Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:5421

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
200.234.199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag bewindvoerder. Samenhang tussen meerdere zaken, onvankelijkheid op grond van één beroepschrift. Gewichtige redenen. 1:448 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/631
JBPr 2019/7 met annotatie van Oudijk, R.R., Dempsey, N.T.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.234.199

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 6420679)

beschikking van 12 juni 2018

inzake

[verzoeker] ,

handelende onder de naam [bedrijf 1],

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. E.N. Bouwman te Utrecht,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: betrokkene,

en

[verweerster]

handelende onder de naam [bedrijf 2],

gevestigd te [kantoorplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. E.N. Mulder te Nijkerk.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, bewindsbureau, locatie Utrecht) van 27 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 januari 2018;

- het verweerschrift van [verweerster] ;

- een brief van mr. Bouwman van 16 februari 2018 met een productie;

- een journaalbericht van mr. Mulder van 26 april 2018 met productie;

- een journaalbericht van mr. Bouwman van 11 mei 2018 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2018 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Betrokkene is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. [verweerster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Voorts zijn verschenen mr. P.J. Neijt, kantonrechter, en mr. T.D. Hoefman, griffier, die op voet van artikel 800 lid 2 Rv als informanten zijn opgeroepen.

3 De feiten

3.1

Betrokkene is op [geboortedatum] geboren te [woonplaats] .

3.2

Bij beschikking van 31 augustus 2016 heeft de kantonrechte alle goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld. Tot de bestreden beschikking was [verzoeker] de bewindvoerder van betrokkene.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Bij de bestreden beschikking van 27 oktober 2017 heeft de kantonrechter ambtshalve [verzoeker] met ingang van 1 november 2017 ontslagen als bewindvoerder, [verweerster] met ingang van 1 november 2017 tot opvolgend bewindvoerder benoemd, gelast dat [verzoeker] het dossier, zowel de papieren stukken als de digitale gegevens, op een voor de opvolgend bewindvoerder leesbare gegevensdrager dient over te dragen, bepaald dat [verweerster] een beloning toekomt overeenkomstig de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en bepaald dat indien [verzoeker] niet binnen twee maanden na de bestreden beschikking eindrekening aflegt (inclusief eventuele ontbrekende rekeningen en verantwoording) hij geen beloning voor het opmaken van de eindrekeningen en verantwoording in rekening mag brengen.

4.2

[verzoeker] is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. [verzoeker] verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat [verzoeker] bewindvoerder is gebleven en blijft ten aanzien van betrokkene, met veroordeling van de Staat der Nederlanden in de kosten van deze procedure.

4.3

[verweerster] voert verweer en verzoekt het hof om [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep althans de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

ontvankelijkheid

5.1

[verzoeker] is door de kantonrechter ontslagen als bewindvoerder ten aanzien van al zijn cliënten. Het betreft tweeënveertig zaken met even zo veel beschikkingen van de kantonrechter, gedateerd 27 oktober 2017, 30 oktober 2017 en 7 november 2017. [verzoeker] heeft ten aanzien van alle tweeënveertig beschikkingen één beroepschrift ingediend bij het hof op 26 januari 2018.

5.2

Een goede procesorde verzet zich in het algemeen ertegen dat hoger beroep tegen in verschillende zaken gegeven uitspraken wordt ingesteld bij een en hetzelfde beroepschrift. Dit geldt echter niet in alle gevallen en kan bijvoorbeeld anders zijn in uitspraken die tussen dezelfde partijen op dezelfde dag door dezelfde rechter zijn gedaan. Indien het gaat om verschillende partijen, maar wel om rechterlijke uitspraken die zijn gegeven op dezelfde dag door dezelfde rechter, stelt de Hoge Raad strengere eisen

(HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8317). Aanstonds moet voldoende vaststaan dat een genoegzame samenhang bestaat tussen de verschillende zaken om een gezamenlijke behandeling daarvan te rechtvaardigen.

Het hof is ten aanzien van het onderhavige beroepschrift van oordeel dat sprake is van voldoende samenhang tussen de tweeënveertig zaken, nu [verzoeker] in al die zaken ambtshalve als bewindvoerder is ontslagen op grond van gewichtige redenen. Daaraan doet in dit geval niet af dat de uitspraken niet op dezelfde dag zijn gegeven, maar op drie verschillende dagen met tussenpozen van drie respectievelijk zeven dagen. Het hof acht [verzoeker] daarom ontvankelijk in alle zaken op grond van één beroepschrift. Op de mondelinge behandeling van 22 mei 2018 is afgesproken dat eerst de zaak van de betrokkene zal worden behandeld alvorens de overige eenenveertig zaken worden behandeld.

inhoudelijk

5.3

Op grond van artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek hetzij wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder, de rechthebbende of het openbaar ministerie dan wel ambtshalve. Dit brengt mee dat het hof bij zijn beslissing omtrent het ontslag niet gebonden is aan de gronden die eerder zijn aangevoerd. Ook feiten en omstandigheden die (pas) ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen, kunnen aan een ontslag ten grondslag worden gelegd, mits de (ontslagen) bewindvoerder voldoende gelegenheid is geboden zijn standpunt daaromtrent aan het hof kenbaar te maken en zo nodig zijn standpunt met stukken te onderbouwen (ECLI:NL:HR:2015:86).

5.4

In dit hoger beroep ligt aan het hof de vraag voor of er gewichtige redenen zijn om (ambtshalve) ontslag te verlenen.

5.5

De kantonrechter heeft aan zijn oordeel - dat sprake was van een gewichtige reden voor ontslag - de volgende feiten ten grondslag gelegd:

 de rekening en verantwoording was onvoldoende op orde;

 [verzoeker] communiceert onvoldoende professioneel;

 [verzoeker] is onvoldoende op de hoogte van de regels waaraan een professioneel bewindvoerder is gebonden en hij heeft zich niet aan de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren gehouden.

5.6

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat [verzoeker] ten onrechte bij een groot aantal cliënten kosten in rekening heeft gebracht voor het opmaken en indienen van de aangiften inkomstenbelasting. Nu deze werkzaamheden vallen onder de normale werkzaamheden van een bewindvoerder zijn deze werkzaamheden in de beloning van de bewindvoerder begrepen.

5.7

Het hof is van oordeel dat alleen al de wijze waarop [verzoeker] zichzelf heeft beloond voor het opmaken en indienen van de aangiften inkomstenbelasting een gewichtige reden vormt voor zijn ontslag als bewindvoerder. Niet alleen had [verzoeker] als professionele bewindvoerder ervan op de hoogte moeten zijn dat deze werkzaamheden vallen binnen zijn normale beloning, die een forfaitair karakter heeft, maar ook had hij - nadat hij hiermee wel bekend werd - uit eigen beweging onmiddellijk deze beloning aan zijn cliënten moeten terugbetalen en niet eerst na aandringen van de kantonrechter. Het feit dat [verzoeker] dit heeft nagelaten toont naar het oordeel van het hof aan dat [verzoeker] onvoldoende inzicht had in zijn handelen. Dit oordeel wordt onderstreept door de verklaring van [verzoeker] ter mondelinge behandeling in hoger beroep waar [verzoeker] niet zijn onjuiste handelen benoemt, maar uitsluitend dat hij de beloning niet van de leefgeldrekening van zijn cliënten heeft overgemaakt maar van hun beheerrekening. Aan het voorgaande doet niet af dat de cliënten van [verzoeker] tevreden waren over zijn functioneren en dat er slechts één klacht is ingediend, die bovendien ongegrond is verklaard, nu van de cliënten niet kan worden verwacht dat zij kennis en inzicht hebben van/in het inhoudelijk handelen van [verzoeker] op financieel gebied.

5.8

Nu het voorgaande naar het oordeel van het hof reeds een voldoende gewichtige reden vormt voor het ontslag van [verzoeker] als bewindvoerder behoeven de overige redenen die hebben geleid tot dit ontslag geen bespreking. Evenmin ziet het hof aanleiding een nader onderzoek te gelasten of getuigen te horen, zoals door [verzoeker] verzocht.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Nu [verzoeker] in het ongelijk wordt gesteld, ziet het hof geen aanleiding de Staat der Nederlanden in de proceskosten te veroordelen zoals door [verzoeker] verzocht.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, bewindsbureau, locatie Utrecht, met zaaknummer 6420679) van 27 oktober 2017;

wijst het meer of anders verzochte af;

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, J.H. Lieber en G.J. Rijken, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 12 juni 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.