegrond is verklaard door de kantonrechter. Op basis van de verklaring van de verbalisant waaruit blijkt dat de geslotenverklaring middels een bord C6 was aangegeven, kan immers worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dat bijlage L bij de Beleidsregels boa niet is nageleefd, doet aan deze vaststelling niet af, noch aan de bevoegdheid van de verbalisant. De enkele omstandigheid dat het bord C6 niet zichtbaar is op de foto van de gedraging, is onvoldoende om te gaan twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Verder voert de officier van justitie aan dat de verbalisant bevoegd was om te handhaven op gedragingen als de onderhavige, nu uit het verkeersbesluit kan worden afgeleid dat aan de instelling van de geslotenverklaring de 'openbare orde' ten grondslag heeft gelegen.

Bevoegdheid van de verbalisant

4. De gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in samenhang met bord C6 van Bijlage 1 bij dat reglement.

5. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd door verbalisant [B] , die is beëdigd als boa voor domein I, Openbare Ruimte.

6. Volgens het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar gemeente Rotterdam, cluster Stadsbeheer, afdeling Toezicht & Handhaving Domein I 2015 van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 juni 2015 (nr. BOACAT2015/022), zijn de betreffende boa's bevoegd tot het opsporen van de strafbare feiten behorend tot voornoemd domein, van bijlage A-1 van de destijds geldende Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar. Deze Circulaire is per 1 juli 2015 vervallen en vervangen door de Beleidsregels boa (vgl. het arrest van dit hof van 19 april 2018, WAHV 200.196.891, ECLI:NL:GHARL:2018:3726).

7. Artikel 6.4 onder 16 van de ten tijde van de gedraging geldende Beleidsregels boa houdt in dat de boa Openbare Ruimte bevoegd is tot handhaving ter zake van:

“Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, maar alleen voor zover het stilstaand verkeer betreft. De artikelen 4, 5, 6, 10, 60, 82 en 62 juncto bijlage I hoofdstuk C (geslotenverklaring) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor zover van toepassing ook voor rijdend verkeer. Op 12 april 2011 is door het College van procureurs-generaal (brief met kenmerk Pag/B&S/15674) nadere invulling gegeven in het kader van gemeentelijke handhaving van de WVW. Handhaving op negatie van C borden (RVV 1990) is in relatie tot de openbare orde toegestaan. In bijlage L is het toepasselijke kader voor de gemeente opgenomen indien zij digitaal wil handhaven op categorie C borden.”

8. Gelet op het voorgaande is de bevoegdheid van de boa om te handhaven op gedragingen als de onderhavige begrensd tot situaties die gerelateerd kunnen worden aan de openbare orde.

9. Anders dan in de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar (zie het arrest van dit hof van 10 juli 2017, WAHV 200.149.613, ECLI:NL:GHARL:2017:5888) wordt in de hier van toepassing zijnde Beleidsregels boa verwezen naar de brief van 12 april 2011 van het College van procureurs-generaal. Hieruit leidt het hof af dat de bevoegde instantie, de Minister van Veiligheid en Justitie, hetgeen in die brief staat ter zake van de nadere invulling van gemeentelijke handhaving van de regelgeving gesteld bij of krachtens de WVW1994, richtinggevend heeft geacht.

10. Voor de nadere invulling van het begrip 'openbare orde' zal het hof gelet op het voorgaande uitgaan van hetgeen in de brief van 12 april 2011 van het College van procureurs-generaal daarover staat vermeld. Dit luidt als volgt:

“Het criterium openbare orde dient echter zo te worden verstaan, aldus het College, dat daaronder tevens valt het tegengaan van overlast, bijvoorbeeld door sluipverkeer, en het verbeteren van de leefbaarheid, bijvoorbeeld door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht) auto's, de zogenaamde milieuzones.”

11. Uit het door de betrokkene overgelegde verkeersbesluit van 16 november 2015 tot instelling van de milieuzone in Rotterdam blijkt dat een verbetering van de luchtkwaliteit en daarmee de leefbaarheid hieraan ten grondslag heeft gelegen. De geslotenverklaring is zodoende ingesteld in relatie tot de openbare orde als hiervoor bedoeld. De verbalisant was dan ook bevoegd om te handhaven op onderhavige gedraging en daarvoor een sanctie op te leggen.

Vaststelling van de gedraging

12. In bijlage L van de Beleidsregels boa staat het toepasselijk kader voor de gemeente opgenomen indien zij digitaal wil handhaven op categorie C borden. Als voorwaarde waaraan voldaan moet worden, staat daarin onder meer vermeld dat het C-bord zichtbaar op de foto moet staan. Het betreft een voorwaarde met betrekking tot de wijze waarop de boa zijn bevoegdheid uitoefent. Aan deze voorwaarde is hier niet voldaan.

13. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld welk gevolg hieraan verbonden moet worden en acht hierbij van belang of het niet voldoen aan die voorwaarde op andere wijze wordt ondervangen.

14. De verklaring van verbalisant [B] , die de gedraging heeft geconstateerd, zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in:

“Overtreden artikel:

62 jo. bord C6 RVV 1990 (…)

Opmerkingen ambtenaar 1:

Bord geslotenverklaring C06. De overtreding is geautomatiseerd geconstateerd en op een digitale foto vastgelegd door een camera die op enkele meters na bord C06 is geplaatst. (…)”

15. Bij de stukken bevindt zich ook een algemeen proces-verbaal opgemaakt door verbalisant [C] in mei 2016 waarin voor zover hier van belang als volgt wordt verklaard:

“Bij iedere boete die wordt doorgestuurd naar het CJIB wordt een aan een specifieke camera gekoppelde 'tweede waarnemingstekst' meegestuurd. (…) Deze tweede waarnemingstekst luidt als volgt: Bord geslotenverklaring C6. De overtreding is geautomatiseerd geconstateerd en op een digitale foto vastgelegd door een camera die op enkele meters na bord C6 is geplaatst. (…)”

16. Uit voornoemd algemeen proces-verbaal leidt het hof af dat aan een specifieke camera een bepaalde standaardtekst is gekoppeld die in het zaakoverzicht wordt opgenomen onder de opmerkingen van de verbalisant. Hetgeen in deze zaak in het zaakoverzicht staat opgenomen over de bebording op de pleeglocatie betreft dus geen waarneming van de verbalisant van de situatie ten tijde van de gedraging. Hierop gelet kan op basis van de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht niet worden vastgesteld dat het bord C6 deugdelijk stond geplaatst.

17. Het dossier bevat verder geen andere stukken waaruit blijkt dat zodanig bord stond geplaatst op de pleeglocatie. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking dan ook terecht, zij het op ontoereikende gronden, vernietigd. Deze beslissing wordt daarom bevestigd met verbetering van gronden. Gelet op deze beslissing behoeven de door de betrokkene aangevoerde bezwaren geen bespreking meer.

18. De betrokkene heeft verzocht om een proceskostenvergoeding in verband met de tijd die hij heeft besteed aan het opstellen van de beroep- en verweerschriften. Volgens vaste jurisprudentie van het hof (vgl. Hof Leeuwarden 1 mei 2002, WAHV 01/00612, LJN: AE3230) komen slechts die verletkosten voor vergoeding in aanmerking die zijn gemaakt in verband met het bijwonen van een zitting en de inzage van stukken ter griffie. De verzochte verletkosten komen hierop gelet niet voor vergoeding in aanmerking. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt daarom afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;

wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en Sekeris in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.