Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:5411

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
200.176.618/01, 200.177.802/01 en 200.183.452/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

2.8 BW, 6:162 en 6:166 BW. Bestuurdersaansprakelijkheidprocedure. Aandeelhouder wordt buitenspel gezet door mede-aandeelhouders. Activa en de ondernemingsactiviteiten zijn aan derden overgedragen (verhangen), zonder dat hier een reële vergoeding tegenover staat. Afgeleide schade.

Rol OK-procedure. Bewijskracht “vreemde” vonnissen..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2018/54
JONDR 2018/709
JOR 2018/207 met annotatie van mr. P.H.M. Broere
OR-Updates.nl 2018-0105
INS-Updates.nl 2018-0161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummers gerechtshof 200.176.618, 200.177.802 en 200.183.452

(in alle gevallen zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/368244 / HA ZA 14-134)

arrest van 12 juni 2018

in de zaken met nummers 200.176.618 en 200.183.452 van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.J. Veldhuis, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

1 SC Raw Materials B.V.,

gevestigd te Hilversum,

hierna: Raw Materials,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde2] jr.,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde3] sr.,

4. [geïntimeerde4] ,

wonende te [C] ,

hierna: [geïntimeerde4],

5. SC Investment Group B.V.B.A.,

gevestigd te Essen, België,

hierna: Investment Group,

6. [geïntimeerde6] ,

wonende te [D] , Russische Federatie,

hierna: [geïntimeerde6],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

in de zaak met nummer 200.176.618 advocaat: mr. G.T.J. Hoff, kantoorhoudend te Haarlem,

in de zaak met nummer 200.183.452: niet verschenen,

en in de zaak met nummer 200.177.802 van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

7 Leaderland TTM B.V.,

gevestigd te Hilversum,

hierna: Leaderland TTM,

8. Leaderland TTM I B.V.,

gevestigd te Hilversum,

hierna: TTM I,

verschenen,

9. Leaderland TTM II B.V.,

gevestigd te Hilversum,

hierna: TTM II,

10. Leaderland TTM III B.V.,

gevestigd te Hilversum,

hierna: TTM III,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie,

hierna tezamen (7 tot en met 10): de Leaderlandvennootschappen,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

24 juni 2015 dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen in hoger beroep,

- de memories van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord in de zaak met nummer 200.176.618 (met producties),

- het in de zaken 200.177.802 en 200.183.452 verleende verstek,

- het proces-verbaal van de op 16 april 2018 gehouden pleidooien in alle zaken. Ter gelegenheid van de pleidooien zijn in de zaak met nummer 200.176.618/01 nadere producties overgelegd. In alle drie de zaken zijn de producties F tot en met O overgelegd. Hiervan is akte verleend. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op basis van de aldus aangevulde stukken.

3 Geweigerde productie

3.1

Ter zitting heeft mr. Hoff, namens [geïntimeerden] c.s. bezwaar gemaakt tegen de door [appellant] overgelegde productie M, bestaande uit 50 pagina's in de Russische taal gestelde gegevens uit een Russisch register. Daaromtrent wordt als volgt geoordeeld.

3.2

De vraag in hoeverre de rechter acht dient te slaan op producties die in een vreemde taal zijn gesteld, dient bij gebreke van een wettelijke regeling te worden beantwoord aan de hand van de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten. Bij de beoordeling van het geschil dient acht te worden geslagen op behoorlijk in het geding gebrachte producties die in een vreemde taal zijn gesteld en waarop door een partij een beroep is gedaan, als de rechter en de wederpartij een vertaling niet nodig hebben voor een goede beoordeling van de inhoud van die producties. Het overleggen van een vertaling van een productie is in beginsel niet noodzakelijk als die productie is gesteld in de Engelse, Duitse of Franse taal (artikel 2.5 van het Landelijk procesreglement). De rechter kan echter een vertaling verlangen als hij dat nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede gelet op de belangen van de wederpartij. Een vertaling is in beginsel wel noodzakelijk als een productie is gesteld in een andere vreemde taal (HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:65).

3.3

Nu de genoemde producties in de Russische taal zijn gesteld, brengen de eisen van een behoorlijke rechtspleging mee dat een vertaling daarvan in beginsel noodzakelijk is.

Namens [appellant] heeft mr. Zee echter niet aangeboden alsnog voor een (beëdigde) vertaling daarvan zorg te dragen. Bovendien heeft hij niet uitgelegd welk belang in het licht van de grieven in zijn visie aan die producties toekomt. Gelet daarop honoreert het hof het bezwaar van [geïntimeerden] c.s. en gaat het aan deze productie voorbij, zonder [appellant] de gelegenheid te bieden alsnog een vertaling van die stukken in het geding te brengen.

4. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg en de vordering in het hoger beroep

4.1

Alle procedures hebben betrekking op het in eerste aanleg door de rechtbank Midden Nederland, locatie Lelystad, van 24 juni 2005 onder zaaknummer C/16/368244/HA ZA 14-134 besliste geschil tussen partijen. [appellant] heeft in die procedure in conventie kort gezegd gevorderd te verklaren voor recht dat [geïntimeerden] c.s. en de Leaderlandvennootschappen tegenover hem onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden schade, onder veroordeling van deze partijen tot betaling van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk zijn, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.2

[geïntimeerden] c.s. hebben in eerste aanleg in reconventie kort gezegd gevorderd [appellant] te veroordelen de ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de conventionele vordering van [appellant] afgewezen en heeft de reconventionele vordering toegewezen.

4.4

[appellant] handhaaft in het hoger beroep kort gezegd zijn oorspronkelijk conventionele vordering.

5 De vaststaande feiten in alle zaken

5.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.19 van het bestreden vonnis. Daarmee, en met wat in hoger beroep verder onbestreden is gebleven, staat het volgende vast.

5.2

Leaderland TTM is op 6 februari 1997 opgericht door [appellant] , [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] . De door haar gedreven onderneming hield zich bezig met inkoop en verkoop van ruwe grondstoffen (vetten en oliën) van voornamelijk Nederlandse leveranciers en de (intercompany) doorlevering daarvan aan Russische vennootschappen. [appellant] is op

15 juli 1998 in dienst getreden als algemeen directeur van Leaderland TTM. Per 24 maart 2006 is [appellant] benoemd tot bestuurder van Leaderland TTM.

5.3

Op 30 maart 2006 is opgericht Soyuz Corporation Investment Center BV door [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde2] jr. en [E] (dochter van [geïntimeerde3] sr.). Eveneens op

30 maart 2006 is opgericht de vennootschap SC Raw Materials. Tot bestuurder wordt [geïntimeerde2] jr. benoemd.

5.4

Op 19 maart 2007 is opgericht Peters Financial Investments Corporation door [geïntimeerde3] sr.

5.5

Op 14 mei 2007 is opgericht SC Financial Investment Group Inc. door [geïntimeerde3] sr.

5.6

Op 17 augustus 2012 zijn Leaderland TTM I, TTM II en TTM III opgericht. Op die dag heeft elk van hen door afsplitsing een deel van het vermogen van Leaderland TTM verkregen, zoals omschreven in de aan de akte van afsplitsing gehechte omschrijving (de afsplitsing). [appellant] en [geïntimeerde4] houden sindsdien ieder 25% van de aandelen in Leaderland TTM, TTM I TTM II en TTM III. [geïntimeerde3] sr. houdt 50% van de aandelen in elk van deze vennootschappen. [appellant] is bij de afsplitsing ook bestuurder geworden van Leaderland TTM, TTM I, II en III.

5.7

De aandeelhoudersverhoudingen binnen de Leaderlandvennootschappen en de aan deze vennootschappen verbonden vennootschappen waren na de afsplitsing voor het overige als volgt. Leaderland hield een belang van 90% in de vennootschap naar Russisch recht OOO Soyuz Corporation, waarin onder andere de merkrechten zijn ondergebracht. [geïntimeerde3] sr. hield het resterende belang van 10% in deze vennootschap. Volgens de beschrijving van het deel van het vermogen dat overgaat naar de verkrijgende vennootschappen, behorend bij het voorstel van splitsing van 23 mei 2012 dat tot de afsplitsing heeft geleid, verkregen Leaderland TTM I, II en III een belang van respectievelijk 50%, 25% en 25% in de vennootschap naar Russisch recht OOO Soyuz TTM. In OOO Soyuz TTM is de fabriek ondergebracht waarin vetten en oliën worden verwerkt. Deze vennootschap hield een belang van 90% in de vennootschap naar Russisch recht OOO Soyuz M. De resterende 10% van de aandelen in OOO Soyuz M. werden gehouden door SC Financial Investment Group Inc, waarvan [geïntimeerde3] sr. alle aandelen houdt.

5.8

In oktober 2012 is de verstandhouding tussen [appellant] enerzijds en [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] anderzijds verslechterd, nadat tussen [appellant] en [geïntimeerde3] een gesprek had plaatsgevonden op het kantoor van [geïntimeerde3] in Sint Petersburg. Over de aanleiding en inhoud van het gesprek verschillen partijen van mening. Op 8 oktober 2012 heeft [appellant] zich ziek gemeld.

5.9

Op 8 februari 2013 heeft de oprichting plaatsgevonden van de vennootschap naar Belgisch recht SC Investment Group B.V.B.A. door [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] . De aandelen in deze vennootschap worden voor 75% gehouden door [geïntimeerde3] sr. en voor 25%. door [geïntimeerde4] .

5.10

Bij beschikking van 27 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] gemachtigd tot het bijeenroepen van een algemene vergadering van aandeelhouders van Leaderland TTM,

TTM I, TTM II en TTM III. Aan deze beslissing heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] voldoen aan de vereisten van artikel 2:220 BW en dat zij voorafgaand aan hun verzoek het bestuur van de betrokken vennootschappen in brieven van 15 februari 2013 onder opgave van de te behandelen onderwerpen, waaronder het ontslag van [appellant] als bestuurder van de Leaderlandvennootschappen en de benoeming van [geïntimeerde6] als bestuurder van deze vennootschappen, hebben verzocht een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen en dat het bestuur daaropvolgend geen maatregelen heeft genomen om die vergaderingen te houden.

5.11

Op 19 april 2013 is [appellant] door deze algemene vergaderingen van aandeelhouders met telkens 75% van de stemmen ontslagen als bestuurder van de Leaderlandvennootschappen en is [geïntimeerde6] steeds als bestuurder van die vennootschappen benoemd. Aan de besluiten tot ontslag van [appellant] zijn blijkens het verslag van die vergaderingen ten grondslag gelegd "een gebrek aan vertrouwen", "het overtreden van financiële discipline", "het verstrekken van onjuiste gegevens over contracten", "het liegen over marktprijzen voor grondstoffen", "het misbruik maken van zijn positie" en "het gebruik van financiële middelen van het bedrijf en het niet teruggeven daarvan".

5.12

Bij brief van 23 april 2013 heeft Peters Inc., financier van Leaderland TTM, de door haar aan TTM verstrekte leningen tot een totaalbedrag van $ 10.160.061,- opgezegd.

5.13

In de loop van 2013 zijn de activiteiten van Leaderland TTM op het gebied van de in- en doorverkoop van ruwe grondstoffen afgenomen, terwijl in diezelfde periode sprake is van een corresponderende toename van diezelfde activiteiten bij RAW Materials.

5.14

Op of omstreeks 31 mei 2013 heeft Leaderland TTM haar belang in OOO Soyuz Corporation voor ongeveer een bedrag van € 268.000,- overgedragen aan SC Investment Group B.V.B.A.

5.15

In een overeenkomst van 31 juli 2013 heeft Leaderland TTM 100% van de aandelen die zij houdt in OOO Soyuz TTM aan OOO Soyuz Corporation overgedragen voor 298.932.600 roebel, ongeveer 6,8 miljoen euro. [geïntimeerde4] trad daarbij op voor de koper.

5.16

Voorafgaand aan de genoemde overdrachten heeft geen vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden.

5.17

Op 10 september 2013 heeft [appellant] verlof gekregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, tot het (herhaaldelijk) leggen van (derden)beslagen ten laste van onder andere de Leaderlandvennootschappen, [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] tot een bedrag van ruim 6 miljoen Euro. [appellant] heeft de eerste beslagen laten leggen in september 2013.

5.18

Op 27 september 2013 heeft Leaderland TTM verlof gekregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam tot het leggen van diverse (derden)beslagen ten laste van [appellant] tot een bedrag van ruim 2 miljoen euro. Leaderland TTM heeft beslag laten leggen op 3 oktober 2013. Op 14 november en 6 december 2013 is aan haar verlof verleend om aanvullende beslagen te leggen.

5.19

In een vonnis van 1 november 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de door [appellant] ingestelde vorderingen in conventie die tot doel hadden de aandelen in OOO Soyuz Corporation en OOO Soyuz TTM terug te leveren aan Leaderland TTM dan wel aan TTM I, II en III op grond van onrechtmatig handelen en handelen in strijd met artikel 2:8 BW, afgewezen. Aan dit oordeel heeft de rechter ten grondslag gelegd dat de kortgedingprocedure zich niet leent voor de vaststelling van een aantal door [appellant] gestelde feiten. [appellant] had onder meer gesteld dat de overdracht van OOO Soyuz Corporation en van OOO Soyuz TTM niet noodzakelijk was, dat deze tegen een te lage verkoopprijs hebben plaatsgevonden en hebben geleid tot een materiële liquidatie van de onderneming. De door Leaderland TTM ingestelde vorderingen in reconventie, die tot doel hadden [appellant] te veroordelen tot het betalen van een voorschot op schadevergoeding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, zijn eveneens afgewezen. Aan dit oordeel heeft de voorzieningenrechter ten grondslag gelegd dat Leaderland TTM er niet in is geslaagd om in voldoende mate te onderbouwen dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld bij de uitoefening van zijn bestuurstaak en dat hierdoor schade is ontstaan. Tevens zijn de vorderingen tot het opheffen van de onder 5.17 genoemde beslagen afgewezen.

5.20

Bij beschikking van 21 november 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de arbeidsovereenkomst tussen Leaderland TTM en [appellant] ontbonden met ingang van 15 december 2013. Voor de bepaling van de toepasselijke correctiefactor heeft de rechter meegewogen dat [appellant] heeft kunnen en moeten weten dat het sluiten van langlopende contracten grote risico's voor de onderneming meebracht en dat hij zijn verweer dat hij aan de vennootschap onttrokken gelden ten behoeve van de vennootschap heeft besteed dan wel heeft terugbetaald, onvoldoende heeft onderbouwd. Een en ander betekent dat de verstoorde verhoudingen ook aan [appellant] zijn te wijten, aldus de rechtbank. De correctiefactor is op 0,5 vastgesteld.

5.21

Bij dagvaarding van 24 december 2013 heeft Leaderland TTM gevorderd dat de rechtbank Amsterdam voor recht verklaart dat [appellant] in de hoedanigheid van bestuurder van Leaderland TTM onrechtmatig heeft gehandeld, en dat de rechtbank [appellant] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan Leaderland TTM. Leaderland TTM heeft aan haar vorderingen (onder meer) ten grondslag gelegd (i) dat zij schade heeft geleden als gevolg van het feit dat [appellant] risicovolle lange termijncontracten is aangegaan, waardoor Leaderland TTM uitzonderlijk hoge prijzen aan leveranciers moet betalen voor de afname van grondstoffen en (ii) dat [appellant] ten laste van Leaderland TTM privébetalingen heeft verricht die niet zijn terugbetaald. Deze procedure staat op de parkeerrol.

5.22

[appellant] heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de Leaderlandvennootschappen over de periode vanaf 1 november 2012. Daarbij heeft hij tevens verzocht bij wijze van onmiddellijke voorziening en voor de duur van dat geding nader in het verzoekschrift beschreven besluiten te schorsen, [geïntimeerde6] te schorsen als bestuurder van de Leaderlandvennootschappen, een derde persoon te benoemen tot bestuurder van de Leaderlandvennootschappen en aan die bestuurder een aantal in het verzoekschrift nader omschreven opdrachten te geven, de door [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] gehouden aandelen in de Leaderlandvennootschappen ten titel van beheer over te dragen aan de te benoemen bestuurder, althans de aan die aandelen verbonden stemrechten te schorsen, dan wel een andere maatregel te treffen die de Ondernemingskamer geraden acht. De Ondernemingskamer heeft deze verzoeken gehonoreerd.

5.23

De Leaderlandvennootschappen hebben in een op 9 januari 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk zelfstandig verzoek, de Ondernemingskamer verzocht voorwaardelijk, voor het geval de Ondernemingskamer een onderzoek mocht bevelen, een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van de Leaderlandvennootschappen over de periode

1 januari 2011 tot en met 19 april 2013. De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 23 januari 2014. Bij beschikking van

18 maart 2014 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de Leaderlandvennootschappen bevolen over de periode vanaf 1 oktober 2012 met benoeming van mr. F.D. Stibbe te Amsterdam en drs. [F] te [G] tot onderzoekers. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die beschikking bij wijze van onmiddellijke voorziening vooralsnog voor de duur van het geding [geïntimeerde6] geschorst als bestuurder van de Leaderlandvennootschappen en drs. [H] te [I] benoemd tot bestuurder van de Leaderlandvennootschappen, en vooralsnog voor de duur van het geding bepaald dat de aandelen die [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [appellant] houden in de Leaderlandvennootschappen met ingang van de datum van de beschikking ten titel van beheer zijn overgedragen aan mr. E. Hammerstein te Amsterdam, met benoeming van mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar tot raadsheer-commissaris.

5.24

Op 12 maart 2015 heeft [geïntimeerde3] sr. zijn aandelen in Raw Materials B.V. voor een bedrag van € 14.400,- aan [geïntimeerde2] jr. en zijn dochter R.S. Vasilyeva verkocht. [geïntimeerde2] jr. was ten tijde van de aankoop bestuurder van Raw Materials B.V. [geïntimeerde2] jr. en

[E] waren na de verkoop houder van alle aandelen in de vennootschap.

5.25

In een verzoekschrift van 26 juni 2015 heeft [appellant] de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam verzocht te verstaan dat is gebleken van wanbeleid bij de Leaderlandvennootschappen. In een beschikking van 22 april 2016 heeft de Ondernemingskamer geconcludeerd dat daarvan uit het aan hem uitgebrachte onderzoeksverslag inderdaad blijkt voor zover het gaat om [geïntimeerde3] sr. (feitelijk leidinggevende) en [geïntimeerde6] (statutair bestuurder, die feitelijk handelde op instructie van [geïntimeerde3] sr.).

5.26

Op 10 augustus 2015 heeft de "dertiende arbitragerechtbank (Arbitrazhnyi Sud) van beroep" te Sint Petersburg de verkoop van aandelen in OOO Soyuz TTM door de Leaderlandvennootschappen aan OOO Soyuz Corporation ongeldig verklaard en teruglevering van de aandelen in Soyuz TTM bevolen. [geïntimeerde3] sr. heeft op 7 oktober 2015 in naam van Leaderland TTM bij het "Arbitragehof van het Noordwest arrondissement" (Arbitrazhnyi Sud sewero-zapadnowo okruga) te Sint Petersburg cassatieberoep ingesteld tegen deze uitspraak. Namens Leaderland TTM, TTM I, TTM II en TTM III is een dergelijk beroep op 14 augustus 2015 ingesteld door [J] .

5.27

Naast procedures in Nederland en de hiervoor vermelde procedure in Rusland, zijn tussen [appellant] , Leaderland TTM en [geïntimeerde3] sr. (onder meer) ook sekwester- en beslagprocedures in België aanhangig (geweest).

5.28

De door de Ondernemingskamer benoemde onderzoekers hebben in hun verslag aandacht besteed aan de opzet en het verdienmodel van Leaderland TTM, de periode

1 oktober 2012 - 19 april 2013, de periode [geïntimeerde6] (19 april 2013 - 18 maart 2014), de splitsing van Leaderland TTM, de verhouding tussen Peters Inc. en [geïntimeerde3] sr., de verhouding tussen Peters Inc. en Leaderland TTM en aan EFKO. Zij hebben hun verslag afgesloten met een beschrijving van hun bevindingen en met een aantal aanbevelingen. Deze bevindingen en aanbevelingen luiden als volgt (waarbij voor Leaderland kan worden gelezen: Leaderland TTM ). Met [geïntimeerde3] is [geïntimeerde3] sr. bedoeld.

"Bevindingen onderzoekers

Zoals in de inleiding is aangegeven heeft het onderzoek plaatsgevonden in een extreem contentieuze omgeving. Ook gedurende de onderzoeksperiode zijn er de nodige geschillen geweest en is de Ondernemingskamer bij geschillen betrokken geraakt. Het wantrouwen tussen enerzijds [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] en anderzijds [appellant] is groot. Onderzoekers hebben ook niet de illusie dat deze partijen zich ooit weer op normale, zakelijke voet tot elkaar zullen kunnen verhouden. De geschillen en het wantrouwen hebben geleid tot een volstrekt onwerkbare situatie en de ontmanteling van Leaderland. De administratie is onvolledig. Er zijn geen middelen. De jaarrekening over 2012 is niet vastgesteld en die over 2013 niet eens in concept opgesteld. De fiscus is begonnen met een onderzoek. Los van de vraag aan wie dit alles is toe te rekenen: Leaderland lijkt een zinkend schip. Leaderland heeft geen kantoor. [H] en onderzoeker [F] zijn op 19 april 2014 op bezoek geweest op het kantooradres van Leaderland, maar het bleek inmiddels het kantoor van SC Raw Materials te zijn, waar zij onverwacht door [geïntimeerde3] werden ontvangen. Niets in het kantoor wees op enige activiteit van Leaderland. Ook uit de aan [H] ter beschikking gestelde administratie bleek niet van enige activiteit. In haar hoedanigheid van directeur is zij ook nooit door een marktpartij benaderd.

Wie valt in de ogen van onderzoekers ten aanzien van de ontstane situatie wat te verwijten? Onderzoekers kunnen daarbij slechts uitgaan van wat hen is gebleken e.g. hoe zij de feiten interpreteren, niet van wat de ene partij over de andere partij beweert. Onderzoekers realiseren zich daarbij dat bij het interpreteren van feiten subjectieve waarderingen een en ander kunnen inkleuren. Of en hoeverre de waardering van de feiten en omstandigheden leiden tot het oordeel wanbeleid, is uiteraard aan de Ondernemingskamer, mocht het zover komen.

[appellant]

[appellant] heeft zich na zijn vertrek (in zijn beleving: vlucht) uit St Petersburg onttrokken aan welke bemoeiing ten aanzien van Leaderland dan ook. Hij heeft het voor zijn ontslag op een bijeenroeping van de algemene vergadering van aandeelhouders door de voorzieningenrechter laten aankomen. Ongeacht of zijn lezing over de aanleiding van zijn vertrek uit St Petersburg juist zou zijn; bij dit gedrag zijn wellicht vraagtekens te plaatsen, ook al was [appellant] ziek en werd hem informatie onthouden. [appellant] was geen gewone werknemer, maar directeur met dienovereenkomstige (vennootschapsrechtelijke) verantwoordelijkheden.

[appellant] wordt in de procedure verweten de nodige zaken (documenten, contracten) te hebben meegenomen (onderzoekers hebben dit niet kunnen vaststellen), maar mocht dat verwijt terecht zijn, dan heeft dit de voortzetting van de onderneming van Leaderland niet in (ernstige) moeilijkheden gebracht of kunnen brengen. Er waren werknemers (meer in het bijzonder [K] ) die wisten wat er speelde en die de onderneming hebben kunnen voortzetten en ook daadwerkelijk in samenspraak met en onder leiding van [geïntimeerde3] hebben voortgezet. Als er contracten ontbraken, konden kopieën daarvan eenvoudig bij de wederpartij worden opgevraagd. [geïntimeerde3] en [K] hebben bovendien zelf aangegeven dat de problemen m.b.t. de ongunstige contracten (grotendeels) werden opgelost.

[appellant] wordt ten aanzien van zijn functioneren in hoofdzaak verweten dat hij, in strijd met wat afgesproken zou zijn, opzettelijk en in samenspraak met EFKO risicovolle lange termijncontracten zou hebben afgesloten. Over een en ander is in de procedure het nodige door partijen gesteld en beweerd. Ten aanzien van de verwijten heeft het onderzoek echter niets nieuws opgeleverd (dus geen bevestiging van gelijk of ongelijk van een van partijen), anders (en niet meer) dan dat alleen vaststaat dat er termijncontracten [noot 4] zijn afgesloten voor grondstoffen die vanwege een wijziging in het fiscale regime nadelig bleken.

[Noot 4: Onderzoekers onthouden zich van een oordeel over de vraag of het nu om lange termijn contracten ging, waarvoor een diepgaand onderzoek nodig geweest zou zijn dat bovendien betrekking zou hebben gehad over de periode voorafgaand aan 1 oktober 2012. In dit verband verwijzen onderzoekers ook naar het gespreksverslag van [appellant] die dit zelf ook verklaart (...).]Betrokkenheid van EFKO daarbij of opzet (om Leaderland te schaden) hebben onderzoekers niet kunnen constateren en valt voor onderzoekers ook niet te herleiden uit het feit dat, gelet op de processtukken, er aanwijzingen zijn dat [appellant] in ieder geval in 2013 in contact is geweest met (mensen van) EFKO.

Betrokkenheid van EFKO of opzet van [appellant] om Leaderland te schaden hebben onderzoekers ook niet kunnen constateren of herleiden uit het feit dat de dochter van [appellant] de onderneming Foods Ingredients Europe B.V. i.o. in de Kamer van Koophandel heeft laten inschrijven. Toen [appellant] werd gevraagd of hij een onderneming heeft onder de naam Food Ingredients, heeft [appellant] daarover verklaard:

"no, I do not.

When the conflict started, I told myself that I would never do any business in fats and oil anymore. I was in a very difficult situation psychologically, I was not in a position to think about my future and I did not have any time for this. I have a daughter, who was not working anywhere at that time. One day she came to me and told that she would like to open a company and use my business experience. I told her that I was not interested and that I would not work myself in her company. Of course I told her that she may count on my advice and expertise if needed, but that she must find her own people to run the company.

She registered a company in oprichting. She did not manage however to find the right people and, to the best of my knowledge, the registration of the company has never been completed. Now, her idea seems to be dead and she is full of some other ideas."

Ook overigens hebben onderzoekers geen aanwijzingen voor een "corporate raid" gevonden. [appellant] is gaan procederen, maar wel pas nadat hij achteraf werd geconfronteerd met de afstoting/verkoop van de Soyuz vennootschappen. Het feit dat hem misbruik van recht is verweten in de arbitrage procedure [dat wil zeggen: de hierboven genoemde procedure in Sint Petersburg; hof] maakt het niet anders, nog daargelaten dat [appellant] succesvol hoger beroep tegen de uitspraak heeft aangetekend. Ook de op zichzelf staande en door [appellant] betwiste verklaring van de heer [L] maakt dit niet anders. Feit is bovendien dat de inschrijving van Foods Ingredients B.V. i.o. weer is doorgehaald. Het door [geïntimeerde3] geëntameerde voorlopig getuigenverhoor kan uiteraard leiden tot een andere conclusie, maar dat zal te zijner tijd dan moeten blijken.

[geïntimeerde3]

[geïntimeerde3] is een man die veel petten op heeft in het speelveld van het conflict. Hij heeft 50% van de aandelen in Leaderland c.s. Hij was enig aandeelhouder in Peters Inc. tot kort voordat Peters Inc. Leaderland heeft gefinancierd. Onderzoekers houden het er bij gebrek aan ontkenning door [geïntimeerde3] voor dat hij achter SC Financial Investments Group Inc. zit die 10% van het belang houdt in Soyuz Corporation (de 10% die hij voorheen in privé hield). Hij is directeur van SC Investments Group BVBA waarvan hij ook 75% van de aandelen houdt. Deze vennootschap heeft het 50% belang in Soyuz Corporation genomen (waarvan directeur is [geïntimeerde4] ) nadat Leaderland van dat belang afstand heeft gedaan. Zijn zoon is directeur van SC Raw Materials B.V., waar zijn dochter ook werkt en welke vennootschap in het voormalige kantoor van Leaderland in ieder geval deels de werkzaamheden heeft overgenomen die Leaderland voorheen verrichte ten behoeve van Soyuz TTM [noot 5] met ook deels dezelfde werknemers die in dienst waren van Leaderland. [Noot 5: Zie ook de verklaring van [geïntimeerde3] waarin hij aangeeft dat contracten gedeeltelijk via SC Raw Materials werden uitgevoerd.]

[geïntimeerde3] heeft [geïntimeerde6] gevraagd om directeur van Leaderland te worden en hem, aldus [geïntimeerde6] , de kosten vergoed die [geïntimeerde6] in het kader van zijn directeurschap van Leaderland heeft gemaakt. [geïntimeerde3] is ook de man geweest die bij afwezigheid van [appellant] de touwtjes in handen heeft genomen bij Leaderland en de gewraakte contracten met de leveranciers (zo goed en zo kwaad als dat zal zijn gegaan) heeft afgewikkeld. Met al deze petten op houden onderzoekers het er voor dat hij minst genomen zeer goed op de hoogte is van wat er bij de diverse vennootschappen speelt en speelde.

[geïntimeerde3] gaf echter niet altijd de informatie waarom werd verzocht of was hij in de ogen van onderzoekers ontwijkend in antwoorden op vragen die hem (kennelijk) niet uitkomen.

Als voorbeeld geven onderzoekers een aantal antwoorden op de lijst met additionele vragen die aan [geïntimeerde3] is voorgelegd:

• Zo antwoordde [geïntimeerde3] niet op de vraag of hij direct dan wel indirect betrokken is bij Peters Financial Investment Corporation.

• Op de vraag waarom de lening van Peters Inc. terugbetaald moest worden aan Peters Financial Investment Corporation antwoordde hij dat er "een officiële brief van Peters Inc" bestaat waarin wordt gevraagd om dat geld "naar de door hem genoemde rekeningen te

storten".

• Op de vraag waarom Peters Inc. niet is verkocht, maar er een trust is gecreëerd antwoordt [geïntimeerde3] dat de overeenkomst door juristen is opgesteld en hij niet tegen de benaming was "want voor mij was puur de inhoud van de overeenkomst van belang".

• Over de vraag hoe de prijs van Soyuz Corporation bij uit- en toetreding bij Leaderland respectievelijk bij SC Investments Group BVBA tot stand is gekomen geeft hij aan dat daarop al tijdens de rechtszittingen antwoord is gegeven (wat onderzoekers niet hebben kunnen terugvinden) en dat alles conform het Russisch recht heeft plaatsgevonden.

• Op de vraag om onderbouwd aan te geven hoe de prijs ten aanzien van de koop van Soyuz TTM tot stand is gekomen antwoordde [geïntimeerde3] "Ik ben directeur van SC Investment Group BVBA en ik weet niks over het ontstaan van de prijs. Deze vraag moet in eerste instantie gesteld worden aan de directeur van Leaderland of aan de deelnemers van de transactie — de bestuurders van Leaderland en Soyuz Corporation [en het is] ook van belang deze vraag te stellen aan de directeur van Soyuz TTM.".

• Op de vraag hoe Soyuz Corporation de middelen heeft gevonden om Soyuz TTM te kunnen kopen antwoordde [geïntimeerde3] "Deze vraag moet worden gericht aan de financiers van Soyuz Corporation. Ik denk dat ze de middelen hebben gevonden waar ze die altijd vinden".

• Op de vraag op welke basis SC Raw Materials verplichtingen heeft overgenomen van Leaderland (of er een akte bestond) en of SC Raw Materials in verband daarmee een claim heeft op Leaderland antwoordde [geïntimeerde3] "Deze vraag moet worden gericht aan de directeur van SC Raw Materials. Ik denk dat hij meer in staat is om deze vraag nauwkeuriger te beantwoorden".

• Op de vraag sinds wanneer SC Raw Materials de huur betaalt van het kantoor waar Leaderland is gevestigd en welke werknemers zijn overgenomen sinds wanneer antwoordde [geïntimeerde3] "Deze vraag moet ook worden gericht aan de directeur van SC Raw Materials. Ik ben bang om u een onjuist antwoord te geven. Dit heb ik u al tijdens onze ontmoeting gezegd."

Kortom weinig bereidheid om (pro actief) mee te werken aan het verschaffen van informatie. (...).

Met alle petten op heeft [geïntimeerde3] meegewerkt aan en is hij in de ogen van onderzoekers medeverantwoordelijk voor wat in feite heeft geleid tot de ontmanteling van Leaderland. Zoals hierna ook zal blijken zijn onderzoekers er niet van overtuigd dat Leaderland genoodzaakt was tot de verkoop de Soyuz ondernemingen of tot stopzetting van de activiteiten. In ieder geval heeft naar het oordeel van onderzoekers te gelden dat het proces onzorgvuldig is geweest en de (aandeelhouders)belangen van [appellant] zijn miskend.

[geïntimeerde6]

Met [geïntimeerde6] hebben onderzoekers pas op 2 februari 2015 kunnen spreken (de eerste uitnodiging voor een gesprek dateert van 12 augustus 2014) en dan ook nog slechts via de telefoon (de Lync-video verbinding werkte niet goed). Maar hoe dan ook, het gesprek heeft plaatsgevonden en heeft er in samenhang met de stukken die hiervoor onder het kopje "Periode [geïntimeerde6] , 19 april 2013-18 maart 2014" zijn genoemd toe geleid dat er bij het handelen van [geïntimeerde6] minst genomen vraagtekens geplaatst kunnen worden.

Onderzoekers nemen daarbij het volgende in aanmerking:

Crisismanager?

[geïntimeerde6] is aangetreden als crisismanager, terwijl van een crisis geen sprake leek te zijn. Leaderland werd na het vertrek van [appellant] de facto al 6,5 maanden gerund door [geïntimeerde3] en het ondersteunend personeel. In zijn "Financial Audit Act" van 22 april 2013 staan in de ogen van onderzoekers ook geen zaken waar een crisis uit blijkt. De genoemde feiten en omstandigheden die in dat rapport worden genoemd waren al bekend. Het was al bekend dat er contracten waren met leveranciers die problematisch waren, maar die waren volgens de verklaringen van [geïntimeerde3] en [K] al grotendeels opgelost. Het was meteen al na het vertrek van [appellant] bekend dat er originele contracten ontbraken (zie ook de verklaringen van [K] en [geïntimeerde3] ). Maar welke crisis is er gaande als je kopieën kunt opvragen? Ongetwijfeld was dat voor zover nodig allang gebeurd, nog daargelaten dat niet goed valt in te zien welke schade daardoor is veroorzaakt. [geïntimeerde6] constateerde dat een lening aan Peters Inc. niet was afgelost, maar ook dat zal bekend zijn geweest. Hij constateerde dat er geen overeenkomst was die de verhoudingen tussen Leaderland c.s. onderling regelde, maar waarom die er zou moeten zijn ontgaat onderzoekers; er zijn statuten. Verder noemt hij dat er een claim zou zijn van Soyuz in verband met de prijsstelling en kwaliteit van grondstoffen (maar dat betrof een intra-groep aangelegenheid) en dat [appellant] gelden aan de vennootschap had onttrokken (wederom niets nieuws). Kortom, hieruit blijkt voor onderzoekers niet het bestaan van een acute crisis.

Direct na zijn aantreden lijkt er echter wel een crisis te ontstaan. Peters Inc. zegt (plotseling) de strategische samenwerkingsovereenkomst en de leningsovereenkomsten op. Ook Soyuz TTM zegt (even plotseling) de strategische samenwerkingsovereenkomst op en komt met een claim van USD 8,7 miljoen en [geïntimeerde6] erkent vrijwel terstond de verplichting tot terugbetaling en de claim. Vervolgens stuurt [geïntimeerde6] een briefje naar Peters Inc. met de vraag of Peters Inc. op de hoogte was van de splitsing van Leaderland en daarmee van de overgang van de deelneming in Soyuz en de schulden aan Peters Inc. Met het antwoord daarop dat dat niet het geval was en dat Peters Inc. het daar ook niet mee eens was, is (lijkt) de crisis volledig. [geïntimeerde6] stelt vervolgens een crisisplan voor bij brief van 7 mei 2013 "in order to avoid bankruptcy, loss of reputation within the Russian and European markets", met als meest ingrijpende maatregel om Soyuz TTM te verkopen om daarmee de schulden en mogelijke claims te kunnen betalen.

Crisis?

De feiten en omstandigheden lijken er op te wijzen dat de crisis geënsceneerd is. Geen redelijk denkend manager, laat staan een crisismanager, accepteert naar het oordeel van onderzoekers zonder slag afstoot de opzegging van leningsovereenkomsten, zeker als dat tot gevolg heeft de liquidatie van de belangrijkste bezittingen in een "distress" situatie. Onderzoekers hebben ook geen goede reden kunnen vinden waarom Leaderland de opzegging van de leningen zou hebben moeten accepteren. De lening waar het om ging, en die in april 2013 al 7 maanden niet betaald was (en terzake waarvan volgens de aan [H] ter beschikking gestelde administratie ook niet eerder is aangemaand), stond los van de samenwerkingsovereenkomst die overigens al in december 2012 was verlopen. Zonder daarover juridisch advies te hebben ingewonnen heeft [geïntimeerde6] de opzegging van de leningen aanvaard met als voornaamste argument "that under Russian law, if there is a default under one agreement, a creditor is eligible to terminate all agreements and claim the repayment of all amounts, even if the agreements constitute separate agreements".

Op de opmerkingen van onderzoekers dat de leningsovereenkomsten niet werden beheerst door Russisch recht, zei [geïntimeerde6] "that the above mentioned rule is generally accepted rule in the world and such rule exists in the laws of all countries."

Ook het zonder nader onderzoek accepteren van de claim van Soyuz, terzake waarvan ook geen eerdere documentatie is opgekomen, is niet iets dat (wederom naar het oordeel van onderzoekers) enig weldenkend bestuurder zou doen. In het verslag van het gesprek van onderzoekers met [geïntimeerde6] is opgenomen wat [geïntimeerde6] daarover heeft verklaard: "According to [geïntimeerde6] , Soyuz had all grounds for its claim in the amount of USD 8 mln. The justification of [geïntimeerde6] 's opinion is the following: Leaderland concluded very expensive contracts and, thus, Soyuz was required to pay high prices for raw materials supplied by Leaderland. Additionally, Soyuz had claims concerning quality of the supplied raw materials, which claims are validated by technical specialists ( [geïntimeerde6] has not provided any names of these specialists or any other support documents). In view of this, [geïntimeerde6] had no other choice than to recognize the claim of Soyuz."

Soyuz komt op 24 april 2013 met een "preliminary claim" en op 26 april 2013, twee dagen later, geeft [geïntimeerde6] als antwoord "We agree with the fact, that consequently the operations in breach of provisions of the framework agreement dated December 27, 2002, we did harm to your financial position and your reputation".

Welk onderzoek is er dan verricht? Zie in dit verband ook het verslag van mevrouw [H] (...). En overigens, Soyuz maakt onderdeel uit van de Leaderland TTM groep. Het ligt in zo'n situatie minst genomen niet voor de hand dat groepsmaatschappijen onderling claims indienen, tenzij dit wellicht om verzekeringstechnische redenen nodig zou zijn. Maar van dit laatste lijkt geen sprake te zijn. Opvallend is ook dat uit de middelen die vrijgekomen zijn bij de verkoop van Soyuz TTM, uitsluitend Peters Inc. betaald lijkt te zijn.

Verkoop/afstoting Soyuz Corporation en Soyuz TTM

Maar het gaat nog verder. Stel dat [geïntimeerde6] op goede gronden kon aannemen dat Peters Inc. aanspraak kon maken op tussentijdse terugbetaling van alle leningen en dat er geen andere oplossing was dan het verkopen van de bezittingen, dan nog moet vastgesteld worden dat het proces onzorgvuldig en niet transparant is geweest. Onderzoekers hoeven maar te verwijzen naar de vele petten die [geïntimeerde3] draagt in deze zaak, inclusief de pet dat hij de facto [geïntimeerde6] heeft aangesteld en in zijn kosten heeft voorzien. [geïntimeerde3] die tezamen met [geïntimeerde4] materieel gezien zowel kopende als verkopende partij waren. Er zijn geen (serieuze) objectieve waarderingsrapporten gemaakt, terwijl dit gegeven het belang dat [appellant] als minderheidsaandeelhouder hield minst genomen in de rede had gelegen. Het had op de weg van [geïntimeerde6] gelegen om het proces zeer zorgvuldig en transparant en toetsbaar te laten zijn. En wat overigens strijdig lijkt te zijn met de urgentie om te liquideren, om geld te genereren, is hoe [geïntimeerde6] het contract met Soyuz Corporation heeft uitonderhandeld (zo daar al sprake van zou zijn geweest). Overeengekomen is dat de koper de nodige koopsom pas na 30 maanden hoefde te betalen, overigens zonder dat ook zekerheden zijn gesteld voor de betaling van de koopsom.

Ook had het op de weg gelegen van [geïntimeerde6] zich te laten voorlichten omtrent de juridische positie van het aandeelhouderschap in Soyuz TTM. Er heeft een juridische splitsing plaatsgevonden met inachtneming van de daarvoor geldende procedures waartegen niemand in verzet is gekomen en die daarmee naar beste weten van onderzoekers onaantastbaar is geworden. Naar Nederlands recht heeft dan als uitgangspunt te gelden dat onder algemene titel het vermogen is overgegaan dat op de splitsing betrekking heeft. Dat kan naar beste weten van onderzoekers niet ongedaan worden gemaakt door een "simpele" verklaring als door [geïntimeerde6] vastgelegd in zijn brief van 5 mei 2013.

Handelsactiviteiten Leaderland

Als "crisismanager" heeft [geïntimeerde6] zich gericht op het liquideren van de activa om Leaderland "te redden". Dat liquideren is gelukt. Wat echter ook is gebeurd, is dat [geïntimeerde6] zich niet heeft bekommerd om de handelsactiviteiten van Leaderland. In de periode dat hij bestuurder was (11 maanden) is het (reguliere) personeel (waarvan hij behalve de naam van [K] , de namen ook niet kende) vertrokken en zijn de activiteiten in ieder geval deels overgegaan naar SC Raw Materials, waar ook een gedeelte van het personeel, maar in ieder geval de sleutelfunctionarissen [K] en [M] (hoofd logistiek) naar zijn overgegaan. Ondanks dat [geïntimeerde6] auditor van beroep is (en alle tijd heeft gehad), heeft hij geen volledige en sluitende boekhouding opgemaakt en heeft hij geen jaarstukken over 2012 laten opmaken, vaststellen en deponeren.

[geïntimeerde4]

Ook ten aanzien van [geïntimeerde4] geldt dat hij verschillende petten op had. [geïntimeerde4] houdt 25% van de aandelen in Leaderland. Hij houdt 25% van de aandelen in SC Investments Group BVBA waarvan [geïntimeerde3] directeur is. Deze vennootschap heeft het 90% belang in Soyuz Corporation genomen waarvan [geïntimeerde4] directeur is. Soyuz Corporation heeft vervolgens Soyuz TTM overgenomen.

Ondanks deze verschillende belangen en posities heeft [geïntimeerde4] met miskenning van de belangen van [appellant] meegewerkt aan de gewraakte transacties.

Aanbevelingen

Onderzoekers kunnen zich voorstellen dat op basis van dit verslag van wanbeleid kan blijken en dat om voorzieningen zal worden gevraagd. Gegeven het voorgaande ligt als voorziening het ontslag van [geïntimeerde6] voor de hand en het aanstellen van een nieuwe onafhankelijke bestuurder, gekoppeld aan de continuering van de voorziening dat de aandelen ten titel van beheer overgedragen blijven. Gegeven de totstandkoming van de besluiten strekkende tot afstoting/vervreemding van de deelnemingen in de Soyuz ondernemingen, lijkt ook vernietiging van die besluiten voor de hand te liggen.

De vraag is alleen wel waartoe het treffen van voorzieningen zal leiden en of deze effectief zullen zijn. De hoofdrolspelers wonen c.q. zijn allemaal gevestigd in het buitenland; partijen procederen om alles. Leaderland heeft geen geld en beschikt niet over een volledige administratie. Bij het treffen van voorzieningen zal er dan ook duidelijk richting gegeven moeten worden ten aanzien van het te bereiken doel en zullen er voldoende middelen beschikbaar gesteld moeten worden om dat doel te bereiken. Is er geen uitzicht op funding, dan lijkt ontbinding van Leaderland c.s. voor de hand te liggen."

5.29

De Ondernemingskamer heeft bij beschikking van 22 april 2016 onder meer verstaan dat uit het verslag van het onderzoek in deze zaak blijkt van wanbeleid van Leaderland c.s. in de periode vanaf 1 oktober 2012, met betrekking tot de verkoop van de deelnemingen in OOO Soyuz Corporation en OOO Soyuz TTM en heeft vastgesteld dat [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde6] hiervoor verantwoordelijk zijn. De besluiten ten aanzien van de vervreemding van Soyuz worden door de Ondernemingskamer vernietigd.

5.30

Bij beschikking van de Ondernemingskamer van 31 maart 2017 is het aanvullend onderzoek wegens gebrek aan financiering beëindigd en zijn de onderzoekers ontheven uit hun benoeming. [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde6] zijn veroordeeld in de kosten van het onderzoek en in de kosten van het geding.

5.31

Bij beschikking van de Ondernemingskamer van 9 november 2017 zijn onder meer de Leaderlandvennootschappen ontbonden met ingang van de datum waarop de beschikking in kracht van gewijsde gaat.

5.32

Bij beschikking van de Hoge Raad van 13 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018,597) is het cassatieberoep van [geïntimeerde6] en [geïntimeerde3] sr. tegen de beschikking van de Ondernemingskamer van 31 maart 2017 verworpen.

6 De beoordeling van de grieven en de vordering in alle zaken

Toepasselijk recht

6.1

De rechtbank heeft kennelijk stilzwijgend aangenomen dat het onderhavige geschil naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt beheerst door Nederlands recht. Nu zich daartegen geen grief richt, zal ook het hof uitgaan van de toepasselijkheid van het Nederlands recht.

De inhoud en strekking van de grieven

6.2

De grieven in de zaken met de nummers 200.176.618 en 200.177.802 zijn gelijkluidend. De grieven in zaak 200.183.452 zijn dat in overwegende mate. Deze grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen en lenen zich voor gezamenlijke, thematische behandeling. Het gaat daarbij kort gezegd om de beoordeling van het volgende verwijt, dat tevens de feitelijke grondslag vormt van de vorderingen van [appellant] .

6.3

Met de opzet om [appellant] te benadelen hebben [geïntimeerde6] , [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] samengespannen om na de ziekmelding van [appellant] en buiten zijn medeweten de Leaderlandvennootschappen te ontmantelen (te 'verhangen'). Die ontmanteling kwam neer op het wegsluizen van het actief van de groep en het doen overnemen van de handelsactiviteiten door Raw Materials. De gang van zaken was de volgende.

6.4

[geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] hadden samen een belang van 75% in de Leaderlandvennootschappen. De enige activa van die groep - het belang in OOO Soyuz TTM (een fabriek) en OOO Soyuz Corporation (merkenrechten) - zijn zonder noodzaak en tegen onzakelijke voorwaarden verkocht. OOO Soyuz Corporation is overgedragen aan

SC Investment Group. SC Investment Group heeft tevens (indirect) een meerderheidsbelang genomen in OOO Soyuz TTM. [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] hebben samen een 100% belang in de SC Investment Group, waarvan [geïntimeerde3] sr. bestuurder is. [geïntimeerde4] verzorgde de overdracht van de aandelen van OOO Soyuz TTM aan OOO Soyuz Corporation, in zijn positie van directeur van laatstgenoemde vennootschap. Op deze wijze verkregen [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] samen een 100% belang in de activa die daarvoor aan de Leaderlandvennootschappen toebehoorden en waarin [appellant] 25 % aandeelhouder was. Om dit te bereiken werd [geïntimeerde6] door de meerderheidsaandeelhouders van de Leaderlandvennootschappen [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] tot stroman/bestuurder van de Leaderlandvennootschappen benoemd. Daarna is door [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [geïntimeerde6] een crisis in scene gezet met gebruikmaking van vennootschappen waarover zij zeggenschap hebben. De kern van die opzet vormt de plotselinge, ongegronde invordering van een krediet door financier Peters Inc. ( [geïntimeerde3] sr.) en de opzegging van de strategische samenwerkingsovereenkomst en een ongefundeerde claim van (groepsmaatschappij) OOO Soyuz TTM ( [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] ). Al die claims zijn zonder noodzaak klakkeloos door [geïntimeerde6] erkend. Er was geen crisis en er was dus ook geen noodzaak tot de verkoop van de deelnemingen. De Leaderlandvennootschappen en [geïntimeerde6] hebben actief meegewerkt aan de enscenering van de crisis. Ze hebben de claims ten onrechte niet betwist en bij de verkoop van de deelnemingen geen serieuze waarderingsrapporten laten opmaken. [geïntimeerde6] heeft voorts geen zekerheden bedongen bij de verkoop van deze deelnemingen. [geïntimeerde6] heeft verder na zijn benoeming op 19 april 2013 geen enkele handelsactiviteit ontplooid ten behoeve van de Leaderlandvennootschappen. Lopende contracten werden door Raw Materials afgewikkeld en nieuwe contracten werden ook afgesloten door Raw Materials, dat daarmee zonder enige vorm van vergoeding de winstgevende handelsactiviteiten van de Leaderlandvennootschappen overnam, in het kantoorpand van de Leaderlandvennootschappen. Ook het personeel van de Leaderlandvennootschappen is voor die vennootschap gaan werken. Er is niets ondernomen om het door [appellant] als aandeelhouder van de Leaderlandvennootschappen door dit alles geleden nadeel te redresseren. [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] hebben dergelijk nadeel niet geleden, omdat zij - anders dan [appellant] - belangen hebben in Raw Materials, aldus nog steeds [appellant] .

6.5

Bij de verdere beoordeling zal het hof onderscheid maken tussen de volgende drie groepen (rechts)personen: (i) [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [geïntimeerde6] , (ii) [geïntimeerde2] jr., Raw Materials en Investment Group en (iii) De Leaderlandvennootschappen. [appellant] heeft zijn vordering tegen ieder van deze (rechts)personen mede gebaseerd op artikel 6:166 BW (aansprakelijkheid in groepsverband).

Onrechtmatig handelen van [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [geïntimeerde6] ?

Inleiding

6.6

De grondslag van de vordering tegen [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [geïntimeerde6] bestaat in essentie uit een onrechtmatige daad, meer in het bijzonder een schending van de in artikel 2:8 BW geformuleerde bijzondere zorgplicht. De schade die [appellant] als gevolg daarvan zegt te hebben geleden, betreft in overwegende mate zogenoemde afgeleide schade. Dat wil zeggen, schade die bestaat uit de afgenomen waarde van zijn aandelen, als gevolg van de aantasting van het vermogen en de ondernemingsactiviteiten van de Leaderlandgroep.

6.7

Indien het hiervoor weergegeven verwijt voor juist zou moeten worden gehouden, dan zou naar het oordeel van het hof sprake zijn van onrechtmatig handelen van de medeaandeelhouders en interim bestuurder van de Leaderlandvennootschappen ( [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [geïntimeerde6] ) tegenover [appellant] , nu zij in dat geval op basis van een vooropgezet plan, dat gebaseerd is op list en bedrog, hebben gepoogd hem als aandeelhouder van de Leaderlandvennootschappen in privé te treffen, onder veiligstelling van de aandeelhoudersbelangen van [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] . Zij hebben zich in dat geval in hun positie van personen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de Leaderlandvennootschappen zijn betrokken, tegenover [appellant] niet gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, en hun gedrag valt dan aan te merken als schending jegens [appellant] van een specifieke zorgvuldigheidsverplichting, als gevolg waarvan hij recht heeft op vergoeding van door hem in zijn hoedanigheid van aandeelhouder geleden schade.

6.8

Een relevant deel van wat hieromtrent is aangevoerd, is onbestreden gebleven: vast staat dat de Leaderlandgroep een winstgevende onderneming was totdat [geïntimeerde6] als bestuurder ad interim aantrad. Vast staat ook, dat de aandelen van deze vennootschappen kort daarna waardeloos zijn geworden, omdat de activa en (een belangrijk deel van) de handelsactiviteiten waren overgegaan op vennootschappen waarin [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] een meerderheidsbelang hadden, zoals zij dat ook hadden in de Leaderlandvennootschappen. Raw Materials, dat (een belangrijk deel van) de ondernemingsactiviteiten heeft voortgezet, doet dat in het voormalige pand van de Leaderlandvennootschappen, en heeft het personeel van die vennootschappen overgenomen. Daar heeft geen tegenprestatie tegenover gestaan.

6.9

Aan deze constatering kan worden toegevoegd dat aan de moraliteit van [geïntimeerde3] sr. ernstig moet worden getwijfeld, aangezien hij in de strijd tegen [appellant] in Rusland onbevoegd procedures heeft (doen) voeren namens de Leaderlandvennootschappen, en daarbij heeft gehandeld tegen de belangen van die vennootschappen.

6.10

Gelet op dit alles komt het bij de verdere beoordeling allereerst aan op de vraag of (in hoeverre) hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, in hoger beroep van de zijde van [geïntimeerden] c.s. voldoende gemotiveerd is bestreden. Het gaat daarbij in het bijzonder om hetgeen is aangevoerd ten aanzien van (i) het ontstaan en de oorzaak van wat als een crisis is aangeduid, (ii) de maatregelen die zijn genomen om die crisis te bezweren, (iii) het effect van die maatregelen op de vermogenspositie van de Leaderlandvennootschappen en (iv) de handelsactiviteiten van de Leaderlandvennootschappen. Bij de desbetreffende beoordeling stelt het hof voorop dat uit het bepaalde in de artikelen 149 en 150 Rv volgt dat in beginsel op [appellant] de last rust om de feiten te stellen en, ingeval van voldoende gemotiveerde betwisting, ook te bewijzen, waaruit volgt dat [geïntimeerden] c.s. tegenover hem in zijn hoedanigheid van aandeelhouder onrechtmatig hebben gehandeld, met dien verstande dat zij jegens hem in die hoedanigheid een specifieke zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden (vgl. HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564 (Poot/ABP), HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2365 (Kip/Rabobank), HR 15 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:2001:AB2443 (Chipshol), HR 16 februari 2007, ECLI:NK:HR:2007:AZ0419 (Tuin Beheer/Houthoff Buruma), HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6246 Kessock/SFT Bank).

6.11

[appellant] heeft daartoe verwezen naar zowel het verslag van door de Ondernemerskamer benoemde onderzoekers, als naar de verschillende beschikkingen van de Ondernemingskamer in de enquêteprocedure. Het is vervolgens aan het hof te bepalen welke waarde wordt toegekend aan de door [appellant] aangedragen bewijsmiddelen

(artikel 152, lid 2, Rv). Dit kan er enerzijds toe leiden dat het hof het enquêtedossier als bewijsmiddel ter zijde schuift, hetgeen betekent dat [appellant] de door hem gestelde feiten op andere wijze moet bewijzen. Anderzijds kan zich het geval voordoen dat de bewijskracht (lees: de overtuigende kracht) van het enquêtedossier dermate groot is, dat het hof zich (voorshands) laat overtuigen, c.q. dat de overtuigende kracht van dit alles vraagt om een bijzondere, gemotiveerde weerlegging.

6.12

Dat laatste is met name aan de orde. Het hof acht de inhoud van zowel het verslag van de onderzoekers als van de daarop gegronde beschikkingen van de Ondernemingskamer dermate grondig - en daarmee overtuigend - dat aanleiding bestaat aan het daartegen te voeren verweer bijzondere eisen te stellen. De Ondernemingskamer heeft in de enquêteprocedure tussen [appellant] enerzijds en de Leaderlandvennootschappen, [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [geïntimeerde6] anderzijds op grond van uitgebreid onderzoek naar de feitelijke gang van zaken immers op overtuigende wijze al het nodige vastgesteld. Het zijn ook die feiten die [appellant] , onder verwijzing naar onder meer het hiervoor geciteerde rapport van onderzoekers aan zijn in deze procedure ingestelde civielrechtelijke vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Voor zover het verweer de strekking heeft deze feiten te betwisten, mogen aan die betwisting in het licht van zowel de bevindingen van de onderzoekers als van hetgeen de Ondernemingskamer naar aanleiding daarvan heeft geoordeeld, bepaald strenge eisen worden gesteld.

6.13

[geïntimeerden] c.s. realiseren zich dit alles wel, en hebben er daarom op gewezen dat "tegenover de OK-beschikkingen" ook uitspraken uit Rusland staan (pleitnota randnummer 11). Daarbij doelen zij met name op de uitspraak van het Arbitrazhnyi Sud sewero-zapadnowo okruga te Sint Petersburg van 18 november 2015, die inmiddels in hoogste instantie in Rusland onherroepelijk is bevestigd door de uitspraak van de Verkhovnii Sud Rossiiskoi Federatsii van 9 juni 2016. Die uitspraken komen er volgens [geïntimeerden] c.s. op neer dat naar Russisch recht bezien tot in hoogste instantie niet is gebleken van enig juridisch laakbaar handelen bij de verwijten die in Nederland in de OK-procedure centraal staan. Dit definitieve oordeel van de hoogste rechter is in stand gebleven, ondanks protesten en herzieningsverzoeken van [appellant] dan wel van de Leaderland vennootschapen, zo blijkt uit de uitspraak van 21 oktober 2016 van het Arbitrazhnyi Sud sewero-zapadnowo okruga te Sint Petersburg en de meest recente uitspraak van datzelfde gerecht van 31 januari 2017 (producties 8 tot en met 11).

6.14

De vraag rijst of aan deze vreemde vonnissen in de onderhavige procedure enige bewijskracht kan toekomen. Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

6.15

Nederland kent een eenvoudige regeling voor het verkrijgen van rechterlijk verlof ('exequatur') voor de tenuitvoerlegging van een buiten Nederland verkregen executoriale titel, waaronder beslissingen van de rechter van een vreemde staat (artikelen 985 - 994 Rv). Dat kan echter alleen in als sprake is van een verdrag. Tussen Nederland en de Russische Federatie bestaat een dergelijk verdrag niet. Het soevereiniteitsbeginsel van artikel 431 Rv staat er echter niet aan in de weg dat beslissingen van de Russische rechter in Nederland worden erkend langs de weg van artikel 431 lid 2 Rv. Dat artikel bepaalt dat het geding opnieuw kan worden behandeld voor de Nederlandse rechter (de zogenaamde 'verkapte exequatur procedure'). Naar commuun Nederlands internationaal privaatrecht is de Nederlandse rechter in beginsel vrij in elk bijzonder geval te beoordelen of en in hoeverre aan een buitenlands vonnis gezag moet worden toegekend

(HR 26 januari 1996, NJ 1997, 258). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het vonnis voor erkenning in Nederland in aanmerking komt indien is voldaan aan de volgende in de rechtspraak ontwikkelde minimumeisen: (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is (vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, rov. 3.6.4. (Gazprombank/X).

6.16

De 'verkapte exequaturprocedure' - waarbij dan het debat zich kan toespitsen op de erkenning van de Russische vonnissen, meer in het bijzonder op de hiervoor onder (i) tot en met (iv) genoemde vereisten - is door [geïntimeerden] c.s. niet gevoerd. Daarom kan de appelrechter aan deze Russische vonnissen in deze procedure geen gezag toekennen. Het zijn schriftelijke bescheiden waaraan slechts vrije bewijskracht toekomt. Die bewijskracht is tegenover de uitspraken van de Ondernemingskamer verwaarloosbaar, allereerst omdat gesteld nog gebleken is dat aan de betreffende vonnissen eveneens een gedegen feitenonderzoek ten grondslag heeft gelegen, maar daarnaast ook omdat zij zijn gebaseerd op het recht van de Russische Federatie, waarover tussen partijen geen debat heeft plaatsgevonden - in eerste aanleg noch in appel - en over de precieze betekenis waarvan voor de onderhavige zaak het hof niet is geïnformeerd. Uit deze uitspraken kunnen dus geen conclusies worden getroffen omtrent de feitelijke gang van zaken of de daaruit naar Nederlands recht al dan niet voortvloeiende aansprakelijkheid.

Het ontstaan en de oorzaak van de crisis

6.17

[geïntimeerden] c.s. hebben betoogd dat niet zijzelf, maar juist [appellant] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid tegenover hen tot schadevergoeding is gehouden. In de procedures die daarover zijn gevoerd, hebben zij aangevoerd dat onder het bestuur van [appellant] vanaf medio 2011 tot aan diens ontslag (i) door Leaderland TTM in strijd met de normale bedrijfsvoering en in strijd met een specifiek besluit van de algemene vergadering risicovolle langetermijncontracten zijn afgesloten, (ii) ten laste van Leaderland TTM privébetalingen zijn verricht, (iii) Leaderland TTM is opgesplitst (iv) werkzaamheden zijn verricht voor concurrent EFKO, (v) aan medewerkers van Leaderland TTM opdracht is gegeven werkzaamheden voor [appellant] in privé te verrichten en (vi) Leaderland TTM in een kwaad daglicht is gesteld bij haar Nederlandse leveranciers en diverse (veelal Russische) instanties. Hoewel dat niet kan worden hardgemaakt, was volgens [geïntimeerde3] feitelijk sprake van een zogenoemde corporate raid door EFKO, waarin [appellant] (met hulp van zijn dochter) een sturende rol heeft gespeeld.

6.18

Het hof constateert dat dit een en ander niet kan afdoen aan het verwijt dat [appellant] op zijn beurt aan [geïntimeerden] c.s. maakt. Dat wil zeggen, dat die partijen (vervolgens) een schijnconstructie hebben opgetuigd om [appellant] buiten spel te zetten.

6.19

Dat dit laatste (op hun beurt) de vooropgezette bedoeling van [geïntimeerden] c.s. was, wordt door die partijen bestreden met het betoog dat het handelen van [appellant] er noodzakelijkerwijs toe heeft geleid dat Peters Inc., de financier van de Leaderlandvennootschappen, een bestaande financieringsovereenkomst niet langer wenste voort te zetten en zelfs alle ter leen verstrekte bedragen heeft opgeëist, met een dreiging van een faillissement voor de Leaderlandvennootschappen als niet (tijdig) zou worden terugbetaald. Ook dat verweer treft bij gebrek aan een afdoende onderbouwing geen doel. Het hof licht dat hierna toe.

6.20

In bijlage 30 van het onderzoeksrapport is een overzicht opgenomen van de tussen Peters Inc. en Leaderland gesloten overeenkomsten. De lening die door Peters Inc. is opgeëist (hierna: Lening I) is op 5 september 2002 tussen partijen voor de duur van 10 jaar aangegaan. Deze lening ging vooraf aan de strategische samenwerkingsovereenkomst tussen Peters Inc. en Leaderlandvennootschappen van 27 december 2002 en latere leningen. In de strategische samenwerkingsovereenkomst noch de latere leningsovereenkomsten wordt melding gemaakt van Lening I. Bij brief van 23 april 2013, zeven maanden nadat de lening van 5 september 2012 is komen te vervallen, zonder dat er op enig moment aanmaningen of sommaties naar de Leaderlandvennootschappen ter zake zijn verzonden, worden ineens alle leningen en de strategische samenwerkingsovereenkomst tussen partijen opgezegd, waarbij als reden wordt gegeven dat de Leaderlandvennootschappen tekort zijn geschoten met betrekking tot Lening I. Die uit het niets verschenen brief, vier dagen nadat [geïntimeerde6] tot bestuurder was benoemd, had tot consequentie dat deze onmiddellijk overging tot de verkoop van alle activa van de Leaderlandvennootschappen, en wijst in de context van al hetgeen verder vaststaat op kwade opzet - niet op een reële crisis.

6.21

Voor zover [geïntimeerden] c.s. aanvoeren dat de onderzoekers geen contact hebben gehad met de bestuurder van Peters Inc. over de beweerdelijke betrokkenheid van [geïntimeerde3] sr. bij die financier of over het opeisen van de financieringen, schiet hun verweer tekort, nu de onderzoekers (zie onder meer pagina 13 van hun rapport) ook in dit opzicht hebben moeten constateren dat juist [geïntimeerde3] sr. structureel informatie achterhoudt, informatie niet heeft willen verstrekken en vragen ontwijkt, en een zinnig antwoord is uitgebleven op de terecht door de onderzoekers gestelde vragen over de gang van zaken bij het opeisen van deze vordering en het handelen van [geïntimeerde6] ter zake. Ook antwoordde [geïntimeerde3] sr. niet op de vraag of hij direct dan wel indirect betrokken is bij Peters Financial Investment Corporation, terwijl dit in de rede had gelegen, gelet op de rol van die rechtspersoon in het geheel en gezien ook het feit dat hij destijds die vennootschap heeft opgericht.

De maatregelen die zijn genomen om die crisis te bezweren

6.22

Bij de beoordeling van de acties die [geïntimeerde6] heeft ondernomen, staan de verkoop van de belangen in de Soyuz-vennootschappen en de gang van zaken ten aanzien van de handelsactiviteiten van de Leaderlandvennootschappen centraal. De Ondernemingskamer heeft met name ten aanzien van dat eerste onder meer het volgende overwogen.

"Zoals de Ondernemingskamer reeds in haar beschikking van 18 maart 2014 heeft geconstateerd, zijn (vrijwel) alle activa van de vennootschappen verkocht aan [geïntimeerde3]

en [geïntimeerde4] gelieerde partijen. De Ondernemingskamer overwoog dat als gevolg van de overdrachten Leaderland c.s. hun belangen - en daarmee [appellant] zijn indirecte belang - in Soyuz Corporation en Soyuz TTM, de vennootschappen waarin de belangrijkste activa waren ondergebracht, geheel hebben verloren en dat [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] hun belang in die vennootschappen als gevolg van die overdrachten hebben uitgebreid tot 100% en dat zij daarbij zowel in hoedanigheid van verkoper als van koper optraden.

(…)

Deze vraagtekens zouden kunnen worden weggenomen indien zou zijn gebleken dat bij de voorbereiding en uitvoering van de transacties met betrekking tot Soyuz Corporation en Soyuz TTM en de besluitvorming omtrent de transactievoorwaarden de meeste zorgvuldigheid zou zijn betracht. Zoals blijkt uit het onderzoeksverslag, is die zorgvuldigheid echter geenszins in acht genomen.

(…)

De benodigde zorgvuldigheid brengt minst genomen mee, zoals ook de onderzoekers vermelden, dat serieuze, objectieve waarderingsrapporten zouden zijn opgemaakt. Dergelijke rapporten ontbreken. Met betrekking tot Soyuz Corporation is er in het geheel geen waarderingsrapport voorhanden.

(…)

Ook overigens zijn er geen gegevens aan de onderzoekers verstrekt waaruit volgt dat de prijs

voor de beide deelnemingen op objectief deugdelijke gronden is bepaald (…)

(…)

Behoudens op het punt van de hoogte van de koopsom, geven ook overige transactievoorwaarden blijk van onzorgvuldigheid. De onderzoekers vermelden in het

onderzoeksverslag dat [geïntimeerde6] met de koper van Soyuz TTM is overeengekomen dat de koopsom pas na dertig maanden behoefde te worden betaald en dat geen zekerheden voor

betaling zijn gesteld. Onzorgvuldig is voorts het negeren door [geïntimeerde6] van de (betekenis van

de) (…) splitsing.

(…)

Slotsom is derhalve dat het zonder voldoende en betrouwbare waarderingen verkopen van (vrijwel) alle activa van de Leaderlandvennootschappen aan [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4]

gelieerde partijen valt aan te merken als wanbeleid. Daarbij komt nog dat is bewilligd in voor de Leaderlandvennootschappen onvoordelige betalingscondities en dat ten onrechte geen serieuze aandacht is geschonken aan de juridische status van Leaderland TTM als

rechthebbende op de aandelen Soyuz TTM."

6.23

In een nadere beschikking van 31 maart 2017 heeft de Ondernemingskamer met betrekking tot de Soyuz-claims overwogen 'dat er aanwijzingen zijn dat hieraan te snel gehoor is gegeven, maar dat de feiten niet eenduidig genoeg zijn om, zonder nader onderzoek, op basis hiervan tot een wanbeleidoordeel te komen en dat dit laatste ook geldt voor de Peters Inc. kwestie.'

6.24

Het hof constateert dat nog steeds geen deugdelijke onderbouwing is gegeven voor het verweer van [geïntimeerden] c.s. dat een reële verkoopprijs is overeengekomen voor de Soyuz Corporation en Soyuz TTM en dat die ook daadwerkelijk is betaald. Er zijn geen waarderingsrapporten opgemaakt, terwijl dit des te meer in de rede had gelegen omdat [geïntimeerde3] sr. samen met [geïntimeerde4] materieel gezien zowel de kopende als de verkopende partij was. Daarnaast staat vast dat de koper de koopsom pas na 30 maanden hoefde te betalen en geen zekerheden werden bedongen voor de koopsom, hetgeen niet past bij de gestelde noodzaak om de onderneming te verkopen teneinde de middelen voor de Leaderlandvennootschappen te verwerven die nodig waren om aan de opeisbare verplichtingen te voldoen en een faillissement te voorkomen. Daarnaast is de snelheid waarmee de onderneming werd verkocht opmerkelijk.

6.25

Voor zover [geïntimeerden] c.s. erover klagen dat het onderzoek naar deze transacties onvolledig is geweest, geldt dat [geïntimeerde3] sr. als de meest aangewezen persoon niet naar behoren aan dit onderzoek heeft meegewerkt. In het onderzoeksverslag wordt uitvoerig beschreven hoe [geïntimeerde3] sr. structureel informatie achterhoudt en vragen ontwijkt. Dat verwijt is onvoldoende bestreden en wordt door het hof daarom voor juist gehouden - iets dat overigens geldt voor alle feitelijke constateringen van de onderzoekers. Het verweer van [geïntimeerden] c.s. is op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd.

6.26

Voor het verweer dat - anders dan op grond van de bevindingen van de rapporteurs aannemelijk is - [geïntimeerde6] 'alles in het werk gesteld om schade voor de vennootschap te beperken' ontbreekt elke deugdelijke feitelijke onderbouwing. Zo werd door de Leaderlandvennootschappen in de 'periode [geïntimeerde6] ' geen boekhouding gevoerd en er werden geen jaarstukken opgemaakt. In het onderzoeksverslag wordt melding gemaakt van het feit dat [geïntimeerde6] zich niet heeft bekommerd om de handelsactiviteiten van de Leaderlandvennootschappen. In dezelfde periode is het personeel vertrokken en deels overgegaan naar Raw Materials, net als de handelsactiviteiten.

6.27

[geïntimeerden] c.s. hebben onder verwijzing naar de beschikking van de Ondernemingskamer van 18 maart 2014 aangevoerd dat geen sprake was van stillegging van de onderneming. Die verwijzing is misleidend en onjuist. De Ondernemingskamer heeft in zijn beschikking van 9 november 2017 immers vastgesteld dat de Leaderlandvennootschappen na het vertrek van [appellant] zijn ontmanteld en in elk geval kort na de beschikking van 18 maart 2014 geen activiteiten meer ontplooiden: "voorzover [geïntimeerde3] twijfel uit aan de inactiviteit van de vennootschappen, kan daaraan geen waarde worden gehecht (…)."

6.28

Het hof verwijst ter zake ook naar (en onderstreept) de duidelijke bewoordingen van het verslag van onderzoekers:

Leaderland lijkt een zinkend schip. Leaderland heeft geen kantoor. [H] en onderzoeker [F] zijn op 19 april 2014 op bezoek geweest op het kantooradres van Leaderland, maar het bleek inmiddels het kantoor van SC Raw Materials te zijn, waar zij onverwacht door [geïntimeerde3] [hof: sr] werden ontvangen. Niets in het kantoor wees op enige activiteit van Leaderland. Ook uit de aan [H] ter beschikking gestelde administratie bleek niet van enige activiteit. In haar hoedanigheid van directeur is zij ook nooit door een marktpartij benaderd.”

Het effect van de genomen maatregelen op de vermogenspositie van de Leaderlandvennootschappen

6.29

Vast staat, zoals al werd overwogen, dat alle activa (de belangen in OOO Soyuz Corporation en OOO Soyuz TTM) voor de Leaderlandvennootschappen verloren zijn gegaan, en dat daar geen liquiditeit tegenover staat. De Leaderlandvennootschappen zijn daarmee verworden tot een lege huls. Inmiddels zijn deze rechtspersonen bij beschikking van de Ondernemingskamer van 9 november 2017 ontbonden.

De handelsactiviteiten van de Leaderlandvennootschappen

6.30

Uit dit verslag wordt duidelijk dat de handelsactiviteiten van de Leaderlandvennootschappen zijn overgenomen door Raw Materials. Die activiteiten worden - het zij herhaald - uitgeoefend vanuit de voormalige locatie van de Leaderlandvennootschappen, met het oude personeel. Raw Materials is een vennootschap waarin [appellant] geen belang heeft, en [geïntimeerde3] sr. (tot 12 maart 2015) wel.

6.31

Door [geïntimeerden] c.s. is nog gesteld dat het verplaatsen van de activiteiten naar Raw Materials grotendeels het gevolg is van het feit dat de leveranciers geen zaken meer met de Leaderlandvennootschappen wilden doen, vanwege het niet nakomen van de afnameverplichtingen door de Leaderlandvennootschappen. Stukken ter onderbouwing hiervan ontbreken echter, terwijl die wel mochten worden verlangd.

Tussenconclusie

6.32

De conclusie moet luiden dat [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [geïntimeerde6] in elk hiervoor afzonderlijk behandeld onderdeel van de stellingen van [appellant] in hun verweer zijn tekortgeschoten. Daarmee zijn de op de het verslag van de Onderzoekers en de beschikkingen van de Ondernemingskamer in de enquête procedure gegronde stellingen van [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken door [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [geïntimeerde6] (zie hiervoor rov. 6.11-6.12) waarmee deze voor het hof als vaststaand hebben te gelden (artikel 149 Rv). Daarmee is gegeven dat zij tegenover [appellant] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden, nu zij op basis van een vooropgezet plan, dat gebaseerd is op list en bedrog, hebben gepoogd hem als aandeelhouder van de Leaderlandvennootschappen in privé te treffen, onder veiligstelling van de aandeelhoudersbelangen van [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] . Daarbij weegt mee dat [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] in hun hoedanigheid van medeaandeelhouders en [geïntimeerde6] in zijn hoedanigheid van (opvolgend) bestuurder op de voet van artikel 2:8 BW zich jegens elkaar dienden te gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid wordt gevorderd. Het hoeft geen nader betoog dat wat hiervoor is komen vast te staan over de gedragingen van [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [geïntimeerde6] jegens medeaandeelhouder [appellant] in geen enkel opzicht in overeenstemming valt te brengen met hetgeen de norm van artikel 2:8 BW voorschrijft aan degenen die bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken.

6.33

Voor het leveren van tegenbewijs bestaat bij deze stand van zaken geen ruimte meer.

Aannemelijkheid van de kans op schade als gevolg van het handelen van [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] en [geïntimeerde6] ?

6.34

[appellant] stelt dat hij schade lijdt, onder meer doordat zijn aandelen waardeloos zijn geworden (zogenoemde afgeleide schade, nu die schade een afgeleide is van de vermogenspositie van de Leaderlandvennootschappen) en hij inkomsten heeft misgelopen die hij als aandeelhouder had kunnen genieten, en doordat hij aanzienlijke kosten maakt in zijn pogingen de toegebrachte schade te herstellen (directe schade). Het hof stelt bij de beoordeling hiervan het volgende voorop.

6.35

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de Hoge Raad in het arrest Poot/ABP van 2 december 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1564) ten aanzien van afgeleide schade overwogen dat naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid rechtspersonen zijn die zelfstandig, als dragers van eigen rechten en verplichtingen, aan het rechtsverkeer deelnemen. Het vermogen van een vennootschap is afgescheiden van dat van zijn aandeelhouders. Indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens de vennootschap of door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn, dan heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen. Die vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders op grond van dit (aanvankelijk) voor hen ontstane nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de derde geldend maken. Dat ligt op de weg van de vennootschap, ter bescherming van de belangen van allen die bij het in stand houden van haar vermogen belang hebben. Slaagt zij daarin, dan moet ook de met die schade corresponderende waardevermindering van de aandelen geacht worden ongedaan te zijn gemaakt. Zou de vennootschap het vorderen van schadevergoeding nalaten, dan hoeven de belanghebbenden daarin niet te berusten. Het Nederlandse rechtsstelsel biedt dan voldoende mogelijkheden om het bestuur van de vennootschap tot het alsnog instellen van de vordering te nopen.

6.36

Een uitzondering op dit uitgangspunt is mogelijk als de derde tegenover de aandeelhouder een bijzondere zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden en voorts aannemelijk is dat de vennootschap zelf geen vordering zal instellen of een dergelijke vordering (ondanks de mogelijkheden die het Nederlandse rechtsstelsel biedt om het bestuur daartoe te nopen) niet zal instellen met de in redelijkheid te eisen voortvarendheid en inspanning, zodat de afgeleide schade voor de betrokken aandeelhouder moet worden geacht ten laste van zijn vermogen te zijn gekomen en niet meer zal worden opgeheven door een eventuele schadevergoeding van de schadeveroorzaker aan de vennootschap. De vraag of een dergelijke situatie zich hier voordoet, zal het hof hierna bevestigend beantwoorden.

6.37

Het hof heeft onder rechtsoverweging 6.32 al geconcludeerd dat [geïntimeerden] c.s. een bijzondere zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden. Vast staat dat de Leaderlandvennootschappen daarna door de Ondernemingskamer zijn ontbonden. Gesteld noch gebleken is hoe dan ook, dat de vennootschappen thans nog over enige reële activa beschikken of over de mogelijkheid die te verwerven. Weliswaar zal een nog te benoemen vereffenaar in actie kunnen komen, maar bij gebreke van enige activa, en gegeven het feit dat de debiteuren zich in het buitenland bevinden (die er gezien hun 'uiterst contentieuze' houding alles aan zullen doen om eventuele claims te torpederen), moet dit scenario als strikt theoretisch worden gezien. Daarmee moet het belang van [appellant] als aandeelhouder door de gang van zaken als verdampt worden beschouwd, en moet zijn schade als aandeelhouder geacht worden definitief te zijn geleden. Naar het oordeel van het hof is met die constatering de mogelijkheid van de kans op afgeleide schade gegeven.

Onrechtmatig handelen van Raw Materials, [geïntimeerde2] jr. en Investment Group?

6.38

Raw Materials wordt met name verweten dat zij de lucratieve handelsactiviteiten, inclusief kantoorpand en het personeel, van de Leaderlandvennootschappen heeft overgenomen, zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Door [appellant] is voorts gesteld dat Raw Materials en [geïntimeerde2] jr. wisten van de onrechtmatige gedragingen van [geïntimeerde6] (volgens [appellant] hierin bestaande dat [geïntimeerde6] naliet namens de Leaderlandvennootschappen Raw Materials op de gedragingen aan te spreken). Tot slot zou SC Investment Group op haar beurt hebben geprofiteerd van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde6] , doordat zij na de materiele liquidatie van de Leaderlandvennootschappen houder is van 90% van de aandelen in de Soyuz Corporation - dat 100% van de aandelen houdt in Soyuz TTM - terwijl zij daarvoor niet of in elke geval veel te weinig heeft betaald, aldus [appellant] .

6.39

Het hof heeft hiervoor, in rov. 6.32, geoordeeld [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde6] en [geïntimeerde4] tegenover [appellant] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden, nu zij op basis van een vooropgezet plan, dat gebaseerd is op list en bedrog, hebben gepoogd hem als aandeelhouder van de Leaderlandvennootschappen in privé te treffen, onder veiligstelling van de aandeelhoudersbelangen van [geïntimeerde3] sr. en [geïntimeerde4] . Raw Materials en SC Investment Group hebben daarbij gezamenlijk een instrumentele rol gespeeld - en wel via [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde6] en [geïntimeerde4] - die heeft bijgedragen aan, en in zoverre het gevaar in het leven heeft geroepen voor het toebrengen van de hiervoor in rov. 6.37 besproken schade van [appellant] . De kans op het ontstaan van deze schade als gevolg van die instrumentele rol had Raw Materials en SC Investment Group daarvan behoren te onthouden. De kennis en kwade opzet van de feitelijke bestuurders van deze vennootschappen, en derhalve hun onrechtmatig handelen tegenover [appellant] , heeft in het maatschappelijk verkeer te gelden als handelen van de rechtspersoon en moet daarom ook aan die vennootschappen zelf worden toegerekend. Gelet daarop oordeelt het hof, met toepassing van artikel 25 Rv, dat de conclusie moet zijn dat Raw Materials en SC Investment Group op grond van toerekening naast en tezamen met [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde6] en [geïntimeerde4] tegenover [appellant] aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade.

6.40

Voor [geïntimeerde2] jr. kan die conclusie niet worden getrokken, nu het enkele feit dat hij formeel bestuurder is van Raw Materials en bovendien een zoon van sr. onvoldoende is om zodanige betrokkenheid aan te nemen dat ook zijn doen en nalaten als onrechtmatig tegenover [appellant] kan worden aangemerkt. Nadere onderbouwing is aan de tegen hem gerichte vordering niet verschaft. Voor toepassing van de leer van groepsaansprakelijkheid is wat hem aangaat geen plaats, omdat die aansprakelijkheid specifiek is geschreven voor feitelijk groepsgedrag, waarbij de rol van de individuele participanten niet kan worden onderscheiden. Daarvan is in dit geval geen sprake, en er is geen bijzondere aanleiding om [geïntimeerde2] jr. toch op grond van deze regel aansprakelijk te achten.

Onrechtmatig handelen van de Leaderlandvennootschappen?

6.41

Op grond van hetgeen daartoe is aangevoerd, ziet het hof niet in dat de Leaderlandvennootschappen onrechtmatig tegenover [appellant] hebben gehandeld. Het handelen dat aan de eerder genoemde natuurlijke personen wordt verweten, heeft die vennootschappen immers juist nadeel toegebracht, en het is dat nadeel waaraan [appellant] zijn eigen schade ontleent.

Bewijsaanbod

6.42

[geïntimeerden] c.s. hebben ter gelegenheid van het pleidooi bewijs aangeboden van de stelling dat: (a) [appellant] onrechtmatig lange termijn(inkoop)contracten namens Leaderland heeft gesloten, (b) [appellant] voor of in dienst van concurrent EFKO heeft gewerkt of daarmee heeft samengewerkt om Leaderland uit de markt te drukken, (c) heeft geprobeerd Leaderland ten gronde te richten, d) Peters Inc. bewust niet heeft afgelost en/of Peters Inc. bewust niet om toestemming met de splitsing van Leaderland heeft verzocht en voorts dat (e) [geïntimeerde3] sr. geen banden heeft met Peters lnc. (f) de financiële crisis binnen Leaderland niet geënsceneerd was en (g) de Soyuz deelneming is verkocht voor een marktconforme prijs. Ten aanzien van (a) tot en met (d) overweegt het hof dat deze concreet te bewijzen aangeboden stellingen, indien deze zouden komen vast te staan, niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Met betrekking tot (e), (f) en (g) en voor zover sprake is van een algemeen aanbod tot het leveren van tegenbewijs, geldt dat het hof geen aanleiding ziet om tegenbewijs toe te staan (zie ook hiervoor onder 6.33).

Slotconclusies

6.43

Het voorgaande betekent dat het bestreden vonnis voor zover dat in conventie en in reconventie is gewezen tegen [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde6] , [geïntimeerde4] , Raw Materials en SC Investment Group moet worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw recht doende, de conventionele vorderingen van [appellant] alsnog toewijzen voor zover die zijn gericht tegen deze partijen. De reconventionele vorderingen zullen alsnog worden afgewezen. Het verweer van [geïntimeerde2] jr. treft doel. In zoverre dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd.

6.44

In zaak 200.176.618 (gericht tegen de beslissing in de oorspronkelijke conventie) zullen [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] , [geïntimeerde6] , Raw Materials en SC Investment Group als de in het ongelijk gestelde partijen in beide instanties in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, worden verwezen. In de zaak met nummer 200.177.802 (de oorspronkelijke, aan de conventie verbonden reconventie) zullen de proceskosten in hoger beroep voor rekening van [appellant] moeten blijven, omdat - hoewel de grieven doel treffen - deze kosten nodeloos zijn veroorzaakt. Gelet op het feit dat het om een verstek gaat, betekent dat dat hij in die procedure zijn eigen kosten zal moeten dragen. Hetzelfde geldt voor de proceskosten in het hoger beroep in de zaak met nummer 200.183.452, nu dat hoger beroep faalt. Daarnaast ziet het hof geen aanleiding voor een afzonderlijke proceskostenveroordeling in het voordeel van [geïntimeerde2] jr.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] in de zaak met nummer 200.176.618 zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten (waaronder de beslagkosten) € 2.357,31

- griffierecht € 262,-

subtotaal verschotten € 2.619,31

- salaris advocaat € 2.712,- (6 punten x tarief II)

Totaal € 5.331,31

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] in de zaak met nummer 200.176.618 zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,19

- griffierecht € 311,-

subtotaal verschotten € 405,19

- salaris advocaat € 4.173,-

(3 punten x tarief II per 1 mei 2018)

Totaal € 4.578,19

7 De beslissing in alle drie de zaken

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

In de zaak met nummers 200.176.618 en 200.183.452

7.1

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden Nederland, locatie Lelystad van

24 juni 2005 en doet opnieuw recht;

In de oorspronkelijke conventie

verklaart voor recht dat [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] , [geïntimeerde6] , Raw Materials en SC Investment Group jegens [appellant] onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [appellant] voor de daardoor geleden schade;

veroordeelt [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] , [geïntimeerde6] , Raw Materials en SC Investment Group hoofdelijk tot betaling van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk zijn, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

In de oorspronkelijke reconventie

wijst het gevorderde af.

In de zaak met nummer 200.176.618

7.2

veroordeelt [geïntimeerde3] sr., [geïntimeerde4] , [geïntimeerde6] , Raw Materials en SC Investment Group in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg in conventie en reconventie vastgesteld op € 2.619,31 voor verschotten en op € 2.712,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 405,19 voor verschotten en op

€ 4.173,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

In de zaak met nummers 200.177.802 en 200.183.452

7.3

veroordeelt [appellant] in de kosten van geïntimeerden in het hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In de zaak met nummers 200.176.618, 200.177.802 en 200.183.452

7.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, R.A. van der Pol en I. Tubben en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

12 juni 2018.